www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Vrienden voor het leven
door Ko Verzuilen (Roel Jager)
geschreven circa 1961
uitgebracht door uitgeverij Herman Troukens

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII

HOOFDSTUK I

Verdrietig lag Kees Schippers in zijn volle lengte tegen de helling van een duin. Links van hem lag de Duinweg, het zandpad naar het dorp vanwaar hij gekomen was en voor hem keek hij op het strand dat op dit moment geheel verlaten was. De schuimkoppen der branding rolden met hun eeuwige, monotone lied tot ver tegen de schuine kant op. In gewone omstandigheden zou Kees volop hebben genoten van het schouwspel, maar deze keer had hij er geen oog voor. De reden van zijn weinig vrolijke humeur was ogenschijnlijk een beetje gezocht, maar elke jongen uit het dorp zou het gevoeld hebben zoals Kees.

Eigenlijk zat het hem in het feit dat Kees zo goed kon leren, hij was een der beste leerlingen geweest van meester Buys, de hoofdonderwijzer van de dorpsschool. En bovendien was hij één van diens meest populaire leerlingen. En als meester Buys eenmaal iets zag in een van zijn leerlingen, probeerde hij die ook wat verder te brengen in de wereld. Op zichzelf was dat natuurlijk alleen maar te prijzen in hem, maar Kees deed hij er echt geen plezier mee. Het liefst was hij gewoon, zoals alle dorpsjongens, bij een baas gaan werken en daarna, op zijn dertiende of veertiende naar zee als jongmaatje op een logger. Maar een paar weken voor Kees de lagere school zou verlaten was meester Buys naar zijn ouders gegaan om eens rustig met hen te spreken.

"Wat moet Uw zoon worden meneer Schippers?" vroeg hij op de man af.

Schippers keek de onderwijzer eens verbaasd aan.

"Ik denk dat hij zelf het liefst het beroep van zijn vader zal kiezen," zei hij.

Meester Buys schudde eens met zijn hoofd.

"Dat antwoord had ik al verwacht," zei hij. "Maar als zijn onderwijzer voel ik me verplicht om U en Uw vrouw er op te wijzen dat er voor die jongen andere mogelijkheden zijn. Hij kan buitengewoon goed leren, dat weet U toch?"

"Hij is altijd met prachtige rapporten thuis gekomen," zei moeder trots.

"Maar ik begrijp eerlijk gezegd niet, waar U naar toe wilt meester," zei Kees' vader.

Omstandig haalde de onderwijzer zijn tabakszak te voorschijn om er een verse pijp bij op te steken. Daarna schoof hij hem over de tafel heen om Schippers mee te laten roken maar die bedankte.

"Wat zouden jullie er van zeggen als Kees eens naar de Mulo ging," vervolgde meester Buys zonder omwegen.

Twee paar verbaasde ogen keken hem ongelovig aan. Toen nam moeder het woord.

"Niets liever dan dat meester," zei ze. "Maar ik zou echt niet weten hoe dat zou moeten gaan. Hier in het dorp is nu eenmaal geen Mulo en dus zou hij alle dagen naar de stad moeten. Dat kost geld en zo veel kan er hier niet gemist worden, dat weet U toch zeker wel?"

"Dat wist ik ook wel," zei meester Buys, terwijl hij een grote rookwolk naar de balkonzoldering van het huisje joeg. "Maar ik zal de zaak duidelijk maken. Kijk eens, mijn zoon woont in de stad en is daar leraar aan een Mulo. Die heeft het ook wat verder gebracht dan zijn vader zoals U merkt. Met hem en mijn schoondochter heb ik er al eens over gesproken. Die twee zouden best bereid zijn om Kees in huis te nemen, zodat er dan al twee dingen af vallen. In de eerste plaats behoeven jullie hem niet in de kost te hebben en in de tweede plaats is hij niet dagelijks geld voor de tram kwijt. Er zou dan alleen gezorgd moeten worden voor zijn kleding en voor het lesgeld en de boeken die hij nodig heeft."

Het was vader en moeder Schippers aan te zien dat ze dat royale aanbod eerst eens moesten verwerken. Blijkbaar zaten ze in zich zelf te rekenen of dat de oplossing was voor alle financiële moeilijkheden. Allebei vonden ze het een prachtig aanbod en vooral moeder scheen er heel veel voor te voelen.

"Als dat kan, dan graag meester," zei ze als eerste, nadat er een paar minuten stilte in het kleine kamertje had gehangen.

En vader kon toen niet anders doen dan instemmend knikken.

Tja, zo was het begonnen. Naar Kees zijn eigen mening werd eigenlijk niet eens gevraagd, zijn ouders namen als vanzelfsprekend aan dat hij er mee accoord ging, trouwens, meester Buys ook. Nu had Kees er ook niet zo veel bezwaren tegen. Zijn plannen, om naar zee te gaan zouden er alleen een aantal jaren door uitgesteld worden. Maar dat bracht ook weer met zich mee dat hij dan misschien hoger in rang op zou klimmen. Want als Kees naar de Mulo ging wilde hij beslist nog wat verder studeren en daarna de zeevaartschool doorlopen. Dan zou hij zijn vleugels wellicht nog wat verder kunnen uitslaan en niet gebonden zijn aan de Noordzee, want verder kwamen de vissersboten uit het dorp meestal niet. Hij schreef er eens een brief over aan oudere broer Jaap die ook de ruimte had opgezocht en nu als matroos voer op een grote vrachtboot. Hij kreeg een enthousiaste brief terug, waarin stond dat hij zo'n kans zeker niet mocht laten lopen. Als Kees dan eenmaal de Mulo had doorlopen zou Jaap er wel een goed woordje voor doen dat Kees tenslotte toch naar zee kon gaan.

"Dan hoef je tenminste niet de hele dag het dek te zwabberen en verder allerlei karweitjes op te knappen waar je vuile handen bij krijgt," schreef Jaap in echte matrozentaal aan zijn jongere broer.

Nu was het vijftien augustus, nog twee weken en hij zou naar de stad gaan, weg van zijn geboortedorp. Maar dit alles haalde hem de afgunst en de spotzucht op de hals van zijn vroegere schoolmakkers, vooral nadat Kees' moeder had beslist dat Kees nu voortaan schoenen zou moeten dragen en zich helemaal een beetje moest voorbereiden op de omgang met mensen uit de stad. Dat maakte het lieve leven aan de gang. Hij werd een beetje beschouwd als een vreemde eend in de bijt bij zijn vrienden, de schuld van moeders doordrijverij. Vooral nu alle jongens vacantie hadden voelde hij dat dubbel omdat ze allemaal volop genoten van hun vrije tijd. Bij alle spelletjes die ze deden werd Kees echter geweerd. Hij was immers een jongen die in de stad thuis hoorde? Schoenen droeg hij! Zelfs op zondag liep bijna iedereen in het dorp op klompen, behalve natuurlijk de dokter, de onderwijzer en nog een paar andere mensen. Maar de zoon van een visser die de hele week op schoenen liep? Zo zout hebben de dorpsjongens het nog nooit gegeten en het gevolg was dan ook dat Kees bespot werd of aan zijn lot over gelaten.

Daarom lag hij nu zo balorig uit te kijken over het strand, in gedachten verdiept en een beetje met zich zelf begaan. Al een paar keer had hij er op geslagen als het hem al te bont was geworden en de knapen hem wat te veel sarden, maar tenslotte gaf hij het op. Hij zou zich zelf een beetje trachten te amuseren. Op het strand waren nu een stel jongens aan het spelen met een boot die de vissers gebruikten voor het scheppen van garnalen. Belangstellend en een beetje verlangend volgde Kees hun bewegingen. Hoe graag was hij het duin afgehold om zich bij hen te voegen! Nee, Kees was bepaald niet in een beste bui.

Plotseling werd hij opgeschrikt door het gekef van een hond. En direct daarop daalde er een kluit aarde naast hem neer. Woedend wilde hij overeind springen. Dat ging nu warempel toch wat al te ver! Zelfs hier, in het duin konden ze hem niet met rust laten, de kwelgeesten! Degene die hem dat had geleverd kon weer eens kennis maken met zijn stevige knuisten, al kwamen ze met zijn tienen!

Maar hij stond nog niet op zijn benen toen een spottende stem zei: "Rustig maar, ik heb geen kwaad in de zin!"

Illustratie op pagina 80De uitdrukking van woede op het gezicht van Kees maakte plaats voor verbouwereerdheid. Achter hem stond een vrij haveloos geklede jongen, in gezelschap van een klein jachthondje. Kees kende hem wel, het was Klaas Pauw, de zoon van een strandjutter en stroper die een stuk buiten het dorp woonde, vlak tegen de duinen aan. Zoals Kees de laatste weken een buitenbeentje was geworden, zo was Klaas het altijd geweest door de bezigheden van zijn vader en van hem zelf. Vader en zoon woonden met zijn tweeën in het kleine huisje.

"Wat moet je van me?" vroeg Kees weinig vriendelijk.

"Ik wilde eens kijken of je nu eigenlijk sliep of dat je wakker was," zei Klaas lachend. "Ik ben hier nu al drie keer langs gekomen op een afstand van amper twintig meter, maar je scheen niets te zien of te horen."

"Best mogelijk," bromde Kees. "Ik zat met mijn gedachten ook een heel eind uit de buurt het laatste half uur."

"Plagen ze je nog steeds?" informeerde Klaas belangstellend.

Het deed Kees goed, die vraag. Het kwam er hartelijk en welgemeend uit bij Klaas en de wetenschap dat er iemand was die belang in hem stelde maakte hem heel wat spraakzamer. Alleen, wat moest hij nu voor antwoord geven op zo'n vraag! Als hij er mee voor de dag kwam zou het lijken alsof hij om medelijden vroeg en dat sprak toch wel een beetje tegen het eergevoel van Kees.

"Ach ja," zei hij maar schouderophalend. "Het zit hem blijkbaar in die schoenen. Daar hebben ze nu eenmaal iets tegen. Alsof ik er iets aan kan doen dat ik ze aan moet! Maar mijn ouders vinden dat ik me vast wat aan moet passen bij het leven in de stad."

"Het is een rare bedoening," zei Klaas levenswijs. "Mij bespotten ze omdat ik er niet netjes genoeg uit zie naar hun mening en bij jou gaat het er om dat je de laatste tijd zo keurig gekleed bent. Zoek het maar uit!"

"En dan willen ze ook beweren dat ik zo verwaand ben geworden," voegde Kees er aan toe.

Bij die woorden schoot Klaas in de lach.

"Jij verwaand?" zei hij. "Nu ik je zo hoor praten, zou ik het niet zeggen. Dat stel uit het dorp doet beter met eerst eens naar zich zelf te kijken. Er zitten er een paar tussen die ik met alle liefde eens per week een pak slaag zou willen geven, zo verwaand zijn ze. Maar dat schijnt nu eenmaal niet te mogen en ik geloof ook niet dat het er beter van zou worden. Daarom laat ik ze maar links liggen dan heb ik er het minste last van."

"Wat ben je eigenlijk aan het doen?" gooide Kees het gesprek over een andere boeg.

"Met Lorrie een eind aan het wandelen. Hij schijnt een konijn op het spoor te zijn en ik loop hem maar wat achterna. Ik geloof trouwens dat hij het spoor nu kwijt is want hij draait steeds in een kring rond en dat heeft dat konijn vast niet gedaan."

"Wat een leuk dier is het," kon Kees niet nalaten om te zeggen.

"Lorrie is mijn beste vriend," zei Klaas.

Meteen floot hij de hond naar zich toe.

"Kom maar hier," zei hij. "Dat hollen van je levert toch niets op." Terwijl hij de hond even over de kop streelde, vroeg hij: "Loop je soms een eind mee op?"

"Best," zei Kees.

Samen wandelden ze door het duin in de richting van het huis waar Klaas woonde.

"Waarom ga jij eigenlijk niet met je vader mee naar zee?" vroeg Klaas.

"Omdat meester Buys met mijn ouders heeft uitgemaakt dat ik door moet leren," zei Kees. "Maar dat kan ik eigenlijk even goed aan jou vragen!"

Er kwam even een bittere trek om de mond van Klaas.

"Ik heb al links en rechts gevraagd om een plaatsje," zei hij. "Maar ze moeten me niet."

Kees begreep het al.

"Omdat mijn vader achter konijnen aan gaat," ging Klaas verder, "en ook omdat hij af en toe wel eens wat vindt aan het strand! Maar daar doet hij toch niemand kwaad mee? Je mag gerust weten dat ik zelf wel eens met hem mee ga en ik vind het wat spannend soms!"

"Hoe doen jullie dan eigenlijk zo iets?" vroeg Kees belangstellend.

"O, dat kun je op allerlei manieren doen," zei Klaas een beetje vaag.

Blijkbaar ging hij er maar liever niet al te diep op in en daarom deed Kees er ook verder het zwijgen maar toe. Ze liepen nu over een duintop, ter hoogte van de spelende jongens op het strand.

Die kregen ze ook blijkbaar in het vizier, want plotseling riep er een luidkeels: "Kijk daar eens jongens, daar gaan de prins en de bedelaar! Als de prins straks een edelmoedige bui heeft mag de bedelaar zijn schoenen ook even aan hebben!"

Kees wilde meteen het duin af hollen om de knaap hardhandig antwoord te geven, maar Klaas hield hem bij de arm tegen.

"Laat gaan jo," zei hij. "Die zetten het toch op een hollen als je wat al te dicht in de buurt komt. Ik zal ze even laten zien dat we Lorrie bij ons hebben, dan houden ze verder hun gemak wel. Daar hebben ze alle respect voor omdat hij harder loopt dan zij."

Hij bleek al weer gelijk te hebben, want zodra hij maar even had gefloten hield het gejoel daar beneden meteen op.

"Ik heb er ook wel eens een paar flink door elkaar gerammeld," zei Klaas. "Maar dit is veel gemakkelijker. Ik hoef het nooit zo ver te laten komen dat ik er eentje in zijn kuiten laat bijten, wat ik ook trouwens liever niet doe."

Zonder nog op of om te kijken naar de knullen bij de boot, ging het tweetal verder.


 

HOOFDSTUK II

De laatste veertien dagen voor zijn vertrek bracht Kees bijna steeds door met zijn nieuwe vriend. Na die eerste kennismaking had het tweetal nog heel wat uurtjes door de duinen en langs het strand gezworven. Moeder Schippers mopperde vaak op haar zoon dat hij er zo verschrikkelijk uit zag, maar daar trok Kees zich niet veel van aan. Toen hij voor de vierde achtereenvolgende keer met een paar kale schoenpunten thuis kwam was de maat vol.

