| www.peterjager.net | e-mail: peter(at)peterjager.net |
| De Roel Jager bibliotheek |
| Raadsels rond het meer door Roel Jager geschreven in 1954 uitgebracht door uitgeverij Herman Troukens
Hoofdstuk I |
HOOFDSTUK IHet was warm in het leslokaal, broeiwarm! Er hing een landerige, vervelende stemming in de klas en iedereen verlangde naar het einde van deze ochtend. Vooral met Dick van Gelder wilde het helemaal niet vlotten op deze zomerse zaterdagmorgen. De eentonige stem van de wiskundeleraar, meneer Berendse, was niet bij machte hem tot wat meer aandacht te brengen. Al enige keren was die stem wat harder geworden, als Dick het antwoord op een vraag schuldig bleef, maar tenslotte had "de Bolle", zoals hij buiten de klas werd genoemd het maar opgegeven en Dick aan zijn lot overgelaten. Er waren verschillende redenen voor de toegevendheid van "de Bolle" en de afwezigheid van Dick. Voor de eerste lag die voornamelijk in het feit, dat de thermometer ruim 80 graden Fahrenheit wees en hij met zijn enorme omvang daar slecht tegen kon. De minste inspanning of opwinding deed hem dan ook ontzaglijk transpireren en derhalve voelde hij er niets voor, om zich druk te maken over de onoplettendheid van een zijner leerlingen. Voor Dick's afwezigheid was de oorzaak ook in de eerste plaats te zoeken in de warmte. Maar de belangrijkste aanleiding lag toch op een heel ander terrein. Die aanleiding lag op dat ogenblik te dobberen in een smal vaartje achter het huis van Dick's ouders, dat even buiten de stad stond. Daar waren namelijk al enige maanden lang meneer van Gelder en diens veelbelovende zoons Dick en Frans ieder vrij uurtje bezig aan de bouw van een motorboot. Het casco, dus de romp van het schip, had meneer van Gelder voor een "prik" overgenomen via een kennis, die op een scheepswerf werkte. En ofschoon het model de liefhebbers van de watersport nu niet direct in verrukking bracht, waren vooral de beide jongens verrukt over hun "Lobbes", zoals het vaartuig direct werd gedoopt. En nu waren ze dan zo ver gevorderd dat de laatste hand werd gelegd aan de inrichting. Er moesten onder andere minstens vier vaste slaapplaatsen komen gezien de samenstelling van het gezin. Omdat de grootte van het schip dat eigenlijk niet toeliet, had vader het in de hoogte moeten zoeken. In de punt, vooraan in de boot, waren twee bedden boven elkaar gebouwd voor de beide jongens, terwijl in de kajuit twee banken waren getimmerd, waar op vader en moeder zouden slapen. En zo nodig, kon er dan nog iemand gehuisvest worden in het gangetje tussen het achterste gedeelte, dat open gelaten was, en de kajuit. In dat gangetje bevond zich tevens een klein aanrechtje en daarom werd het betiteld met de weidse naam keuken, een naam, waarop het beslist geen recht kon doen gelden. De indeling was dus wel practisch, maar dat was gegaan ten koste van het uiterlijk van het schip. De opbouw was te groot in verhouding tot het onderstuk en vandaar dat de jongens niet lang behoefden te zoeken naar een naam - en vader en moeder verklaarden zich lachend accoord met de benaming. In gedachten zag Dick zich al achter het stuur staan, varende op een der grote rivieren en joviaal groetend naar een "collega-schipper". En hij droomde van trektochten door Nederland, waarbij hij het commando voerde over een heel convooi. Wel was hij sinds hij als jongen van acht jaar zijn zwemdiploma had gehaald, vertrouwd geraakt met de watersport door oom Bert, een jongere broer van zijn vader, die de beide jongens vaak meegenomen had in zijn zeilboot, maar dit was heel wat anders! De mogelijkheden waren veel groter, je kwam veel verder weg en bovendien was Dick bezeten van alles, wat met techniek te maken had, een motorboot had dus verre zijn voorkeur bij een "gewone zeilboot". "Boeken opbergen" klonk met enige verheffing van stem uit de mond van "de Bolle". Een zucht van verlichting ging door klasse IIA, binnen enkele minuten waren alle banken leeggeruimd en stormden de leerlingen ondanks de hitte, naar buiten. Dick ging als gewoonlijk voorop, nu ineens vol energie, omdat hij de gehate school voor anderhalve dag zag sluiten. Zo nu even wachten op Frans, die dit jaar voor het eerst naar de H.B.S. ging. Even later slingerden de beide broers zich op hun fietsen en zochten zich een weg door het drukke verkeer. "Zeg, heb jij nog gehoord of we met oom Bert mee mogen naar de Westeinder-plassen?" vroeg Frans. "Nee, en het zal me ook een zorg zijn," zei Dick. "Als het niet doorgaat, schiet ik straks mijn overall aan en wil ik eens zien, of ik die ontsteking nog wat beter kan stellen." "Ach jóh," zei Frans een beetje smalend, "jij altijd met je knobbel voor techniek. De motor loopt toch? Laten we dan liever vader helpen met het afschilderen van de kajuit." Meteen glipte hij behendig langs een juist wegrijdende auto. Maar hij kreeg geen antwoord, want Dick had op dat moment al zijn aandacht nodig bij het verkeer doordat een kleine personenauto, die vlak voor hem reed, zo plotseling remde, dat hij maar rakelings de bumper kon ontwijken. Bovendien passeerde hem juist een bromfiets aan de rechter kant en bijna had dat een aanrijding veroorzaakt. De bromfietser reed snel door, zodat Dick zijn woede alleen kon koelen op de inzittenden van de personenauto. "Hé sufferd, kun je niet uitkijken, je had me bijna onder die bromfiets gejaagd," stak hij meteen van wal. "O, natuurlijk weer zo'n oude klapbes die bijna brokken maakt." Dat woord was bedoeld voor de vrouwelijke bestuurder, maar toen Dick zich voorover boog naar het portierraampje, verschoot hij van kleur. Naast de chauffeur zat een heer met een bekend gezicht, dat hem van onder een paar zware wenkbrauwen rustig aankeek. Dat gezicht hoorde toe aan meneer Berendse, zijn leraar, die antwoord gaf inplaats van de dame. "Jongeman," zei hij, "je opmerking tegenover een oudere, een dame nota bene is zeer onbehoorlijk en geeft blijk van weinig zelfbeheersing. We spreken elkaar maandag nader." En toen tegen zijn medepassagier: "Kom Elly, laten we doorrijden, je houdt het verkeer op." En nog voor Dick een verontschuldiging had kunnen stamelen (tot gewoon spreken was hij niet in staat) was het vehikel verdwenen in de drukke straat. Dick keek het eens beteuterd na, zich lang niet op zijn gemak voelend. "Zo, en dat was dan dat," was de nuchtere opmerking van Frans, die ook de inzittenden van de auto had herkend en aan de stoeprand stond te wachten. "Daar heb je je er weer eens lelijk ingewerkt zo vlak voor de grote vacantie en je overgangsrapport. Ik benijd je niets om het gesprek, dat de Bolle maandag met je denkt te hebben. Maar kom, laten we opschieten, want ik rammel van de honger en het helpt toch niets of je hier staat te kijken met een zielig gezicht." En na die wijsheid te hebben gespuit stapte hij weer op zijn fiets, waarna de jongens zwijgend de rit naar huis voortzetten, tijdens welke Dick de naaste toekomst weinig vrolijk tegemoet zag. Ten eerste had hij vanmorgen tijdens het wiskundeuur een paar slechte