www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Terugkeer van Saturnus
door Robert Hunter (Roel Jager)
geschreven circa 1961
uitgebracht door uitgeverij Herman Troukens

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII

HOOFDSTUK I

"Wat denk je van deze?" vroeg Rob van Santen. "Voor betrouwbare, energieke jongelui tussen achttien en drieëntwintig jaar bestaat er bij ons gelegenheid om opgeleid te worden tot geschoolde kracht bij de fabricage van schrijfbehoeften en kantoorbenodigdheden. Salaris naar prestatie."

Samen met zijn vriend Erik Heitlager zat hij in de huiskamer van de familie van Santen. Drie weken geleden waren de jongens samen uit militaire dienst gekomen. In die tijd hadden ze elkaar leren kennen. Jarenlang hadden ze in dezelfde straat gewoond, zonder elkaar te kennen, maar terwijl ze in dienst van het vaderland waren kwamen ze dagelijks met elkaar in aanraking. Er was een hechte vriendschap ontstaan die voortduurde ook nadat ze afgezwaaid waren. Nu zaten ze allebei met hetzelfde probleem, er moest werk gevonden worden. Dat was niet zo moeilijk, maar om iets te vinden dat hen leek, bleek echt niet eenvoudig te zijn. Het enige wat ze meebrachten was een helder verstand en een paar stevige knuisten. Allebei hadden ze een uitgesproken voorkeur voor techniek, maar wilde men daarin direct iets bereiken dan moest men beschikken over diverse diploma's. En dat was nu juist iets wat de jongens niet hadden.....

Nu neusden ze al enige weken alle kranten na om eventuele aantrekkelijke advertenties op te sporen, tot nu toe zonder veel succes. Ook deze keer stonden hun gezichten weinig geanimeerd toen Rob de advertentie voorlas.

Erik haalde zijn neus eens op.

"Als het niet anders kan wil ik het wel eens proberen," zei hij, "maar eerlijk gezegd lijkt het me niet erg."

"Mij ook niet," zei Rob instemmend. "Dan zullen we eerst nog maar eens verder kijken."

Een paar minuten was het stil in de kamer. IJverig keken de knapen allebei in een verschillend dagblad langs de lange lijst onder het hoofd: "Gevraagd personeel."

"Hier heb ik wat anders," zei Erik eensklaps. "Moet je luisteren: "Voor een onderneming welke ongeveer een half jaar of iets langer zal duren zoeken wij jonge mannen. Een bepaalde scholing is niet vereist. Wel moeten gegadigden beschikken over een behoorlijke dosis intelligentie, een uitstekende gezondheid en vooral energie. Verder strekt enige technische aanleg tot aanbeveling. Brieven worden ingewacht onder nr. Q 396782 bij de administratie van dit dagblad."

Met een geïnteresseerd gezicht had Rob zitten luisteren.

"Aan de voorwaarden voldoen we geloof ik wel," zei hij toen langzaam. "Maar valt jou niets op aan deze advertentie?"

"Nee, hoe bedoel je?" vroeg zijn makker verbaasd.

"Er wordt niets in gezegd over de aard of het doel van de onderneming," wees Rob hem.

"Nee, nu je het zegt...." zei Erik.

"Maar dat maakt het juist wel aantrekkelijk," vond Rob. "Ik stel voor dat we er eens op schrijven. Tenslotte verplichten we ons nog direct tot niets. Wie weet, misschien betreft het de een of andere expeditie naar onbekend gebied of iets dergelijks."

"Je bent wel erg rijk aan fantasie!" lachte Erik. "Maar vooruit, ik voel er ook veel voor om er eens achter te komen waar het eigenlijk om gaat. Laten we maar meteen beginnen met het opstellen van een brief."

Rob haalde papier om een keurig opgestelde sollicitatiebrief in elkaar te zetten. Dat gaf af en toe wel aanleiding tot meningsverschillen, maar na veel geharrewar en doorhalingen kwamen ze tenslotte toch tot een resultaat dat beider goedkeuring kon wegdragen. Vervolgens werd het epistel nog eens netjes over geschreven en een uurtje later was hun gezamenlijke sollicitatie op weg naar de plaats van bestemming.

Er volgden spannende dagen voor het tweetal. Iedere morgen was de eerste gang van Rob naar de brievenbus, maar toen er na een week nog geen antwoord was gekomen begon het er naar uit te zien dat hun schrijven geen enkel resultaat op zou leveren. Erik kwam ook trouw iedere dag horen, maar evenals zijn makker verloor hij het vertrouwen in de uitslag van de onderneming. Ze keken alle dagen maar weer de kranten door. Langzamerhand werden ze wat minder kieskeurig in hun verlangens en verwachtingen voor een betrekking. De eerste baan, welke hen geen van beide al te zeer afschrok, schreven ze op. Het ging hier om gegadigden voor magazijnwerk bij een grote autofabriek. Daar gingen ze tenminste om met technische dingen, al hadden ze dan ook niet direct iets te maken met de constructie van de automobielen. Hun eerste brief was al bijna weer vergeten en opnieuw keken ze elke dag naar de post. En vier dagen nadat ze hun tweede sollicitatie hadden verstuurd lagen er op een ochtend twee brieven tegelijk in de bus.

Gespannen maakte Rob eerst de brief van de automobielfabriek open. Daarin werden de jongens verzocht om zich op de personeelsafdeling te melden. Ze zouden wel niet allebei op dezelfde afdeling tewerk gesteld kunnen worden, maar daarop kon nog nader worden ingegaan. Zo mogelijk nog meer gespannen scheurde Rob de tweede enveloppe open. Er stond geen naam op en dat vond Rob nog al geheimzinnig aan doen. Snel las hij de brief door.

Mijne heren,

Naar aanleiding van Uw sollicitatie d.d. 13 mei jl. verzoeken wij U, ter kennismaking en om Uw sollicitatie nader toe te lichten om op 27 mei a.s. zich te vervoegen aan het adres Badvoortsweg 23, Alhier. Van dit adres zult U per auto gehaald worden en zal U een verklaring worden gegeven over de aard der werkzaamheden die U eventueel te verrichten krijgt.

Hoogachtend,
w/g onleesbaar.

Tot drie keer toe herlas Rob de brief. Het hele geval was hem zo helder als koffiedik. Wat mocht dat in 's hemelsnaam wel voor een onderneming zijn waar in die advertentie over was geschreven? Enfin, hij zou beide brieven maar eerst eens aan Erik laten lezen, om diens mening er over te horen. Ze behoefden niet op dezelfde dag naar de autofabriek en de Badvoortsweg, dus in elk geval konden ze eens kijken wat dat geheimzinnige gedoe te betekenen had. Erik behoefde die dag niet naar zijn vriend te gaan. Die zocht hem wel op, zodra hij er voor in de gelegenheid was. Ook hij was natuurlijk hevig benieuwd wat die brief eigenlijk te betekenen mocht hebben. Geen naam, niets over het werk, alleen maar dat adres, dat hen geen van beiden iets zei.

"We gaan er op af," zei Erik vastbesloten. "Al was het alleen maar om eens te zien met wat voor een stelletje rare snijbonen we daar te doen krijgen."

"Accoord," antwoordde Rob. "Ik ben je man, dat weet je wel en vooral bij zulke gelegenheden!"

Gelukkig behoefde hun ongeduld niet lang op de proef te worden gesteld. De 27e mei was de volgende dag al. De hele verdere dag verdiepten ze zich in gissingen over wat hen te wachten stond.

Om tien uur 's morgens stonden ze de volgende dag dan ook al voor het opgegeven adres. Het was een gewoon huis, in niets te onderscheiden van de andere huizen in die straat. Ze bevonden zich in een vrij stille buitenwijk met nette tuintjes voor de woningen.

"Ik had gedacht dat we op een kantoor of zo iets terecht zouden komen," zei Erik. "Snap jij er iets van?"

"Geen snars," moest Rob toegeven. "Maar we zullen gauw genoeg wijzer gemaakt worden."

Illustratie op pagina 1Rrring, deed het belletje. Na even wachten werd de deur voorzichtig open gedaan door een kaalhoofdig mannetje.

"Wij komen naar aanleiding van Uw brief," zei Rob, terwijl hij het epistel in zijn hand hield.

"O juist ja, komt U binnen," zei het mannetje beleefd.

Voor de jongens uit liep hij een vrij lange gang door, die naar een vertrek achter in het huis leidde. Daar kregen ze een stoel aangeboden en even later zaten ze met zijn tweeën in de kamer. Nieuwsgierig keken de vrienden om zich heen. Het was een gewone huiskamer, zoals er twaalf in een dozijn gaan en ze gingen zich steeds nieuwsgieriger af vragen wat dit te beduiden mocht hebben. Langer dan een kwartier zaten ze zo te wachten en Erik, die nog al opvliegend was, besloot juist om eens poolshoogte te gaan nemen, toen het mannetje weer verscheen om nogmaals iemand binnen te laten.

"Zeg meneer," begon Erik meteen, "vertelt U me eens; wat heeft dit eigenlijk allemaal te betekenen? U laat ons hier wel binnen, maar ik zou graag willen weten waarvoor en op wie we nu eigenlijk zitten te wachten. Dat geheimzinnige gedoe begint me nu toch wel te vervelen!"

"Als U nog even geduld wilt hebben zal de hele situatie U weldra geheel duidelijk worden heren," zei het mannetje.

"Het hangt er maar van af wat U even noemt," mopperde Erik. "Als U maar weet, dat ik niet van plan ben om hier nog een half uur de kamer te bekijken!"

"Het komt heus allemaal in orde," beloofde het mannetje vaag, en weg was hij weer.

Ook de pas binnen gekomen jongeman kreeg een plaatsje toegewezen. Hij zat al even vreemd te kijken als de twee makkers en toen Rob hem vroeg of hij dat geheimzinnige gedoe kon verklaren, haalde hij zijn schouders op.

"Nou, het is hier maar een vreemde bedoening," mopperde Erik en daar waren ze het alle drie over eens.

Maar het zou nog vreemder worden. Binnen tien minuten tijd liet het mannetje nog drie mensen binnen. Een van hen was ouder, een man met een welige baard, die er een beetje artistiek uitzag naar de mening van de jongens. Veel werd er niet gesproken, iedereen wachtte af op de dingen die gingen komen. Hun geduld zou niet lang meer op de proef gesteld worden. Toen de zesde man binnen was gekomen, voegde hun "gastheer" zich bij hen om de heren aan elkaar voor te stellen.

"Dan mag ik U nu wel verzoeken met me mee te gaan naar buiten," zei hij, toen de nodige handen waren geschud. "De auto staat buiten te wachten."

Als ganzen op een rijtje ging het zestal de gang weer door. Buiten stond een enorm grote personenwagen voor de stoep, waar ze met zijn zessen gemakkelijk in konden.

"Valt jou niets op aan die auto?" vroeg Rob fluisterend aan zijn vriend. En toen die hem vragend aankeek vervolgde hij: "Je kunt niet door de ramen naar binnen kijken, let maar op!"

Lang tijd kregen ze niet om er verder op te letten, want met zachte drang werden ze de luxe wagen binnen gewerkt. En daar viel het iedereen direct op, de ruiten waren gemaakt van een doorzichtbaar soort glas, dat alleen het daglicht vaag door liet schemeren, maar waar doorheen verder niets duidelijk was te onderscheiden. Wel was er een venstertje in het dak uitgespaard, zodat er behoorlijk licht naar binnen viel. Kennelijk was het de bedoeling dat de inzittenden niet merkten waar ze naar toe werden gebracht. Voor de chauffeur was een kleine cabine apart gehouden, zodat de passagiers ook naar voren niets konden zien van de omgeving.

Zodra het portier achter de laatste man was dichtgeklapt, schoot de auto meteen vooruit.

"Nou, nou, een beetje kalmer had ook wel gekund, lijkt me zei de baardman, die de jongens hadden leren kennen als Aart van der Nout, een beetje wrevelig.

"Waar gaan we eigenlijk naar toe?" vroeg Gerard Dekker, die het laatst de kamer aan de Badvoortsweg was binnengeloodst.

Maar niemand kon daar antwoord op geven. Het bleek dat ze allemaal een brief hadden gekregen gelijk aan die van Erik en Rob, zodat iedereen even veel, of even weinig wist als zij. Het gezelschap werd gecompleteerd door Tom de Beukelaar en Hans Bakels. Allemaal hadden ze op dezelfde advertentie geschreven, behalve Aart van der Nout. Hij bleek cameraman bij een filmmaatschappij te zijn. In een andere advertentie, die geen van allen verder had gezien, was iemand gevraagd die dat werk volkomen beheerste.

"Nu, daar heb ik toen naar gesolliciteerd, want bij de maatschappij waar ik nu werk heerst altijd geldgebrek. De salarissen worden soms met een achterstand van drie maanden uitbetaald," vertelde hij. "Maar als ik had geweten dat het allemaal zo vreemd zou gaan was ik er toch niet zo grif op in gegaan," voegde hij er nog aan toe.

Ook de andere leden van het gezelschap vertelden hoe ze er toe waren gekomen om op de advertentie te schrijven. En intussen raasde de auto met grote snelheid verder. Te oordelen naar de betrekkelijke rust die er buiten de auto heerste, reden ze nu op een buitenweg. Zolang ze in de stad waren geweest drong voortdurend het claxonneren van auto's en het bellen van trams naar binnen, maar hier was weinig anders te horen dan af en toe het zoemen van een auto die ze passeerden.

Dan, ze hadden ongeveer een half uur gereden, minderde de wagen plotseling vaart. Ze maakten een scherpe bocht en daarna reden ze onder een soort poort door. Even zagen ze vervolgens boven zich nog de blauwe hemel, toen gingen ze kennelijk een garage of wat het dan ook mocht zijn, binnen. Bijna stapvoets reden ze nog even door. Erik kon bijna de verleiding niet weerstaan om nu de wagen al te verlaten nog voor hij stil stond maar achteraf besloot hij, de dingen toch maar liever op hun beloop te laten. Ergens achter zich hoorden ze hoe een rolluik naar beneden werd geschoven en met een harde klik de uitgang afsloot. Daarna stond de auto stil. Onmiddellijk maakte iedereen aanstalten om er uit te stappen. De portieren werden echter van buiten af al open gemaakt door hulpvaardige handen. Tenminste, dat dacht iedereen. Maar nadat ze uitgestapt waren kwamen ze al spoedig op die gedachte terug, er was namelijk niemand te zien....!

Bevreemd stonden ze om zich heen te kijken. Ze stonden in een enorme hal die rondom was bekleed met grote tegels. Wat het eerst opviel was, dat de hal volkomen leeg was, maar dan ook volkomen! Niet alleen dat er geen mensen waren, ook verder was er niets te zien, geen stoel, geen tafel, zelfs geen lamp die het vertrek 's avonds kon verlichten.

Maar hun verbazing zou nog groter worden. Plotseling klonk een metalige stem door de ruimte. Waar hij vandaan kwam, wist niemand, maar hij was er, ondanks het feit dat er nergens een luidsprekerinstallatie of iets dergelijks viel te ontdekken.