"Ziezo, doe nu je schoenen maar uit en trek je klompen weer aan," zei moeder. "Tegen de tijd dat je ze werkelijk nodig hebt zijn ze anders finaal versleten."

De klompen van Kees zelf waren kapot en niet vernieuwd omdat hij ze toch voorlopig niet meer zou dragen. Maar er stond nog een paar van Jaap. Die waren hem weliswaar wat te groot, maar toch voldeed Kees met veel plezier aan de opdracht van zijn moeder. En zo gebeurde het dat hij de laatste tien dagen nog op het oude, vertrouwde schoeisel door bracht. Hij voelde er echter geen enkele behoefte meer aan, zijn oude vrienden weer op te zoeken. Veel liever zat hij in het huisje van de strandjutter wanneer het lopen in de grote klompen hem wat te lastig werd. Aan zijn ouders vertelde hij maar nooit waar hij de hele dag doorbracht, anders zouden die wel de nodige bezwaren geopperd hebben.

Stond Klaas bij zijn vrienden al niet in een beste reuk, over zijn vader deden allerlei verhalen de ronde die een mens de haren te berge deden rijzen. Hij zou een dronkaard zijn, hij stroopte, hij sloeg zijn zoon, kortom het was een uitgesproken slecht mens. De eerste kennismaking stelde Kees zich dan ook niet zo bijzonder veel van voor en eerlijk gezegd zag hij er een beetje tegen op. Maar alles viel reusachtig mee. In tegenstelling tot al die verschrikkelijke verhalen bleek de vader van Klaas een gemoedelijke man te zijn. In het begin deed hij wel een beetje stug en zei hij niet veel tegen Kees maar later draaide hij bij en bleek een gezellige prater te zijn die urenlang kon vertellen als hij er de tijd voor had. Ademloos zat Kees af en toe te luisteren naar de verhalen die hij vertelde over de avonturen die hij in zijn leven had meegemaakt.

In die twee weken werd Kees een graag geziene gast in het huisje daar bij de duinen iemand voor wie de deur als het moest dag en nacht open stond. Tenslotte hoorde moeder Schippers van anderen waar haar zoon zijn dagen zoek bracht. Ze wilde er echter niets van zeggen omdat ze nu toch vanzelf het einde van de vriendschap spoedig verwachtte. Straks in de stad zou Kees wel andere vrienden krijgen die naar moeders oordeel beter bij hem pasten. Zo kwam dan de dag dat Kees afscheid nam van het dorp, althans voorlopig. Het afscheid van Klaas en diens vader was allerhartelijkst. Ook voor Lorrie was hij een goede bekende geworden. De hond stond tegen hem op te springen alsof hij Kees tegen wou houden.

"Nou, dan ga ik maar," zei Kees tenslotte.

"Hou je haaks," zei Klaas hartelijk. "En je weet het hè, je kunt hier altijd terecht als je moeilijkheden mocht hebben, al is het midden in de nacht."

"Ik zal er aan denken," beloofde Kees.

De volgende morgen al vroeg stond hij te wachten bij de tramhalte en een kwartier later stapte hij in, op weg naar een nieuwe toekomst. Het ritje naar de stad was wel afwisselend. Kees had het natuurlijk wel vaker gemaakt doch deze keer bezag hij alles onderweg met andere ogen. Bovendien was dit eigenlijk de eerste keer dat hij zo helemaal in zijn eentje reisde en nu voelde hij zich toch wel een hele Piet. Weldra was hij dan ook alle narigheid van het afscheid vergeten en veel te spoedig naar zijn zin doemden de grote huizenblokken met daarenboven verschillende kerktorens en fabriekspijpen in de verte op.

Meneer Buys stond Kees al op te wachten aan het station wat een hele opluchting voor hem was. Hij was een joviale gezellige man die zich er op verheugde dagelijks iemand uit zijn oude, vertrouwde dorp om zich heen te hebben. Weldra was het tweetal dan ook in druk gesprek gewikkeld. De drukte viel eerst wel een beetje op Kees af, maar een tram bracht hen al spoedig in een rustiger buurt. Het viel Kees wel op dat de huizen hier precies eender waren, heel anders dan in het centrum van de stad, waar hij aangekomen was. Daar was volop variatie geweest, lawaai en getoeter van auto's die zich een weg baanden over de drukke straten. Links en rechts van de straat waren daar winkels, hotels en grote kantoorgebouwen, terwijl er ook veel water was. Maar hier werd de straat aan beide kanten begrensd door woonhuizen, allemaal precies gebouwd in dezelfde stijl. Kees vond het allemaal maar vreselijk saai en troosteloos en in stilte hoopte hij dat meneer Buys niet hier in de buurt zou wonen maar dat de tram hen verder zou brengen.

Zijn verwachting werd echter al spoedig de bodem ingeslagen want bij een der haltes stapten ze uit en zei meneer Buys: "Ziezo, we zijn er bijna. Nog een paar minuten lopen en dan kun je je voorlopige woning bekijken."

Naast elkaar liepen ze door de tamelijk stille straat. Wat hem nog niet eerder was opgevallen, gebeurde hem hier; het viel hem op dat de schaarse voorbijgangers die ze zagen hem bijna allemaal een beetje verwonderd en glimlachend aankeken. In het begin schonk hij er niet direct aandacht aan, doch toen hij even later een stel jongens hardop hoorde grinniken, moest hij het wel horen.

"Wat een pikbroek!" hoorde hij een van hen zeggen en het bloed steeg hem naar het hoofd. Meneer Buys had net gedaan alsof hij niets hoorde.

Een beetje medelijdend keek hij naar de jongen naast hem. Hij had zelf die moeilijke tijd gehad in het begin en kon zich dus best in de toestand van Kees verplaatsen.

Toen ze echter voor de deur stonden vroeg hij: "Heb je nog meer kleren bij je als deze Kees?"

"Jazeker, mijn doordeweekse kleren zitten in mijn koffertje," zei Kees een beetje verwonderd.

Hij had het gegrinnik van de straatjongens wel gehoord, maar niet direct begrepen dat dat om zijn dorpse kleren was. Meneer Buys schrok even. Als dit zijn zondagse kleren waren, hoe moest het dan wel met zijn gewone kleren die hij dagelijks droeg, gesteld zijn! Hij deed er voorlopig verder het zwijgen maar toe. Te zijner tijd konden ze dan wel eens zien hoe dit opgelost moest worden.

Langs een steile, donkere trap klommen ze naar boven. Alleen op de tussenportalen kreeg het daglicht gelegenheid naar binnen te dringen via een klein, vierkant raampje. Het werd Kees een beetje angstig te moede. Hemeltje, moest hij hier in dit huis de eerste jaren door brengen? Hij had zich eigenlijk geen bepaalde voorstelling gemaakt over de woning van meneer Buys, maar omdat die leraar van een school, nog wel aan een Mulo, was, viel hem dit alles een beetje koud op zijn dak.

Gelukkig, na drie trappen op te zijn geklommen stapte meneer Buys ergens naar binnen en hier kreeg Kees weer andere indrukken te verwerken. Tjonge, wat was het hier duur ingericht! In werkelijkheid was het een gewone, gezellig ingerichte huiskamer waar Kees in terecht kwam, maar in vergelijking tot de kamertjes met de lage zoldering en daarin het eenvoudige meubilair, leek hem dit een overdadige luxueuze inrichting. Mevrouw Buys was allerhartelijkst tegenover Kees, maar toch voelde hij zich niet erg op zijn gemak bij haar. Ze was hier in de stad geboren en het ontging Kees niet dat ze hem even, heel vlug, van onder tot boven opnam, alsof ze hem taxeerde. Hij vond in haar blik hetzelfde als in de woorden die hij daarnet op straat had gehoord en dat droeg er niet toe bij om hem voor mevrouw Buys in te nemen. Mevrouw Buys meende het niet zo, maar in die dingen was Kees de laatste tijd erg vlug op zijn teentjes getrapt. In het dorp hadden ze hem bespot omdat hij schoenen droeg en hier scheen zijn kleding weer te dorps te zijn.

Met de heer en mevrouw Buys zette Kees zich weldra aan tafel maar ofschoon het hem nooit aan eetlust had ontbroken deed hij deze keer de maaltijd weinig eer aan. Hoe hij ook aangemoedigd werd, hij kon haast niets door zijn keel krijgen. Het liefst had hij meteen weer rechtsomkeert gemaakt, terug naar zijn vriend Klaas en diens vader, met als enige gezelschap verder de trouwe Lorrie.

Toen hij die avond op het kamertje zat dat speciaal voor hem was ingericht, stond het huilen hem nader dan het lachen. Vlak onder het dak van het huis zat hij hier, want beneden, waar de familie Buys woonde, was geen plaats meer voor zijn bed. Kon hij bij zijn ouders het ruisen van de zee horen, hier klonk het geluid van een auto die toeterde, of heel in de verte het bellen van een tram. Allemaal geluiden die hij vroeger nooit had gehoord en het duurde lang voor hij in slaap viel.

's Nachts droomde hij van tientallen vreemde jongens, die hem uitlachten en op zeker moment in koor op hem afkwamen. Met een paar van hen rekende hij af, maar er kwamen er steeds meer en tenslotte moest hij het opgeven. Een kluwen vechtende jongens lag boven op hem en vervolgens hoorde hij de stem van mevrouw Buys.

"Dan had je maar andere kleren aan moeten trekken," zei ze vriendelijk.

"In het dorp had je van die mooie hoge schoenen hier draag je klompen!"

"Maar ik wil geen schoenen aan. Daar komt zand in als ik met Klaas in de duinen loop en dan moet ik ze weer uit doen!" schreeuwde Kees.

"Ja, dan moet je het zelf verder weten. Maar dan zul je de jaren die je hier in de stad doorbrengt, wel altijd onder blijven liggen."

Met een schreeuw werd Kees wakker, in het donker als een dolleman om zich heen maaiend met zijn armen. Het was maar een geluk dat er niemand in zijn naaste omgeving sliep, anders zou hij waarschijnlijk danig zijn uitgelachen.

Nu lag hij eerst een hele tijd in het donker te staren, terwijl de droom nog niet geheel uitgewerkt was en hij nog steeds de jongensstemmen hoorde.

"Pikbroek!"

Toen hij na een half uur weer wat tot bezinning kwam en de opdringende tranen terug had gewerkt viel hij gelukkig in een diepe slaap waaruit hij niet eerder wakker werd dan nadat meneer Buys hem eens flink door elkaar had geschud.

Hij vertelde maar niets over zijn droom van die nacht en toen hem gevraagd werd of hij goed had geslapen zei hij: "Jazeker, heerlijk!"

Onder het eten vertelde meneer Buys hem iets over de school waar hij naar toe zou gaan en Kees luisterde nu aandachtig. Leren kon hij wel en hij had er ook helemaal geen hekel aan!

"Hoe vind je onze gast?" vroeg meneer Buys aan zijn vrouw toen Kees even de kamer uit was gegaan.

"Erg vlot lijkt hij me niet. Ik hoop maar dat hij zich spoedig aan zal weten te passen, want anders voorspel ik hem een moeilijke tijd."

"Ach, het zal wel wennen," meende meneer Buys.

Om negen uur zou de school beginnen en daarom stapten ze met zijn tweeën om half negen de straat weer in, zodat ze bijtijds aan de school zouden zijn waar meneer Buys nog een paar dingen moest doen alvorens hij met de lessen kon beginnen.

Kees was ingedeeld in zijn klas en dat gaf gelukkig een beetje vertrouwd idee. Maar voor de school begon had hij het eerst nog een kwartiertje zwaar te verduren.

"Daar heb je die pikbroek jongens," hoorde hij achter zich terwijl hij de binnenplaats van het gebouw bekeek.

In een ogenblik tijds was hij het middelpunt van een stuk of zes jongens die hem allerlei schimpende opmerkingen toe voegden. Een van hen scheen zich graag populair bij zijn vrienden te maken door anderen te bespotten. Hij begon een beetje op te dringen in de richting van Kees. Met een gezicht alsof hij een vies vod aanraakte, zo pakte hij Kees bij de schouder om hem in het rond te draaien. Een hete woede steeg op in Kees. Het volgende ogenblik schoot zijn vuist uit in de richting van dat gehate gezicht, precies op de neus van de jongen.

"Dat zul je voortaan wel laten!" zei Kees, terwijl hij langzaam terug liep in de richting van de muur der school.

Even ging het er op lijken alsof zijn droom van die nacht uit zou komen want het stel nam een dreigende houding aan. De jongen die hij een fikse bloedneus had gestompt raapte blijkbaar al zijn moed bij elkaar en wilde op hem af komen. Toen hij echter de verbeten uitdrukking op het gezicht van zijn tegenstander zag droop hij wijselijk af. Hij zag wel in dat die nieuweling in ieder geval niet bang was uitgevallen en dat hij over een paar stevige knuisten beschikte. En zo getapt scheen hij toch niet bij de anderen te zijn dat die het waagden om hem bij te staan als het op vechten aankwam.

De eerste ronde had Kees dus glansrijk gewonnen!

Het toeval wilde dat hij in het klasselokaal vlak voor zijn tegenstander kwam te zitten. En nu begon het lieve leven opnieuw! Hier binnen scheen hij nog wat meer moed te hebben dan op de speelplaats omdat hij niet verwachtte dat die "buitenjongen" hier op de vuist zou gaan met hem. Maar dan had hij zich toch vergist, naar even later zou blijken. Het stiekeme gefluister achter hem deed Kees niet zo veel. Niet dat hij het plezierig vond, maar hij begreep dat daar toch niet veel aan was te doen. Klikken deed hij niet, dus meneer Buys, die het gefluister ontging, kon er ook niet direct veel aan veranderen.

Ze waren bezig aan een wiskundeles en met veel plezier zat Kees te werken. De sommen waren niet moeilijk en hij kon dus best mee komen. Maar plotseling voelde hij een stekende pijn in zijn rug. De knaap achter hem had zijn plastic rekenliniaal hard in de rug van zijn vijand gestoken.

"Hier pikbroek, dat had je nog van me te goed!" fluisterde hij, terwijl de jongen naast hem in een onderdrukt gegrinnik uitbarstte.

Vergeten was de wiskundeles! Niet zo zeer de pijn maakte Kees woest als wel het feit dat die knul maar van alles met hem dacht te kunnen doen. Het volgende ogenblik stond hij naast zijn bank en sloeg er op los. Een hevig tumult ontstond in het lokaal en verschillende anderen probeerden Kees terug te trekken. Maar niemand was in staat de wildeman tot bedaren te krijgen. Hij trapte en sloeg iedereen van zich af. Weer voelde hij zich bij de schouder gegrepen. Als een razende draaide hij zich om en sloeg naar zijn nieuwe belager. Die nieuwe belager was..... meneer Buys!