beurten gemaakt. En ofschoon de leraar zelf zijn werk ook niet bepaald geanimeerd had gedaan, was Dick er toch van overtuigd, dat de Bolle er in gedachten wel aantekeningen van had gemaakt, al had hij het dan tenslotte ogenschijnlijk over zijn kant laten gaan. En somber bedacht hij verder dat zijn vorderingen in de andere vakken nu ook niet bepaald van dien aard waren dat zijn ouders en zijn leraren trots op hem konden zijn. En dan nu die stomme geschiedenis van daarnet. Wat een uitgesproken toeval, dat hij nu net bijna tegen dié auto op moest rijden. Dat kon Maandag leuk worden. Enfin, hij zou wel zien hoe hij zich er uit redde. Hij zou in ieder geval bewijzen, dat hij ook kalm kon zijn, als hij op het onderwerp van gesprek voorbereid was. En hij zou de Bolle toch eens netjes vertellen, dat zijn kennis, of Joost mocht weten wie het was, in het verkeer niet thuis hoorde, althans niet achter het stuur van een auto. Hij zou hem wijzen op het volgens hem volkomen overbodige van dat plotselinge remmen, en zeggen dat ieder anders gehandeld zou hebben dan hij. Hij zou, hij zou..... Ach ja, hij zou zo veel! Maar de moed zonk hem in de schoenen, als hij dacht aan het onbewogen gezicht van de leraar, die hem waarschijnlijk strak aan zou kijken en dan zeggen: "Zo jongeman, zie jij dat zo. Nu, dan zal ik je eens zeggen, wat ik van dit geval denk." En dan bleef er van Dick's argumenten meestal niet veel over, dat wist hij zelf veel te goed. Hij had wel eens meer verschil van mening gehad met meneer Berendse, en tegen diens onverstoorbaarheid was hij lang niet opgewassen! Dick was een beste jongen, eerlijk als goud en altijd vol goede voornemens. Hij was gezien bij al zijn vrienden en trouwens ook wel bij zijn leraren, voor zo ver het niet te maken had met zijn werk. Dat was waarschijnlijk een gevolg van het feit, dat hij bij alle grappenmakerijen en avontuurtjes haantje de voorste was. Maar in zijn onnadenkendheid ging hij dan vaak iets te ver, waardoor de gevolgen veelal niet te overzien waren. Later was hij dan ook wel weer zo sportief, om de schuld helemaal op zich te nemen, maar het deed zijn naam bij de leraren toch geen goed. Frans daartegen was veel rustiger, al was hij dan een jaar jonger dan zijn broer. En al kon hij ook best meedoen in het spel, hij bedacht steeds hoe ver hij kon gaan en bleef nuchter onder de meest opwindende situaties. "Dag moeder," begroetten de jongens eenstemmig mevrouw van Gelder, die in de keuken de middagboterham verzorgde. En Frans voegde er meteen aan toe: "Is er al wat te eten, moeder? Ik rammel!" "Ja, jongens, roep dan even vader, die zal waarschijnlijk wel achter zijn, bezig met het uitstippelen van de werkindeling voor vanmiddag," was het antwoord. "Hè, komt oom Bert ons dan niet halen, het is nu juist zo heerlijk op het water." "Nee boy, dat gaat niet. Oom Bert heeft voor vanmiddag een zakenrelatie uitgenodigd, en je weet nu eenmaal, dan is er voor jullie geen plaats." Een beetje teleurgesteld ging Frans zijn vader zoeken, die inderdaad al in de boot aan het rommelen was. Tien minuten later zat het gezin aan tafel, waarbij Dick, die het geval met de Bolle trachtte te vergeten, het hoogste woord voerde. "Zeg vader, ik zal vanmiddag toch nog eens naar de ontsteking kijken. De bougies zijn schoon, maar hij vonkt slecht," zei hij vakkundig. "Goed jongen, dan zal ik met Frans vanmiddag het bovendek afschilderen," zei vader glimlachend. "Daar heb jij toch geen geduld voor." Frans vond alles goed. Het bleef hem bijna onverschillig wat hij deed als hij maar zag, dat ze opschoten. Hij verlangde evenals Dick, naar het einde van het werk, opdat ze de Lobbes in gebruik zouden kunnen nemen, en niet afhankelijk zouden zijn van een ander. Bovendien had hij al een tijdlang een plan in zijn hoofd, waarmee hij eigenlijk niet voor de dag durfde te komen. Maar nu hij zag, dat vader in de goede stemming was, voelde hij dat hij het ijzer moest smeden. Het was nu warm! En daarom vroeg hij zonder verdere overgang een beetje vleiend: "Hè vader, en als de boot voor de grote vacantie klaar is, zouden Dick en ik dan niet met een paar vrienden een paar weken mogen trekken, bijvoorbeeld naar de Kaag of zo?" "Wat," zei vader verbaasd, "jullie? Zo maar, zonder geleide?" Maar Dick viel zijn broer geestdriftig bij: "Wel ja vader, waarom eigenlijk niet? We zullen ons heus best redden en we lopen in geen zeven sloten tegelijk." Vader wimpelde het geval echter voorlopig af en zei: "Nou, daar moet ik eerst toch eens heel diep over nadenken en bovendien heeft moeder ook nog wel iets te zeggen. Zorg om te beginnen eerst maar eens, dat je met een behoorlijk rapport thuis komt. En als dat in orde is, wil ik wel eens weten, welke vrienden je denkt mee te nemen. Maar buiten dat alles om, moet ik eerst nog voor jullie vacantie, de boot vaarklaar krijgen. En dan moet er nog heel wat werk verzet worden." "O, als dat alle voorbehoud is, komt de zaak dik in orde, dat zult U zien," juichten de beide jongens, alsof de hele zaak al in kannen en kruiken was. Dick was er op dat ogenblik vast van overtuigd, dat het met dat rapport heus wel in orde zou komen, al kwam ergens om een hoekje toch wel zijn gespannen verhouding met meneer Berendse in zijn gedachten. "Nu jongens, dan zullen we nog wel eens zien," besloot vader het gesprek en tegelijk lachte hij eens naar moeder en gaf een geheimzinnig knipoogje. "Laten we dan nu maar opschieten, want we moeten hard aan het werk, willen jullie plannen ook maar enige kans hebben op verwezenlijking." En met die woorden stond hij op om zich te verkleden. Enige tijd later keerde hij terug in een oude plunje, met de beide jongens, die zijn voorbeeld hadden gevolgd, op de hielen, ging hij naar buiten om gevolg te geven aan het goede voornemen. |
HOOFDSTUK IIMet gemengde gevoelens ging Dick die maandag naar school. Als hij nog gehoopt mocht hebben, dat de Bolle het geval van zaterdag vergeten zou zijn, dan werd die hoop wel grondig de bodem ingeslagen toen hij de leraar nog voor de bel gegaan was, op de binnenplaats tegen kwam. "Dag meneer," groette Dick beleefd, maar meneer Berendse beantwoordde zijn groet amper. "Ik verwacht je om twaalf uur in de kamer van meneer Smits, jongeman," zei hij. "Jawel meneer," zei Dick een beetje timide. Hij was een beetje overrompeld door de reactie op zijn groet. Sjonge, de Bolle scheen de zaak nog al hoog op te nemen, dat hij de kamer van de directeur gereserveerd had. Enfin, maar afwachten hoe het zich ontwikkelde. Hij zou het er maar op schuiven dat hij haast had of zoiets. Van Dick's agressieve gedachten was niet veel meer overgebleven sinds de vage belofte van zijn vader ten aanzien van hun voorgenomen boottocht. Hij moest tot elke prijs zorgen, dat hij voor de overgangsrapporten niet nog eens een slechte beurt maakte. Hij werd in zijn gedachten gestoord door zijn boezemvriend Rob van Hoef, die hem nieuwsgierig vroeg: "Zeg, wat heb jij? Je zet een gezicht of je je laatste oortje hebt versnoept. Zit je soms weer