"Ik heet de heren hartelijk welkom in de proefhal van mijn laboratorium," zei de metalige, onpersoonlijke stem. "U allen zult enigszins verbaasd staan over de wijze waarop U naar de plaats van Uw bestemming bent gebracht. Ik wil dan ook beginnen met U hiervoor mijn verontschuldigingen aan te bieden."

"Dat lijkt me echt niet overdreven," mopperde Aart van der Nout.

"U heeft volkomen gelijk, meneer van der Nout," vervolgde de stem onverstoorbaar. "We zullen hierop dadelijk nog nader ingaan. Aangenomen tenminste dat U daar prijs op stelt. Mocht dit niet het geval zijn dan verzoek ik U vriendelijk weer plaats te nemen in de auto die U zojuist hebt verlaten. Dit geldt trouwens evenzeer voor de andere leden van Uw gezelschap. Ik stel U dus in de gelegenheid om direct weer naar huis terug te keren wanneer U Uw sollicitatie intrekt. Mocht U echter niet afgeschrikt zijn door de voor U vreemde gang van zaken dan nodig ik U uit om rechtuit te lopen, in het verlengde van de auto. Laat U niet weerhouden door de muur, deze zal voor U wijken. Ik geef U enige minuten tijd om de situatie rustig te overdenken. Spreekt U gerust vrij uit, doch vraagt U vooralsnog niets; ik zal U namelijk nergens op antwoorden."

Na die tamelijk lange redevoering was het weer stil. Verbijsterd stonden de mannen elkaar aan te kijken. Tientallen vragen bestormden hen, maar het had geen zin om ze te stellen, het was duidelijk dat ze toch niet beantwoord werden.

"Wat denk jij ervan Erik?" vroeg Rob zachtjes aan zijn vriend. "Ik vind het allemaal maar erg vreemd!"

"Ik ook," moest zijn makker toegeven. "Maar toch trekt het me wel. Ik wed dat we met de een of andere professor te doen hebben die hier een plan uit zit te broeden dat hij voorlopig voor de wereld geheim wil houden, of misschien zelfs wel móét houden. Als jij mee doet, ga ik ook verder!"

"Top," antwoordde de ander.

De andere vier schenen de bedenktijd die de geheimzinnige stem hen had gegeven, wel nodig hebben. Ieder voor zich keek weifelend voor zich. Het was een vreemde vertoning; de zes mannen in die reusachtig grote hal, die daar als verloren stonden naast de auto.

"Ik heb niemand in de auto zien stappen, dus ik neem aan dat U allen van plan bent om door te gaan," klonk het door de ruimte. "Doet U dan zoals ik heb verzocht en loopt in een rechte lijn vooruit. Daar vindt U een klein, wit knopje in de muur. Als U daar op drukt wijst zich verder de weg vanzelf."

Erik en Rob waren de eersten die zich in beweging zetten, de andere vier sloten zich achter hen aan. Inderdaad bleek er op de gladde muur een klein knopje te zitten. Na een licht druk week een gedeelte van de muur ter grootte van een normale deur. Daarna stonden ze voor een lange, rechte gang. Deuren bevonden zich er niet, maar wel waren de wanden bijna geheel bedekt met buizen en kokers van allerlei verschillende formaten en dikten. Ze volgden de gang, die plotseling een scherpe bocht maakte. Daar zette hij zich nog enige meters voort om dan plotseling dood te lopen. Maar terwijl ze zich juist af begonnen te vragen hoe ze nu moesten handelen week de hele muur aan het eind. Nieuwsgierig liepen de mannen door.

En daar, tussen een wirwar van instrumenten en technische installaties zagen ze hem zitten.... Een kleine, tenger gebouwde man van een jaar of vijftig met een scherp gesneden gezicht en een paar ogen, die dwars door je heen schenen te kijken. Hij zat in een monitor te kijken, een klein model televisie vanwaar hij klaarblijkelijk de bewegingen van de binnenkomenden had gadegeslagen. Nu zijn stem langs de natuurlijke weg tot de mannen kwam bleek het een zeer prettige en vriendelijke te zijn. Hij stond direct op van zijn zitplaats en kwam op hen toelopen met uitgestoken hand.

"Het doet me buitengewoon veel genoegen dat U allen bereid bent om te spreken over de onderneming waarover in mijn advertentie is geschreven," zei hij, terwijl hij hen stuk voor stuk de hand schudde. "U zult wel een beetje verwonderd zijn dat ik al Uw namen al ken maar ook dat zal ik U dadelijk uitleggen. Laat ik eerst mezelf even voorstellen: Professor Bardani."

En toen vertelde hij hen in het kort hoe de vork in de steel zat. Erik bleek gelijk te hebben gehad met zijn veronderstelling dat hij zijn werk voorlopig geheim moest houden, vandaar al die voorzorgsmaatregelen.

"Voor het werk dat er moet gebeuren heb ik werkelijk uitgesproken flinke, energieke kerels nodig," vervolgde de professor. "Ik heb ruim twintig brieven binnen gekregen en dus had ik volop gelegenheid om te selecteren. Dat heb ik dan ook gedaan. Op een wijze die ik U niet nader uit zal leggen, ben ik er in geslaagd foto's van U te krijgen, zodat ik Uw gezichten al kende, nog voor U hier binnen kwam. Ook weet ik van U allen dat U een uitstekende gezondheid geniet."

"Ja, maar hoe kwam U daar dan allemaal aan," wilde Tom de Beukelaar toch weten.

"Daar heb ik zo mijn relaties voor," glimlachte de professor fijntjes. "En nu wil ik dan verder ingaan op de zaak waarvoor ik U hier heb heen gehaald. Alleen had ik daarvoor van U allen graag de stellige verzekering dat U daarover niet eerder spreekt dan dat ik daarvoor uitdrukkelijk toestemming heb gegeven. Ongeacht dus het feit of U mijn medewerker wordt of niet. U hebt alleen maar te antwoorden ja of neen. Wilt U zwijgen zolang ik U zeg dit te doen?"

"Ja," klonk het in verschillende toonaarden.

"Ik had niet anders verwacht," zei professor Bardani tevreden. "Dan zal ik U nu vertellen waar U eigenlijk naar hebt gesolliciteerd. Over plus minus vier maanden zal er vanaf hier een ruimteschip worden gelanceerd naar Saturnus. En U zessen zult dit projectiel bemannen!"


 

HOOFDSTUK II

Verwezen keken de mannen elkaar aan. Een reis naar Saturnus! Ze hadden veel verwacht, maar een dergelijke stoutmoedige onderneming lag geheel buiten hun voorstellingsvermogen. Professor Bardani had het gezegd op een toon alsof hij sprak over een reisje naar Londen en dat maakte het voor hen haast mysterieus. Deze man, wiens hele gezicht sprak van intelligentie sprak over een reis naar een ander hemellichaam op een wijze alsof dat al door duizenden mensen was bezocht, terwijl zij in hun meest onzinnige dromen nog niet over zoiets hadden gedacht.

De geleerde stond hen zwijgend aan te kijken, alsof hij op hun gezichten de gedachten af wilde lezen. Die lagen er duimendik op en het kostte hem dan ook slechts weinig moeite om te raden wat er op dat ogenblik in hen omging. Aart van der Nout was de eerste die het zwijgen verbrak.

"Eh, U neemt me niet kwalijk professor," zei hij en zijn stem klonk een beetje schaapachtig, "maar U sprak toch over Saturnus?"

"Inderdaad," bevestigde professor Bardani. "Ik begrijp dat U allen het eerst even moet verwerken. Maar U zult nu in elk geval al beter hebben begrepen waarom ik de grootste geheimhouding heb bedongen. Als over dit plan iets uitlekt naar buiten, zal weldra de gehele wereld het weten. En voorlopig is het om diverse redenen beter dat mijn plannen niet bekend worden aan, laat ik het zo maar uitdrukken, aan geleerden van andere landen. U begrijpt me verder wel zonder nadere uitleg."

Ze begrepen het inderdaad. Als andere landen op de hoogte zouden komen van de uitgewerkte plannen, zouden ze natuurlijk niets onbeproefd laten om de gegevens, tekeningen en berekeningen voor de reis, in handen te krijgen en dat kon natuurlijk geen enkele natie welkom zijn.

"Ik geef U een kwartier de tijd om rustig over mijn voorstel na te denken," zei de man van de wetenschap. "Voordien wil ik U echter nog even uiteenzetten wat er van U wordt verlangd. Ik heb de heer van der Nout geëngageerd omdat er een film gemaakt zal worden over het leven op Saturnus. Want er is leven op Saturnus, mijne heren! Als U allen instemt met mijn plan, krijgt U gelegenheid nog eenmaal naar Uw woning terug te keren. Daarna zult U de eerstkomende maanden hier moeten blijven, teneinde vast enigszins te wennen aan het feit dat U dan volkomen op elkaar bent aangewezen. Ook zult U hier vertrouwd worden gemaakt met de werking van het ruimteschip en bovendien zult U verschillende keren worden getest op uithoudingsvermogen waar het gaat om verschillen in luchtdruk, hoge snelheden enzovoort. Het zal U hier gedurende die periode aan niets ontbreken, daar kunt U van verzekerd zijn. Overdenkt U de zaak dus rustig, alvorens U een besluit neemt."

Zonder verder nog een woord te zeggen verliet de professor het vertrek, de zes mannen overlatend aan hun gedachten. Zwijgend zaten die op de plaatsen welke hen aangewezen waren toen ze binnen kwamen. De enige die niet lang behoefde te denken was Aart van der Nout.

Ofschoon hij heel even aan zich zelf had getwijfeld bij het vernemen van wat hem eventueel te wachten stond, was zijn gezicht vastbesloten toen hij zei: "Ik doe het! Ik heb alle vertrouwen in die professor Bardani. Als hij er van overtuigd is dat het technisch mogelijk moet zijn, geloof ik hem onvoorwaardelijk."

"En als hij er nu toch eens naast zit?" vroeg Hans Bakels.

"Dan hoeft er nog niets aan de hand te zijn," meende Erik. "Reken er maar op dat de veiligheidsmaatregelen tot in de puntjes zijn verzorgd."

Ook Rob, Hans, Tom en Gerard waren die mening toegedaan. Ja, professor Bardani wist wel welke mannetjes hij had aangetrokken voor zijn gedurfde plannen. Niet voor niets had een ploeg van zes opsporingsambtenaren het hele leven van hen ontrafeld. Zodoende wist hij, met mensen te doen te hebben die niet voor een klein geruchtje vervaard waren en die het onbekende wel aantrok. In het kwartier dat de professor hen had gegeven, had ieder voor zich al uitgemaakt dat hij mee zou doen aan dit grote avontuur, het verkennen van ruimten waar nog nooit een aards wezen zich had gewaagd.

Toen de geleerde de ruimte weer betrad, keek hij vragend in het rond.

Aart van der Nout nam het woord voor hen.

"We vertrouwen allemaal op Uw kennis en op de resultaten van Uw proefnemingen," zei hij eenvoudig. "Daarom hebben we ons voorgenomen Uw opdrachten onvoorwaardelijk uit te voeren."

"Dat doet me meer genoegen dan ik kan zeggen," zei de professor warm en het viel iedereen op dat zijn woorden volkomen menselijk waren, alsof hij sprak tegen oude kennissen en niet als wetenschapsmens tegenover ondergeschikten. "Dan zal ik jullie nu de laboratoria laten zien, waarin ik samen met mijn robots jarenlang proeven heb genomen."

"Robots?" vroeg Rob, "wilt U daarmee zeggen dat U de enige mens hier bent?"

"Dat wil ik inderdaad," bevestigde de ander.

"En de chauffeur van de auto die ons hier naar toe heeft gebracht?" vroeg Gerard. "Dat was ook al geen gewone chauffeur, maar eveneens een namaakmens, gehuld in een gewoon costuum. Om het niet vreemd te doen lijken op de weg had ik deze robot een wassen hoofd op gezet, zodat niemand er direct erg in zou hebben dat er iets ongewoons aan de hand was."

Vervolgens ging professor Bardani hen voor door de geweldige ruimten die hij tot zijn beschikking had. De mannen vroegen zich af waar ze zich eigenlijk bevonden. Niemand van hen had ooit het bestaan vermoed van een dergelijk gebouw, zo midden in de bewoonde wereld. Maar de professor wilde zich daar niet over uit laten. Het enige wat hij wilde vertellen was, dat de ruimten voor een groot gedeelte onder de grond lagen. Een beetje trots wees hij de mannen op de vaak gigantische apparaten die overal stonden opgesteld. Bewonderend keken ze naar de electronische wonderen, die eenvoudig werden aangeduid met de naam "robot". Ze waren zodanig geconstrueerd dat ze in staat waren om alle voorkomende werkzaamheden te verrichten.

Het deed onwezenlijk aan toen een van de robots regelrecht op hen af kwam lopen en bijna gaf Rob een kreet van schrik toen hij haast ondersteboven werd gelopen door de metalen reus. Nog juist op tijd bedacht hij dat hij hier met een machine te doen had, anders had hij een onwelvoeglijk woord laten vallen. Haast griezelig echt waren de lopende machines afgestemd op menselijke handelingen. Het enige wat ze blijkbaar niet konden, was spreken, want nergens klonk een ander geluid dan het zoemen van bepaalde instrumenten.

In een aparte ruimte was een compleet planetarium ingericht dat de aspirant-ruimtevaarders met ontzag vervulde. Geduldig antwoordde de geleerde op allerlei vragen en vulde de antwoorden vaak nog aan met allerlei uiteenzettingen, zodat ze enig idee kregen over de werkwijze en de manier waarop professor Bardani zich de tocht door de ruimte had voorgesteld. Het allerlaatst leidde hij hen binnen in een koepelvormige ruimte. In het midden daarvan stond, aan alle kanten in evenwicht gehouden door stevige kabels, een glanzende metalen kegel, van boven spits toelopend en aan de onderkant rond gevormd. Zonder dat er over werd gesproken wist iedereen wat dit was. In deze metalen kuip zouden ze over enige tijd het luchtruim ingeschoten worden. Hierin zouden ze een tijdlang samen moeten bivakkeren, volkomen aangewezen op elkaar! Er binnenin klonken geluiden. Blijkbaar werd er nog volop gewerkt aan het ruimteprojectiel door de mens-machines.

"Vandaag zullen we het hierbij laten," merkte professor Bardani op. "Ik zal U nu thuis laten brengen, dat wil zeggen, naar het punt waar U vandaan bent gekomen met de auto. Morgenochtend verwacht ik U allen daar weer. U behoeft niets mee te nemen, voor alles zal worden gezorgd."

Voor hen uit liep hij weer door de ruimten. Elke afdeling leek door massief gebouwde muren zonder deuren te zijn gescheiden van de ander, maar zonder aarzeling liep professor Bardani naar de plaatsen waar hij door een lichte handdruk of het overhalen van een kleine handle de muren kon doen wijken. En weldra stonden ze weer op de plaats waar ze uit de auto waren gestapt. Nu zagen de jongemannen dat de professor waarheid had gesproken toen hij vertelde over de robot die achter het stuur zat.