Even stond hij beduusd te kijken toen hij een klap op zijn gezicht kreeg maar toen maakte hij korte metten. Hij had wel begrip voor de situatie doch dit werd te erg! En voor de tweede keer pakte hij Kees bij de schouders om hem nu resoluut het lokaal uit te werken. Verslagen en ontnuchterd stond Kees op de gang terwijl het lawaai in de klas nog even voortduurde. Hij hoorde de knaap die hem zo verraderlijk had aangevallen, zich hevig verdedigen met een schelle stem en een ogenblik bekroop hem de lust om weer naar binnen te gaan en dat joch nog eens op zijn nummer te zetten. Hij begreep echter wel dat hij daar op het ogenblik niet veel mee zou bereiken en met gemengde gevoelens wachtte hij op de dingen die gingen gebeuren.

Meneer Buys had wel ongeveer begrepen hoe de vork in de steel zat. Hij wou Kees echter eens flink laten merken dat hij zich in het klasselokaal rustig had te gedragen en daarom was hij niet van plan, hem direct weer binnen te laten. Bovendien zou hij hem vanavond nog eens behoorlijk vertellen dat hij van dergelijke dingen niet was gediend.

Zo stond Kees langer dan een kwartier op de gang te wachten zonder dat er iets gebeurde. Het begon hem langzamerhand gruwelijk te vervelen. Nu hij nog eens goed over de situatie nadacht vond hij dat hij vreselijk onrechtvaardig behandeld werd. Als die ellendige knullen hem met rust hadden gelaten was dit niet gebeurd! Nu zaten zij rustig in de klas met onschuldige gezichten en lachten in hun vuistje dat hij hier op de gang stond, voor straf! Op de klok in de gang kon Kees zien hoe laat het was. Langer dan twintig minuten had hij nu gestaan. Maar ze konden hem nog meer vertellen, meneer Buys met dat stelletje daarbinnen. Nog vijf minuten wachtte hij af en dan ging hij er van door!

Af en toe hoorde hij in de verschillende lokalen hartelijk lachen en dat maakte hem steeds nijdiger. Zorgvuldig bleef hij op de klok kijken, vastbesloten om zijn voornemen uit te voeren. En toen na die vijf minuten nog niemand hem verlof had gegeven weer binnen te komen, pakte hij heel voorzichtig zijn jasje van de kapstok en verdween naar buiten.

Een uur en veertig minuten precies had Kees de lessen gevolgd aan de Mulo!

HOOFDSTUK III

Doelloos liep Kees de straat uit. Het enige plan dat hij voorlopig had gemaakt was, om weg te komen uit deze buurt. Verder zou hij in de stad wel zien hoe hij nu moest handelen.

Onderwijl liep meneer Buys zich af te vragen waar zijn leerling gebleven mocht zijn. Nog geen vijf minuten nadat Kees de schooldeur voorzichtig achter zich had gesloten wilde hij hem weer binnen laten. Maar de vogel was gevlogen! Veel zorgen maakte meneer Buys zich echter niet. Hij keek even op de binnenplaats en in de allernaaste omgeving van de school, maar Kees was vanzelfsprekend niet te zien. Terwijl hij hoofdschuddend de school weer binnen liep overwoog hij, de politie meteen in de zaak te mengen. Maar vanuit zijn klasselokaal hoorde hij een vreselijk Indianengehuil ten teken dat zijn leerlingen de boel flink op stelten zetten. Haastig keerde hij op zijn schreden terug om de orde te herstellen. Hij zou maar eens even afwachten, misschien kwam die driftkop uit zich zelf wel weer opdagen. Waarschijnlijk was hij naar het huis dat voorlopig het zijne zou zijn, gegaan en stond hij nu zijn nood te klagen. Zo stelde meneer Buys zich zelf gerust, hoewel zijn gedachten voorlopig niet direct bij de les bepaald bleven.

En intussen liep Kees straat in, straat uit zonder een flauw benul te hebben, waar hij zich eigenlijk precies bevond. Een paar uur lang liep hij door, diep in gedachten en niet oplettend op het drukke verkeer. Een enkele politieagent bekeek hem eens wantrouwend, zich afvragend waar die strak voor zich uit kijkende jongen wel naar toe mocht gaan. Dat was nu juist hetgene wat die zich zelf ook af vroeg. Hij had zich wel vreselijk op staan winden, maar wat nu? Kees was er de man niet naar om spijt te krijgen van iets waar hij eenmaal aan begonnen was. Het ergste was echter dat hij langzamerhand honger begon te krijgen. Hij moest op de een of andere wijze wat te eten zien te krijgen. Hij had zegge en schrijve de somma van zestig cent op zak en begreep dat je daar geen hele maaltijd voor kon kopen. Ergens bij een haringstalletje kocht hij een haring en dat knapte hem weer wat op. Maar dat verslond bijna de helft van zijn kapitaal, dus hij moest heel zuinig aan doen.

Op een bank ergens in een parkje rustte hij even uit, overleggend welke kant hij uit zou gaan. En dan kreeg hij plotseling een ingeving. Hij ging naar de haven om aan te monsteren op de een of andere schuit! In het dorp kon hij zo een heel stel jongens opnoemen van zijn leeftijd die direct van school of met vader mee gingen als jongmaatje ter haringvangst. Dus moest het al heel gek lopen, wilde hij hier niet een plaatsje kunnen bemachtigen. Met vernieuwde energie stapte hij door. Bij het oversteken van een drukke winkelstraat werd hij bijna ondersteboven gereden door een bakkersjongen, die hem nog maar net wist te ontwijken met zijn zware transportfiets.

"Zeg, kun je niet uitkijken sufferd?" voegde die hem duidelijk maar weinig zachtzinnig toe.

Maar Kees was nu niet meer uit het veld te slaan.

"Neem me niet kwalijk," zei hij zo stads mogelijk.

De bakkersjongen was van zijn fiets gestapt. Op de manier die Kees de laatste dagen zo vaak had gezien, monsterde hij de jongen eens.

"Zeker van buiten hè?" vroeg hij.

"Dat heb je goed geraden," antwoordde Kees en gevat voegde hij er aan toe: "Als jij hier geboren bent kun je me misschien wel zeggen hoe ik het vlugst in de haven kom."

"Ben je onderweg naar de haven?" vroeg de bakker en toen Kees bevestigend knikte, vervolgde hij: "Nou, dan mag je wel uitkijken! Als je zo door gaat, kom je niet in de haven, maar wel in het ziekenhuis terecht."

"Klets niet en wijs me liever de weg," zei Kees ongeduldig.

Dat was blijkbaar taal die het bakkersknechtje beter verstond. Kort en bondig vertelde hij Kees hoe hij het beste kon lopen.

"Moet je familie afhalen?" vroeg hij belangstellend.

"Nee, ik ga monsteren," zei Kees kordaat.

De ander schoot in de lach.

"Wat, jij monsteren? En dacht je dat dat maar zo ging? Hoe oud ben je eigenlijk?"

"Volgende maand word ik dertien," antwoordde Kees.

"Dan zou ik dat plannetje maar helemaal uit mijn hoofd zetten als ik jou was. In de eerste plaats nemen ze je dan niet, omdat je te jong bent en bovendien is het hier echt niet zo dat ze je op de schuit zelf aannemen. Daar moet je voor naar het kantoor van de scheepvaartmaatschappijen. Die behandelen al die dingen. De kapitein ziet de mensen vaak voor het eerst als ze al lang zijn aangenomen en hoog en breed op de schuit zitten."

De bakker scheen goed op de hoogte te zijn, want hij knikte er nog eens overtuigend bij. Hij bleek nu echter geen tijd meer te hebben.

Met een zwaai sprong hij weer op zijn fiets, terwijl hij Kees nog toe riep: "Ik wens je in ieder geval veel succes!"

Vervolgens zwenkte hij handig tussen het verkeer door en Kees keek hem even bewonderend na. De woorden van de jongen hadden hem bijna overtuigd dat zijn pogingen zinloos waren. Maar juist die laatste uitroep was voldoende om hem te doen besluiten door te zetten. Dat bakkertje had hem natuurlijk eerst even bang willen maken, maar als hij inderdaad volslagen kansloos was zou hij hem geen succes toe hebben gewenst. Zo redeneerde Kees, terwijl hij er een stevige pas inzette, om niet te laat in de haven aan te komen. Dankzij de aanwijzingen van de fietsjongen stapte hij via de kortste weg, recht-toe, recht-aan naar de haven. Op een afstand rook hij als het ware de lucht van het water, dat hem zo vertrouwd was. Hier was die vermengd met velerlei andere geuren, die het wat minder aantrekkelijk maakten. Maar toch voelde hij zich op zijn gemak, beter dan waar ook in de stad. Stoere bootwerkers liepen over de emplacementen, kraandrijvers manoeuvreerden voorzichtig met hun enorme werktuigen en alom heerste de grootste bedrijvigheid.

Maar al spoedig moest Kees ervaren, dat men hier echt niet op hem zat te wachten. De eerste schuit die hij trachtte te bereiken bezorgde zijn vertrouwen al een flinke deuk. Op de loopplank werd hij namelijk bijna ondersteboven gelopen door iemand in uniform. Kees verwachtte al, met de kapitein zelf te doen te hebben, maar die verwachting werd direct de bodem ingeslagen.

"Wat moet jij hier, aap van een jongen," vroeg hij bars.

"Ik zoek de kapitein; ik wil aanmonsteren," antwoordde Kees een beetje bedeesd.

Een paar daverende scheldwoorden vormden het antwoord, maar tenslotte antwoordde de man toch.

"De kapitein moet ie hebben! Man, daar moet ik zelf netjes permissie voor vragen, als ik die wil spreken! En nou opgemarcheerd!"

Bij het volgende schip verging het Kees al niet veel beter. Toen hij één van de mensen aan de kade vertelde waar hij voor kwam, lachte die hem vierkant uit.

"Kom over een jaar of wat nog maar eens terug," zei hij.

Nog gaf Kees het niet op. Nog één keer wilde hij het proberen, alvorens zijn pogingen te staken. Op het derde schip wist hij warempel door te dringen aan boord, maar verder dan de reling kwam hij niet. Een reus van een kerel pakte hem als een veertje op, bracht hem weer op de vaste wal en gaf hem vervolgens nog een flinke schop onder zijn broek na.

Daar stond Kees! Die laatste ervaring had hem de overtuiging wel bijgebracht dat de bakkersjongen inderdaad gelijk had gehad met zijn bewering. Een wachtsman die ergens vanuit een klein hokje de belevenissen van Kees had gade geslagen, kreeg medelijden met hem.

Uit zijn hokje slenterend vroeg hij: "Wat is er aan de hand met jou?"

"Ik had willen monsteren," zei Kees mismoedig. "Maar ze schijnen me niet te kunnen gebruiken."

"Nee, dat geloof ik ook," lachte de ander. "Die laatste schop die je kreeg zul je morgen nog wel voelen, denk ik. Maar hoe oud ben je eigenlijk dat je hier zo in je eentje rond loopt?"

Toen Kees weer zijn leeftijd noemde, zei de wachtsman: "Tja jochie, dan was dat van te voren ook allemaal te begrijpen! Hoe kom je hier eigenlijk zo verzeild?"

Blij dat hij iemand ontmoette die tenminste belang in hem stelde, vertelde Kees het hele verhaal van die dag. Toen hij uitgepraat was, knikte de man begrijpend.

"Ik kan me best voorstellen dat je je er nijdig over maakte," zei hij.

"Het ziet er alleen maar weer eens uit dat je daar weinig mee opschiet," antwoordde Kees, en hoopvol keek hij de man aan, in de vage hoop dat die misschien iets voor hem wist.

"Weet je wat jij moet doen?" vroeg de wachtsman. En toen Kees zijn schouders ophaalde, vervolgde hij: "Jij moet naar het dorp terug gaan. Jij hoort hier niet thuis in de grote stad als je het mij vraagt. Doe nou wat oom Arie je zegt en ga terug naar die negorij. Hier in de stad is het voor jongens zoals jij niets gedaan."

"U hebt makkelijk praten," zei Kees. "Ik heb nog vijfendertig cent in mijn zak en daar neemt de tram me niet voor mee."

En nu zag Kees dat niet alle mensen uit de stad onverschillig tegenover hun medemensen stonden. Met een royaal gebaar greep oom Arie in zijn broekzak en gaf Kees een gulden.

"Hier," zei hij, "daar zul je wel genoeg aan hebben, denk ik. En als je eens weer hier komt breng je hem maar eens terug, is dat afgesproken? Maar jij moet me beloven dat je nu spoorslags naar je dorp teruggaat."

"Daar kunt U van op aan," zei Kees dankbaar. "Ik ga direct naar het station en pak de eerstvolgende tram."

"En als je nog eens in de knoei zit, klop dan gerust aan bij ome Arie," zei de wachtsman hartelijk.

En zo kon het gebeuren dat Kees de haven de rug weer toekeerde, verschillende ervaringen rijker en met een gulden meer in zijn zak als toen hij er aan kwam. Het was nog een heel eind lopen naar de halte van de tram. Een stadstram of bus durfde hij niet te nemen, zo bang was hij dat hij straks geld te kort zou komen voor de lange reis terug naar het dorp. En dus liep hij weer de hele stad door, ettelijke keren naar de weg vragend. Doodmoe kwam hij eindelijk aan het einde van zijn wandeling. Het was inmiddels al donker geworden en Kees verkeerde in een allesbehalve vrolijke stemming. Bijna een uur lang moest hij wachten op de eerstvolgende gelegenheid. Hij kocht al vast een kaartje en daarna ging hij in een donker en afgelegen hoekje van de wachtkamer zitten. Hij was er van overtuigd dat de politie inmiddels wel was gewaarschuwd, want meneer Buys moest zich langzamerhand wel af gaan vragen waar hij gebleven was. Daarom hield hij zich zo veel mogelijk afzijdig van de andere passagiers. Het was nog niet druk in de wachtkamer en dat maakte het juist des te gevaarlijker voor hem. Tussen veel mensen viel hij niet zo op maar er zaten er op dit moment slechts een stuk of vijf.

Gelukkig had niemand tot nu toe enige aandacht aan hem geschonken. Ze schenen hier wel gewend te zijn dat er jongens van zijn leeftijd en met zijn typische dorpskleding binnen kwam, want de tram vormde de enige verbinding met het dorp, dus alle bewoners die naar de stad wilden, moesten er van gebruik maken. De grootste angst van Kees was echter dat er wellicht bekenden uit het dorp de wachtkamer binnen zouden stappen. Gelukkig zag hij nog niemand waarvoor hij angst moest hebben, herkend te worden. De weinige passagiers die met hem zaten te wachten, schenen allemaal een andere bestemming te hebben.