eens in de penarie?" "Ja min of meer wel," gaf Dick een beetje mismoedig toe. En in het kort vertelde hij wat er gebeurd was en wat er op het spel stond als hij zijn overgang naar de derde klasse er niet door sleepte. "En nu moet ik om twaalf uur op het matje komen en nog wel in de kamer van de directeur," eindigde hij. Rob floot eens bedenkelijk. "Beroerde geschiedenis," vond hij. "En kinderachtig van de Bolle om zo'n rel te maken over zo'n kleinigheid. En wat denk je nu te zeggen?" "Ja daar liep ik nu net over te denken. Maar ik zal wel eens zien," zei Dick, een beetje gemaakt onverschillig. "De schrobbering kom ik wel weer te boven, maar vader heeft gezegd dat hij beslist een behoorlijk overgangsrapport verwacht, en dat we anders die hele boottocht wel uit ons hoofd kunnen zetten." "Nu sterkte al vast," zei Rob en hij liet er meteen op volgen: "Als het doorgaat, houd ik me aanbevolen als lichtmatroos!" "Ja dat zou leuk zijn, en wat denk je van Tom als vierde man?" "Als ik het zeggen mag, zou ik liever Lex meenemen. Die is stellig bruikbaarder als het op werken aankomt." "Wat, die droge Lex van der Plas? Ik wed, dat hij niet eens kan zwemmen. Dan mogen wij wel allemaal voor die tijd reddend leren zwemmen, anders gebeuren er de grootste ongelukken." Dick keek altijd een beetje minachtend neer op jongens, die met hun sportieve prestaties achter bleven bij anderen. "Nu ja laten we er voorlopig maar niet over spreken. Tenslotte hangt alles nog in de lucht want ik moet ook nog toestemming van mijn ouders zien te krijgen," zei Rob verstandig. En dat betekende het einde van hun gesprek, omdat op dat moment de schoolbel luidde. Het viel nogal mee wat het lesrooster betrof voor die ochtend en Dick begon dan ook vol goede moed. De wiskundeles viel pas in de namidddag en dat schikte hem best. Hij wist dan tenminste waar hij aan toe was met de Bolle. Het eerste uur gaf Duits en ofschoon Dick zich totaal niet interesseerde voor talen, deed hij toch zijn best. Aan het einde van de les was hij dan ook niet ontevreden over zich zelf. Een voor hem erg moeilijke vertaling had hij vlot afgeraffeld hij kreeg zelfs een genadig knikje van meneer van der Wal, in de wandeling "de Geit" genoemd. Waaraan hij die bijnaam had te danken, zou wel altijd een raadsel blijven, want de man had totaal niets weg van zo'n dier. Of het moest al zijn om zijn stem, die, wanneer hij sarcastisch werd, een beetje temerig aandeed. Overigens was de heer van der Wal zeer temperamentvol, en hij gaf hele scheldkanonnades weg, als iets in de klas hem niet naar de zin ging. Dan stond hij te springen achter zijn lessenaar en vele van zijn uitdrukkingen maakten opgang bij de leerlingen, zoals bijvoorbeeld het woord "oude klapbes", een scheldwoord waaraan voor Dick minder prettige herinneringen vast zaten. Ook verder had Dick niet te klagen deze ochtend en daarom ging hij om twaalf uur tamelijk opgeruimd naar de kamer van de directeur. Op zijn kloppen kreeg hij eerst geen antwoord en pas na drie keer een bescheiden tikje op de deur te hebben gegeven, klonk het: "Binnen!" Toen Dick binnenkwam, stond meneer Berendse met zijn handen op zijn rug voor het raam naar buiten te kijken. Op de binnenplaats haalden juist de laatste leerlingen hun fietsen uit de rekken, terwijl enkele anderen die, evenals Dick en Frans, hun brood meenamen naar school, nog wat rondslenterden. Een tijdlang was het stil, en Dick wist niet beter te doen, dan in armoede bij de deur te blijven wachten, totdat het de leraar zou believen hem toe te spreken. Hij scheen zich er nog al op te bezinnen, want hij stond een beetje te draaien, zodat Dick tenslotte al zijn moed verzamelde en schuchter opmerkte: "Hier ben ik meneer." Waarop meneer Berendse zich omdraaide en de tamelijk overbodige opmerking beantwoordde met een niet onvriendelijk: "Ja, dat zie ik." En tot Dick's grote verbazing liet hij er op volgen: "Ga zitten jongen, ik moet eens rustig met je praten. Is je verontwaardiging al wat gezakt?" "Ja j-ja meneer," stotterde Dick, niet begrijpend waar de leraar heen wilde met zijn inleiding. "Goed, dan wil ik beginnen met op te merken dat ik me in de wijze, waarop jij meende te moeten reageren, volkomen kan verplaatsen. Dat houdt uiteraard niet in, dat ik je houding goedkeur, maar tenslotte is je reactie geweest, zoals men die van een normale Hollandse jongen kan verwachten. Overigens is de dame, die jij de weinig fraaie betiteling "Oude klapbes" toediende mijn vrouw, dat doet minder ter zake. Ik wil alleen nog even opmerken dat de directe schuldige een hond was, die dwars door het verkeer de weg overstak." "Neemt U me niet kwalijk meneer. Ik kon natuurlijk niet weten, dat U en Uw vrouw in die auto zaten en omdat die bromfietser, die tussen Frans mij passeerde, doorreed, was U de enige op wie ik mijn woede kon koelen," zei Dick openhartig. "Goed dat is in orde," zij meneer Berendse en hij glimlachte. En tot zijn grote verwondering moest Dick opeens bij zichzelf constateren, dat de Bolle een prettig gezicht had, vooral als hij lachte, wat overigens weinig gebeurde. Er blonk nu iets in zijn ogen van vaderlijkheid en tegelijk een gevoel van humor, al kon Dick dat op het ogenblik niet zo vaststellen. "En dan," vervolgde meneer Berendse, nu weer ernstig. "Wilde ik je nog even vertellen, waarom mijn vrouw en ik zo'n haast hadden. Als het je interesseert tenminste." "Ja natuurlijk meneer," zei Dick haastig. Hij begon zich hoe langer hoe meer op zijn gemak te voelen. Er heerste een prettige stemming in het knusse kantoortje en hij begreep niet, hoe hij zo opgezien had tegen dit gesprek. Hij had wel eens vaker zitten praten met zijn leraar, maar toch nooit zo vertrouwelijk als nu. Maar meneer Berendse scheen nog al met hem ingenomen te zijn al had hij dat nooit zo laten merken. "Goed dan," zei meneer Berendse, "ik maak er anders geen gewoonte van, daar over te spreken, maar soms wil een mens zijn hart wel eens luchten. Misschien vertel ik het wel juist aan jou, omdat jij ook Dick heet, evenals mijn zoon, waarover het gaat. Hij zal even oud zijn als jij en graag had ik hem ook zo sportief en gezond gezien als jij. Helaas," hij zuchtte even, "dat is niet het geval. Hij is zwaar ziek geweest en hoewel hij nu aan de beterende hand is, zal hij de eerste tijd nog veel buitenlucht moeten hebben. Daarom logeert hij nu al geruime tijd bij kennissen in Nieuwkoop en je begrijpt, dat we ons zaterdagsmiddags haasten om naar hem toe te gaan voor het weekend." Even was er stilte. Dan zei Dick bedremmeld: "O." Alsof hij voelde dat dat weinig intelligent moest klinken, voegde hij er meteen aan toe: "Maar kunt U dan geen overplaatsing krijgen meneer?" "Voor zo ver ik weet, is Nieuwkoop nog steeds geen H.B.S. rijk jongen," zei meneer Berendse, nu weer lachende. "En bovendien zou dat op nog andere bezwaren stuiten, waar ik nu niet verder op in zal gaan. Trouwens, we zullen ons onderhoud nu maar als geëindigd beschouwen, want ik neem aan, dat je wel trek zult krijgen in je