"Pas op dat U de deur niet eerder sluit, voor dat U allemaal in de auto zit," waarschuwde de geleerde. "Anders rijdt de wagen meteen weg, zo is hij afgesteld."

Na een hartelijk afscheid stapten ze weer in, professor Bardani sloot eigenhandig het portier achter hen en direct daarop zette de grote auto zich in beweging. Achter zich hoorden ze weer de grote roldeuren open schuiven en met haast griezelige nauwkeurigheid laveerde de machinale chauffeur achteruit, de poort door en naar buiten. Door het raampje in het dak zagen ze weer de lucht en weldra raasden ze met grote snelheid over de weg, zonder te weten op welke hoogte ze zich bevonden. Vol bewondering voor de prestaties van het menselijk vernuft zaten de zes een beetje stil in de auto. Het geraas van een door de bocht gierende tram maakte hen weldra duidelijk dat ze al weer in de stad waren, nog iets vlugger als op de heenweg. Op de Badvoortsweg stopte de auto op precies dezelfde hoogte als enige uren geleden, de portieren gingen weer automatisch open en even later waren ze weer opgenomen als gewone mensen in een gewone omgeving. De auto zoemde al weer weg zodra de klik van het dichtvallende portier weerklonk. Niemand van de voorbijgangers had er erg in dat het geen gewone chauffeur was die voor de besturing zorgde.

Voor de laatste keer gingen ze naar hun woning terug om daar voorlopig afscheid te nemen. Hier en daar leverde dat wel wat moeilijkheden op; het viel niet mee om de familieleden duidelijk te maken dat over het doel van de reis met geen woord gesproken mocht worden. Maar alle zes slaagden ze er in weg te komen zonder dat ze iemand iets wijzer hadden gemaakt dan ze zelf wilden.

Klokslag acht uur stonden ze de volgende dag al weer op de Badvoortsweg. Alsof er al op hen gewacht was, zo kwam binnen een minuut de grote, zwarte auto weer aangereden om de toekomstige ruimtevaarders naar hun voorlopige verblijf te brengen. Het was alsof professor Bardani blij was toen hij hen allen uit de auto zag stappen.

Blijkbaar was er toch nog iets van wantrouwen geweest en had hij verwacht dat een of meerderen van de mannen zich op het laatste moment terug zouden trekken.

En nu brak er een vreemde tijd aan voor de zes vrijwilligers. Hun hele levensomstandigheden werden gewijzigd. Soms waren ze het onderwerp van allerlei proefnemingen, dan weer liet professor Bardani hen een hele dag met rust als om weer wat op verhaal te komen. Het meest interessante vonden ze allemaal wel het onderricht in het bedienen der instrumenten die in de raket waren aangebracht. Ze leerden de werking kennen van de honderden knoppen en handle's die daarin waren aangebracht, zodat ze ieder zo nodig de installatie geheel zelfstandig konden bedienen. Niets werd aan het toeval over gelaten, voor letterlijk alles was gezorgd.

Professor Bardanin instrueerde hen op een rustige, duidelijke wijze. Als de zes in hun ruimtevaartpakken bezig waren deed hij net als zij, en trok ook de ruime, zakkerige hansop aan. Een transparante plastic stolp over het hoofd voltooide de uitrusting. Daarop was een kleine antenne aangebracht en via een kleine radiozender onderhielden ze contact met elkaar.

Aart van der Nout protesteerde hevig toen bleek dat zijn zorgvuldig gekweekte baard een beletsel bleek te zijn in de niet al te grote ruimte onder de kap, waar bovendien nog een plaatsje was gereserveerd voor de slangen van het zuurstofapparaat. Hij ontkwam er echter niet aan, het ding moest er af.

"Daar heb ik maandenlang alle zorg aan besteed om hem zo keurig in model te krijgen," mopperde hij.

"Troost je, er is hier niemand die er op let," spotte Rob, maar de filmman was een paar dagen flink uit zijn humeur.

Zijn stemming verbeterde pas weer enigszins toen professor Bardani hem zijn filmcamera ter beschikking stelde. De goede Aart was verrukt over het apparaat, waarin de nieuwste technische snufjes aangebracht waren. Het opvallendst was wel dat het zo weinig ruimte vroeg. Binnen een dag was Aart met de werking ervan geheel op de hoogte en filmde hij dat het een lieve lust was. Het was een vreemde gewaarwording toen hij op een avond het opgenomene afdraaide. Hoewel ze zich allemaal volkomen op hun gemak voelden in de vreemde omgeving klonk er een hartelijk gelach toen ze zichzelf op het projectiescherm bezig zagen temidden van de robots, die onverstoorbaar hun taak vervulden aan de perfectionering van het grote, enigszins kegelvormige ruimteschip.

"Ik vraag me af hoe de professor eigenlijk denkt dat gevaarte naar buiten en omhoog te krijgen," zei Gerard Dekker.

"Vraag het hem zelf," zei Tom de Beukelaar, en dat deed Gerard dan ook prompt.

De geleerde keek hem peinzend aan. Zijn karakteristieke gezicht stond een beetje vermoeid, maar hij probeerde toch duidelijk te maken, hoe dat in zijn werk moest gaan. In het kort kwam het er op neer dat de raket niet versleept zou worden. De gehele bovenwand van het vertrek zou moeten wijken als de raket omhoog schoot, het hemelruim in. Vervuld van ontzag luisterden de mannen naar zijn uiteenzetting.

"De techniek heeft de wereld veroverd en ik heb jullie al gedemonstreerd wat daarmee bereikt kan worden," besloot Bardani zijn betoog. "Met één enkele handdruk zal de gehele zoldering hier wijken en U een blik laten slaan in het heelal, dat wacht op Uw verovering."

Zo verstreken de maanden. Het instrumentarium had voor de mannen langzamerhand geen enkel geheim meer. Het wachten was nog slechts op het meest geschikte moment om te starten en dat moment naderde snel. In het planetarium konden ze zelf de loop van de hemellichamen volgen en werd hen duidelijk gemaakt welke factoren precies een rol speelden. En toen kwam dan eindelijk de dag waarop professor Bardani hen allen bij zich riep.

"Mannen," zei hij ernstig, "over enkele uren zult U beginnen aan de meest eervolle, maar ook moeilijke taak welke ooit aan mensen is opgedragen. Alles is gedaan om de reis tot een succes te maken. Ginds ziet ge de robots, product van menselijk vernuft, bezig de laatste hand te leggen aan de inlading van de cylinder. De rest zal van U afhangen, de wetenschap heeft gedaan wat ze kon. Als alles naar wens verloopt, hoop ik U over drie maanden behouden terug te zien. Ik wens U een behouden vaart."

Met strakke gezichten hadden allen geluisterd, staande in het laboratorium waar de professor het grootste deel van zijn plannen had uitgewerkt.

Een laatste controle, toen marcheerden ze naar de raket die hen zou moeten dragen tussen meteorieten, hemellichamen en stratosferische stromingen. De professor sloot eigenhandig de deur achter hen.

Er was geen terug meer mogelijk!

HOOFDSTUK III

Illustratie op pagina 32Dreunend met een geweld alsof heel het gebouwencomplex van professor Bardani in elkaar moest, sloeg de eerste motor aan. Via electronische weg startte professor Bardani zelf de raket, staande op een kleine verhoging, waar de bemanning hem door de vrij grote, polsdikke ramen kon zien staan. Een enorme rookontwikkeling zette de hele ruimte in een dikke, nevelige schemering. Een tweede druk en zonder haperen sloeg motor nummer twee aan. Binnen, in de cabine hadden ze natuurlijk geen enkele last van de verstikkende rook, alles was hermetisch afgesloten.

"Kijk eens naar boven," zei Rob plotseling ademloos tegen Erik.

Allen zagen het. Een derde beweging van de geleerde deed langzaam de zoldering in tweeën splijten en boven hen werd de heldere sterrenhemel zichtbaar.

"Alles klaar?" vroeg de stem van professor Bardani door de radio.

"Alles klaar," bevestigde Aart, die als commandant was aangesteld.

"Tot Mars zult U radiotelefonisch contact kunnen opnemen, daarna laat ik alles aan U over. Tot ziens!"

Statig verhief het gevaarte zich, even een suizing, weinige seconden later hadden ze de aarde achter zich gelaten. Met een snelheid, honderd keer zo groot als het geluid, stoven ze het onmetelijke heelal in. Nog even zagen ze de zon, begeleid door de ring die de atmosfeer om de aarde legde daarna spoedde de raket zich voort in een violette duisternis.

Door de microfoon hoorden ze de stem van de professor die nog enige aanwijzingen gaf. Zijn stem had weer de metalige klank gekregen die de mannen zich nog van de eerste keer, toen zij zijn laboratorium waren binnen gereden, herinnerden.

"Zo, laten we het ons gemakkelijk maken," zei Aart. "Voorlopig kunnen we weinig anders doen dan wachten. Ik heb de automatische bestuurder in werking gesteld. Laten we eerst maar eens wat gaan eten."

"Eten?" vroeg Erik.

"Ja, wat dacht jij dan?"

"O, je bedoelt dat we wat pilletjes moeten slikken," zei Erik, Hollands nuchter.

"Tja, daar zul je het voorlopig mee moeten doen jochie," zei Rob lachend. "Een spiegeltje met gebakken ham is er voorlopig niet voor je."

"Ik wens U smakelijk eten," klonk de stem van de professor op grote afstand.

"Dank U, liever had ik een bordje nasi-goreng via de radio gekregen," zei Erik sarcastisch.

"Ik zal het voor jullie klaarzetten wanneer je terug bent," beloofde de geleerde gul.

Zijn stem kwam geleidelijk zwakker door toen hij even later vervolgde: "Gij nadert Mars thans, een afstand nog van ongeveer honderdvijftigduizend kilometer. Naar mijn berekening zult ge daar over anderhalf uur passeren. Ik waarschuw U wel voor het feit dat daar vrij veel meteorieten voorkomen. Kijk dus zelf goed uit en laat de besturing voorlopig niet meer aan de automaat."

Zijn waarschuwing bleek niet ongegrond. Terwijl de mannen nieuwsgierig naar buiten keken zagen ze recht voor zich uit een enorme, vuurrode bal op zich af komen, die nog snel in grootte toenam. De cabine werd er door in een eigenaardig licht gezet, dat alle kleuren van een regenboog in zich had. Maar een lichte druk op de besturingshandle was voldoende om het gevaar te omzeilen.

"Kijk uit," waarschuwde Rob, "daar komt er weer een."

"Ik vind het hier anders maar knap druk worden," gaf Tom de Beukelaar als zijn mening te kennen.

"Kijk daar eens!" riep Rob plotseling opgewonden. "Zien jullie die lichte plek daar op Mars?"

Allen keken in de aangewezen richting naar de oorzaak van Rob's opwinding. Nog juist konden ze zien hoe daar een lichte plek ontstond, die langzaam aangroeide om zich vervolgens heel langzaam los te maken in hun richting. Tenminste, op deze afstand leek het heel langzaam, maar per seconde konden ze zien hoe de afstand tussen Mars en de lichte vlek steeds groter werd. Ingespannen tuurden de mannen naar buiten, zich verdiepend in veronderstellingen over de aard van de verschijning. Eerst leek het alsof het ding, of wat het dan ook maar mocht zijn, in hun richting naderde. Dan beschreef het een reusachtige boog om vervolgens verder te gaan in dezelfde richting als hun eigen schip. Het licht, dat het eerst uitgestraald had, verflauwde langzamerhand. Maar plotseling vlamde het weer hevig op, om zich even later in tweeën te splijten.

"Daar moet ik de professor over zien te spreken," zei Aart van der Nout. "Ik hoop dat ik hem nog te pakken kan krijgen."

Hij stelde het oproepapparaat in werking, de antenne, welke zijn stemgeluid door moest geven vlak tegen de microfoon gedrukt.

"Hallo aarde, hallo professor Bardani, hier luchtschip X 1," schalde zijn stem. "Kunt U me verstaan?"

Even was het stil.

Nogmaals herhaalde Aart zijn oproep, nog dringender en luider nu.

"Hier luchtschip X 1, ik zoek contact met U, professor Bardani. Kunt U me verstaan? Over....!"

Heel zwakjes nog kwam het antwoord.

"Hier Bardani op afvuurbasis, ik versta U. Over!"

In korte bewoordingen vertelde Aart van der Nout wat er zich afspeelde voor hen in de ruimte. Onmiddellijk daarop volgde het antwoord.

"Hallo luchtschip X 1, ik heb Uw verhaal gehoord, maar kan er geen verklaring voor geven. Handelt U naar eigen inzicht. Over!"

"Daar schiet ik niet veel mee op," bromde Aart. "Nou ja, we zullen wel zien; ik zal in elk geval de ontvanger nog even open laten staan. Als de professor dan nog een bepaalde mening krijgt over dat malle ding, zal hij het nog wel vertellen."

Rustig zoemde hun raket verder. Er gebeurde niets onrustbarends en langzamerhand verflauwde de belangstelling voor het projectiel voor hen. Plotseling leefde de belangstelling echter weer op, toen het voor de tweede keer uit elkaar spatte en één gedeelte de reis voortzette, terwijl de andere helft geleidelijk uitdoofde en de terugkeer naar Mars scheen te aanvaarden.

"Zal ik jullie eens wat vertellen?" zei Erik. "Dat is een ruimteschip dat is afgevuurd van Mars, een drietrapsraket! De bewoners werken precies volgens hetzelfde systeem zoals dat tot nu toe op de aarde is uitgeprobeerd."

"En als ik me niet heel sterk vergis, zijn zij ook onderweg naar Saturnus," voegde Gerard er aan toe. "We krijgen daar concurrentie mannen."

Op dat moment knetterde de ontvanginstallatie. Gespannen zette iedereen zich direct tot luisteren. Dat moest professor Bardani zijn, die alsnog zijn visie op het voorval wilde geven. Maar het was professor Bardani niet!

Er klonk een vreemd gebrabbel, alsof iemand probeerde de zender te storen. Maar langzamerhand viel het gemurmel uiteen in woorden. Niemand kon er overigens een touw aan vast knopen wat daar allemaal verteld werd, maar het kon haast niet missen, dit moesten geluiden zijn van de wezens die van Mars op waren gestegen. Vervolgens was het heel even stil. Toen kwam er antwoord, veel duidelijker dan de eerste geluiden die ze hadden gehoord.

"Parletinka, parlehoeska arletabrlehug," klonk het.

"Gooi het maar in mijn pet," bromde Rob. "Dat lijkt wel Russisch."

Een vinnige schop was het antwoord van de anderen. Ondanks het feit dat zijn ruimtepak veel tegen hield, begreep Rob wel dat hij stil moest zijn, want de por was raak.

"Karleska, varleska roe," klonk het.

"Komenika, troe," was het antwoord.