Na een onrustig uurtje kon Kees eindelijk ongemerkt een coupé van de tram binnen stappen, die hij helemaal voor zich alleen had. Ziezo, nu kon er niet veel meer gebeuren! Langzaam zette het voertuig zich in beweging, maar steeds sneller en sneller boorden ze zich door de donkere nacht en weldra lagen de duizenden lantaarns van de grote stad als een grote, lichtende vlek tegen de avondhemel. Zonder hindernissen kwam Kees aan in het vertrouwde dorp, dat er overigens in het donker een beetje vreemd uit zag. Al was Kees maar twee dagen weggeweest, toch viel het even een beetje vreemd op hem. In heel het dorp brandden slechts twee straatlantaarns. Dat was op twee kruispunten, maar verder lagen de huizen als donkere schimmen in de heldere avond.

Besluiteloos stond Kees op het kleine perronnetje. Waar zou hij nu naar toe gaan? Als hij thuis kwam, zouden zijn ouders waarschijnlijk wel vreemd opkijken en de ontvangst zou vermoedelijk niet erg hartelijk zijn. Moeder zou haar mooie plannen voor Kees geheel in het water zien vallen. Vader zou er wellicht niet veel van zeggen, maar Kees had respect voor zijn harde vereelte handen. Het gebeurde gelukkig maar zelden dat hij er kennis mee maakte, maar de weinige keren dat het gebeurd was, hadden een diepe indruk gemaakt op Kees, want dan voelde hij drie dagen nog waar de klappen waren aangekomen.

Plotseling stond het hem klaar voor ogen. Hij ging naar het huis van Klaas Pauw en diens vader! Bij het afscheid hadden die twee nog gezegd, dat hij altijd welkom was en nu kon hij meteen gebruik maken van hun vriendelijke aanbod, hun huis als het zijne te beschouwen.

Opgelucht stapte Kees voort. Over wat er morgen moest gebeuren, maakte hij zich voorlopig maar geen zorgen. Hij was nu werkelijk op van vermoeidheid en slaap en verlangde naar het moment waarop hij zijn lichaam uit kon strekken op een bed, al was dat dan ook in het huisje van een stroper en diens zoon. Volkomen zeker van de weg liep Kees in een flinke pas naar de woning van zijn vriend. Maar opnieuw wachtte hem die dag een tegenvaller. Hadden in het dorp bijna overal de lichten binnen nog gebrand als teken dat de bewoners nog niet naar bed waren, hier was alles in het donker gehuld. Hij floot eens, maar hoorde geen menselijk stem binnen. Wel begon Lorrie hevig te blaffen om te waarschuwen dat er mensen in de buurt waren. Nou ja, die zou dan de grote en de kleine baas wel wakker blaffen, dacht Kees, terwijl hij bleef wachten bij het raam. Maar er was niemand die open deed. De hond bleef als een razende te keer gaan.

Het wachten moe probeerde Kees tenslotte of de deur soms open was. In dat opzicht was het geluk met hem. Hij kon de klink oplichten en zonder moeite naar binnen stappen.

"Stil Lorrie, goed volk, ik ben het," zei hij toen de kleine jachthond tegen hem op sprong.

Het dier herkende direct zijn stem naar het scheen, want onmiddellijk was hij rustig. Het roepen van Kees bleef onbeantwoord en eindelijk besloot Kees maar licht te maken. Electriciteit was hier niet, de aanleg zou veel te duur geworden zijn. Op de tast vond hij lucifers. Een beetje griezelig vond hij het wel allemaal, maar na veel geharrewar gelukte het hem om de olielamp aan te krijgen. Vervolgens doorzocht hij de weinige kamers die het huis telde, maar er bleek niemand thuis te zijn. Wat moest hij nu doen? Besluiteloos stond Kees een poosje te kijken naar de wanorde die overal heerste. Het was hem wel eens meer opgevallen dat Klaas en vader Pauw niet bepaald ordentelijk waren. Het leek hem echter alsof ze er nu zo uitgetrokken waren zonder de tijd te hebben nog iets op te ruimen.

Het enige wat Kees nog aantrekkelijk voor kwam, waren de bedden, die tenminste nog opgemaakt waren. Verschrikkelijk wat had hij een slaap! Nu pas kwam de reactie op het gesjouw van die dag. En ook zijn maag rammelde geducht! Erg lang bleef hij niet staan. Hij herinnerde zich dat de strandjutter eens gezegd had dat hij dit huis als het zijne moest beschouwen en besloot om dat nu in praktijk te brengen. Hij nam een duik in de goed gevulde provisiekast en deed zich te goed aan een paar boterhammen. Ergens in de keuken vond hij nog een gevulde melkkoker, zodat hij er zowaar nog iets bij kon drinken. Nadat hij zijn ergste trek aldus had gestild kroop hij gekleed in het bed waarvan Klaas hem wel eens had gewezen dat het van hem was. En vijf minuten later was hij, ondanks de vreemde omstandigheden, op weg naar het land van Klaas Vaak, een geluid voortbrengend alsof hij dikke boomstammen aan het zagen was.

HOOFDSTUK IV

In het schemerige licht van de nieuwe dag werd Kees aangemaand, wakker te worden. Slaapdronken keek hij om zich heen. Hij moest zich eerst eens realiseren waar hij zich eigenlijk bevond. Maar het verbaasde gezicht van zijn vriend Klaas Pauw deed hem al spoedig tot de werkelijkheid terug keren.

"Hoe kom jij hier verzeild geraakt?" vroeg de laatste.

"Dat is een lang verhaal wat ik je straks wel eens zal vertellen," zei Kees, direct klaar wakker. "Maar wat heb jij? Je kijkt zo bedrukt! Is er iets aan de hand? Waar is je vader eigenlijk?"

"Op het politiebureau," zei Klaas somber.

"Wat?" vroeg Kees geschrokken, "hebben ze hem gepakt bij het stropen?"

"Daar is ie nog nooit voor naar het politiebureau gebracht," zei Klaas schokschouderend. "Hij is één keer geschaakt en dat is toen direct geregeld. Dat is al een jaar of vijf geleden, maar na die tijd hebben ze nooit weer een schijn van kans gekregen bij hem. En dat is nou juist het gemene, daarom willen ze hem nu iets in zijn schoenen schuiven waar hij part nog deel aan heeft!"

"Maar vertel dan toch eens wat er aan de hand is!"

"Er is ingebroken bij de notaris en ze zeggen dat hij dat heeft gedaan! Maar ik weet zeker dat hij er niets van af weet!" zei Klaas heftig.

"Wat, je vader ingebroken?" vroeg Kees ontzet. "Dat geloven ze toch zelf zeker niet?"

"Dat geloven ze nu juist wel, maar ik geloof het net zo min als jij. Het wild loopt er voor iedereen, zegt vader altijd. En wat er op het strand aan spoelt is voor de eerlijke vinder. Maar gewoon bij iemand binnen sluipen? Daar is hij veel te trots voor, dat is hem gewoon te min!"

"Wat is er eigenlijk gestolen?" vroeg Kees.

"Juwelen en een gouden horloge. En dat willen ze hem gewoon aanrekenen omdat ze hem voor iets anders niet te pakken kunnen krijgen. We zijn gisteravond samen in de duinen geweest en toen is het gebeurd. Maar een paar lui uit het dorp durven beweren dat ze hem hebben zien lopen, de leugenaars."

"Heb je de politie al verteld dat jullie samen weg waren?"

"Natuurlijk, maar die geloven me toch zeker niet!"

"En wat heb je nu gedaan vannacht?"

"Eerst een paar karweitjes in het duin afgehandeld toen ik van het politiebureau kwam," zei Klaas, ondanks zijn slechte stemming toch meesmuilend. "Ik heb een beste leerschool gehad bij mijn vader."

Kees negeerde de opmerking maar. In zijn hart was hij het helemaal niet eens met de opvattingen van de stroper en zijn zoon over het recht op het wild, hoewel hij hen wel begreep.

"Ze zullen toch eerst met bewijzen moeten komen, en die hebben ze niet," zei hij daarom maar.

"Maar vertel nu eens hoe jij hier bent gekomen," zei Klaas. "Ik vind het natuurlijk best, dat je hier een nachtje hebt geslapen, maar ik stond toch wel even gek te kijken, toen ik je zag liggen."

In het kort vertelde Kees wat hem was overkomen en waarom hij zo spoedig een eind had gemaakt aan zijn verblijf in de stad. Toen hij uitgesproken was, knikte Klaas begrijpend.

"Laat die meneer Buys naar de maan lopen," was zijn bondig commentaar. "Als je zin hebt, kun je vandaag en als het moet ook morgen hier natuurlijk blijven."

"Ik zal wel eens zien wat ik doe," zei Kees. "Ik kan natuurlijk geen dagen hier blijven, want iedereen zit waarschijnlijk in ongerustheid. Maar wat ik eigenlijk wel moet doen, is me een raadsel."

"Als je het niet erg vindt ga ik nu een paar uurtjes slapen. Als je zin hebt, mag je hier de boel een beetje opruimen in die tijd. We waren gisteravond net klaar met eten toen ze vader kwamen halen en zodoende is het er bij in geschoten."

"Best, ik zal mijn plaatsje vrij maken," zei Kees opstaande en zijn haren een beetje recht strijkend.

Weinig minuten later lag Klaas in bed en begon Kees, zo goed en zo kwaad als hij kon, de kamer een beetje te ordenen. Het ging wel op echte jongensmanier, doch in ieder geval was een half uur later duidelijk te zien dat de ergste rommel wat verdwenen was.

Eensklaps schrok hij echter op. Over het smalle duinpad dat naar het huisje voerde, zag hij twee mannen naderen in het uniform van de politie. Even stond Kees verstijfd van schrik. Als die lui hem hier vonden, grepen ze hem direct in zijn kraag om hem naar huis te brengen. Ze kwamen natuurlijk niet speciaal voor hem, want waarschijnlijk zouden ze huiszoeking willen doen naar de verdwenen sieraden. Dat nam echter niet weg, dat ze hem dan onverwijld mee zouden nemen. Stellig waren ze al op de hoogte van zijn verdwijning. En om een of andere reden wilde Kees liever op eigen gelegenheid thuis komen. Snel nam hij een besluit. In allerijl dook hij in een diepe kast en verborg zich zorgvuldig achter de winterkleren die daar in hingen. Hij was geen minuut te vroeg. De stemmen van de twee politiemannen waren duidelijk hoorbaar vanuit zijn schuilplaats.

"Zo, nu zullen we dat mannetje eens even vlug ontmaskeren. Als we dat spul hier vinden, zal het wel afgelopen zijn met zijn ontkenning," zei de een.

"Ik snap niet waar hij de brutaliteit vandaan haalt," zei zijn collega. "Twee mensen beweren nu pertinent hem te hebben gezien, maar meneer blijft dapper zijn onschuld vol houden."

"Dat zal niet lang meer duren," zei de ander, en het leek Kees alsof zijn stem wraakzuchtig klonk.

Zonder hun aanwezigheid verder kenbaar te maken openden de twee het lage deurtje en stapten de kamer binnen. Wat ze allemaal deden kon Kees niet zien vanuit zijn schuilplaats, doch horen deed hij des te meer. Na een tijdlang zwijgend te hebben gerommeld in allerlei kastjes en laden viel het oog van het tweetal blijkbaar op Klaas, die vredig lag te slapen, zich niet bewust van hun aanwezigheid.

Het viel Kees op dat ze hem in elk geval zijn rust niet misgunden want toen een van hen een beetje aarzelend voorstelde ook het slaapkamertje te doorzoeken, zei de ander haast fluisterend: "Laten we eerst eens verder kijken. De jongen zal een slechte nacht gehad hebben. Als we nergens iets vinden kunnen we hem altijd nog wakker maken."

"Dan zullen we eerst maar eens dat schuurtje onderzoeken," opperde zijn collega.

Zonder spreken verliet het tweetal het huisje om vervolgens de bouwvallige schuur achter de woning aan een grondige inspectie te onderwerpen. Wat ze allemaal bespraken kon Kees niet woord voor woord meer verstaan, daar ook de wand van de schuur nu het geluid tegen hield. Maar wat hij duidelijk kon horen was de vreugdekreet van een hunner die blijkbaar succes had bij zijn onderzoek.

"Wat een domoor!" hoorde hij. "Dat hij zoiets maar zo voor het grijpen neer legt. Zie je wel, de zaak is rond!"

"Ons mannetje zit er in," zei de ander voldaan. "Dan gaan we nu meteen maar opstappen. De chef zal wel blij zijn met ons succes!"

Even hoorde Kees hen nog stommelen, daarna kwamen de stemmen weer duidelijker door en weldra klonken hun voetstappen op de stenen naast het huis om vervolgens te verdwijnen in de droge zandgrond van het duinpad. Nog een beetje behoedzaam om zich heen kijkend verliet Kees zijn schuilplaats. Tientallen vragen stormden op hem af.

De politiemannen hadden nu de buit wel gevonden, maar was die daar werkelijk neergelegd door de vader van Klaas?

Als die inderdaad de dader was geweest, zou hij toch nooit zoveel risico nemen door die gevaarlijke bewijsstukken voor het grijpen te leggen! Dan bleef er dus niets anders over, dan dat iemand hem vals had willen beschuldigen. Maar met welke reden? Pauw was niet bepaald gezien in het dorp, dat wist hij nu langzamerhand wel, doch uitgesproken vijanden zou Kees ze niet kunnen noemen. En om zoiets op touw te zetten moest je toch wel door en door gemeen zijn en een vreselijke hekel hebben aan de man die je door die daad beschuldigde.

In gedachten liep Kees naar buiten om zelf de schuur eens nader te bekijken. Er was daar eigenlijk nergens een plaats die in aanmerking kwam om iets zorgvuldig te verbergen en dat deed hem nog zijn mening versterken, dat Pauw onschuldig moest zijn aan de diefstal. Er stonden wat fuiken, er lagen wat planken die kennelijk waren gevonden aan het strand en dan was er verder een hoekje vrij gehouden voor Lorrie. Toen Kees het afgeschutte plaatsje van de hond zag, viel het hem ineens op dat hij hem nog niet had gezien sinds hij wakker was geworden. Op het zelfde ogenblik dat hij zich dat realiseerde kwam de hond hevig blaffend aanrennen, waarna hij een tijdlang tegen Kees op sprong, als wilde hij hem iets vertellen. Het drong echter niet tot Kees door en daarom probeerde hij de hond tot kalmte te brengen door hem over de kop te strelen.