middagboterham. Laten we alleen nog afspreken dat je niet weer meteen boos uitvalt, als de handelwijze van anderen je niet direct aanstaat. Je kunt niet altijd beoordelen, welke achtergronden of oorzaken die handelwijze heeft." En dat beloofde Dick hartgrondig. HOOFDSTUK IIIEr kwam schot in het werk op "de Lobbes". Vader had zelfs al iemand van een verzekeringsmaatschappij laten komen voor de boot en dat was voor de jongens het beste bewijs, dat ook hij de zaak serieus opnam. Dick ging zo ver in zijn optimisme, dat hij tegen Frans beweerde, dat vader de verzekering had afgesloten voor hun tocht. Maar nuchtere Frans zag de zaak nog steeds een beetje donker in. Hij kon zich nog niet goed indenken, dat vader vier jongens van dertien en veertien jaar op eigen gelegenheid op de Hollandse waterwegen zou laten dobberen. Vader deed trouwens ook nog weinig positief, als ze aandrongen op zijn toestemming en de broers hadden hem nog niet verder kunnen krijgen dat het weinig bevredigende antwoord: "We zullen wel eens zien. Doe eerst maar eens flink je best op school, want je kent onze afspraak, hè?" Wel had vader terloops de adressen gevraagd van Rob van Hoef en Tom Schippers. Na vele discussies van de anderen was de laatste aangewezen als eventuele vierde man. Maar Dick noch Frans hadden daar veel aandacht aan geschonken, omdat ze zich niet voor konden stellen, dat dat vader werkelijk belang in zou boezemen. Zo waren ze op een avond weer druk aan het scharrelen op de boot. Vader was nog even weg voor een boodschap en de jongens waren juist in een diepzinnig gesprek gewikkeld over enkele technische dingen, toen er een vrolijke stem door de tuin schalde: "Hallo zeebonken, schieten jullie al op?" Het was oom Bert, die regelmatig eens kwam kijken naar de vorderingen van zijn pupillen, zoals hij de knapen noemde. Hij was een graag geziene gast in huize van Gelder, vooral bij Dick en Frans, die een grenzeloze bewondering hadden voor hem om zijn sportieve prestaties. Hij had al verschillende prijzen gewonnen bij zeilwedstrijden. En als rechtgeaard zeiler keek hij altijd een beetje minachtend neer op het "geprut" van die motorboten, zoals hij het uitdrukte. "Hallo oom," begroetten de jongens hem. "En hoe is het boys, gaat de tocht nog door?", vroeg oom Bert, die ook al op de hoogte was van de plannen. En een beetje plagend liet hij er op volgen: "Ik zou er wel een grootzeil en een fok opzetten, als ik jullie was, want zonder dat heb je kans dat je niet verder komt dan het eind van de sloot hier." "Maakt U daar geen zorgen over, oom," zei Dick. "Dat motortje spint als een poesje. Wacht, ik zal het even demonstreren," en meteen zette hij zich schrap achter de slinger. Even gaf de motor een sputterend geluid, dan was het weer stil. "Nog eens," zei Dick, maar de Lobbes zweeg in alle talen. Ook Frans zag geen kans, het ding aan de gang te krijgen en toen probeerde oom Bert het. Met enige krachtige zwaaien duwde hij de motor door de zware compressie heen. Inderdaad begon het mechaniek op gang te komen. "Nou oom, wat zegt U er wel van," vroeg Dick met een verrukt gezicht. "Loopt ie fijn of niet." "Inderdaad," moest oom toegeven. "Het valt me niet tegen. Al zal hij natuurlijk in de vaart nog moeten bewijzen, wat hij waard is." "Zeg oom, kunt U nu niet eens een goed woordje doen bij vader en moeder?" vroeg Frans vleiend. "Als U Uw best doet, sleept U die toestemming voor onze trektocht er wel door." "Hè ja oom, dat lukt U vast wel," viel Dick hem bij. "In de eerste plaats," zei oom schijnbaar ernstig, "zullen jullie nog moeten tonen, wat jullie kunnen. Een reis van bijvoorbeeld een week wil nog wel iets anders zeggen, dan een zaterdagmiddag met je oom op een zeilboot. En in de tweede plaats overschatten jullie mijn invloed op je ouders sterk, terwijl in de derde plaats de uitslag van jullie rapporten een hartig woordje meespreekt." "Hè oom begint U nu ook al zo," zei Dick teleurgesteld. Hij had van zijn oom wat meer bijval verwacht, maar die herhaalde vaag: "We zullen wel eens zien." En daarvan werden de jongens dus ook niet veel wijzer. De laatste weken voor de rapporten uitgedeeld zouden worden, leefden de jongens onder voortdurende hoogspanning. Zodra twee of meer leden van het clubje elkaar spraken, kwam het gesprek onvermijdelijk op de mogelijkheden voor overgang en op de boot. Rob en Tom hadden op de vraag aan hun ouders, of ze mee mochten, vrijwel hetzelfde antwoord gekregen als de broers. Ook zij waren steeds met een kluitje in het riet gestuurd en als ze bleven aandringen werden ook zij afgescheept met het beruchte: "We zullen wel eens zien." En de tijd drong! Ze hadden nog een week voor ze zekerheid hadden of ze overgingen naar de volgende klas. En twee dagen daarna, op een zaterdag, begon de grote vakantie. Voor die tijd moest alles georganiseerd zijn; moest er proviand zijn, kookgerei en alle andere attributen, vereist voor een verblijf van een dag of tien op het water. En zoals de zaak nu stond, had het weinig zin om iets te ondernemen, waar nog bij kwam, dat een dergelijke bevoorrading contanten vereiste. En dat was iets, waar ze geen van vieren ruim inzaten. Ze kregen natuurlijk wel wat zakgeld, maar veel was daar doorgaans niet van over te houden. Het was om uit je vel te springen, vonden ze allemaal eenstemmig. Vooral Dick en Tom werd de spanning af en toe haast te machtig. Dick's verhouding met zijn leraren was wel wat verbeterd sinds het gesprek met meneer Berendse, om de eenvoudige reden, dat hij beter zijn best deed. De scheldnaam "de Bolle" wilde hem slecht meer over de lippen komen en ook de anderen, aan wie hij het verhaal had verteld, waren het er over eens, dat deze een fijne vent was, door zijn sportieve houding. "Jongens, ik zou hem zo graag eens een plezier willen doen en daarom stel ik voor, dat we zijn zoon eens een dagje uitnodigen, als we in de buurt van Nieuwkoop komen." De anderen vonden het best, al kon Frans natuurlijk niet nalaten te zeggen, dat ze in dit geval eerst zelf plezier moesten hebben, om het hem ook te kunnen bezorgen. Hij werd prompt gekwalificeerd als een eeuwige pessimist. Hoewel ze hem in hun hart volkomen gelijk moesten geven..... Maar eindelijk kwam dan toch de dag, waarop alle spanning brak. Toen Dick zijn rapport in handen kreeg, was het enige wat hem belang inboezemde de bemerking opzij: "Gaat over." De cijfers, die niet bepaald daverend waren, lieten hem koud en hij had geen enkele aandacht meer over voor meneer Smits, die persoonlijk het belangrijke papier kwam overhandigen en er nog een paar vermaande of soms ook prijzende woorden aan vastknoopte. Dick zat naar die woorden te kijken en brulde plotseling tot vermaak van de klas en ergernis van de directeur "Over; Varen!!!" Hij kreeg prompt de opmerking, dat zijn cijfer voor gedrag blijkbaar nog te hoog geweest was! En dat was al ver beneden de middelmaat! Onmiddellijk nadat de leerlingen waren losgelaten, stoof Dick de binnenplaats op, op zoek naar zijn vrienden. Die stonden hem al