Daarna hield het geluid op.

"Nu hebben jullie je zin," zei Rob wrevelig. "Nu heb je het gesprek afgeluisterd. Maar mijn hoofd er af als één van jullie er iets van snapt."

Niemand gaf antwoord op zijn ontboezeming. Ze wisten geen van allen wat ze er van moesten denken. Een ding was wel duidelijk; dit was een gesprek tussen het ruimteschip daar voor hen en zijn uitgangbasis. Maar met welk doel was dit luchtschip afgeschoten? Was het, evenals zij zelf, op weg naar Saturnus of was het de bedoeling dat ze op een andere planeet terecht kwamen? En zouden ze de X 1 al opgemerkt hebben?

Intussen was Mars in een duizelingwekkend tempo langs hen heen gevlogen, of eigenlijk waren ze elkaar gepasseerd. Van hier uit was pas goed te zien met welke enorme snelheden de planeten om de zon heen draaiden. Aart probeerde nog een keer om verbinding met de aarde te krijgen, maar de afstand was blijkbaar te groot; professor Bardani gaf geen antwoord meer. Slechts heel vaag kwam er een geluid door dat deed denken aan een menselijke stem, maar er viel totaal niets meer uit op te maken. Wel hoorden ze, na de woorden van Aart, even een schrille fluittoon, maar de betekenis daarvan ontging hen en vervolgens viel de stilte van het heelal weer over hen. Ze hadden niet eens kunnen zeggen of de motor van de X 1 nog werkte. Doordat er geen atmosfeer en dus geen lucht was buiten de machine, was er ook niets dat het geluid kon geleiden. Binnen was gelukkig zuurstof genoeg aanwezig. Ongeveer een keer per drie uur werd de lucht in de cabine gezuiverd met een speciaal geconstrueerde pomp en werd er weer een capsule zuurstof open gemaakt.

"Ik krijg opeens een vreselijke slaap," gaf Hans Bakels te kennen. "Sjonge, wat zou ik graag mijn bed in willen duiken. Dat onhandige pak uit, die zware schoenen uit en dan heerlijk tussen de lakens."

"Die schoenen zou ik hier maar aan laten," waarschuwde Aart. "Voor je het weet, zit je tegen de zolder geplakt en moeten we je daar vandaan plukken om je beneden te krijgen."

"Dat is waar ook," zei Hans. "In het begin van de reis heb ik wel even last gehad van die zware dingen met lood, maar nu heb ik er totaal geen erg meer in."

"Begrijpelijk genoeg," vond Tom. "Toen zaten we nog in de aantrekkingskracht van de aarde, maar daar hebben we nu niets meer mee te doen."

"Vreemd," merkte Gerard op, "toen we daar straks zo dicht bij Mars waren, heb ik niets van aantrekkingskracht gemerkt. Dat zou dus inhouden, dat Mars niet magnetisch is."

"Zeer snugger opgemerkt," zei Aart. "Dat is ook de reden waarom professor Bardani ons naar Saturnus heeft gestuurd. Volgens hem is het voor mensen onmogelijk om op Mars te landen. Daar schijnt een bepaalde structuur van het lichaam noodzakelijk te zijn. Daarom vond hij het natuurlijk ook zo vreemd dat er van af Mars een raket opsteeg. De wezens die daar leven, moeten heel anders reageren op de wetten van de zwaartekracht dan wij. Dat is ook de reden waarom ik achteraf niet geloof dat die raket voor ons niet op weg is naar Saturnus. Volgens de prof is die namelijk wel magnetisch, dus dat moet voor de Marsbewoners haast onoverkomelijke bezwaren opleveren."

"Tenzij die lui ons in technisch opzicht natuurlijk verre de baas zijn," meende Rob. "Tenslotte denken wij wel dat we erg snugger zijn, maar wellicht zijn wij maar domme jongens, vergeleken bij hen."

"Dat gaat er inderdaad veel op lijken," gaf Erik als zijn mening te kennen. "Kijk eens jongens, dat ding gedraagt zich net alsof het van plan is, een landing uit te voeren."

Hij bleek gelijk te hebben. De vurige stip, die het derde gedeelte van de Marsraket nog steeds had gevormd, draaide in een grote boog, schuin in de richting van Saturnus, als had de bemanning een bepaald punt in het vizier. Als een reusachtige bal lag de planeet voor hen, op een afstand die de mannen schatten op ongeveer tweehonderdduizend kilometer. Het lichtte nu ook langzamerhand enigszins buiten de cabine, de weerkaatsing van het hemellichaam in de zon was duidelijk merkbaar. Heel gestadig werd het licht sterker. Nog even konden de ruimtevaarders in de X 1 zien hoe het projectiel daar voor hen nu gelijk met het Saturnusoppervlak vloog, toen verdween het uit het gezicht achter de horizon.

"We gaan hem achterna," zei Aart vastbesloten. "Ik krijg zo het idee dat die lui precies weten, waar ze moeten zijn en daar kunnen wij misschien van mee profiteren."

In spanning keek de bemanning naar wat er zich daar buiten afspeelde. Ze voelden nu langzamerhand dat de met lood gevulde schoenen weer zwaarder begonnen te worden, het bewijs dat professor Bardani gelijk had toen hij beweerde dat Saturnus dezelfde magnetische kracht had als de aarde. Aart gaf daarom het bevel, ze te verwisselen voor de rubberlaarzen die ze bij zich hadden. Dat was een voorzorgsmaatregel geweest van de geleerde op de aarde. Hij vreesde dat Saturnus min of meer electrisch geladen zou zijn. Rubber geleidde geen stroom, vandaar dat de ploeg ze voor alle zekerheid aandeed. Ook de ruimtepakken waarin ze tot nu toe gehuld waren geweest, werden verwisseld voor gummikleding. Alleen de plastic kappen met de radioontvangertjes en de geleidebuisjes voor de zuurstof bleven voorlopig nog op hun plaats. Op Saturnus konden ze altijd nog zien of die nodig waren.

Langzamerhand vond Aart het tijd worden om de afreminstallatie in werking te stellen. Met de supersonische snelheid die ze nu nog hadden, zouden ze te pletter vliegen en het was dus zaak om die aanmerkelijk te verminderen. Allen voelden het suizen weer in de oren wat ze ook hadden gevoeld bij het vermeerderen van de snelheid, kort na het vertrek van de aarde.

Het leek even alsof de kap op hun hoofd uit elkaar zou springen, maar dat was suggestie, de operatie verliep zonder moeilijkheden. Met een snelheid van hoogstens duizend kilometer per uur stuurde Aart de raket achter het Marsprojectiel aan. Vrij duidelijk konden ze nu al het Saturnuslandschap onderscheiden. Het leek op deze afstand vrij veel op het gezicht dat de aarde van deze hoogte moest opleveren. Land en water wisselden elkaar af, terwijl hier en daar grote, bronsgroene vlakken wezen op de aanwezigheid van bossen. Maar mocht Saturnus dan al een dampkring hebben, wat de mannen opviel was, dat er geen bewolking was. Het zonlicht had overal vrij spel en alle zes vroegen ze zich af waar dat water dan wel vandaan mocht komen. Voorlopig was er echter niemand die die vraag kon beantwoorden. Veel tijd om er over te denken, kregen ze ook niet, want Aart beval iedereen om zich gereed te houden voor de landing. Hij stuurde aan op een lichtgeel vlak dat zich over een grote oppervlakte uitstrekte. Kennelijk was het een zandvlakte, een kleine woestijn. Hier en daar waren verhogingen te onderscheiden. Tekenen van leven zagen ze er overigens niet. In een grote boog liet Aart de machine over het gebied draaien.

"Daar heb je die raket!" wees Erik plotseling.

Inderdaad lag daar, aan de rand van de zandvlakte iets wat veel op een ruimteschip geleek. Zo behoedzaam mogelijk zakte Aart steeds verder naar beneden, zo laag, dat ze onder zich bewegende wezens konden onderscheiden. Dan een licht schok. Enige honderden meters schoot de X 1 nog voort, toen stond hij stil, op nog geen driehonderd meter afstand van de Marsraket.

De heenreis was volbracht!

HOOFDSTUK IV

Het was een vreemde ontvangst die hen te beurt viel. Toen ze met stijve knieën naar buiten stapten in het Saturnuslandschap, konden ze hun ogen haast niet geloven. Een menigte heel kleine wezentjes keken hen wantrouwend aan, zonder een geluid uit te brengen. Ze waren bijna precies eender gebouwd als de aarde bewoners, met dit verschil, dat ze geheel kaal waren. Verder waren hun neuzen iets anders gebouwd, veel groter, zodat het de filmploeg van professor Bardani haast belachelijk voor kwam. Ze wachtten zich echter voorlopig wel, iets van hun gevoelens te laten blijken, om zich vooral niet de vijandschap van de menigte op de hals te halen. Want mochten de Saturnusbewoners een stuk kleiner zijn dan de mensen, ze zagen er vervaarlijk genoeg uit. Zonder enige uitzondering droegen ze allen een soort speer in een gordel, die om hun middel hing en waarvan de bedoeling niet mis verstaan kon worden. Dan zagen de mannen een kleine optocht anderen. Tussen een stel bewoners van Saturnus werden vijf vreemd gebouwde wezens mee gevoerd.

"Dat zijn natuurlijk die lui uit de Marsraket," zei Rob zo gewoon mogelijk.

"Een raar stelletje," antwoordde Erik met een onbewogen gezicht, waarop geen enkele emotie viel af te lezen. "Die schijnen hier al eens meer te zijn geweest. Hoor eens hoe ze met elkaar aan het koeterwalen zijn."

Inderdaad praatten de vreemde wezens honderd uit tegen de gastheren. In tegenstelling tot de bewoners van Saturnus hadden de Marsmannen een weelderige haargroei, die in lange vlechten tot bijna op de grond hing. Ook zij waren niet groot gebouwd en er zou verder niet zo heel veel vreemds aan hen zijn geweest als ze niet zo verschrikkelijk druk waren. Ze gesticuleerde hevig met hun lange armen en hun mond stond geen ogenblik stil. Het was duidelijk dat het gesprek wat de mannen onderweg hadden afgeluisterd inderdaad van hen afkomstig was. Er viel geen woord van te verstaan maar de klankverwantschap was onmiskenbaar. Ze schenen zich uitstekend verstaanbaar te kunnen maken voor de oorspronkelijke bewoners van de planeet, want terwijl zij druk aan het brabbelen waren, knikten die af en toe begrijpend. Toen het groepje de massa genaderd waren, week die eerbiedig achteruit. Kennelijk waren het hooggeplaatste functionarissen, aan wie de eer te beurt viel om de Marsmannen te mogen begroeten. De aardebewoners sloegen al die drukte intussen maar eens rustig gade, wachtend op de dingen die gingen gebeuren. Nadat er enige keren op hen was gewezen, maakte eindelijk één der Marsmannen zich los van de anderen en kwam op hen af.

"Komenika," zei hij laconiek.

"Komenika," antwoordde Aart, in de veronderstelling dat dit een begroeting betekende.

Hij meende zich vaag te herinneren dat hiermee ook het gesprek was geëindigd dat via de radio was gevoerd en het leek hem het beste om maar te doen alsof hij de ander volkomen begreep.

Inderdaad scheen het, alsof het woord een goede indruk maakte, want de hele menigte bromde vriendelijk mee: "Komenika."

"Pakirana robelu rakuni?" zei de Marsman vragend.

Aart wist niet beter te doen dan maar eens vriendelijk te grijnzen.

"Komenika," zei hij nog eens vriendelijk, toen de Marsman hem vragend bleef aankijken.

Tenslotte kon hij toch geen stommetje blijven spelen? Deze keer viel het woord echter in minder goede aarde.

"Bani boki pakirana robelu rakuni!" herhaalde hij een beetje ongeduldig.

"Hij vraagt of je zijn taaltje verstaat," begreep Erik. "Je kunt je beter met gebarentaal behelpen. Wacht, laat mij eens begaan."

Hij wenkte de Marsbewoner bij zich en ging op zijn knieën in het zand liggen. Daarop begon hij met een stokje een tekening in het zand te maken van de verschillende hemellichamen. Een grote bal moest de zon voorstellen. Erik wees eerst op de cirkel in het zand, daarna naar de zon, terwijl hij vragend zijn wenkbrauwen omhoog trok.

"Odi," zei de Marsman met een gezicht alsof hij er alles van begreep.

Vol goede moed tekende Erik een stukje verder weer een cirkel, nu een stuk kleiner. Vervolgens wees hij in het rond alsof hij het hele landschap wilde omvatten.

"Karnupu," begreep de Marsman.

De volgende cirkel moest Mars voorstellen en Erik begon heftig op de Marsman zelf te wijzen.

"Matti," zei de Marsman intelligent en ten overvloede wees hij ook nog eens op zijn metgezellen en de Marsraket.

Nu werd het echter moeilijker. Hoe moest hij dat kleine mannetje nu aan het verstand brengen dat ze van de aarde kwamen? Het was volop daglicht op dit gedeelte van Saturnus. De aarde was dus niet te zien, daarvoor zouden ze moeten wachten totdat de zon onder was. Na veel moeite gelukte het hem toch eindelijk.

Vervolgens nodigden ze de woordvoerder van de Marsmannen met nog enige anderen in de raket. Daar bleken de bewoners van Mars behoorlijk mee op de hoogte te zijn. Met vakkundige gezichten namen ze alle instrumenten onder de loupe, terwijl ze onderwijl in hun radde taaltje hun opmerkingen over en weer plaatsten. Ze schenen wel bewondering te hebben voor de prestatie van de bewoners der aarde, want af en toe knikten ze goedkeurend. Vervolgens nodigden ze de ruimtevaarders uit om een kijkje te nemen in hun cabine, die er ook vrij ingewikkeld uitzag. Geen van de mannen begreep er veel van hoe de instrumenten allemaal werkten, maar als één man lieten ze een goedkeurend gemompel horen.

"Faka boni biko kares?" vroeg de aanvoerder.

"Het ziet er prima uit," zei Aart vriendelijk, terwijl hij zijn duim omhoog stak.

Dat leek hem niet alleen een internationaal gebaar, maar ook een interplanetair. Inderdaad leek de Marsman hem volkomen te begrijpen en knikte instemmend. Maar daarmee was de conversatie voorlopig weer afgelopen, want Aart noch een van de anderen wist waar hij mee moest beginnen. Ze drentelden maar wat heen en weer tussen de twee ruimteschepen, afwachtend op wat hun "gastheren" van plan waren met hen. Die schenen er zelf ook een beetje mee te zitten. Terwijl de massa Saturnianen nog altijd onder doodse stilte stond te kijken hielden hun voormannen met de Marsmannen een soort krijgsraad, waarbij vooral de bewoners van Mars weer het hoogste woord voerden. Na minutenlange beraadslagingen schenen ze eindelijk tot een accoord te zijn gekomen over wat hen te doen stond. Een van de Saturnianen ging op een verhoging staan en riep een kort bevel in de richting van de menigte.