"Koest maar Lorrie," zei hij, "de baas slaapt op het ogenblik, maar hij komt straks."

De hond keek hem vragend aan.

Dan werd hij langzamerhand wat rustiger en ging hij op zijn plaatsje liggen alsof hij wilde zeggen: "Ziezo, ik heb mijn werk gedaan en nu heb ik wel een uurtje rust verdiend."

Kees wist voorlopig niets beter te doen dan zijn afgebroken werkzaamheden maar weer te hervatten. Toen het ergste een beetje beredderd was nam hij er de tijd voor om op zijn gemak een paar boterhammen naar binnen te werken en vervolgens ging hij maar lijdzaam af zitten wachten tot Klaas een keertje wakker zou worden. Daarna wilde hij eens met hem bespreken wat hen nu te doen stond. Hij was er van overtuigd dat er iets niet klopte. Alleen wist hij niet hoe hij de zaak verder aan moest pakken. Liever bepraatte hij het met Klaas, wellicht had die een idee over de raadselachtige aanwezigheid van de gestolen juwelen. Tenslotte wist hij nog beter dan Kees, met wie zijn vader omgang had gehad in de loop der jaren en kon hij een gissing maken naar de vermoedelijke dader.

Zo in gedachten verdiept zat hij in zijn eentje te wachten op het ontwaken van zijn vriend. En juist stond hij zelf op het punt om weer in slaap te vallen toen die in zijn bed overeind kroop en hem begroette. Direct was ook Kees nu weer bij zijn positieven. Het geval zat hem veel te hoog dan dat hij er nog een minuut over zou kunnen zwijgen.

"Er is bezoek geweest terwijl te sliep," zei hij.

"Bezoek?" vroeg Klaas verwonderd.

"De politie heeft huiszoeking gedaan," vertelde Kees.

"Nou, dan kunnen ze lang zoeken," bromde Klaas. "Ze zullen hier toch niets vinden, want er is nu eenmaal niets."

"Dat was er nu juist wel," verbeterde Kees.

En toen hij het vragend verwonderde gezicht van Klaas zag, vervolgde hij: "Ze hebben in de schuur een gedeelte van de buit gevonden. Wat ze allemaal precies hadden weet ik natuurlijk niet, want ik heb me zo lang verborgen gehouden. Maar toen ze weg gingen waren ze er allebei van overtuigd dat ze je vader nu wel definitief in de luren hadden gelegd."

"Maar dat is niet mogelijk," zei Klaas verslagen.

Alsof hij de woorden van zijn vriend niet had gehoord, ging Kees verder: "Het gekke is, dat ik juist daardoor wel zeker weet dat je vader onschuldig is. Er is iets vreemds aan deze geschiedenis. Eerlijk gezegd, heb ik in het begin wel heel even getwijfeld aan je vader. Die spulletjes waren echter zo gelegd dat de politie ze direct zag toen ze de schuur binnen kwam. Het lag ergens zo voor het grijpen."

"Dan moet hier iemand geweest zijn die, zonder dat we het merkten die dingen daar heeft neer gelegd," zei Klaas.

"Precies wat ik dacht," bevestigde Kees. "En nu moeten wij er achter zien te komen wie dat geweest is. Als we met dit verhaal bij de politie komen, lacht die ons in het gezicht uit dus er zit niets anders op dan dat we het zelf uitzoeken."

Het gezicht van Klaas stond nadenkend.

"De diefstal is gisteravond gebeurd volgens de notaris," zei hij. "Vader en ik kwamen om een uur of negen thuis. Daarna ben ik nog even in de schuur geweest. Toen heb ik niets gezien. Het was er wel tamelijk donker, maar als die dingen er toen inderdaad hadden gelegen had ik ze toch haast moeten zien, want ik had de stormlantaarn bij me. Een half uur later is de politie gekomen en ben ik met vader mee gegaan. Dus dan moet het er na die tijd in gelegd zijn."

Kees knikte, hij kon de redenering volkomen begrijpen. Alleen snapte hij niet wat ze er mee opschoten. Klaas scheen daar echter anders over te denken.

"Wacht eens!" riep hij. "Na gisteravond ben jij hier geweest, verder die twee mannen van de politie en dan staan er natuurlijk de voetstappen van vader en van mij."

Plotseling ging er nu ook bij Kees een lampje branden.

"Sporen bedoel je?" vroeg hij gespannen.

"Juist!" riep Klaas. "Het heeft hier gistermorgen geregend en toen zijn natuurlijk alle oude sporen vervaagd. Er komen hier niet veel mensen, dus het moet niet zo moeilijk zijn om de voetstappen te herkennen."

"Maar als die naar het dorp gaan, heb je er nog niet veel aan," merkte Kees op. "En je kunt moeilijk verwachten dat iedereen zich er toe leent om te kijken of de afdrukken van zijn klompen in de sporen past, die jij hoopt te vinden."

"Dat kunnen we direct onderzoeken," zei Klaas bedrijvig. "Bovendien, we hebben Lorrie ook nog!"

Buiten onderzochten ze zorgvuldig de afdrukken die duidelijk zichtbaar waren in het rulle zand rondom het huis. Kees liet het werk maar een beetje over aan zijn vriend. In de eerste plaats zag hij er niet zoveel in en bovendien was Klaas hier op vertrouwder terrein dan hij, daar hij al vele sporen van hazen en konijnen gevolgd moest hebben. De voetstappen van de twee politieambtenaren waren er direct uit te halen. Om het huisje heen liep alles kris kras door elkaar, maar op korte afstand verder was het beter te onderscheiden. Daar liepen verschillende sporen van klompen, de tamelijk kleine van Klaas zelf en de wat grotere van zijn vader. Maar na een minuut of vijf speuren floot Klaas de hond en zette hem op het spoor van een derde spoor, dat hem onbekend voor kwam.

"Zoeken Lorrie," beval hij kort.

De hond begon zachtjes te janken en snuffelde vervolgens verder in de richting van het duin. De neus langs de grond liep hij zo snel voorwaarts, dat de beide jongens moeite hadden hem bij te houden. Af en toe draaide hij zenuwachtig in het rond, als was hij even het spoor bijster. Lang duurden die momenten van aarzeling echter niet.

Vastberaden vervolgde Lorrie zijn tocht weer totdat hij tenslotte op enige honderden meters van het huis jankend en blaffend een bosje instoof.

"Die man zal toch niet door dat bosje heen zijn gelopen?" zei Kees, terwijl ze snel achter de hond aanliepen.

Illustratie op pagina 86Zonder te antwoorden holde Klaas vooruit en baande zich een weg door het struikgewas. Daar zat Lorrie nu, hevig te keer gaande. De reden van zijn opgewondenheid werd de knapen al spoedig duidelijk. Lorrie hield de wacht bij een zak, die goed verborgen lag tussen de struiken.

"Zie je wel, daar zit natuurlijk het grootste gedeelte van de buit in!" riep Klaas triomfantelijk.

Haastig maakte hij de zak open en weldra werd zijn vermoeden bevestigd. Uit de zak kwamen, behalve verschillende juwelen, waarvan de jongens de waarde niet konden taxeren, nog verschillende zilveren voorwerpen. Of het allemaal voorwerpen waren die bij de notaris ontvreemd waren, konden ze natuurlijk niet beoordelen, maar dan wist die waarschijnlijk nog niet eens precies wat hem ontstolen was, zo groot leek de buit op het eerste gezicht.

"Daar moeten we direct mee naar de politie," zei Kees opgewonden. "Dan zullen ze je vader wel vrij moeten laten. Ik zie dat gezicht al van die lui zeg!"

"Nee, we moeten niet naar de politie," zei Klaas nuchter. "Deze zak bewijst voor hen niets! Die kan er even goed neer gelegd zijn door vader. Tenminste, zo zullen ze daar redeneren."

"Wat wil jij dan?" vroeg Kees.

"We zullen zelf uit moeten zoeken wie dit heeft gedaan. En de enige manier daartoe is, dat we hier de wacht houden totdat die vent zijn zak komt halen."

Kees floot eens bedenkelijk.

"Maar dat kan misschien dagen duren!" wierp hij tegen.

"Dan ga ik hier dagen op wacht zitten," zei Klaas vastbesloten. "Ik zal er achter komen wie vader dat kunstje heeft willen leveren!"

"Dan help ik je natuurlijk," zei Kees. "Ik kan dan voorlopig niet naar mijn ouders toe, want als ik daar éénmaal ben, laten ze me toch voorlopig niet meer naar je toe gaan."

"Dank je wel," zei Klaas eenvoudig, en dat korte antwoord van zijn vriend ontroerde Kees bijna.

Maar Klaas werd meteen weer zakelijk.

"Als jij nu misschien naar huis wilt gaan om een paar dekens te halen, ga ik hier vast op wacht zitten," zei hij. "De dief zal waarschijnlijk wel niet op klaarlichte dag die spullen weg komen halen, maar ik wil geen enkel risico nemen dat hij me te vlug af is."

Zonder woorden te verspillen ging Kees weg om het gevraagde te halen, terwijl Klaas zich op een verdekte plaats opstelde, van waar uit hij de zaak goed in de gaten kon houden. Tien minuten later was Kees al weer terug. Behalve dekens had hij op eigen initiatief ook alles mee genomen wat er nog aan mondvoorraad te vinden was in het huis, opdat ze de komende uren nergens behoefte aan zouden krijgen.

Ze hadden zich tegen de helling van een duin neer gezet. Lorrie kreeg het nadrukkelijke bevel zich rustig te houden. Gehoorzaam deed het dier wat er van hem werd verlangd en vleide zich tegen zijn baas aan. Maar zijn op en neer gaande oren bewezen dat hij waakzaam was!


 

HOOFDSTUK V

Waren de jongens de eerste uren nog opgewekt, naarmate de tijd vorderde werden ze kalmer. Veel spreken deden ze niet meer, slechts een enkele gedempt uitgesproken opmerking ging af en toe over en weer. Ieder had zo zijn gedachten.

Kees piekerde een beetje over de gebeurtenissen van de laatste twee dagen. Maar nog meer zorgen maakte hij zich over wat hem te wachten stond als hij weer naar huis ging. Want eens zou dat er toch van moeten komen, tenslotte kon hij geen weken weg blijven. Zou hij dan weer terug moeten naar de stad? En een andere vraag: zou meneer Buys hem nog willen hebben? Hoe hij ook nadacht, hij zag zelf geen andere oplossing voor de toekomst. Het enige waar hij nog zijn hoop op vestigde was, dat vader hem bij de eerstvolgende reis mee zou nemen op de logger voor de haringvangst. Over een week was het vlaggetjesdag en dan zou hij waarschijnlijk best een mannetje kunnen gebruiken. Met al die vragen en veronderstellingen in zijn hoofd wachtte Kees op de dingen die gingen komen.

Klaas zat eigenlijk maar op één plaats met zijn overpeinzingen. Die draaiden steeds weer om hetzelfde punt: vader was onschuldig en de één of andere onverlaat had, om zich zelf te dekken, de verdenking op hem geladen. Klaas vond het de gemeenste, laagste streek die hij in zijn leven had meegemaakt. Koste wat het kost, maar hij zou de werkelijke dader uitleveren aan de politie!

Langzamerhand zakte de zon weg achter de duintoppen en een vale schemering viel over het landschap. Het werd een beetje kouder en onwillekeurig huiverde Kees. Klaas scheen daar geen last van te hebben; hij had wel eens meer enige uren op wacht gezeten, zij het dan met een ander doel.

"Zo, nu begint de taak van Lorrie," zei hij. "Die zal ons in het donker moeten waarschuwen als hij iemand hoort aankomen."

"Maar als hij begint te blaffen, verraadt hij toch meteen onze schuilplaats?" zei Kees verwonderd.

"Welnee," lachte Klaas zachtjes. "Daar is hij langzamerhand wel op getraind. Als hij iets hoort wat hem vreemd voorkomt, drukt hij zijn neus tegen mijn been aan en merk ik het verder wel aan zijn houding. Alleen thuis mag hij blaffen, wanneer hij iets verdachts bespeurt."

Ondanks de vervelende omstandigheden waarvoor ze hier zaten, genoten de jongens toch van de mooie avond. Bijna onmerkbaar nam de nacht bezit van de aarde en de omtrekken van de bomen en struiken in de buurt werden steeds vager. Een zacht zeewindje deed het helmgras licht bewegen en dat geruis vermengde zich met het eeuwige lied van de zee.

Het was weer Klaas die de stilte verbrak.

"Nu stel ik voor dat jij eerst een paar uurtjes gaat slapen," zei hij. "Hier met zijn tweeën de hele nacht wakker te blijven, heeft geen enkele zin. Zodra er iets aan de hand is, waarschuw ik je natuurlijk direct."

"Als je me over een paar uur maar weer wekt," zei Kees.

"Daar kun je van op aan," beloofde Klaas. "Maak nu verder maar geen bezwaren. Misschien heb je het straks hard nodig dat je een beetje rust hebt gehad."

Kees sputterde verder niet meer tegen. Hij voelde wel dan zijn vriend gelijk had. Het tekort aan slaap van de vorige nacht speelde hem nog parten. Al een paar keer had hij zich er zelf op betrapt dat zijn ogen bijna dicht vielen. Het gekke was, dat nu hij zich er werkelijk voor neer legde om te slapen, het hem niet gelukte. Enige keren schrok hij op van vreemde geluiden in de buurt. Maar als hij even goed luisterde, bleek het steeds weer een opspringend konijn of het geritsel van een boom te zijn. Klaas bleef roerloos de wacht houden als een Indiaan voor zijn wigwam. Kees kreeg bewondering voor zijn vasthoudendheid en geduld. Natuurlijk zou hij zelf zijn vriend niet in de steek laten, maar zoals hij daar zat, scherp toeluisterend naar ieder geluidje dat hem, als echte duinkenner, vreemd voor kwam, dwong zijn houding respect af in deze verlaten omgeving. Ook Lorrie volhardde in zijn houding. Het enige teken van leven dat hij af en toe gaf was het oprichten van zijn kop en het spitsen van zijn oren. En eenmaal wilde hij opspringen, toen een argeloos konijn zich wat al te dicht in zijn buurt waagde. Een snelle beweging van Klaas bracht hem van dat denkbeeld af en gewillig liet Lorrie zich weer terug drukken in zijn houding.