op te wachten, Rob en Frans rustig, maar Tom die evenals Dick de minste rede had om trots te zijn, wild zwaaiend, ten teken dat alles in orde was. "Zo," zei Frans, "nu zullen we eens kijken, of de ouwelui nog zo geheimzinnig doen." "Ja jongens, nu moeten er spijkers met koppen geslagen worden, want het wordt kort dag langzamerhand," vond ook Rob. En met het stellige voornemen, om nu eens door te zetten bij hun ouders, gingen de jongens ieder hun weg. "Zo Frans, Dick, van harte gefeliciteerd hoor," zei mevrouw van Gelder, toen haar beide bengels haar het heuglijke nieuws kwamen vertellen. En ze gaf ze elk een flinke zoen op beide wangen. "En hebben jullie nu al een verlanglijstje opgemaakt voor deze gelegenheid?" "Het enige dat we van U vragen, is Uw toestemming om een weekje met de Lobbes op stap te mogen gaan," zei Frans diplomatiek. "Zo daar kom ik dan met een koopje af," lachte zijn moeder. "Maar je weet, dat dat niet van mij alleen afhangt. Ik denk dat je vader daar ook nog wel een woordje in mee zal willen spreken. En die komt pas over een uurtje thuis, dus je zult je geduld nog even op de proef moeten stellen, mannetje." Maar toen vader thuis kwam, liet die zich ook nog niet uit over zijn mening. Hij zei alleen maar: "We zullen vanavond wel eens zien." Hoe de jongens ook bleven aandringen, ze kwamen niets verder en voor het eerst in hun leven was hun vertrouwen in hun ouders een beetje geschokt. Het was om tureluurs van te worden! Vader had toch duidelijk laten merken, dat het vooral af zou hangen van de uitslag van de rapporten! En nu wisten ze nog niets! Ze verdiepten zich in allerlei gissingen omtrent het raadselachtige gedrag van hun ouders, terwijl ze een beetje mistroostig in de tuin rondhingen. Zodoende merkten ze niet dat vader de deur was uitgegaan. Wel zagen ze hem een halfuurtje later binnenkomen. Toen maakte hij de zaak nog geheimzinniger door tegen moeder te zeggen: "Zo dat is in orde." Wat was in orde? Waar was vader naar toe geweest? Dat het iets met hun plannen te maken had, stond voor de broers wel vast, maar in welk verband? Een beetje wrevelig zaten ze die avond aan tafel. Toen moeder de boel nog maar net had afgeruimd, ging de bel. "Toe Frans, doe jij even open," zei vader over zijn krant heen. Frans liep naar de deur, maar toen hij open had gedaan, zette hij een stomverbaasd gezicht. Op de stoep stond Tom Schippers, die al net zo verwonderd keek als hij zelf. "Wat kom jij hier doen?" vroeg Frans. "Wat, woon jij hier?" vroeg Tom met een dwaas gezicht. "Ik heb een brief bij me, die ik af moest geven op de Rijndorpseweg 195. En ik moest op antwoord wachten." "Nou, dat is hier," zei Frans laconiek. "En wat dat wachten betreft, dat kun je binnen ook doen." Nadat Tom zich in de huiskamer netjes had voorgesteld, zei meneer van Gelder: "Ga zitten jongen, dat antwoord komt dadelijk wel. Ik verwacht namelijk nog een brief, zie je." En dat klopte wel, want nog geen vijf minuten later stond Rob van Hoef in de kamer. Die zat juist op een stoel en keek met een bevreemd gezicht rond, toen oom Bert door de serredeuren de kamer binnenstapte. Nadat ook hij van een stoel was voorzien, zei vader: "Zo ik geloof, dat de ploeg compleet is. Nu zullen we eens kijken, wat de ouders van Rob en Tom te vertellen hebben." Hij scheurde de brieven open en las toen hardop: "Geven bij deze toestemming aan onze zoon om deel te nemen aan een vakantietrip per boot." "En hier staat jullie kapitein en reisleider," voegde hij er meteen aan toe, wijzend op oom Bert. Even was het stil in de kamer. Maar dan stormde Dick op zijn vader af. Hij sprong hem om zijn nek en schreeuwde: "Vader, je bent enorm!" Frans pakte zijn moeder, terwijl de beide andere jongens niet beter wisten doen, dan zich nog eens voor te stellen aan oom Bert. En nu was het ijs meteen gebroken. Er werd een plan de campagne opgemaakt, waarbij bleek, dat vader en moeder alles al hadden georganiseerd. De nodige levensmiddelen in blik waren al ingeslagen, er was een oud stel eetgerei, een primus, kortom alles wat men maar nodig kon hebben. Alleen dekens zou ieder afzonderlijk mee moeten brengen, maar dat was geen bezwaar. Voor de rest stond alles klaar bij mevrouw van Gelder in de kast om ingeladen te worden. Afgesproken werd, dat er maandags gestart zou worden, dan konden Rob en Tom eerst zondag hun behuizing eens verkennen. Het enige nadelige gevolg van die gezellige avond was dat er die nacht door vier jongens onrustig werd geslapen. Ze droomden van enorme sluizen, waar in geschut moest worden en zagen zich achter het stuur van een luxe oceaanstomer staan met vier gouden strepen op hun mouwen. HOOFDSTUK IVMaandagmorgen klokslag negen uur was iedereen present en was alles, dat men nodig dacht te hebben, ingeladen. Een kwartier later trok de Lobbes onder een luid hoera van de jongens gewillig het smalle vaartje in, hartelijk nagewuifd door vader en moeder van Gelder en enkele buren, die de bouw van het schip van nabij hadden meegemaakt. Oom Bert manoeuvreerde handig met het stuurrad om de vele waterplanten te ontwijken, die welig tierden en het gevaar opleverden in de schroef te raken. De rest van de bemanning amuseerde zich intussen kostelijk met het beantwoorden van de diverse spottende opmerkingen, die het enigszins wanstaltige vaartuig aan de voorbijgangers ontlokte. Een slagersjongen, die hen eerst voorbij was gefietst stapte vijftig meter verder af, om op zijn gemak het schip eens wat beter te kunnen bekijken.
En toen niemand in staat bleek, om een snedig antwoord te geven op die vraag, vervolgde hij somber: "Dat wordt pompe mensen, of anders drenkelinge visse wat ik je brom." Maar dat kon Dick toch niet over zijn kant laten gaan en een beetje verontwaardigd riep hij: "Dan moest jij maar mee gaan om te hozen; je ziet er nog al gespierd uit." "Mij niet gezien," zei de slager, "ik hou het maar bij m'n osselappies, dat lijkt me gezonder." En na die woorden stapte hij op zijn rijwiel om zijn klanten verder te bedienen. Maar hij was toch niet in staat om de goede stemming aan boord te bederven. De jongens waren vol vertrouwen in de goede afloop van de onderneming en oom Bert liet alles maar lachend over zijn kant gaan. De opzet was, dat ze die middag tegen een uur of vier in Leimuiden zouden zijn. Daar zouden dan nog verse groenten ingekocht worden voor het avondeten. Rob had zich opgeworpen als kok, en was door de anderen voorwaardelijk als zodanig geaccepteerd. Hij zou die avond een proef van zijn kunnen moeten afleggen alvorens hem die belangrijke post werd toevertrouwd. Maar ze zouden die dag niet in Leimuiden eten, want er kwam een hindernis op hun weg, die niemand had voorzien. Waar het vaartje een bocht maakte, alvorens in open water uit te komen, lag een tamelijk lage, vaste brug. Toen het schip er de eerste keer onder door was gevaren zonder opbouw, kon het er ruimschoots onder door, maar nu lag het ongeveer veertig centimeter hoger op het water. Of vader van Gelder die afstand verkeerd had berekend, of