"Paroeki posa!"

Illustratie op pagina 44Tot hun schrik zagen de aardbewoners plotseling alle speren uit de gordels komen en iedereen een krijgshaftige houding aannemen.

"Alle Marsmannetjes in een koffertje!" zei Hans ontzet, "de kennismaking schijnt hun toch niet erg te bevallen."

"Allemaal met de rug tegen de raket," beval Aart rustig. "En bij het eerste teken dat ik geef, springen we meteen naar binnen. Maar denk er om, niet eerder dan strikt noodzakelijk is."

"Hoor je dat? Hij zegt weer "komenika", dat betekent een soort welkom," fluisterde Erik, en zijn stem klonk opgelucht. "Als ik me niet vergis, is hij bezig aan een welkomstrede voor ons."

"Nou, ik vind het anders maar een rare manier om iemand welkom te heten," bromde Rob, die er schijnbaar nog niet erg gerust op was.

"Tarkasi boka nos tora boladi nos travo ban doti elksoft pol," ging de spreker onverdroten verder. "Kandoeri; su maronu bi la strapel, un dromati kraptio."

Bewegingloos, in volmaakte discipline stond iedereen toe te luisteren. Zelfs de Marsmannen, die tot nu toe tamelijk onverschillig hadden staan luisteren, schenen wat meer aandacht te krijgen.

"Ze staan te beslissen of we als voorgerecht of als hoofdschotel zullen dienen," veronderstelde Rob somber. "Kijk die ene Marsman zich eens opwinden!"

De anderen gaven geen antwoord. In spanning volgden ze het vreemde tafereel. Als de zaak niet zo ernstig was geweest zouden ze waarschijnlijk hartelijk hebben gelachen. Al die kleine mannetjes stonden daar als echte soldaten te luisteren naar hun generaal, of wat dat dan ook maar mocht wezen voor een snijboon. Doordat ze allemaal zo klein waren, geleek het net een stelletje kleine kinderen dat soldaatje aan het spelen was en die grote mensen, in dit geval de Marsmannen en de bewoners van de aarde, in het spelletje wilden betrekken. De Saturniaan sprak echter beslist niet als een kind, zijn woorden kwamen er rustig en weloverwogen uit en iedereen was vol aandacht. Naarmate zijn redevoering vorderde keek hij steeds vaker in de richting van de aardmensen als om te zien hoe die op zijn woorden reageerden. Zo onbewogen als hun gemoedsgesteldheid dat toe liet, luisterden die mee. Aart presteerde het zelfs om af en toe een instemmend knikken te doen zien.

"Ardeos ramani nakaros bortolo ki panak est travoli bog, gravando simore wegea toeboeri."

Het was duidelijk dat de woordvoerder aan het einde van zijn betoog bezig was.

Met stemverheffing eindigde hij: "Badro ilas komot festa. Komenika!"

"Komenika," zei Erik uit de grond van zijn hart. "Nu krijgen we de speech van Aart, daar ontkomt hij niet aan!"

Hij had de woorden nog maar net gesproken toen ze alle zes als aan de grond genageld bleven staan. Terwijl iedereen had gedacht dat dit inderdaad een welkomstrede was, holden plotseling al die kleine mannetjes als razenden op hen af. Nog voor ze de gelegenheid kregen om de raket binnen te gaan zagen ze zich omsingeld door de menigte, die nu plotseling in een luid gejoel uitbarstte. Het enige geruststellende was dat ze allemaal hun speren weer in de gordel hadden gestoken. Maar hun houding was zonder die speren al dreigend genoeg om de aardbewoners de stuipen op het lijf te jagen. Ze waren al afgesneden van hun toevluchtsoord, het ruimteschip, want aalglad waren een paar van die kleine, kaalbloedige mannetjes achter hen langs gekropen om hen het directe middelpunt te doen zijn van de dans die ze daarna uitvoerden. Ook de Marsmannen mengden zich tussen de dansenden, hun lange haren over de grond slepend.

"Dat ziet er maar kwaad uit mannen," gaf Aart te kennen. "Maar houd je in 's hemelsnaam rustig. Als we het hoofd verliezen zijn we zeker het neusje want met zijn allen maken en breken ze ons wanneer ze dat willen."

Dreigend neuriënd bleven de kleine figuurtjes om hen heen dansen. Af en toe kon een der mannen een gil bijna niet onderdrukken, zo dicht drong iedereen dan op hen af, om het volgend ogenblik weer een wijde boog te vormen. Spreken of zingen deed niemand meer en dat maakte het alles nog dreigender. Het neuriën maakte hen allen zenuwachtig, het was alsof op een warme zomerdag de hele slaapkamer waarin je je rust zocht, vol met muggen zat die af en toe doordringend dicht bij je oren zoemden om, wanneer je dacht een klap te geven, spottend weg te vliegen. Verstard bleven ze staan, dicht tegen elkaar aangedrukt om zo veel mogelijk bescherming bij elkaar te zoeken. In werkelijkheid maakte dat natuurlijk geen enkel verschil. Wie zou hen kunnen helpen, op zo'n onmetelijke afstand van de aarde? Ze waren overgeleverd aan de grillen en invallen van deze vreemde wezens en konden niet anders doen dan voorlopig alles zo rustig mogelijk over zich heen laten gaan.

Allemaal verwensten ze in die minuten het moment waarop professor Bardani hen naar zijn geheime laboratorium had laten komen. In gedachten zag Rob zich een ogenblik staan in het magazijn van de autofabriek waar hij had gesolliciteerd. En ook de anderen vertoefden met hun gedachten even op de aarde waar ze wellicht een rustige baan hadden kunnen vinden als ze zich niet hadden laten verleiden door de aantrekkingskracht van het onbekende.

Plotseling verstijfden ze. Terwijl de hele bende op een afstand van ongeveer vijfentwintig meter van hen verwijderd was, haalde iedereen zijn speer uit de gordel en kwam hollend op hen af.

"Daar doen we niets meer tegen," wist Aart nog laconiek te zeggen, terwijl ze allemaal de ogen sloten.

En toen gebeurde het ongelofelijke, het verrassende.

Honderden speren vielen eensklaps op de grond, daar neer gesmeten door de Saturnianen en het volgende ogenblik lag het hele stel geknield op de grond onder de herhaalde uitroep: "Komenika! Komenika!"

Een diepe zucht ontsnapte de mannen. Alles werd hen nu plotseling duidelijk, dit was een welkom voor zeer gewaardeerde gasten. De bewoners hier hadden hen een grandioos welkom toe willen roepen volgens hun traditie en gewoonte. Zij konden natuurlijk niet weten, dat men dat op aarde anders gewend was en dat hun goedbedoelde ceremonie hun gasten de schrik van hun leven had bezorgd!

Aart was, als goed commandant, de eerste die zijn bezinning terug vond. Alsof hij alle dagen met deze wezens om ging en precies wist hoe het hoorde, zo pakte hij een van de speren van de grond, om die vervolgens aan de hoofdman te overhandigen. Terwijl hij met zijn blote handen de "aarde" aanraakte, voelde hij een lichte schok. Meteen herinnerde hij zich de woorden van professor Bardani, waarin deze gewaarschuwd had voor een eventuele electrische geladenheid op Saturnus. Maar hij deed alsof hij niets had gemerkt en reikte met een hoffelijk gebaar de speer aan de hooggeplaatste Saturnusman. Daarna wees hij hem even te wachten. Hij ging de cabine binnen, waarbij hem geen haarbreed in de weg gelegd werd, en kwam even later terug met een verrekijker. Terwijl iedereen weer ging staan en zijn speer opraapte, demonstreerde hij het ding aan de aanvoerder. Eerst keek die een beetje wantrouwend naar het vreemde voorwerp. Want mochten de Marsmannen niet achter staan met hun ontwikkeling ten opzichte van de aardebewoners, de Saturnianen schenen nog op een niveau van ontwikkeling te staan, gelijk met dat van een Europeaan in de middeleeuwen.

Aart demonstreerde het gebruik van de kijker, om het vervolgens zijn gastheer nogmaals in de handen te drukken. Het verrukte gebaar dat deze maakte nadat hij de werking had begrepen bewees, dat Aart precies in de roos had geschoten. Opgetogen liep het kereltje in het rond met zijn nieuwe bezit, terwijl hij er vriendelijk bij gromde. Aart vond dat hij het hierbij nog niet mocht laten. Tenslotte had die Saturniaan hem vriendelijk verwelkomd, dus om de goede verhouding te bestendigen leek het hem raadzaam ook een woordje te doen. Bovendien voelde hij er behoefte aan, een beetje wraak te nemen. Zij hadden noodgedwongen een tijdje naar zijn onverstaanbare gekakel moeten luisteren, nu zou hij daarom de rollen eens omdraaien. Zijn makkers lachten zich bijna slap toen hij het spreekgestoelte beklom. Met zijn ruimtekap over het hoofd en zijn stem slechts hoorbaar via het kleine zendertje dat daar was ingebouwd stond me die droogkomiek een rede af te steken in goed Nederlands waarvan de onzin absoluut niet door kon dringen tot zijn toehoorders.

"Komenika?" begon Aart.

Dat leek hem in elk geval nooit slecht.

"Jullie hebt ons zoëven de stuipen op het lijf gejaagd met jullie krijgsdans," vervolgde hij met een doodernstig gezicht. "Daarom verzoek ik jullie om dergelijke grappen voortaan te laten, en ons een beetje met rust te laten."

Zo ging dat nog even door. Af en toe onderbrak Aart even zijn redevoering door het woordje "Komenika" er nog eens tussendoor te gooien. De rest van zijn woorden was bestemd voor zijn eigen makkers.

"Als ik nu dadelijk nog eenmaal "Komenika" heb gezegd, gaan jullie ook allemaal plat op de grond liggen," eindigde Aart tenslotte zijn toespraak. "Denk er aan, je zult wel een lichte schok krijgen, maar erg is dat niet. Komenika."

Plompverloren liet het zestal zich vallen. Ze oogstten blijkbaar veel succes, want op zijn beurt kwam nu de spreker van daarnet aangelopen om hen een voor een weer op de been te helpen. Daarop nam hij de zes dichtstbijstaande Saturnianen hun speer af en overhandigde hen die. En hiermee was de vrede getekend. Het leger kleine mannetjes ging zijn weg; slechts enkelen bleven nog nieuwsgierig wat rondhangen bij de raket waarin de vreemdelingen op hun planeet waren gekomen.

"Ik hoop dat die kerels ons nu voorlopig maar met rust laten," zei Gerard. "Voor vandaag heb ik er meer dan genoeg van."

"We gaan zo snel mogelijk aan het werk," gaf Aart te kennen. "Hoe eerder we hier vandaan zijn, hoe liever het mij ook is. We zullen nu maar even rust nemen. Ik ga proberen of ik wat kan slapen in de cabine. Dan vlot het werk ook beter. We moeten trouwens nog maar afwachten hoe die kleine kereltjes reageren als ik mijn camera straks op ze richt. Enfin, we zullen wel zien."

Langzamerhand werd het wat rustiger op de plaats waar ze waren geland. De Marsmannen trokken zich ook terug in hun ruimteprojectiel, kennelijk met hetzelfde voornemen als hun collega's van de aarde.

Als voorzorgsmaatregel bleef een van de aardebewoners wakker, om de wacht te houden en volgens een inderhaast in elkaar gezet wisselsysteem kreeg ieder vervolgens zijn portie "nacht"-rust.


 

HOOFDSTUK V

Het waren vreemde Saturnusdagen voor de vrienden. Aart had zich voorgesteld zo spoedig mogelijk aan het werk te gaan, maar bij nader inzien leek het hem toch beter om eerst nog eens wat nader kennis te maken met de bewoners en vooral ook met zijn collega's van Mars. Dat gelukte wonder boven wonder vrij aardig. Binnen enkele dagen konden ze zelfs al een hele serie woorden en uitdrukkingen verstaan.

Het ergste was echter de wijze van groeten die de Saturnusmannen er op na hielden. Als ze de mannen in de verte aan zagen komen, holden ze met grote snelheid op hen af om dan vlak voor hun voeten pardoes op de grond te vallen. De speer ontbrak nooit bij die ceremonie en soms kregen de mannen wel eens de neiging om de al te spontane Saturnusman weg te duwen, omdat ze al die aanhankelijkheid en vriendschap niet altijd konden waarderen. Vooral Erik was erg driftig en enkele keren vergat hij wel eens dat er ook van hem een soortgelijke begroeting werd verwacht. Verschillende keren maande Aart van der Nout hem tot een beetje kalmte en wat meer zelfbeheersing. Toen Aart dacht dat hij voldoende wist van de zeden en gewoonten van de wezens die hier leefden waagde hij het er op, zijn camera voor de dag te halen en met de opnamen te beginnen.

Van de Marsmannen zagen ze weinig, die schenen hun vaste werkzaamheden te hebben. De eerste dagen kregen ze nog wel eens gelegenheid met hen in contact te komen. Hun collega-ruimtevaarders schenen hier echter vaste bezoekers te zijn op gezette tijden en werkten blijkbaar volgens een van te voren opgesteld programma, doelmatig en rustig.

In de buurt van de raket begon Aart met de opnamen. Het maakte tenslotte verder geen enkel verschil, alles was nieuw hier. Lustig liet hij de camera snorren en filmde alles wat hij de moeite waard vond. Voorlopig leek het hem echter het beste, niet al te ver uit de buurt te gaan. Het zou wat indringerig staan, dacht hij, wanneer hij met zijn toestel direct door drong in het dorp van de Saturnusbewoners dat ongeveer een kilometer verder lag. Geassisteerd door zijn makkers werkte hij rustig door, zich langzamerhand verplaatsend in de richting van de woonhuizen. Die woonhuizen waren overigens eigenaardig gebouwd, namelijk allemaal onder de grond. Het was dan ook geen wonder dat ze van boven af daar niets van hadden gezien. Ze waren niet bepaald comfortabel ingericht. Ook hierin bleek dat de bewoners van deze planeet met hun ontwikkeling ver ten achter stonden bij de bewoners van andere bewoonde hemellichamen. Met het nodige wantrouwen sloegen ze het gedoe van de mannen gade, hen overal voor de voeten lopend toen die zich meer tussen hen in bewogen met hun apparaat.

"Ik wou dat die kereltjes een straatje om liepen als wij bezig zijn," mopperde Erik, toen hij bij het werk haast struikelde over een nieuwsgierig Saturnusbewonertje.