Toen de slaap zich ontfermde over Kees, was het aardedonker geworden. Een klein maansikkeltje liet net genoeg licht om de allernaaste omgeving te kunnen overzien. De geoefende ogen van Klaas, gewend aan de duisternis, hadden hier echter meer dan genoeg aan. Vaderlijk glimlachend keek hij af en toe even naar zijn slapende makker die zich helemaal in de deken had gerold. En hij nam zich voor hem niet wakker te maken. Als hij uit zich zelf zou ontwaken mocht Kees de wacht wel een poosje overnemen want langzamerhand werden zijn ogen ook wel een beetje branderig, al wilde hij het zich zelf niet bekennen. Maar het duurde tot het eerste ochtendkrieken eer zijn vriend de ogen opsloeg. Hij was de laatste nachten wel gewend op vreemde plaatsen wakker te worden, maar toch moest hij zich ook nu weer even bezinnen alvorens het tot hem doordrong waar, en met welk doel hij lag op zijn onzachte rustplaats. Verstijfd en rillerig kroop hij overeind.

"Ik dacht dat je me zou wekken," zei hij brommerig.

"Het is niet nodig geweest," maakte Klaas zich er af. "Er is niets gebeurd waar ik je bij nodig had, dus heb ik je maar rustig laten slapen."

"Maar je hebt zelf helemaal niet geslapen," wierp Kees tegen. "Vooruit, pak jij nu nog een uurtje, voordat het helemaal dag is."

"Ik blijf nog een half uurtje wakker," zei Klaas beslist. "Er is nu nog een kansje dat de dief op komt dagen en dan wil ik direct volkomen bij mijn positieven zijn. Als er in die tijd nog niets gebeurd ga ik een uiltje knappen, dat beloof ik je."

"Ik geef er anders niet veel meer voor, dat die vent nu nog op komt dagen," zei Kees geeuwend.

Nog geen minuut later werden zijn woorden gelogenstraft. Klaas was de eerste die het zag. Tegelijkertijd begon Lorrie heel zacht te grommen. Over de duintop, vlak tegenover de schuilplaats van de jongens naderde de gestalte van een man. Klaas herkende hem direct. Ondanks de zelfbeheersing die hij tot nu toe had getoond, kon hij een lichte kreet van verbazing en woede niet onderdrukken.

"Dat is Louwe, de voddenkoopman," zei hij zacht. "Eén van de weinige mensen in het dorp die altijd vriendelijk was tegen vader! Van hem had ik het nooit verwacht! Maar die gemene streek zal ik hem betaald zetten!"

Op zijn gemak, als was hij volkomen zeker van zijn zaak en er van overtuigd dat niemand hem bespiedde, naderde de voddenkoopman. Zonder aarzeling liep hij in de richting van het bosje, op een afstand van ca. vijftig meter van de jongens. Lang tijd had hij niet nodig om de spullen bij elkaar te zoeken. Geen twee minuten nadat hij in het bosje was verdwenen verscheen hij al weer.

"Hij is in zijn goeie kleren," merkte Kees op.

"Dan gaat hij natuurlijk naar de stad om de boel meteen aan de man te brengen," concludeerde Klaas. "Wat doen we nu? Ik had verwacht dat de dief eerst naar zijn huis zou gaan om de buit in veiligheid te stellen. Dan hadden we rustig de politie op de hoogte kunnen stellen had die wel huiszoeking gedaan."

Deze keer was het Kees die de beslissing nam.

"We overtuigen ons nog even of hij werkelijk naar de stad gaat," zei hij. "Een auto heeft hij niet, dus hij moet met de tram. Kom mee, kijken in welke richting hij is gegaan."

De man was nu weer uit het oog verdwenen, blijkbaar had hij alle tijd, want doodbedaard was hij terug gelopen via dezelfde weg als waar langs hij was gekomen. Snel liepen de jongens achter hem aan. Tegen de gewoonte hield Klaas de hond aan een touw, want tot iedere prijs moesten ze voorkomen dat Louwe hun aanwezigheid vroegtijdig opmerkte. Dan was al hun moeite voor niets geweest en bestond er grote kans dat vader Pauw toch onschuldig op zou moeten draaien voor iets, waar hij part noch deel aan had. Vanuit een volgende schuilplaats konden ze zien hoe Louwe inderdaad langs de kortste weg in de richting van het tramstationnetje liep.

"Dan pakken we hem daar," zei Kees vastbesloten. "Er zullen nog wel meer passagiers staan te wachten en op die wijze hebben we meteen een stel getuigen als de aap uit de mouw komt."

Langs een omweg, maar veel sneller dan de voddenkoopman liepen de jongens naar de tramhalte. Het eerste trammetje zou over een kwartiertje vertrekken en er stonden al verschillende passagiers te wachten.

"Blijf jij hier wachten met Lorrie," zei Kees resoluut. "Als het nodig mocht blijken kun jij hem wel tegen houden samen met de hond. Ik loop het perron op en schiet hem meteen aan, waar iedereen bij is. Jij kunt je beter voorlopig nog een beetje op afstand houden en je niet laten zien. Hij mocht toch nog eens argwaan krijgen."

Klaas begreep onmiddellijk de bedoeling van zijn makker. Achter een huisje, bestemd voor goederen die tijdelijk opgeslagen moesten worden, ging hij schijnbaar zonder enige bedoeling staan. Onderwijl wachtte Kees op de komst van de voddenkoopman, die weldra naderde. Hij kocht meteen een kaartje om vervolgens in een hoekje op een bank te gaan zitten wachten. Nu was het tijd voor Kees om handelend op te treden. Ofschoon het hart hem in de keel klopte stapte hij zonder een zweem van aarzeling op Louwe af.

Luidkeels, opdat de andere wachtende passagiers zijn woorden duidelijk zouden verstaan zei hij: "Ik zou graag willen weten waar je met die gestolen dingen naar toe gaat Louwe. Je gaat ze toch zeker niet verkopen?"

De verrassing was volkomen. Als aan de grond genageld keek Louwe de jongen even aan, terwijl de andere mensen ook verbaasd omzagen naar Kees, alsof ze hun oren niet erg vertrouwden. Snel keek Louwe even om zich heen als zocht hij zich een uitweg. Maar toen wist hij blijkbaar niet beter te doen dan de zak weg te smijten en er als een haas vandoor te gaan. Enkele passagiers schenen nu pas het besef te krijgen wat er eigenlijk precies aan de hand was en zetten direct de achtervolging in, aangevoerd door Kees. Ze zouden echter weinig kans hebben bij de achtervolgde. Hij was een nog jonge kerel die veel in de buitenlucht was en over een behoorlijke sprintsnelheid beschikte. Hij had al een voorsprong alvorens de anderen aan de achtervolging begonnen.

Op één ding had hij echter niet gerekend en dat was de aanwezigheid van Klaas. Toen die de voddenkoopman op het perron had zien verdwijnen, had hij zich meteen bij de uitgang geposteerd, Lorrie strak aan de lijn houdend. Toen hij de man zag hollen was één aansporing aan Lorrie voldoende. Als een pijl uit de boog vloog de hond achter de man aan en binnen weinige seconden had hij die bij zijn broekspijpen te pakken. En toen was het voor Klaas een kleine moeite om zijn hond bij te staan. Lang hadden ze Louwe natuurlijk niet tegen kunnen houden, maar dat was ook niet nodig, want weldra kwam er assistentie en toen zat er voor de dief niet veel anders op dan zich gewonnen te geven. Grommend als een dier liet hij zich meevoeren, omstuwd door de nieuwsgierige passagiers, die zich dit avontuur niet wilden laten ontgaan.

Kees raapte inderhaast nog even de zak op en kwam zeulend achter de anderen aan. De conducteur van de eerste tram voor die dag verwonderde zich er over dat hij zo weinig passagiers mee kreeg; die van de tweede dat er zo veel animo bestond voor een rit in de richting van de stad....

Maar toen de tweede rit begonnen was zat Klaas, vergezeld van zijn vriend nog op het politiebureau om te vertellen hoe ze zelf deze zaak tot een ontknoping hadden gebracht. Kees zat zich te verkneuteren over de verbaasde gezichten van de politiemannen, die hun vergissing nu openlijk toe moesten geven en dat dan ook ruiterlijk deden. De burgemeester werd er voor van huis gehaald en toen die hoorde hoe de situatie eigenlijk precies in elkaar zat gaf hij direct opdracht om vader Pauw vrij te laten en zijn plaats in te laten nemen door Louwe, de voddenkoopman.

Ook hij bood zijn verontschuldigingen aan voor de vergissing, die er was gemaakt.

"Maar," voegde hij er aan toe, "U hebt het er wel eens naar gemaakt dat we bij een dergelijk voorval direct aan U dachten meneer Pauw."

Pauw ging er maar niet verder op in. Hij had eerst op willen stuiven bij het maken van die opmerking, maar bij nader inzien begreep hij dat de burgemeester weinig anders had kunnen doen dan hem te laten arresteren. Dat deed echter aan de feestvreugde niets af. In triomf gingen vader en zoon terug naar hun huisje. Kees werd er zowaar bijna door vergeten, zo blij waren ze dat alle leed nu was geleden.

Die zat, niettegenstaande het feit dat hij natuurlijk ook blij was dat alles nu ten goede gekeerd was, toch zwaar in de put. Het hele dorp had hem gezien, dus hij kon zich nu niet langer verborgen houden. Er zat niets anders op dan onverwijld naar zijn ouders terug te gaan. En dat deed hij dan ook maar, zij het met lood in de schoenen. Tenslotte moest het er toch eens van komen!

HOOFDSTUK VI

Het viel allemaal enorm mee, de thuiskomst van Kees. Moeder zag beurtelings rood en bleek toen ze hem de kamer binnen zag stappen. Toen ze van de eerste verrassing was bekomen sloot ze haar zoon in de armen alsof die er juist een maandenlange reis op had zitten, zonder hem direct te vragen waar hij al die tijd gezeten had. Maar vader dacht er wat anders over. Ook hij was natuurlijk blij dat de verloren zoon weer teruggekeerd was, maar de daarop volgende reactie was precies zoals Kees die had verwacht.

"Waar heb jij al die tijd gezeten kwajongen?" vroeg hij bars. "Je hebt ons allemaal de stuipen op het lijf gejaagd, weet je dat wel?"

"Nou man, schiet nu niet direct zo uit je slof," zei moeder sussend. "Laat de jongen eerst eens wat op zijn verhaal komen. Hij ziet er uit alsof hij zich sinds gisterochtend niet meer heeft gewassen en geen bed meer heeft gezien."

"Dat is best mogelijk," zei vader, niet van zins om dit maar zo over zijn kant te laten gaan. "Maar als dat het geval is, heeft hij het toch aan zich zelf te danken."

Kees begreep zelf echter wel dat hij een verklaring schuldig was en daarom begon hij meteen aan zijn verhaal. Hij verzweeg niets, en terwijl zijn ouders met gemengde gevoelens zaten te luisteren viel het hem op dat vader af en toe even goedkeurend knikte, als kon hij zich het gedrag van zijn zoon volkomen begrijpen. Toen Kees klaar was met zijn verhaal was de toon waarop hij antwoordde dan ook heel wat vriendelijker als bij zijn binnenkomst.

"Ja, nu je dat zo vertelt kan ik het wel verklaren," zei hij. "Ik zelf zou waarschijnlijk niet anders hebben gereageerd, maar daarom is het nog niet goed! Wat ben je nu verder van plan?"

Het viel Kees op, dat zijn mening nu toch ook werd gevraagd. Voor zijn vertrek naar de stad hadden zijn ouders er zich weinig van aan getrokken hoe hij over de zaak dacht, maar nu schenen ze te hebben begrepen dat hun jongen toch ook een eigen wil had.

"Ik wil best weer naar de stad," zei hij een beetje aarzelend. "Maar ziet U, ik voel me er zo in mijn eentje niet op mijn gemak. Ze beschouwen je daar allemaal als een buitenbeentje. Als we nu met zijn tweeën konden gaan..."

"Hoe bedoel je, met zijn tweeën?" vroeg vader. "Wie zou er dan met je mee moeten gaan?"

"Klaas bijvoorbeeld," flapte Kees er uit, zonder zich te realiseren dat dit onmogelijk zou zijn.

"Tja," zei vader.

"Tja," mengde ook moeder zich in het gesprek. "Maar dat is iets waar wij geen invloed op hebben jongen."

"Nee, dat begrijp ik ook wel," zei Kees een beetje verdrietig. "Het is trouwens de vraag nog maar of meneer Buys mij terug wil nemen."

"Verdraaid, die mogen we wel eens even opbellen," schoot vader overeind. "Die weet natuurlijk ook nog niet waar je naar toe bent gegaan en zit net zo erg in ongerustheid als wij daar straks."

Meteen stond hij op, Kees met zich meenemend naar de hoofdonderwijzer om daar diens zoon in de stad op te bellen. Weldra was de verbinding met de heer Buys tot stand gebracht en in weinig woorden vertelde vader Schippers over de behouden thuiskomst van Kees. Daarna moest Kees zelf aan het toestel komen. Een beetje hakkelend bood hij meneer Buys zijn verontschuldigingen aan. Gelukkig bleek die niet zo boos te zijn als Kees wel had verwacht.

Evenals vader had gedaan was een van de eerste dingen die hij vroeg: "En wat ben je nu van plan Kees?"

"Dat weet ik nog niet," zei Kees naar waarheid. "U zult me toch wel niet weer in huis willen hebben, is het wel?"

Aan de andere kant van de lijn werd even gelachen.

"Als jij me belooft, niet weer van die gekke streken uit te zullen halen, wil ik er nog wel eens over denken," beloofde hij.

Later wist Kees niet meer te zeggen waar hij de moed vandaan had gehaald voor de vraag die nu kwam. Maar hij voelde dat hij deze kans aan moest grijpen en gebruik makend van de goede stemming bij meneer Buys kwam hij er meteen mee voor de dag, zonder omwegen.

"Ik wilde U nog iets vragen," zei hij. "Zou U het heel erg vinden als ik dan nog een vriend mee bracht?"

"Wat zeg je me nu?"

Drie stemmen kwamen tegelijk met die vraag. Meneer Buys, de dorpsonderwijzer, diens zoon aan de telefoon ginds in de stad en Schippers.

"Ja ziet U," vervolgde Kees snel, "met zijn tweeën zou het allemaal veel beter gaan, daar ben ik van overtuigd. En het is heus een jongen die goed kan leren en ook zijn best wel wil doen."

"Daar moet ik echt eerst eens met mijn vrouw over spreken hoor," antwoordde meneer Buys. "Maar ik beloof je dat ik een goed woordje zal doen voor jou en je vriend. Is dat afgesproken?"

"Graag meneer," zei Kees dankbaar.