dat het water was gestegen in die tijd, kon op dit ogenblik niet uitgemaakt worden. Maar het feit was er, dat de Lobbes ongeveer drie centimeter te hoog was. De kapitein liet zich een paar weinig fraaie uitdrukkingen ontvallen aan het adres van zijn broer. Zijn matrozen stonden er een beetje ontdaan bij, toen men tot die ontdekking kwam. "Doorhalen," zei Tom, "dan zullen we wel zien wat er van terecht komt." Maar dat voorstel keurde niemand een antwoord waardig. Stel je voor, hun mooi geverfde schip tegen de onderkant van die ruwe stenen brug. "Ballast innemen," stelde Rob voor en daar was meer voor te zeggen. Maar waar haalden ze zo gauw ballast vandaan? Na ettelijke beraadslagingen was het tenslotte de kapitein, die de meest voor de hand liggende oplossing te berde bracht. "Als we geen gewone ballast hebben, dan maar ongewone," zei hij. "Jullie springen op de kant en je vraagt iedereen die je ziet, of ze even aan boord willen komen." Met die beslissing kon iedereen instemmen. Maar het was gauwer gezegd dan gedaan, want de boot moest zo veel mogelijk uit de waterplanten gehouden worden, of met stilstaande motor naar de kant worden geduwd. Er werd besloten tot het laatste, maar ook dat bleek niet eenvoudig te zijn. De bodem van de sloot was er modderig en met de lange vaarboom moest het schip in zijn volle breedte door het gewas heen geduwd worden. Na veel vijven en zessen gelukte dat eindelijk en nu was het voor de vier knapen een koud kunstje om zich op de wal te werken en vervolgens hun opdracht uit te voeren. Naar voorbijgangers behoefden ze niet lang uit te kijken, want er had zich inmiddels een kleine volksoploop verzameld op de brug, die het schouwspel aandachtig had gevolgd en niet in gebreke was gebleven met het geven van adviezen. Binnen vijf minuten was er een zeer gemengd gezelschap van zeker vijftien personen aan boord, waarvan de jeugd het grootste aandeel vormde. De kapitein had handen vol werk om toe te zien, dat iedereen overal afbleef. Maar hij wenkte de jongens, dat ze nog veel meer mensen moesten sturen, omdat hij nog lang niet aan het vereiste gewicht toe was. En nu moesten de jongens dus tonen wat ze waard waren, als het er om ging, mensen te werven voor het karweitje. Rob schoot op een dikke heer af, die met een grote rashond aan de riem op een afstand geïnteresseerd stond toe te kijken, maar geen aanstalten maakte om daadwerkelijk mee te helpen. "Och meneer, zoudt U zo goed willen zijn om ook even aan boord te komen," vroeg Rob vriendelijk. "Het lijkt me dat U, gezien Uw omvang, nog al wat gewicht in de schaal zult leggen." Dat laatste had hij nu echt niet moeten zeggen, want de dikkerd keek een beetje beledigd en zei deftig: "Jongeman, dat je de spot drijft met mijn corpulentie zou voor mij al een eerste aanleiding zijn, om niet op je verzoek in te gaan. Trouwens ik ben nog nooit op een dergelijk boot geweest en het geval ziet er nu niet bepaald solide uit." "Dat wordt dan een nieuwe sensatie voor U meneer en wat die soliditeit betreft, dat valt heus wel mee," zei Rob gevat. "Ja maar, dan moet ik mijn hond hier alleen laten," stribbelde de heer nog tegen. "O, die kunt U gerust meenemen," zei Rob, en waarlijk, hij kreeg het zo ver, dat de man naar de waterkant ging, waarna hij onder luid gejuich, naar binnen werd gehesen. En zo ging het nog een tijdje door. Dick stond zelfs op een gegeven ogenblik al zijn overredingskracht aan te wenden om een gezellige schommel van een huismoeder naar binnen te krijgen, maar slaagde er toch niet in, haar over te halen. Ze wimpelde eindelijk alles af door te zeggen: " 'k Heb geen tijd meer joch, ik moet naar mijn koters, die hebben ook vakantie, net als jij." Tom stond te schreeuwen als een marktventer en beloofde de mensen een gratis tochtje "aan boord van een luxe jacht met accomodatie voor vijftig personen." Maar tenslotte gaf de kapitein dan toch het sein, dat het zo genoeg was en toen konden de vier ronselaars zelf een plaatsje zoeken op de boot, waar inmiddels een ware heksenketel was losgebroken. De jongeren vonden het een buitenkansje, maar de ouderen begon het te vervelen en ze eisten, de dikzak met zijn hond voorop, dat ze op de kant gezet zouden worden. Gelukkig was dat intussen onmogelijk geworden, want de jongens hadden direct grinnikend het schip uit de wal geduwd. En nu ging het zwaar beladen vaartuig schommelend op de brug af. Het was nu de zaak om precies midden in het vaarwater te blijven, omdat de brug van onderen met een boog liep. Dank zij de stuurmanskunst van de kapitein gelukte dat boven verwachting. Iedereen slaakte een zucht van verlichting, toen men met een speling van een paar centimeter langzaam onder de brug doorgleed. En even later sprongen Tom en Frans weer van boord, om met een paar touwen de boot aan de kant te houden. De dikke meneer had zo'n haast om er af te komen, dat hij struikelde over het gangboord en tot over zijn enkels in het water kwam te staan. Hij werd nog uitgelachen op de koop toe en stond zich daarover danig op te winden. "Het is een schande," riep hij, "Ongeheurd!" "U stel ik aansprakelijk veur de schande meneer, U hoort meer van mij!" Maar die zei doodleuk: "Als U mij Uw adres opgeeft en de maat van Uw sokken, reik ik U volgende week een paar nieuwe aan." Er ging een luid gelach op en het slachtoffer zag in, dat hij beter weg kon gaan. Woedend riep hij zijn hond, mompelde in zich zelf nog iets over "plebs" en verdween dan, soppend in zijn schoenen. "Zo, diens humeur is voor vandaag grondig bedorven," zei oom Bert, "maar wij kunnen verder, mannen." Tien minuten later werd de reis voortgezet en konden de matrozen beginnen met het opruimen van de vuile boel, die de onverwachte visite had achtergelaten. Over de Ringvaart ging het, langs Aalsmeer met zijn talloze grote broeikassen in de richting van de Westeinder-plassen. De jongens mochten hier ook om beurten een poosje achter het stuur staan. Om half vier 's middags zocht de kapitein een ligplaats in een kleine inham vlak bij Kudelstaart. Daar gingen Tom en Frans inkopen doen, terwijl Rob de eerste toebereidselen maakte voor het avondeten. Oom Bert en Dick kortten zich de tijd met wat te vissen en de eerste haalde zowaar twee grote vorens naar binnen terwijl Dick heel triomfantelijk een klein karpertje liet zien. De vissen kregen echter allemaal de vrijheid terug, omdat niemand er iets voor voelde, om de beesten schoon te maken. Rob verklaarde, dat hij ze wel kon bereiden, maar dan moest hij ze panklaar hebben. Maar toen Dick meende, dat ook het schoonmaken bij zijn werk behoorde, weigerde hij pertinent met een vies gezicht. Toen hij zijn eerste maaltijd had opgediend, moesten ze allen toegeven, dat hij volkomen was geslaagd voor zijn examen als kok. Om negen uur werden de matten opgerold en geen kwartier later sliepen ze als marmotten. De volgende ochtend al vroeg, het was net zes uur geweest, werden de jongens wakker door een enorme plons in het water. Op het zelfde ogenblik begon de boot hevig te