Hij had de woorden nog maar net uitgesproken of Rob overkwam hetzelfde. En deze keer was het niet bijna, maar in zijn volle lengte lag Rob het volgende ogenblik op de grond, met onder hem een van de toeschouwers. Toen beging Erik de fout, die hem bijna noodlottig werd. Driftig pakte hij het kleine mannetje bij de schouders en gaf hem een tik op de arm. Het kwam wel niet hard aan, maar het was voldoende om hem direct de woede van alle omstanders op de hals te halen. Tot nu toe waren alle bewoners vriendelijk geweest. Dit echter scheen hun rechtvaardigheidsgevoel in opstand te brengen. Voor een van zijn makkers er iets aan kon doen hingen er eensklaps minstens twintig Saturnusmannen aan hem. Slaan was blijkbaar iets, wat hier niet getolereerd werd. Hoe het allemaal precies gebeurde wist niemand ooit na te vertellen. Binnen een paar seconden was Erik volslagen machteloos. Hij trachtte zich wel te verweren, maar daar verergerde hij de situatie alleen maar mee, want het werkte op zijn belagers als een rode lap op een stier. Onder het uitstoten van woedende kreten werd de aardmens tegen de grond gewerkt om vervolgens ergens in een van de "gebouwen" naar binnen te worden gesleept.

Verslagen stonden zijn makkers toe te kijken. Ze begrepen dat ze op dit moment niets uit konden richten. Wat moesten ze met hun zessen beginnen tegen zo'n overmacht? Het enige wat ze konden proberen was, om Erik door goede woorden weer los te krijgen uit zijn gevangenschap. Voorlopig deden ze echter beter maar te zwijgen, want de stemming was ineens omgeslagen als een blad aan een boom. Vijandig werden ze van alle kanten aangestaard, alsof bij het eerste teken de hele horde hen te lijf zou gaan. En het leek wel alsof die wezentjes elkaar via een klein zendertje op de hoogte stelden van wat er was voorgevallen, want spoedig stonden er honderden Saturnianen om hen heen. Gelukkig wist verder ieder van de ruimtevaarders zich te beheersen. Aart pakte rustig zijn spulletjes bij elkaar en gaf de anderen het sein om op te breken. Stilletjes bliezen ze de aftocht om in de raket rustig te kunnen overleggen wat hen nu te doen stond. Het was natuurlijk buiten kijf dat Erik op de een of andere wijze geholpen moest worden. De vraag alleen was hoe dat moest gebeuren!

"Het uilskuiken!" zei Aart uit de grond van zijn hart. "Als we nu maar wisten wat ze met hem van plan zijn! Het zou niet zo erg zijn als ze hem een paar dagen vast houden, dat zou misschien wel heilzaam voor hem zijn."

"Dat zwijgen van die kereltjes bevalt me niet," gaf Gerard te kennen. "De manier waarop ze ons aankeken was veel erger dan een scheldpartij of iets dergelijks."

"Er zal niet veel anders op zitten dan dat we eens gaan praten met die hoofdman," zei Aart zuchtend. "Het beste lijkt me dat ik alleen maar ga, dan zien ze in ieder geval meteen dat ik niet met kwade bedoelingen kom."

"En als ze jou dan te pakken nemen?" vroeg Tom.

Ook de anderen protesteerden tegen zijn voornemen, maar Aart was onvermurwbaar en bij nader inzien konden zijn makkers eigenlijk ook niets inbrengen tegen zijn redenering. Als er direct gevaar was geweest voor hen allen, hadden de Saturnianen hen wel tegelijk met Erik gevangen genomen. Op dat moment waren ze blijkbaar allemaal nijdig en ze waren talrijk genoeg om het zestal te overmeesteren. Wellicht waren de gemoederen nu een beetje gekalmeerd en viel er te praten.

"Mochten we zien dat het hier fout gaat, dan nemen we meteen de benen," zei Aart. "Natuurlijk niet eerder dan dat Erik weer aan boord is, doch zodra we alle zes weer bij elkaar zijn zullen we de zaak meteen in ogenschouw nemen. Ik ben niet van plan om het risico te nemen dat die kereltjes ons hier proberen te houden."

Met die woorden vertrok hij in de richting van het Saturnusdorp, de andere vier ruimtevaarders in spanning achter latend. De eerste bewoner die hij tegen kwam was toevalligerwijs het mannetje dat de klap van Erik had gekregen. Dat beschouwde Aart als een gelukkig toeval, want nu kon hij onmiddellijk proberen om het althans bij hem weer goed te maken door, zo goed en zo kwaad als dat ging, verontschuldigingen aan te bieden.

"Komenika," zei Aart vriendelijk.

Het mannetje keek hem onbewogen aan, alsof hij de groet niet had gehoord.

"Pardali des?" (Hoe gaat het?) vervolgde Aart.

"Dana," (Goed) antwoordde de aangesprokene kort.

Tja, en daar stond Aart nu. Hoe moest hij in 's hemelsnaam verder gaan met dat onverzoenlijke mannetje? Zijn kennis van het taaltje hier reikte nu eenmaal niet zo ver dat hij een uitgebreid gesprek kon voeren.

"Baaradi kompa," (Het spijt me) probeerde Aart nog eens.

Veel indruk schenen zijn woorden niet te maken want het kereltje knikte alleen maar, ten teken dat hij het had begrepen. Verder nam hij een afwachtende houding aan, naar het scheen meer uit beleefdheid dan dat het hem werkelijk interesseerde wat die vreemdeling te vertellen had.

"Lada mi konta biras?" (Waar is mijn vriend) gooide Aart het over een andere boeg.

"Dali," wees de Saturnusman met een wijde armzwaai in de richting van het dorp.

Aart leefde op. Gelukkig, ze hadden Erik in ieder geval niet meteen ergens anders naar toe gebracht. Dan zou de zaak er werkelijk hopeloos voor hebben gestaan, want het was ondoenlijk om hem hier te zoeken.

"Kantobila," bedankte hij, direct zijn weg vervolgend.

Met die kerel was toch niet te praten. Beter kon hij zich tot de hoofdman wenden en hem de zaak uit proberen te leggen.

Een paar Saturnuskinderen holden snel naar beneden, hun onderaardse woning in zodra ze Aart aan zagen komen. Kennelijk werden meteen de ouderen er van op de hoogte gesteld dat een der ruimtevaarders weer in het dorp was teruggekeerd. Gelukkig waren de volwassen Saturnianen welwillend genoeg om hem te wijzen waar hij hun hoofdman kon vinden. Met moeite kon Aart door de opening in de grond kruipen, waar de aanvoerder breeduit op een soort troon zat, geflankeerd door enige onderdanen.

"Komenika," zei Aart, een buiging makend.

"Komenika," mompelde de ander weinig vriendelijk, terwijl hij hem doordringend aankeek.

Aart besloot om maar direct spijkers met koppen te slaan. Het zou toch niet mee vallen om zijn verontschuldigingen aan te bieden en bovendien scheen daar niet eens prijs op te worden gesteld. Beter kon hij er achter zien te komen wat ze eigenlijk precies van plan waren met Erik.

"Lada mi konta biras?" herhaalde hij de vraag die hij had gesteld aan de man welke hij onderweg was tegen gekomen.

"Marto kini bora mo tagra?" (Waarom wilt U dat weten) vroeg de hoofdman.

"E triga melta bola suna," (Ik wil graag met hem spreken) antwoordde Aart.

Hij hield zijn antwoorden zo kort mogelijk, omdat hij de taal van de Saturnusmensen nog niet bepaald vlot kon spreken.

"Marto?" (Waarom) vroeg de hoofdman.

Aart dacht snel na. Wat moest hij daarop antwoorden? Hij kon moeilijk zeggen dat hij van plan was Erik te helpen bij een eventuele ontvluchtingspoging.

"E triga suna bonadi partolo numa lato sando," (Ik wil hem wijzen op het verkeerde van zijn gedrag) zei hij handig.

Verbeeldde hij het zich of werd het gezicht van het kleine mannetje tegenover hem inderdaad iets vriendelijker? De aanvoerder streek eens nadenkend over zijn kale hoofd. In rad Saturniaans sprak hij enige woorden tegen zijn onderdanen en Aart begreep dat hij hun raad vroeg. Na kort overleg stond een van hen op en gebaarde Aart dat hij hem moest volgen. Zonder een woord te wisselen ging hij hem voor naar buiten. Het viel Aart op, dat iedereen hem zo vijandig aan keek. De houding van de bewoners verbaasde hem. Het was toch haast onmogelijk dat die plotselinge ommekeer werd veroorzaakt door het onbesuisde optreden van Erik? Het was duidelijk dat ze dat erg hoog opnamen, maar toch kon Aart niet aan de indruk ontkomen dat er nog iets anders aan de hand was en hij nam zich voor om dat te onderzoeken.

Voorlopig was het echter zaak, de verblijfplaats van Erik op te sporen. Weldra stapte zijn begeleider ergens naar binnen. Aart volgde hem op de voet, het halfduister in. Slechts hier en daar waren in de woningen van de Saturnusbewoners ramen aangebracht. Ze bestonden uit een soort matglas dat in houten rekken was vastgelegd en die zo in de aarde waren aangebracht.

Drie mannen hielden de wacht bij de ongelukkige Erik. Er was nergens iets te zien van een mogelijke afsluiting in deze vreemde gevangenis. Toch zag Aart het mannetje voor hem ergens op een knop drukken alvorens hij het vertrek binnen liep. Daarna wenkte hij de andere mannen dat ze naar buiten moesten gaan. Nadat hij achter hen aan de ruimte had verlaten, drukte hij weer op het geheimzinnige knopje en stapte ook het kleine trapje weer op. De twee aardmannen waren alleen. Erik zat in een hoek, het hoofd in de handen terneergeslagen voor zich uit te staren. Hij had Aart blijkbaar niet binnen zien komen, want pas toen die tegen hem sprak, keek hij verrast op.

"Hallo Aart, ik ben blij dat je er bent," zei hij. "Dat gekoeterwaal van die kereltjes begint me danig te vervelen. De helft ervan versta je niet."

"Wat zijn ze van plan met je?" vroeg Aart.

"Naar wat ik er van heb begrepen willen ze me overleveren aan een soort volkstribunaal," antwoordde zijn vriend. "Ik heb de boel wel danig in de war gestuurd hè?"

"Dat heb je inderdaad," gaf Aart te kennen. "Maar laten we daar nu maar niet verder over spreken. We moeten zien dat je hier zo snel mogelijk vandaan komt. Kun je er niet zonder hulp uit komen? Ik zie hier niets van een deur of iets dergelijks."

Erik lachte kort.

"Dat dacht ik ook," zei hij. "Maar heeft dat mannetje zo even niet op dat knopje daar gedrukt?" Toen Aart bevestigend antwoordde vervolgde hij: "Die kerels mogen dan verder niet erg ontwikkeld zijn, maar hun methoden om een gevangene op te bergen, is afdoende. Met dat knopje brengen ze een electrische stroom in werking, die een soort muur vormt en absoluut ondoordringbaar is. Als je een paar meter naar achteren zou lopen had je al een flinke schok te pakken. En dat knopje zit aan de andere kant van die muur."

Aart floot bedenkelijk.

"Dat is inderdaad een lelijke tegenvaller," moest hij toegeven. "Maar daar zullen we toch iets op moeten zien te vinden. Tenslotte is het voor ons een koud kunstje, om ook even op dat knopje te drukken, althans van buiten af. Zeg, ben jij er eigenlijk achter gekomen waarom die lui plotseling zo vreselijk op ons zijn gebeten? Ze kijken me hier in het dorp plotseling aan alsof we hier met allerlei slechte bedoelingen naar toe zijn gegaan."

"Ik weet het niet zeker," antwoordde Erik. "Maar ik verdenk er die Marsmannen van. Toen ik hier naar toe ben gebracht, stond een van die kerels met dat lange haar me grijnzend aan te kijken, alsof hij blij was dat ik er achter ging. En net voor jij hier kwam stond er hier weer eentje binnen."

"Aha," zei Aart, "zit hem daar de kneep! Nu begin ik het een beetje te begrijpen! Die kerels zien ons natuurlijk zo'n beetje als concurrenten, nu ze weten waarvoor wij hier naar toe zijn gekomen. Daarom zien ze ons liever gaan dan komen."

"Best mogelijk," zei Erik.

"Luister eens," zei Aart vastbesloten, "we moeten hier vandaan zien te komen en wel zo vlug mogelijk. Tenslotte hebben we onze opdracht vervuld. Ik ben stellig niet van plan het risico te nemen dat een van ons hier achter moet blijven. Ik ga er nu van door, maar ik kom zo spoedig mogelijk weer terug. Op het eerst sein dat ik geef, maak je onmiddellijk dat je naar buiten komt. Ik zal zorgen dat de raket startklaar is, zodat we er meteen vandoor kunnen gaan."

"Afgesproken," zei Erik.

"Hoe kom ik hier nu weer uit?" vroeg Aart. "Wacht, ik zal maar eens roepen. Hallo! Hallo!"

Het duurde een tijd eer er iemand in de ruimte verscheen, maar eindelijk kwamen er een paar benen naar beneden zakken en weldra werd de hele gestalte zichtbaar. Maar het was geen bewoner van Saturnus die op het geroep van Aart af kwam. De breed grijnzende tronie van een Marsman werd zichtbaar en toen hij gesproken had, werd het Aart ineens duidelijk waarom hij zo grif toestemming had gekregen zijn vriend te mogen bezoeken.

"Ta mena kera lapo beni!" zei hij en dat betekende, woordelijk vertaald: "Jij blijft ook hier!"

HOOFDSTUK VI

"Wat blijft Aart lang weg," zei Rob ongerust.

"Die heeft natuurlijk een heel gesprek aangeknoopt met de hoofdman," veronderstelde Hans.

Maar Rob was er niet erg gerust op. Naar de tijd op aarde gemeten was Aart nu al ruim drie uur weg. Er was taal nog teken van hem gehoord of gezien. Aan een paar Saturnusbewoners hadden ze al gevraagd of die hem soms hadden gezien en wellicht wisten waar hij was, maar niemand gaf een duidelijk antwoord. Wat de mannen wel opviel was dat er na verloop van een uur leden van de Marsexpeditie in de richting van hun raket kwamen. De eerste dag zouden de mannen daar niets vreemds in hebben gezien. Nu echter viel dat op, daar de Marsmannen langzamerhand de inrichting van hun ruimtevaartschip wel kenden en zich bovendien een paar dagen niet hadden laten zien.

"Ik vertrouw ze voor geen cent," zei Rob, toen Tom er een opmerking over maakte.

Gerard was het met hem eens, maar de andere twee vonden er direct nog niets vreemds aan. Anders werd dat pas toen een van de langharige mannen Tom aansprak, die buiten de raket stond te kijken naar hun leider.

"Uw vriend is in het dorp," vertelde de Marsman ongevraagd.

"Dat weet ik," zei Tom kort. "Vertel me liever wanneer hij terug komt!"

"Dat kan wel lang duren," gaf de Marsman te kennen.

Verwonderd haalde Tom zijn wenkbrauwen op. Hoe kwam de man aan die wetenschap? Hij besloot om te trachten hem zo veel mogelijk uit te horen.

In zijn beste Saturniaans vroeg hij: "Hoe weet U dat? Is U hem soms tegengekomen?"

"Dat niet," antwoordde de ander. "Maar een van mijn vrienden komt juist uit het dorp terug en die heeft hem gesproken. Er schijnen moeilijkheden te zijn."

"Wat voor moeilijkheden?" wilde Tom weten.