Nadat vader en zoon Buys nog enige woorden met elkaar hadden gewisseld werd het telefoongesprek afgebroken.

"Over wie had jij het eigenlijk zoëven?" vroeg meneer Buys nieuwsgierig aan zijn vroegere leerling.

"Over Klaas Pauw," antwoordde Kees.

"Klaas Pauw?" vroeg de onderwijzer verwonderd. "Ik wist niet dat jij daar zulke dikke vrienden mee was. Dat is toch de zoon van de stroper die op het ogenblik opgesloten zit voor die diefstal bij de notaris?"

"Die opgesloten zat," verbeterde Kees.

En nogmaals vertelde hij het verhaal, zoals hij dat een half uur geleden al aan zijn ouders had gedaan.

"Zo zo, wel, daar ben ik erg blij om voor die jongen," gaf meneer Buys te kennen. "Die knaap zelf is geloof ik niet kwaad, een beetje vrijgevochten misschien, maar met een heldere kop. Ja, nu begrijp ik de situatie beter. Maarre..., voelt hij daar zelf ook iets voor?"

"Dat heb ik hem nog niet gevraagd," moest Kees bekennen. "Maar ik weet haast wel zeker dat hij ook graag wil leren."

"Ja, dat zal dan wel," zei meneer Buys. "Maar zijn de middelen er ook? Studeren kost geld jongen."

Weer moest Kees bekennen dat hij dat niet wist, maar in zijn hart vreesde hij dat vader Pauw niet zo ruim over geld kon beschikken dat er een studie voor zijn zoon van af kon.

"Enfin, we zullen wel eens zien," besloot meneer Buys het gesprek. "Ik zal eens op een avond gaan praten met Pauw en dan zullen we daar een oplossing voor trachten te vinden. Maar om te beginnen zul je eerst nog een paar weken alleen moeten gaan."

Na die woorden drukte hij Schippers de hand en deed hen uitgeleide.

"Nou, jij haalt me wel allerhande dingen tegelijk aan," bromde vader Schippers, toen het tweetal door de dorpsstraat naar huis terug keerde. "Maar stel je er nu nog niet te veel van voor, want ik zie niet in hoe meneer Buys dat zaakje eventueel op zou kunnen lossen. Aangenomen dat je gelijk hebt met je bewering dat Klaas er iets voor voelt zal er toch lesgeld betaald moeten worden."

Maar vader Schippers had de fantasie van meneer Buys onderschat. Die had meer pijlen op zijn boog dan zowel Schippers zelf als zijn zoon hadden vermoed. Hij was nog nooit bij de strandjutter thuis geweest, omdat hij van een dergelijk bezoek niet veel heil had verwacht. Maar nu hij de geschiedenis van Klaas en diens vader eenmaal had gehoord boeide het geval hem dermate, dat hij beslist van plan was om het tot een goede oplossing te brengen.

Nog dezelfde avond ondernam hij de tocht naar het huisje onder aan de duinen. Hij trof vader en zoon beide thuis, wat een uitzondering mocht heten, want meestal ging Pauw er 's avonds nog op uit. De eerste avond dat hij weer thuis was, wilde hij echter een beetje vieren om zijn jongen een plezier te doen, die in zo'n belangrijke mate had bijgedragen tot zijn rehabilitatie. Verwonderd liet hij de onderwijzer binnen.

"Gaat U zitten meneer Buys," zei hij vriendelijk, maar toch wel een beetje argwanend.

Wat kwam die hier nu weer doen zo in de avond? Meneer Buys begreep de gevoelens van zijn gastheer heel goed.

"U zult wel verbaasd zijn, mij hier 's avonds zo laat aan te zien komen," zei hij glimlachend. "Maar het gaat over Klaas, Uw zoon."

"Wat heeft die uitgehaald?" vroeg Pauw een beetje bruusk.

"Die heeft niets uitgehaald," haastte meneer Buys zich te zeggen. "Integendeel, ik heb zojuist het verhaal over zijn speurwerk gehoord en ik vind het buitengewoon schrander dat hij met Kees Schippers die zaak zo goed heeft uit weten te zoeken."

Klaas kleurde zowaar een beetje bij de lof die hem werd toegezwaaid. Hij was niet gewend om veel complimenten te krijgen. Meestal waren de ontmoetingen met ouderen niet bepaald vriendelijk voor dingen die hij soms wel, soms ook niet op zijn geweten had.

"Maar ik kwam hier niet speciaal naar toe om hem daar mee te feliciteren," vervolgde meneer Buys het gesprek. "Ik sprak vandaag Schippers en diens zoon Kees. Die gaat weer terug naar de Mulo in de stad, maar hij had daarbij een verlangen. Hij zou zo graag zien dat Klaas hem daar gezelschap komt houden."

Even wachtte meneer Buys om te zien welke reactie zijn woorden teweeg zouden brengen. Die waren erg verschillend. Pauw zette een gezicht alsof meneer Buys hem in de maling zat te nemen, iets waarvan hij beslist niet was gediend. Op het gelaat van Klaas tekenden zich gemengde gevoelens af. Maar de voornaamste vond meneer Buys wel, dat er een blik van verlangen naar vader Pauw ging, alsof het idee hem geweldig lokte.

"En wie betaalt dat?" vroeg Pauw botweg.

"Dat is nu juist de grote moeilijkheid," moest meneer Buys toegeven. "Eerlijk gezegd, had ik die vraag wel verwacht, maar ik weet er niet direct antwoord op te geven. Maar voor het ogenblik gaat het er alleen om of Klaas er iets voor voelt en of hij zich in staat voelt, de lessen te volgen."

"Ik wil wel graag," zei Klaas. Maar aarzelend voegde hij er aan toe: "Als vader het goed vindt tenminste."

"Je vader zal er vast geen bezwaar tegen hebben wanneer zijn zoon probeert wat vooruit te komen in de wereld," zei meneer Buys vriendelijk.

Pauw haalde zijn schouders op.

"Luistert U eens goed meneer Buys," zei hij toen. "Ik wil graag dat mijn jongen het verder brengt als strandjutter en stroper. Als U mij maar vertelt hoe dat moet gebeuren. Wat U daar zegt, is allemaal wel erg mooi, maar ik ben bang dat het niet zal gaan. Bovendien is Klaas geboren in het duin, dus ik geloof niet dat hij zal kunnen aarden in de stad en heimwee zal krijgen."

"Dat zou de tijd moeten leren," vond meneer Buys. "Vergeet U niet dat hij nog jong is. En bovendien kan hij U vrij regelmatig komen opzoeken, nietwaar. De grootste moeilijkheid is alleen; hoe komen we aan het geld. Ik zou desnoods zelf wel iets willen bijdragen, maar om alle kosten voor mijn rekening te nemen wordt me toch echt te zwaar. Maar misschien, heel misschien weet ik wel een andere oplossing. Ik weet nu in elk geval hoe U en Uw zoon er tegenover staan en daarvoor was ik hier tenslotte gekomen. En dan ga ik nu maar eens opstappen. In ieder geval hoort U nog wel van me."

En met een hartelijke handdruk nam meneer Buys afscheid van de familie Pauw.

"Zo, nu zullen we morgenavond eens kijken wat er bij de notaris te bereiken valt," zei hij in zich zelf, terwijl hij over het onverlichte weggetje terug liep naar het dorp. "Tenslotte zal het hem wel iets waard zijn dat al zijn spullen terug zijn."

Ze waren oude schoolvrienden, meneer Buys en notaris Huymans. En nog waren ze wederzijds graag geziene gasten bij elkaar die menig avondje samen doorbrachten onder het genot van een pijp tabak of een goede sigaar, meestal uit het kistje van de notaris, die er warmpjes bij zat.

De volgende avond bracht meneer Buys zijn plan meteen ten uitvoer. Zijn vrouw mopperde wel wat, dat hij er al weer op uit moest voor een ander en dat hij nooit eens aan zich zelf dacht, maar meneer Buys liet haar glimlachend begaan. Ze meende het zo kwaad niet en in haar hart was ze het helemaal met hem eens, wanneer hij trachtte voor een zijner oud-leerlingen kansen te scheppen bij diens verdere loopbaan.

"Dat vind ik leuk," begroette de notaris zijn oude vriend. "Kom er in en neem een stoel. Wat zal het zijn, een sigaar of liever een pijp tabak?"

"Geen van beiden Charles," wuifde meneer Buys weg. "Ik wilde eens even met je praten als je dat tenminste gelegen komt."

"Ik zou zeggen, spreek maar eens van je af," lachte de notaris. "Dat is je wel toevertrouwd, dacht ik zo."

"Ik heb gehoord dat alle gestolen dingen weer terecht zijn en dat ze nu de werkelijke dader te pakken hebben," begon de onderwijzer, schijnbaar zonder enige logica.

Maar de notaris scheen dat niet op te vallen.

"Ja," zei hij, "ze hebben die knaap te pakken. De voorgeschiedenis was overigens tamelijk vervelend. Ze hebben eerst de verkeerde achter slot gezet en dat zit me eerlijk gezegd, een beetje dwars. Hoewel ik er natuurlijk niets aan kon doen."

"Natuurlijk niet," haastte meneer Buys zich te zeggen. "Maar als ik je goed ken, zou je graag iets goed maken van wat de politie verkeerd heeft gedaan, is het niet?"

"Ja," zei meneer Huymans verwonderd, "waarom zeg je dat zo? Ik was eerlijk gezegd van plan om zijn zoon een bedrag te geven als dank voor het knappe speurwerk wat hij heeft gedaan."

"Dat valt erg in je te waarderen," zei meneer Buys goedkeurend. "Maar ik wilde je een ander voorstel doen naar aanleiding van die plannen. Je weet dat Pauw met dat werk wat hij doet nu niet bepaald een rijk bestaan heeft."

"Noem het maar werk," zei de notaris een beetje smalend.

"Daar heeft hij zelf een aparte mening over, die hij toch niet prijs geeft," zei meneer Buys onverstoorbaar. "In elk geval is gebleken dat hij niet zo gemeen is als we wel van hem hebben gedacht. Ik moet je zeggen dat ik gisteravond met hem heb zitten praten en dat me dat enorm is meegevallen."

"Wat?" zei de notaris verwonderd, "heb jij met die stroper zitten praten? Waarover ging dat gesprek als ik vragen mag?"

"Dat mag je gerust vragen," zei meneer Buys glimlachend. "Ik had het je toch wel verteld trouwens. Kijk eens, om nu maar met het doel van mijn bezoek voor de dag te komen; ik wilde je vragen om het lesgeld voor de Mulo te betalen voor Klaas Pauw. Je weet dat ik het zelf anders best zou willen doen, maar ik kan het eenvoudig niet, want ik heb nog andere verplichtingen. De zoon van Schippers bracht me op het idee; dat is een vriend van hem."

"Dat heb ik gehoord," zei de notaris peinzend. "Is die niet bij je zoon in huis?"

"Inderdaad," bevestigde meneer Buys. "En die is ook wel genegen om de jonge Pauw er bij te nemen, zodat de twee jongens samen om kunnen gaan. De grote moeilijkheid is alleen, wie betaalt deze studie?"

"Ik," zei de notaris spontaan. "Als jij een leerling aanbeveelt, dan zit er iets in die jongen. En ik wil graag het mijne er toe bijdragen om zo'n knaap verder te helpen in het leven."

"Je geeft precies het antwoord wat ik van je had verwacht," zei meneer Buys dankbaar.

Het deed hem veel genoegen dat zijn zending zo vlot verliep.

"En dan moet het maar spoedig gebeuren," vond de notaris. "Tijd is geld voor deze jongens. Ze hebben er nu de leeftijd voor om te studeren. Als ze langer moeten wachten, komen ze meteen een stuk achterop. De vraag is nu nog of hij voor dit jaar ingeschreven kan worden."

"Dat maak ik wel in orde," beloofde meneer Buys.

Zo gebeurde het, dat hij de avond daarop al weer weg moest om het blijde nieuws te vertellen, dat de zaak in kannen en kruiken was.

Klaas was in de wolken. Hij, de in het dorp altijd een beetje geminachte zoon van een strandjutter, zou naar de stad gaan en dat nog wel in gezelschap van de beste vriend die hij tot nog toe had gehad!

Er viel veel te regelen in de eerstvolgende dagen. Klaas moest nieuwe kleren hebben, zijn inschrijving op de school moest geregeld worden en voorts moesten er boeken gekocht worden. Maar alles kwam voor elkaar.

Slechts een week lang bracht Kees in de stad door als de enige jongen uit het dorp. Toen hij de week daarop 's maandags weer naar school ging met het vertrouwde trammetje, was hij niet alleen. Nog een jongen ging aan zijn toekomst bouwen, met het voornemen, er hard aan te werken.

HOOFDSTUK VII

De tijd vloog voorbij. De twee knapen waren volkomen ingeburgerd in de stad en voelden zich er best op hun gemak. Met mevrouw Buys waren ze de beste maatjes geworden. Toen Kees voor de tweede keer bij haar in huis was gekomen, had ze in het begin wel een beetje stroef tegen hem gedaan, maar langzamerhand draaide ze geheel en al bij. En nu konden de jongens geen kwaad meer bij haar doen. Vooral wist ze hun kleine attenties altijd erg te waarderen, zoals de jongens haar goede zorgen op prijs stelden. Want mevrouw Buys was werkelijk een moeder voor hen in de tijd dat ze daar doorbrachten.

In de vrije weekeinden kon Klaas af en toe de verleiding wel eens niet weerstaan en trok hij er met zijn vader op uit om een paar konijntjes te verschalken of onder de kust wat vis te vangen, waar ze hun speciale manieren voor hadden. Voor mevrouw Buys nam Klaas dan natuurlijk ook altijd wat mee. Die wist gelukkig niet hoe hij aan het wild kwam en was er altijd erg blij mee. En verder zorgde vader Schippers er wel voor dat er steeds verse vis werd aangevoerd op de etagewoning in Amsterdam, waar twee knapen met een gezonde eetlust er veelal nog het meeste van naar binnen werkten.

De verhouding met de andere jongens op school was gelukkig ook een stuk verbeterd. Die lieten het wel uit hun hoofd om nog langer te schelden sinds ze wisten waartoe Kees in staat was als hij een driftige bui had. En ook Klaas zag er wel naar uit dat je beter kersen met hem kon eten dan een robbertje vechten.

De enige die het wel eens een beetje verdroot dat de jongens in de stad op school gingen, was vader Schippers. Hij zag het er nog eens van komen dat, ook al had hij dan twee zoons, er later geen opvolger zou zijn op de logger. Af en toe polste hij Kees er wel eens over en toen die, samen met Klaas eindexamen had gedaan op school, hoopte hij hem definitief te winnen voor zijn bedrijf. Hij wilde echter geen enkele dwang meer op hem uitoefenen, want het visserijbedrijf was een hard leven. Daarom moest Kees er werkelijk zelf iets voor gevoelen, anders zou hij later zijn vader wellicht verwijten gaan maken en dat wilde Schippers tot iedere prijs voorkomen.