schommelen. Verschrikt tuimelden ze over en door elkaar in hun haast om te kijken, wat er aan de hand was. Maar het was allemaal erg onschuldig, want toen Frans als eerste uit de kluwen te voorschijn kwam en naar buiten keek, zag hij oom Bert die als een bruinvis, proestend en snuivend, door het water schoot. "Kom er uit luilakken en was je," riep hij. En hij vermaakte zich kostelijk met een paar eenden, die protesterend wegfladderen. "Ksst, kst," riep hij. Toen het viertal aan boord nog geen aanstalten maakte om zijn voorbeeld te volgen, gaf hij weer een geweldige duw tegen het gangboord. Tom begreep als eerste, wat er van hen verlangd werd en even later was het een gespartel van jewelste rondom de Lobbes. Ze stelden er allemaal een eer in, oom Bert bij te houden, maar die zwom met brede slagen ver voor hen uit langs de oever. Hè, heerlijk was dat. Het frisse water prikte in je huid en lichtte je als het ware op. Voor Rob en Tom was het de eerste keer, dat ze zo in open water zwommen en ze waren het roerend met Dick eens, dat het veel prettiger was dan in een zwembad. Je ademde ruimer en vrijer en had geen last van de tientallen mensen, die om je heen spartelden. Als het aan hen had gelegen, waren ze zeker een uur in het water gebleven. Maar na een kwartiertje gaf oom Bert het commando: "En nu er weer uit." "Nou, hoe vinden jullie zo'n fris bad op je nuchtere maag?" vroeg hij, toen ze zich aankleedden. En toen hij de heftige knikkende gezichten zag, vervolgde hij: "Ja jongens, dat is een van de vele prettige dingen op het water. Je hebt altijd je zwembad bij de hand. Allemaal gezondheid! Ik heb vroeger ook veel tochten gemaakt zoals deze, maar dan per zeilboot. Als je daar eenmaal je liefhebberij van hebt gemaakt, is een vacantie op het land ondenkbaar voor je geworden. Voor twee jaar deed ik nog mee aan een stertocht naar de Biesbosch. Daar heb je pas water en geniet je van een zeilboot. Hoewel er ook een minder prettige herinnering aan die tocht is verbonden voor me." "Vertelt U eens, meneer," vroeg Rob gretig, terwijl hij zijn nog vochtige voeten in zijn sokken werkte. "Wel, daar valt niet zo heel veel van te vertellen. Het was alleen maar zo, dat ik per boot wegging en met de trein terug moest, omdat ze mijn nieuwe B.M. daar gestolen hebben. De eigenlijke stertocht was afgelopen en de laatste avond voor de terugreis was ik bij kennissen in Geertruidenberg, waar ik ook zou overnachten. Maar toen ik de volgende morgen op de plaats kwam, waar ik mijn boot onbeheerd had achtergelaten, was die verdwenen." "Wat een gemene streek," viel Tom in. "En heeft U de politie er niet bijgehaald?" "Ja, natuurlijk, hoewel ik eerst in de veronderstelling verkeerde, dat er iemand een misselijk grapje had uitgehaald. Maar ik ben daar nog een paar dagen gebleven en heb mijn dure schip niet terug gezien." "Laten we dan nu goed uitkijken, misschien zien we hem nog onderweg," zei Dick, die het verhaal al kende. "Ja en dan enteren we hem jongens," stemde Tom optimistisch mee in. "Wel ja, doe je best, maar veel vertrouwen heb ik er niet in," zei oom Bert. "Ik heb me al verzoend met de gedachte, dat ik hem kwijt ben. Maar kom kokkie, is er al wat te schaften, want ik val bijna van de graat!" "Jawel kapitein," salueerde Rob en hij trok zich terug in het kombuisje om voor brood en thee te gaan zorgen. "Waar gaan we nu vandaag naar toe, oom?" vroeg Frans. "O we zullen wel eens zien, hoe ver de Lobbes ons wil brengen. Laten we geen plannen meer maken, want daar ben ik huiverig van geworden sinds gisteren. Het enige waar we rekening mee zullen houden, is jullie voornemen om Dick Berendse vanuit Nieuwkoop een dagje mee te nemen. Maar daarvoor hebben we nog alle tijd. Laten we eerst eens op ons gemak gaan eten." Dat gebeurde en daarna werd gezamelijk de beddeboel opgeruimd. Er was intussen wat meer wind gekomen en ofschoon het zonnetje nog scheen, kwam er toch vanaf de plassen wat bewolking opzetten. Het water, dat eerst heel vredig tegen de boot had gekabbeld, ging nu klotsen en er kwamen kleine schuimkopjes op de golven. Het kwam eigenlijk haast ongemerkt, zo geleidelijk aan, en oom Bert was de enige, die de verandering opmerkte. Het eerste wolkje schoof voor de zon, toen ook de jongens erg kregen in de verandering van het weer. Het blauw van het water maakte plaats voor loodgrijs en ineens leek het hun niet zo aanlokkelijk meer, om de hele dag over dat donkere water te moeten dobberen in een vrij wankel scheepje met een tekort aan ruimte. Rob was de eerste, die het zei. "Zouden we niet vandaag hier blijven liggen?" vroeg hij aarzelend, bang dat hij zou worden uitgelachen. Maar hoewel de anderen er bijna net zo over dachten als hij, zei Tom obstinaat: "En dan de hele dag hier blijven hangen aan boord zeker? Ik dank je feestelijk. Als het aan mij ligt, varen we door. We zullen heus zo gauw geen schipbreuk lijden." Dick was het met hem eens, maar Frans maakte ook bezwaren. Het zou op een fikse ruzie zijn uitgedraaid, als niet de kapitein tussenbeide was gekomen. "We zullen het eens een uurtje aankijken," zei hij. "Er zit niemand op ons te wachten en we kunnen na de middag altijd nog opvaren. Alleen zullen we moeten verhalen, want we liggen hier aan lager wal. Straks bonken we tegen de beschoeiing op, als het zo nog even door gaat. Dick, start de motor maar, dan leggen we aan tegen die hoge wal daar. Daar zitten we in elk geval beschut, als het erger mocht worden." En het werd erger. Het eerst zo onschuldig uitziende meer was veranderd in een woeste binnenzee en het begon vrij gevaarlijk te worden op de plaats waar ze lagen. Af en toe vlogen schuimvlokken over de rand van de boot, en het werd langzamerhand wel duidelijk, dat er van uitvaren voorlopig geen sprake kon zijn. "Opschieten Dick!" riep de kapitein. Dick kon ondanks verwoede pogingen, de motor niet op gang krijgen en ook Rob zag geen kans leven in de brouwerij te brengen. De kapitein, die op de wal was gegaan om de touwen los te maken kwam zelf maar weer terug, mopperend dat hij ook overal bij moest zijn. Maar ondanks zijn krachtig slingeren kreeg hij de Lobbes niet verder dan een kort gereutel. Dan was het weer stil. Tenminste in het binnenste van het schip. Want buiten was de hel inmiddels losgebroken! De hele lucht was nu dichtgetrokken en de wind wakkerde aan tot stormkracht. Tot overmaat van ramp begon het nog te regenen ook. De toestand werd benauwd, want het schip lag hevig te stampen op de zware golfslag. Tom en Frans stonden uit alle macht met twee bootshaken de Lobbes uit de kant te duwen, maar het zag er naar uit, dat ze dat niet lang meer vol konden houden. Dick stond als een razende te sleutelen onder de motorkap, maar kon niets onregelmatigs vinden. "Heb je de benzinekraan wel opengezet?" vroeg de kapitein, die waarlijk zelf met een bezorgd gezicht naar buiten stond te kijken. "Hè....wat... Natuurlijk niet! Stommerd die ik ben!" Haastig maakte Dick zijn verzuim weer goed. Rob wou hem nog wat hatelijks toevoegen, maar