De Marsman haalde zijn schouder op.

"Het beste doet U, om zelf eens te gaan kijken," gaf hij te kennen.

Meer kreeg Tom niet uit hem, maar hij besloot om direct zijn vrienden op de hoogte te stellen met wat hij had gehoord.

"Maar hij weet meer dan hij wil vertellen," besloot hij zijn verhaal.

De anderen hadden zwijgend geluisterd naar zijn woorden.

"We moeten er op af jongens," zei Rob tenslotte. "Als je het mij vraagt hebben ze Aart ook te pakken genomen. En ik geloof dat die Marsmannen er de hand in hebben!"

"Laten we geen overijlde dingen doen," zei Gerard rustig.

"Je weet niet eens, waar Aart en Erik precies zijn."

Voor die redenering was iets te zeggen en niemand maakte er dan ook bezwaar tegen om naar de andere raket te gaan en hun "collega's" aan te spreken.

"Denk erom jongens, we blijven bij elkaar, wat er ook gebeurt," waarschuwde Gerard.

De Marsman, die net zo gul geweest was met zijn inlichtingen stond buiten het ruimteprojectiel iets aan de filmcamera te doen toen de mannen hem naderden.

"U vertelde dat onze vriend in moeilijkheden verkeert," begon Gerard een beetje agressief.

De man knikte bevestigend.

"Kunt U ons wijzen waar hij is?" vervolgde Gerard.

Er leek iets triomfantelijks te komen in de ogen van de aangesprokene toen hij gretig antwoordde: "Dat wil ik natuurlijk doen!"

"Vreemd," dacht Tom, "daarnet deed hij net alsof hij het zelf niet precies wist en nu is hij meteen bereid om ons er naar toe te brengen."

Hij liet echter niets van zijn wantrouwen merken en gezamenlijk liepen ze weinige minuten later in de richting van het dorp. Voor alle zekerheid hadden de mannen ieder een wapen bij zich gestoken, voor het geval ze in uiterste nood mochten geraken. Tot nu toe hadden ze geen revolvers mee genomen. Professor Bardani had hen nadrukkelijk geïnstrueerd om vooral geen vuurwapen te gebruiken, tenzij ze natuurlijk geen andere keus meer hadden. De vraag was natuurlijk wat voor bewapening de mannen van Mars wellicht bij zich hadden. In elk geval schenen ze de pistolen, zoals die op aarde werden gebruikt, niet te kennen. Ze letten er tenminste niet op. Wel vonden de mannen het erg verdacht dat de andere Marsmannen hen op de voet volgden, zodat ze geflankeerd werden door vijf van die kereltjes. Niemand deed een poging, een gesprek aan te knopen. De langharige wezens, die anders erg beweeglijk waren, schenen nu ook geen enkele behoefte te hebben, zich erg druk te maken en zwijgend marcheerde het groepje voorwaarts. Verschillende Saturnianen stonden nieuwsgierig naar hen te kijken toen ze passeerden, maar niemand viel hen lastig.

"Ik geloof veel eerder dat die lui van Mars zitten te stoken dan dat de Saturnianen iets tegen ons hebben," verbrak Rob tenslotte de stilte. Zoals de opmerkingen die ze maakten in hun eigen taal, zei hij het zo gewoon mogelijk. De anderen knikten instemmend.

Inderdaad liepen hun begeleiders doelbewust en snel door. Zonder aarzeling brachten ze de mannen door het dorp. Af en toe stapte een der mannen bijna in het gat dat de toegang tot een van de woningen vormde, zo dicht waren die naast elkaar in de grond gemaakt.

"Hier zijn Uw vrienden," zei een der Marsmannen plotseling.

Hij bleef staan bij een ingang, die in niets verschilde van de anderen. Achterdochtig keek het viertal in het gat. Het werd langzamerhand al donker en in de vallende schemering, die hier maar heel kort duurde, leek het hen steeds meer een valstrik waar ze in gelokt werden.

Rob nam het initiatief.

"Hier gaan we niet in jongens," zei hij snel. "We moeten alleen goed de ingang onthouden. Als we die lui straks kwijt zijn, gaan we er wel weer naar toe."

"Maar wat zullen ze er van denken als we nu plotseling rechtsomkeert maken?" vroeg Hans.

"Dat zal me een zorg zijn," grinnikte Rob. "Ik ben al een half uur bezig met me af te vragen wat zij eigenlijk van plan zijn met ons. Laten zij nu ook maar eens een poosje raden naar onze bedoelingen."

Meteen draaide hij zich resoluut om en liep terug in de richting van waar ze waren gekomen. De anderen volgden zijn voorbeeld, tot grote verbazing van de Marsmannen. Plotseling hervonden ze hun drukke bewegingen weer en begonnen luid dooreen te snateren als wilden ze hun bevreemding kenbaar maken over het gedrag van de mannen. Wat ze allemaal stonden te kakelen konden de mannen niet verstaan. Aan de toon waarop het gesprek werd gevoerd konden ze echter wel horen dat er gediscussieerd werd over de vraag wat hen nu te doen stond.

"Hebben jullie de plaats goed in je opgenomen?" vroeg Rob, terwijl ze in snel tempo en zonder om te kijken terug liepen.

"Ik kan er in aardedonker naar toe lopen als het moet," antwoordde Gerard zelfverzekerd.

"Maar ik begrijp nog niet waarom je nu met alle geweld direct terug wil," zei Hans.

"Die lui willen ons in een fuik laten lopen, begrijp je dat dan niet?" gaf Rob te kennen. "Ik hoop nu alleen maar dat ze ons niet om de tuin hebben geleid door ons daarheen te brengen."

"Dat lijkt me niet waarschijnlijk," meende Tom. "Naar wat ik heb begrepen is er hier eigenlijk geen enkele gevangenis, alleen een soort kamer waar desnoods twee of drie gestraften tijdelijk in ondergebracht kunnen worden."

Het was langzamerhand stil geworden in en rondom het dorp. Zodra de duisternis hier in viel leek iedereen wel direct in zijn huis te gaan, want overal zagen ze door de aardvensters een vale lichtschijn komen. Bijna luguber in zijn verlatenheid strekte zich het vlakke landschap voor hen uit. In en rondom het dorp was er nog enige begroeiing, maar naarmate ze vorderden in de richting van hun landingsplaats werd het struikgewas spaarzamer. Dit gedeelte van Saturnus scheen niet bepaald het vruchtbaarste te zijn. Weinig tijd later zagen ze de omtrekken van hun glanzende ruimteschip in het donker oprijzen.

"Ziezo, we wachten hier een half uurtje en daarna gaan we hetzelfde tochtje nog een keer maken," zei Rob, nadat ze de cabine waren binnengestapt.

Veiligheidshalve hadden ze de raket hermetisch afgesloten alvorens ze aan hun tocht naar het dorp begonnen en alles was dan ook in dezelfde staat als waar in ze het achter hadden gelaten. Eensklaps, ze hadden ongeveer een kwartier gezeten, hoorden ze buiten stemmen. Het waren de Marsmannen die blijkbaar ook weer terug waren gekeerd. Een tijdje bleven ze bij de raket staan snateren, toen verwijderden zich hun stemmen in de donkere Saturnusnacht. Rob en zijn vrienden hadden geen licht ontstoken in hun ruimteschip, zodat het voor de Marsmannen een vraag moest blijven of de mannen wel of niet terug waren gekeerd naar hun verblijf.

Zwijgend, ieder in zijn eigen gedachten verdiept bleven ze nog even wachten. Toen stond Rob op en opende zo geruisloos mogelijk de deur van de cabine. Zijn makkers volgden zijn voorbeeld en weinig tijd later stonden ze voor de tweede keer gereed om op pad te gaan. Het was een heldere Saturnusnacht. Van hieruit konden de mannen zich niet direct oriënteren op de sterrenhemel, maar elk van hen richtte automatisch zijn blik naar de aarde, die als een klein stipje flonkerend aan het firmament stond. Zouden ze daar ooit behouden terug keren met zijn zessen?

Onmetelijk ver, bijna niet te overbruggen leek die afstand hier. Overgeleverd aan een metalen koker van maar nauwelijks twintig meter lengte stonden ze hier, ver van hun vrienden en verwanten, die er geen idee van konden hebben met welke omstandigheden ze hier te doen kregen, de vijandige bewoners van Mars die de anders gastvrije en vriendelijke Saturnusmensen geheel onder hun invloed leken te hebben. In de verte konden ze nog juist een glimp opvangen van diens raket, die daar gestroomlijnd en sierlijk zijn neus in de heldere lucht boorde.

Dicht bij elkaar liepen de mannen voorwaarts in de doodse stilte van de nacht. Maar eensklaps bleven ze allemaal staan. Nauwelijks hoorbaar maar onmiskenbaar klonken er voetstappen achter hen.

"Dat zijn die langbaarden weer," fluisterde Rob hees.

"Laten we meteen die lui de schrik op het lijf jagen," zei Hans, die zijn zenuwen nauwelijks baas kon blijven.

Maar Rob trok zijn makker bij de arm verder.

"Laat gaan," zei hij bijna hardop. "Met onze revolvers kunnen we die knapen altijd nog wel baas blijven. Als we nu al direct herrie maken, heb je kans dat je de bewoners van het dorp ook wakker maakt en dan loopt het misschien helemaal mis."

De anderen zagen in dat hij gelijk had, hoewel ze popelden om die Marsmannen te laten merken dat ze van hun aanwezigheid niet waren gediend. Zo snel als de omstandigheden dat toe lieten spoedden ze zich voort. In het dorp zelf moesten ze voorzichtig te werk gaan en hun marstempo enigszins temperen. Alle lichten waren nu gedoofd daar onder de grond en ze moesten uitkijken dat ze niet ergens door zo'n glasplaat heen zakten.

Het leek wel alsof de Marsmannen hun achtervolging hadden opgegeven, er was tenminste niets meer te zien of te horen van hen. Toch bleven ze alle vier uiterst waakzaam, niemand vertrouwde hun nu meer.

Gerard bleek niet te veel te hebben gezegd met zijn bewering dat hij regelrecht naar de ingang toe zou kunnen lopen waar ze eerder in de avond waren geweest. Vrij snel stonden ze voor het donkere, gapende gat. Allen hadden ze een zaklantaarn bij zich, maar voorzichtigheidshalve gebruikten ze die niet direct. Voorzichtig, op de tast, liet Rob zich als eerste naar beneden zakken. Voor alle zekerheid hielden Tom en Gerard hem onder de oksels vast, zo lang dat mogelijk was. Centimeter voor centimeter zakte Rob dieper. En toen......

Plotseling voelde hij hoe één of misschien wel twee mannen hem bij zijn benen grepen en hem naar beneden probeerden te trekken. Bijna hadden de twee mannen daar boven hun vriend laten schieten, want hierop hadden ze niet gerekend. Maar nog juist bijtijds wisten ze zich te herstellen en begonnen uit alle macht aan Rob te hijsen. En dat was nu weer iets waar de belagers daar beneden niet op hadden gerekend.

"Hou vast jongens," zei Rob gesmoord.

Meteen gaf hij een geweldige schop met zijn rechterbeen, dat even vrij kwam en direct verminderde het trekken aan zijn lichaam. Op dat ogenblik flitste Hans zijn zaklantaarn aan en richtte hem in het gat. In het schijnsel zag hij twee Saturnusmannen, die bij het zien van het licht de handen voor de ogen sloegen. Het volgende moment stormde Hans naar beneden, alle voorzichtigheid uit het oog verliezend. Met één greep had hij de twee bewakers allebei te pakken die, geïmponeerd door de grote aardebewoner van schrik niet meer durfden kikken. Nog een paar seconden later stonden de andere drie mannen ook beneden en nu lagen de Saturnusmannen in minder dan geen tijd machteloos op de grond. Vanuit één der hoeken klonken uitroepen van blijdschap. Eerst geschrokken, later begrijpend wie daar naar beneden kwamen, hadden Aart en Erik het verloop van de gebeurtenissen gade geslagen.

"Stil, niet spreken," fluisterde Rob. "Kom mee!"

Meteen wilde hij doorlopen en nog maar juist bijtijds konden zijn gevangen zittende vrienden hem waarschuwen voor het gevaar van de krachtige stroom. Het knopje waarmee de electriciteit kon worden uitgeschakeld was echter gauw gevonden en nu trachtten de mannen zo snel mogelijk weer naar buiten komen, beducht voor het alarm, dat de Marsmannen natuurlijk zouden slaan als ze bemerkten wat er was gebeurd.

Hun vrees bleek niet ongegrond. Nauwelijks stonden ze allen boven, toen van verschillende kanten hun vijanden op hen af kwamen schieten, als schimmen in de donkere nacht. Minstens zeven of acht telden de mannen er inderhaast. Ze begonnen meteen alarm te slaan door hevig schreeuwend op de mannen toe te stormen. Het was een geluk dat die op hun komst bedacht waren, anders zouden ze waarschijnlijk totaal overrompeld zijn geweest. Nu baande ze zich drie aan drie een weg voorwaarts, in de richting van de raket.

"Eerst met de vuisten proberen mannen," waarschuwde Rob zijn makkers.

De eerste Marsman die hem aan wilde vallen, was voor zijn rekening. Met een geweldige vuistslag deed Rob hem tuimelen, zonder dat hij nog een kik gaf.

Mochten de mannen van Mars eerst geprobeerd hebben de bewoners van Saturnus het werk op te laten knappen, nu het er op aan kwam bleken ze zelf ook niet bang te zijn uitgevallen. De lange haren wapperend in de koele nacht stormden ze op de aardebewoners af en er vielen harde klappen. Links en rechts maaiden Aart en zijn vrienden om zich heen en menige Marsman moest in het zand bijten.

Intussen verplaatsten de vrienden zich zo snel als het maar kon vooruit. Op verschillende plaatsen zagen ze, dat er licht ontstoken werd en het begon er langzamerhand toch nog hachelijk voor hen uit te zien, ook al hadden ze nu de eerste ronde gewonnen. Even stond Hans te wankelen op zijn benen, toen hij van achteren werd beet gegrepen, maar deze keer bracht Gerard redding. Met een ruk pakte hij de aanvaller bij zijn lange haren, die een prachtig houvast boden en het volgende moment was die uitgeteld. De aanvalswoede van de Marsmannen bekoelde langzamerhand enigszins en zonder veel hinder te ondervinden drongen de ruimtevaarders verder. Ze naderden de rand van het dorp al weer, want alleen nog rondom hen waren de lichtjes te zien terwijl voor hen de zandvlakte lag, eenzaam en verlaten. Maar nu kwamen de Saturnianen in actie. Van alle kanten snelden ze toe om de mannen de pas af te snijden en het hun onmogelijk te maken de raket te bereiken. Zo overweldigend groot was hun meerderheid, dat Rob naar het laatste redmiddel greep.