Kees was niet erg enthousiast toen zijn vader er weer over begon. Vader vond nu wel dat hij genoeg geleerdheid in zijn hoofd had gestampt, zoals hij zei, maar dat was Kees helemaal niet met hem eens. Hij wilde verder, naar de Zeevaartschool liefst, om als officier bij de koopvaardij te kunnen komen. En ook Klaas voelde veel voor die richting. De notaris had plezier in de jongen. Zelf had hij nooit kinderen gehad en daarom wilde hij graag alles doen wat in zijn vermogen lag, om Klaas vooruit te helpen. Dat was een dankbare leerling, die met glans de school had doorlopen.

Voor vader Schippers kwam er echter een andere oplossing. Jaap, zijn oudste zoon, kreeg ineens schoon genoeg van al die lange reizen zoals hij ze altijd had moeten maken. Hij had nu de hele wereld ongeveer gezien en vond het zo welletjes. Om helemaal aan de wal te blijven, lokte hem echter niet aan, dus de meest voor de hand liggende oplossing was wel dat hij zijn vader opvolgde die het langzamerhand een beetje kalmer aan deed.

De beide vrienden gingen gezamenlijk naar de Zeevaartschool. Dat leek hen bijna het ideaal. Ze kregen nu ook regelmatig te maken met het water, al bestond dat dan alleen maar hieruit dat ze oefeningen moesten doen met een grote sloep door de stadsgrachten. Dat maakte wel heel wat verschil, het troebele grachtenwater, vergeleken bij de schuimende branding van de zee, maar toch genoten de knapen volop.

Als ze er in het dorp wel eens over begonnen te vertellen werden ze meestal uitgelachen.

Jaap was lid van de reddingsbrigade en behoorde sinds een paar maanden tot de vaste kern die de reddingboot bemande bij eventuele schipbreuken. Eén keer was hij in die periode actief opgetreden bij zwaar weer.

"Dat was wel wat anders dan dat spelevaren door de grachten," zei hij spottend.

"Als ik de kans krijg, wil ik wel eens bij een oefening zijn," stoof Kees op. "Dan zul je zien dat je van dat spelevaren heel wat kunt leren en dat het heus geen kinderspelletje is."

"Ik zal eens een goed woordje voor je doen," beloofde Jaap. "Misschien in de vacantie."

Ook Klaas wilde natuurlijk van de partij zijn. De grote vacantie, waar Jaap over sprak, stond weldra voor de deur. Klaas en Kees brachten die altijd door op het dorp, waar ze de oude, vertrouwde plekjes weer eens opzochten. Reeds de eerste week van die vacantie was er een oefening vastgesteld en kregen de jongens een kans. Ze waren nu allebei potige kerels geworden van een jaar of zestien en beschikten over een stel spieren waar menige volwassene jaloers op was.

Illustratie op pagina 144Het was zo'n koude, natte zomer waar Nederland berucht om is. Zonnige dagen waren zeldzaam. Bijna elke dag regende en stormde het. Hoog kwam de vloedlijn, de schuimende branding bracht zijn rollers tot ver op het strand. Voor de twee knapen was dat geen bezwaar om dagelijks lange wandelingen te maken door de duinen en langs de zee. Ze genoten volop van het boeiende schouwspel dat het woelige water opleverde. Toen ze echter, het was de vierde dag van hun vacantie, weer bezig waren aan een fikse tocht, werd het zelfs hun een beetje te gortig.

"Kom mee," zei Kees, "ik ga de duinen door. Je wordt hier tot op het hemd toe nat."

"Ik ben blij dat jij er over begint," antwoordde zijn vriend.

"Een beetje wind is niet erg, maar dit begint langzamerhand op storm te lijken."

Moeizaam klauterden ze naar boven, om daar hun tocht voort te zetten. Grote flarden schuim bleven achter aan de voet van de duinen en de wind wakkerde nog steeds meer aan.

"Ik ben blij dat vader en Jaap binnen zijn," zei Kees. "Het spookt hier behoorlijk zeg!"

Klaas had de opmerking niet gehoord. Ingespannen keek hij uit over zee en toen Kees zijn blikken volgde, zag hij ongeveer een mijl uit de kust een boot zich moeilijk een weg banen naar het Noorden. Het scheen een harde dobber te hebben tegen de harde Noordwester.

"Die heeft het zwaar te verduren," zei Klaas. "Het lijkt wel of hij met motorpech heeft te kampen, zo langzaam komt hij vooruit."

"Als dat zo is, klaart hij het niet," zei Kees bezorgd.

"Nu je het zegt, lijkt het me trouwens wel of hij steeds dichterbij komt!"

"Daarom stond ik al een poosje te kijken," antwoordde zijn vriend. "En het erge is dat die wind steeds maar aanwakkert. Als het zo nog even door gaat, zit hij over een half uur op het strand."

Het was een coaster of kustvaarder, waar de jongens het over hadden, een schip van ongeveer vierhonderd ton, zo op een afstand gezien. Het kreeg er alle schijn van dat de veronderstelling van Klaas juist was. Af en toe werd het schip geheel aan het oog onttrokken door de hoog staande golven, maar elke keer als het weer zichtbaar werd, leek het dichterbij te komen. Vooruitgang zat er nu ook bijna niet meer in. Het was in ieder geval duidelijk dat men aan boord, om welke reden dan ook met moeilijkheden te kampen had.

"Kom op, we moeten naar het dorp, de reddingsboot moet er uit," zei Kees opgewonden. "Ze houden het niet lang daar!"

Onmiddellijk zetten ze er een fikse spurt in, in de richting vanwaar ze waren gekomen. De storm wakkerde aan tot orkaankracht en ze moesten langzamerhand schreeuwen om zich verstaanbaar te kunnen maken boven het geluid van de bulderende golven. In recordtempo bereikten ze het dorp. Daar bleek dat men de boot ook al had gesignaleerd. De commandant van de reddingssloep stond al, temidden van een stel roeiers de situatie te bespreken. De uitkijk op de vuurtoren had een kwartier geleden gemeld dat er een schip in moeilijkheden verkeerde en onmiddellijk was men begonnen, de bemanning van de reddingsploeg bij elkaar te roepen. Duidelijk was nu te zien hoe de kustvaarder snel de kust naderde. Het schip lag dwars op de golven, volkomen stuurloos naar het scheen.

Bouke Landman, de kapitein van de reddingsboot, liep een beetje zenuwachtig heen en weer.

"Waar blijven die kerels nou," hoorde Klaas hem mopperen. "Ik kan toch kwalijk in dat weer met een onderbezette boot het water op gaan. Dat zou onverantwoordelijk zijn."

Het werd hoog tijd dat er uitgevaren werd, want binnen enkele minuten zou het betrekkelijk kleine schip op de gronden voor de kust vastlopen, met alle gevaren van dien. Tussen de andere mannen zag Kees zijn broer Jaap staan en iets meer naar achteren zag hij ook de gestalte van zijn vader.

"Vooruit, we gaan er uit!" riep Bouke Landman. "Drie vrijwilligers voor de mannen die er nog niet zijn, anders wordt het te gevaarlijk!"

Op dat ogenblik kwam nog een der vaste leden aanhollen, zodat de ploeg op twee man na geheel compleet was. Even keek Klaas veelbetekenend naar zijn makker. Toen kwam er een grote kerel naar voren, die zich aanmeldde als vrijwilliger; vader Schippers. Maar Kees had de blik van zijn vriend wel goed begrepen. Terwijl krachtige handen de kar, waarop de reddingsboot was geplaatst, uit het loodsje naar buiten rolden, stapte hij met Klaas op zijn vader af.

"U blijft hier vader," zei hij vastbesloten. "Klaas en ik gaan mee, dan is de ploeg meteen compleet."

Even zag het er naar uit alsof Schippers zijn zoon af wilde snauwen, toen gaf hij zich al gewonnen.

"Als Bouke het goed vindt, gaan jullie dan maar jongens," zei hij.

De knapen vroegen dat echter niet eens. Als laatste sprongen ze in de reddingsboot. Toen Bouke zag wat voor jeugdige knapen daar de riemen pakten gebeurde er iets dat hem meteen van zijn voorgenomen uitbrander af deed zien. Een van de roeiers, een visser die al op leeftijd was, verloor plotseling zijn roeispaan door onverklaarbare oorzaak. En er was nog niets aan de hand geweest als hij zich daarover maar niet zo druk had gemaakt. De riem zou vanzelf op het strand aangespoeld zijn en daar gemakkelijk te pakken. Hij wilde echter van boord stappen om het ding zelf nog te pakken Bij die beweging struikelde hij. Het ging alles zo snel, dat niemand het kon verhinderen, want het volgende ogenblik lag hij languit in het water. Dat leidde de aandacht geheel af van de twee jongens die zo stoutmoedig een plaats hadden ingenomen. Toen de visser weer overeind wilde krabbelen bleek, dat hij zijn voet had verstuikt, hij gaf tenminste een gil van pijn en strompelde vervolgens tegen het strand op. Alles speelde zich af in weinige seconden.

Schippers nam een kort besluit. Vanaf de vaste wal had hij alles gadegeslagen. Vlug raapte hij de roeispaan op, die al door een grote golf op het strand was gesmeten en het volgende ogenblik sprong hij lenig in de reddingsboot. Nu gunde Bouke Landman zich geen tijd meer voor terechtwijzingen, er moest gevaren worden. De uit de boot gevallen visser werd vanaf de kant wel weer verder geholpen. Er moest snel gehandeld worden, want de reddingsboot zelf dreigde een prooi van de elementen te worden en terug te worden gesmakt op het strand. Nog stond hij op de kar, gedeeltelijk in het water, maar de woest schuimende zee scheen zijn macht zelfs daar te willen doen gelden. Een laatste duw van de mannen op de wal, toen dreef de sloep en meteen hingen de roeiers in de riemen.

De kustvaarder lag nu stil, het schip zat vast op de banken die hier in menigte voor de kust lagen. De golven beukten het echter dusdanig dat het over de bank heen getild dreigde te worden.

Zwaar trekkend aan de roeispanen werkten de mannen in het kleine bootje zich door de branding heen. Wild sloegen de golven over hen heen en Kees voelde dat de geweldige natuurkrachten elk menselijk voorstellingsvermogen te boven gingen. Bijna kreeg hij spijt van zijn spontane daad toen een enorme hoeveelheid water over hem heen ging en hem een ogenblik de ademhaling belette. Maar het volgende moment had hij zijn positieven al weer bij elkaar en onverdroten ging het verder. De afstand, die ze af moesten leggen bedroeg hoogstens driehonderd meter, maar nog nooit eerder was de twee jongens een dergelijk korte afstand zo zwaar gevallen als deze keer. Af en toe maaiden hun riemen gewoon door de lucht, wanneer ze boven op een golf kwamen, om daarna weer diep weg te duiken in het achter liggende dal. Gestadig vorderden ze en na een verbeten strijd naderden ze het gestrande vaartuig. Toen kwam de grote moeilijkheid echter; het aan boord nemen van de schipbreukelingen. Met vaste hand stuurde Bouke de reddingsboot langszij aan de leizijde van het schip. Als de betrekkelijk kleine sloep tegen de stalen wand van de coaster was geslagen zou dat onherroepelijk het einde betekend hebben en dus was de grootste zorg van de kapitein om te zorgen dat hij een onzachte aanraking vermeed.

Langs de verschansing stond de bemanning al gereed om te springen, zich vastklemmend aan alles wat maar houvast bood. Het waren vier volwassen mannen en een jongen van een jaar of veertien. De laatste hing met een wit weggetrokken gezicht over de reling, kennelijk was hij zwaar zeeziek. Na omzichtig manoeuvreren slaagden ze er in, in de betrekkelijke luwte van het schip te komen. Boven het geweld van de orkaan hoorden de redders de jongen boven hun hoofd schreeuwen.

"Ik wil niet! Ik durf niet!"

Maar er viel niet veel te willen voor hem. Twee paar sterke armen pakten hem op. Er was hem een lang touw onder de oksels gebonden en even later bungelde hij langs de romp van het schip naar beneden. Een behendige beweging met de reddingssloep bracht hem tot vlak in de nabijheid. Daar greep Schippers hem bij een been!

"Los!" schreeuwde Bouke Landman naar boven.

Het lange touw werd de knaap achterna geworpen en toen kreeg Schippers het volle gewicht van de knaap te torsen. Even, heel even maar scheen hij zijn last los te zullen laten, toen sleepte hij hem onzacht binnen de reddingsboot, waar de ongelukkige jongen als levenloos bleef liggen. Met de andere vier ging het vlotter. Het waren blijkbaar allen doorgewinterde zeelui, die al vaker voor hete vuren hadden gestaan.

De terugtocht naar het strand verliep gemakkelijker. Roeien behoefden de mannen bijna niet, het scheepje werd vanzelf naar de kant gedreven en alleen op Bouke Landman rustte de taak het in de juiste koers te houden. Weldra werden ze, vlak bij hun uitgangspunt, op het strand geworpen, waar hulpvaardige handen hen de hand reikten.

Maar de twee vrienden hadden geen behoefte meer aan een oefening met de reddingsboot, die week!

Jaren zijn verstreken. Kees Schippers en Klaas Pauw, eens twee onafscheidelijke vrienden, hebben het contact met elkaar een beetje verloren. Beiden hebben ze met goed gevolg de Zeevaartschool doorlopen en allebei hebben ze hun werk op zee gevonden, de zee waar ze al in hun jonge jaren zoveel mee te maken hebben gehad. Het opklimmen in rang is niet helemaal gelijk gegaan. Terwijl Kees eerste stuurman is geworden moest Klaas het wat langer doen met een iets bescheidener functie van "tweede stuurman". Dat kan hen echter niet beletten om, als er even gelegenheid voor is, samen hun vrije tijd door te brengen. Na de vele reizen die hen naar bijna alle uithoeken der wereld brengen is hun enige behoefte nog eens wat in de omgeving van het dorp te bivakkeren. Allerlei jeugdherinneringen worden dan opgehaald. Vooral het geval van de diefstal bij de notaris wordt nog dikwijls verteld; de directe aanleiding tot de voortzetting van hun vriendschap. Want daardoor konden ze tenslotte allebei dezelfde richting kiezen voor hun verdere leven!

EINDE

 
R. Jager, circa 1961 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003