Een pistoolschot knalde in de donkere nacht. Om niemand te raken, schoot Rob in de lucht, maar het effect was verrassend. Als bij toverslag verstomden de kreten van hun achtervolgers. Dit was hier blijkbaar een onbekend iets, die korte knal en de bijbehorende vuurstraal. Ook Tom vuurde zijn wapen af, het ding zo hoog mogelijk in de lucht houdend, opdat iedereen de vlam zo goed mogelijk zou kunnen zien. Dat beslechtte het pleit. In paniek vluchtten de belagers in hun woningen en van de verwarring maakten Aart en zijn makkers gebruik om zich snel uit de voeten te maken. Binnen een paar minuten hadden ze een grote voorsprong behaald. Voor alle zekerheid liet Rob nog eenmaal zijn revolver knallen, doch het bleek niet meer nodig. Er was geen enkele Marsman of Saturniaan te zien en ongehinderd bereikten ze hun ruimteschip.

Een paar minuten namen ze de tijd om op adem te komen. Toen deed Rob de motor ontsteken, een geweldige vlam, een hevig geraas en met een steeds sneller wordende vaart stoof de X 1 het vrije luchtruim in, hun belagers nog steeds in verbijstering achter latend.

HOOFDSTUK VII

Los van de aantrekkingskracht die Saturnus had, suisde de raket door de oneindige ruimte. Het tijdstip, waarop ze waren gestart was vrij ongunstig geweest. Toen ze van de aarde vertrokken was dat enige maanden van te voren al vastgesteld en was er een tijdstip uitgekozen waarop de beide planeten zo dicht mogelijk bij elkaar kwamen tegen de tijd dat ze Saturnus naderden. Nu echter bedroeg die afstand vele honderdduizenden kilometers verder. Maar het gezegde dat nood alle wetten breekt was hier wel duidelijk van toepassing geweest, ze hadden eenvoudig geen andere keus dan direct te vertrekken, daar waren allen het roerend over eens. Om alle concurrentie van ruimtevaarders, afkomstig van andere planeten, te voorkomen, hadden ze stemming gekweekt bij de anders zo vredelievende Saturnianen. Mocht professor Bardani ooit het plan opvatten om een tweede ruimteschip af te vuren naar dat hemellichaam dan zou deze beslist wapens mee moeten brengen en zo mogelijk meer manschappen om een aanval te kunnen weerstaan.

"Brr," zei Erik, "ik moet er niet aan denken dat ik mijn leven daar verder zou moeten slijten."

"Ik ben tenminste blij dat we weer onderweg zijn naar die oude, vertrouwde aarde," gaf Tom te kennen.

Ook de anderen gaven nog eens blijk van hun opluchting, weg te zijn van de vijandige Mars- en Saturnusbewoners. Alleen Aart keek een beetje zorgelijk en mengde zich niet in het gesprek. Hij voelde zich verantwoordelijk voor de behouden terugkeer van de raket en zijn bemanning en het beviel hem maar matig dat ze zo overhaast hadden moeten vluchten. De reis terug zou bepaald niet zo vlot verlopen als de heenreis. Professor Bardani had hen nauwkeurig geïnstrueerd over het tijdstip waarop ze weer moesten starten. In de periode dat de mannen in zijn laboratorium waren opgeleid had Aart wel begrepen dat dit tijdstip zeer belangrijk was voor het welslagen van de hele onderneming. Natuurlijk wisten de anderen dat ook wel, maar de opluchting over hun voorspoedige vlucht behield voorlopig nog de overhand en ze waren nog niet in de stemming om zich al bezorgd te maken over het verloop van de reis, dwars tussen allerlei gevaren door. De violette duisternis had weer bezit genomen van de cabine. Door de zijramen konden ze de enorme bol van Saturnus nog juist onderscheiden, maar de omtrek vervaagde langzamerhand.

Nu vond Aart het toch tijd worden om zijn makkers te wijzen op de gevaren die hen bedreigden. Als ze al te veel uit de richting van de aarde af zouden dwalen, was de mogelijkheid niet uitgesloten dat ze in een eeuwigdurende cirkelgang zouden blijven rondtollen. En vergeleken daarbij leek een levenslang verblijf op Saturnus toch wel een stuk aantrekkelijker.

"Ja, maar wat had jij dan gewild?" vroeg Rob een beetje wrevelig.

"Ik heb niets anders gewild," zei Aart rustig. "Het leek me alleen gewenst om jullie even op de ernst van de situatie te wijzen. Het lijkt me om te beginnen raadzaam dat we alles nauwkeurig controleren. Als een van jullie de stuurknuppel een tijdje vast wil houden, ga ik de kaarten eens na slaan. Jullie zult je er in ieder geval op moeten voorbereiden dat deze tocht langer zal duren dan de heenreis. Als we de zaak geheel uitgestippeld hebben, kunnen we het stuur over geven aan de automatische piloot, eerder niet. We zullen een grote boog moeten maken, om niet in de baan van andere planeten te komen."

Zijn makkers knikten. Ze begrepen nu wel waarom Aart een beetje pessimistisch was gestemd. Voor alle eventualiteiten werden de parachutes nog eens zorgvuldig na gekeken, terwijl de aanwezige voorraad geconserveerde voedingstabletten eerlijk werd verdeeld onder de mannen. Mochten ze, om welke reden dan ook elkaar kwijt raken, dan zou ieder voor zich tenminste een tijdlang de noodzakelijke voeding ter beschikking hebben. Verder zetten ze zich om beurten bij de zendinstallatie om van tijd tot tijd te trachten, contact tot stand te brengen met het laboratorium van professor Bardani. Voorlopig bleven hun pogingen overigens nog vergeefs. Af en toe meenden ze wel iets te horen doch na enig gesputter of een hoge pieptoon was het na een paar minuten weer stil. Blijkbaar kwamen ze op gezette tijden binnen het ontvangbereik van een andere planeet. Wellicht ook was het de weerklank van een grote meteoriet die gevaarlijk dicht in de buurt kwam. Af en toe zagen ze zo'n gevaarlijk brok steen door de ruimte schieten, als satelliet van de een of andere planeet.

Een tijd lang was het doodstil in het ruimteschip. Slechts een heel licht suizen, begeleid door de uiterst minieme luchtbelletjes die zich hier en daar in de stratosfeer bevonden, drong tot hen door. Juist wilde Rob de stilte verbreken door een opmerking te maken over zijn parachute toen ze een lichte schok voelden door het hele projectiel. Even leek het alsof ze slingerden, dan herstelde het vaartuig zich weer en vervolgde zijn baan. Onmiddellijk werden alle instrumenten zorgvuldig nagekeken om te zien of ergens wellicht schade was ontstaan. Waarschijnlijk hadden ze een botsing gehad met een lichtgewicht meteoor. Als het er een was geweest van een flink gewicht, zou hij onherroepelijk dwars door de wand van de raket heen zijn gevlogen door de geweldige snelheden waarmee de brokken door het heelal werden geslingerd. Gelukkig bleken alle instrumenten normaal te reageren op de handelingen die er mee verricht werden en gerustgesteld nam iedereen zijn plaats weer in.

Langzaam verstreek de tijd, die werd gekort met allerlei veronderstellingen te maken over het tijdstip waarop ze de aarde zouden raken en de wijze waarop ze daar ontvangen zouden worden. Professor Bardani had nu ongetwijfeld het grote nieuws al wereldkundig gemaakt en stellig verdiepte heel de wetenschap zich in de wijze waarop hij zijn zorgvuldig voorbereide plannen tot uitvoering had kunnen brengen. Uren, ja dagen verstreken en al sprak hij er niet over, Aart begon zich toch zorgen te maken of de uitgestippelde koers wel de juiste was. Die bezorgdheid verdween pas toen ze, eerst heel vaag, maar geleidelijk aan duidelijker, de eerste menselijke stem opvingen. Het was niet de stem van de professor, maar toch maakte zich een grote blijdschap meester van de ruimtevaarders. Het leek hen een eeuwigheid sinds ze een andere stem van menselijke wezens hadden gehoord dan die van hun makkers.

"Hallo, hallo, hier ruimtevaartschip X 1," meldde Aart zich aan de installatie. "Verstaat U mij?"

"Wij verstaan U zeer goed," klonk het van de andere kant. "Waar bevindt U zich op het ogenblik?"

"Naar onze berekeningen bevinden wij ons op het moment op een afstand van circa vijfhonderdduizend kilometer van de aarde," deelde Aart mee. "Kunt U ons in contact brengen met professor Bardani op onze uitzendbasis?"

"Wij zullen professor Bardani op de hoogte stellen van ons gesprek met U. Wij wensen U al vast een behouden landing. Over!"

"Wij hebben Uw wens ontvangen en danken U!" antwoordde Aart hoffelijk.

Er kwam nu steeds meer geruis in de cabine en van verschillende kanten poogde men vanaf de aarde om verbinding te krijgen met hen. Maar na een half uurtje hoorden ze dan toch de bekende stem van de geleerde onder wiens leiding hun uitzending tot stand was gekomen.

"Hier is professor Bardani vanaf de aarde," klonk zijn metalige stem.

"Hier is het ruimteschip X 1," meldde Aart zich. "Wij zijn zeer verheugd Uw stem te mogen horen en kunnen U melden dat we tot nu toe een voorspoedige tocht hebben gehad."

"Dat verwondert mij zeer," klonk het antwoord. "Het moment dat U voor de start hebt uitgekozen is volgens mijn berekeningen zeer ongelukkig."

"Onvoorziene omstandigheden hebben ons hier toe gedwongen," antwoordde Aart. "Wij komen hier later nog op terug. Wij stellen ons voor om over ongeveer twee uur te landen."

Gestadig aan maakte de duisternis weer plaats voor de stralen van het zonlicht en de omtrekken van de aarde werden duidelijk zichtbaar. Van deze kant konden ze zowel de vorm van de Grote Oceaan als wel van de Atlantische Oceaan al vrij goed onderscheiden, die enorme donkere vlekken schenen te vormen.

Gespannen wachtten allen op het moment waarop de reminstallatie in werking zou worden gezet om de landing voor te bereiden. Op een afstand van nog ongeveer tienduizend kilometer besloot Aart hier toe. Iedereen bereidde zich voor op de suizing in zijn oren als gevolg van de vermindering der snelheid toen hij de handle langzaam overhaalde. Maar er gebeurde niets! Verder en verder trok Aart de metalen staaf naar zich toe, totdat die tenslotte helemaal ingedrukt stond. Doch met onverminderde snelheid raasden ze voort in de richting van de snel groter wordende aarde. Allen verbleekten. Het was duidelijk genoeg, de installatie was onklaar geraakt, waarschijnlijk ten gevolge van de botsing met de meteoor. Niemand verdiepte zich hier echter lang in. Er moesten maatregelen worden genomen, zonder uitstel.

Even overwoog Aart nog de mogelijkheid om te trachten de machtige motor snelheid te doen verminderen door de brandstoftoevoer geleidelijk af te sluiten doch hij zette die gedachte direct weer uit zijn hoofd. Ook al zou hem dat gelukken, dan nog zou hij wanneer ze eenmaal vaste grond voelden, zijn remmen moeten gebruiken want met niets ontziend geweld zouden ze nog kilometers ver door razen. Er zouden de grootste ongelukken gebeuren wanneer hij het gevaarte niet tijdig tot stilstand kon brengen en er bestond groot gevaar dat het toestel in brand vloog. Voor een landing op zee leende het luchtschip zich niet, ze zouden direct zinken. Er zat niets anders op, ze zouden hun parachutes moeten gebruiken.

Geen van hen had ooit een sprong gemaakt, maar wel was hen nauwkeurig de werking uitgelegd. Nog één keer meldde Aart zich via de zender tot professor Bardani.

"Hier luchtschip X 1," zei hij verbeten. "Onze reminstallatie is onklaar geraakt. Wij zullen gebruik maken van onze parachutes. Een geslaagde landing is onmogelijk. Wij zullen trachten neer te dalen op de Noordzee om geen ongelukken te veroorzaken bij het neerkomen van onze raket. Wilt U maatregelen nemen om ons zo spoedig mogelijk op te doen pikken?"

"Hallo luchtschip X 1," klonk bondig de stem van professor Bardani. "Ik heb U goed verstaan. Ik laat alles aan Uw beleid over. Over en sluiten!"

Het was het laatste gesprek dat ooit van het ruimteschip af gevoerd zou worden. Even keken de mannen nog in het rond nadat Aart de gastoevoer zo ver mogelijk had dicht geknepen. Toen bracht hij het projectiel in een horizontale stand ten opzichte van de aarde.

Onder hen zagen ze de Atlantische Oceaan, snel naderden de Britse eilanden. Drie minuten later haalde Aart alle motorische drijfkracht weg uit de raket door de motor geheel stop te zetten. Vervolgens drukte hij op een knop, waardoor een groot gedeelte van de bodem onder het projectiel uit viel. Het volgende moment stortten ze alle zes naar beneden. Het moment waarop ze de parachutes openden, was verschillend. Zouden ze het tegelijk doen dan ontstonden er wellicht moeilijkheden doordat ze met elkanders valschermen verward raakten. Aart was de laatste, die aan het koord trok, waardoor de enorme nylonballon zich opende.

Alles speelde zich af in luttele seconden. Weldra zweefden ze tussen hemel en aarde. Of eigenlijk tussen hemel en water, want onder hen was het gladde oppervlak van de zee. De raket suisde nog een heel stuk door, kilometers ver, om dan met een korte bocht plotseling te verdwijnen naar de bodem der zee....

In het laboratorium van professor Bardani had Aart zojuist zijn verhaal beëindigd.

Langer dan een kwartier bleef de geleerde bewegingloos zitten, het hoofd in de handen gesteund. De raket, het projectiel waar hij jaren aan had gewerkt, lag ergens op een diepte van enige honderden meters onder water, niet meer te redden. Al het filmmateriaal was verloren, niets viel er meer uit te halen. Slechts de verhalen van de ruimtevaarders vermochten een indruk te geven van wat ze hadden gezien op de vreemde planeet en het stond iedereen vrij om hun woorden al dan niet te geloven. Want ongetwijfeld zou een groot deel der mensheid ongelovig met het hoofd schudden en alle verhalen verwijzen naar het rijk der fabelen....

Zuchtend stond professor Bardani op.

"Jullie hebt in ieder geval bewezen de mannen te zijn die ik zocht," zei hij. "Dat jullie opdracht tenslotte niet helemaal is geslaagd, is eens te meer het bewijs dat er in de natuur krachten zijn waarmee wij, met al ons vernuftig denken, toch niet kunnen rekenen. Na jullie zullen er ongetwijfeld andere mannen deze expeditie ondernemen. Maar het pionierswerk, de eerste verkenning, is in elk geval gebeurd en jullie zult waardevolle inlichtingen kunnen geven voor de volgende reizen door het heelal."

Met een gewone, alledaagse auto werden de mannen naar huis gebracht.

"Zeg," zei Rob tegen Erik, "we zullen toch maar gauw weer eens in de krant kijken voor een baan, en dan liefst eentje waarvoor we niet zo ver behoeven te reizen..."

EINDE

 
R. Jager, circa 1961 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003