er was geen tijd meer te verliezen, want de toestand werd met de minuut gevaarlijker. "Op de kant jullie en de touwen los," riep de kapitein tegen Rob en Dick, terwijl hij zelf de motor aansloeg. Gezwind werd de boot losgemaakt en sprongen de knapen weer naar binnen, terwijl Tom en Frans met al hun krachten stonden te werken om vrij te blijven van de wal. De kapitein deed zijn best de boot met de kop in de wind te houden, waarbij Tom nog een laatste duw met de vaarboom in de wal gaf. En toen gebeurde het...... Zijn stok bleef haken achter een grote rietpoel en was met geen mogelijkheid meer los te krijgen. Tom bleek echter niet van zins het ding zomaar te laten schieten en rukte uit alle macht om hem toch mee te krijgen. Op het door de regen spiegelglad geworden gangboord zag hij tenslotte geen kans meer zich staande te houden en toen bleef hem weinig anders meer over dan zich, als een aap, vast te klampen aan de vaarboom. Even later hing hij een meter boven het onstuimige water, maar het was duidelijk dat hij dat niet lang vol zou houden. Door Tom's gewicht begon de stok direct over te hellen en dat maakte de zaak steeds hachelijker. Het kon slechts een kwestie zijn van seconden voor hij het op moest geven en in spanning volgden de kapitein en de drie andere jongens aan boord de situatie. Ze begrepen dat er snel gehandeld moest worden, wilden ze tijdig de onfortuinlijke Tom kunnen helpen. Frans kwam met een lang stuk touw aandragen, maar daar was niets meer mee te bereiken, omdat Tom zijn beide handen nodig had bij het omklemmen van de vaarboom. "Ik houd het niet meer," brulde Tom angstig. Hij kon vrij goed zwemmen, maar in dit woelige water terecht te komen was geen pretje en bovendien gevaarlijk, want de kans was groot dat hij, gehinderd door zijn kleding, niet tegen de golven was opgewassen en tegen de houten beschoeiing gesmakt zou worden. Daar spoelde het water over zijn voeten en het volgende ogenblik moest hij loslaten en verdween in het water. In spanning volgden de anderen aan boord het schouwspel. Ze moesten machteloos toezien, hoe Tom op zeker moment kopje onder ging. Maar toen sprong de kapitein op en schreeuwde tegen Dick: "Hier pak het roer, en naar die landtong daar!" En voor de verblufte Dick wist, wat er gebeurde, stond hij met het stuurrad in zijn handen, terwijl de kapitein zijn lange zeilbroek uittrok, zijn schoenen in een hoek smeet en Tom pardoes achterna dook, die juist een meter of vier uit de kant weer boven kwam. Hij was een beetje versuft en had kramp in zijn armen en benen door de ongemakkelijke houding in de vaarboom. Proestend schoot de kapitein op hem af, als had hij geen last van de hoge golven, die vanaf het meer de inham werden ingestuwd en nog geen minuut later had hij Tom te pakken en trok hem met zich mee naar de vaste wal. Tom had niet meer het besef, om op de kant te klauteren, zo versuft was hij. Het enige, dat hij zich herinnerde, nadat hij in het water terecht was gekomen, was de greep van zijn redder in zijn kraag. Die stond nu naast hem en riep: "Hollen jóh, anders vat je kou!" Tom scheen echter nog al wat water naar binnen te hebben gekregen, want hij was de eerste ogenblikken niet in staat om zich te bewegen. Hij liep rood aan van benauwdheid en dat werd pas beter, toen hij uitbarstte in een onbedaarlijke hoestbui. Pas na geruime tijd kon het tweetal op pad gaan, om via een omweg de andere landtong te bereiken. Intussen had Dick de grootste moeite, om het schip in de goede richting te houden. Hij voelde de enorme kracht van het water, dat hem steeds weer op zij wilde dringen. Eerst had hij even wat beduusd staan kijken, maar toen hij begreep, wat er van hem verlangd werd, zette hij zich schrap. Hij wist nu dat het behoud van de Lobbes van hem afhing en terwijl hij stond te zwoegen voelde hij, dat dit het was, waarnaar hij zo vaak had verlangd. Ha, dat rauwe water zou hem de baas niet worden! Hij wrikte met zijn gespierde jongenshanden aan het stuurrad en had geen enkele aandacht meer voor wat er achter hem gebeurde. Zo, nu met de kop in de wind varen en dan met langzaam draaiende motor de boot bij laten draaien, zodat hij in de lengte met de oever kwam te liggen. Het zwaarste werk was nu gebeurd, doordat het water hier aanmerkelijk rustiger was in de beschuttende luwte van de landtong. Rob en Frans waren intussen weer op het dek geklommen, uiterst behoedzaam, want het dek was nog steeds glibberig door de gedurige regenval. Zodra de afstand klein genoeg geworden was, wipten ze op de kant waarna het vastleggen van de boot nog slechts kinderspel was voor de beide knapen. "Zo, gelukt!" zei Dick, blij dat het karwei er op zat. Brr, als hij naar dat woelige meer keek, begreep hij achteraf nog niet, hoe hij het voor elkaar had gekregen die manoeuvre goed uit te voeren. Daar kwamen ook oom Bert en Tom al aan, de laatste half voortgesleept en nog altijd niet helemaal op verhaal gekomen, naar het scheen. Hij werd meteen van zijn kleren ontdaan en vervolgens door de kapitein zelf grondig en een beetje hardhandig afgedroogd. Pas toen hij gloeide over zijn hele lichaam, kreeg hij toestemming om droge kleren aan te trekken. Daarna werd hij met een vriendschappelijke schop onder een zeker lichaamsdeel in bed gewerkt. Hij kreeg de boodschap mee, er niet eerder uit te komen, vóór dat hij zich helemaal goed gevoelde. Pas toen besteedde de kapitein wat aandacht aan zich zelf en ging zich ook verkleden, terwijl de rest van de bemanning de vuile boel opruimde. Er waren wat kopjes gesneuveld, maar overigens viel de schade nog al mee. Een kwartiertje later waren alle sporen van het avontuur uitgewist en toen vond Frans het tijd om te zeggen: "Zo, en dat was dan dat." HOOFDSTUK VFel striemde de regen op het dek van de Lobbes. Aan boord heerste een grenzeloze verveling, nu de bemanning uitgepraat was over het gebeurde en niets anders te doen had, dan uit te zien naar het spel van wind en golven. De enige bezigheid was het opdweilen van het binnenlekkende water, maar dat was lang niet voldoende, om drie jongens aan het werk te houden. Nu was het inmiddels twaalf uur geworden en nog steeds was er weinig uitzicht op beter weer. Ze aten bijtijds om toch maar iets om handen te hebben en toen begon de verveling op nieuw. Dick kortte zich de tijd maar door een briefje naar zijn ouders te schrijven, maar zweeg wijselijk over de gebeurtenissen van de laatste uren, om geen onrust te wekken. Hij vertelde alleen, dat het vreselijk slecht weer geworden was, maar dat ze op een veilig plaatsje lagen en door zouden varen, zodra het wat opgeklaard was. Zie zo dat stond er. Hè, hadden ze maar wat lectuur meegenomen. Dat was iets, waar niemand aan had gedacht. Het was niet in hun hoofd opgekomen, dat het weer niet altijd zo zonnig zou blijven, als bij het vertrek uit Amsterdam. Alleen de kapitein had dat wel voorzien. Hij had het zich gemakkelijk gemaakt in de kajuit en lag languit op een van de banken te lezen in een boek. Het scheen een leuk boek te zijn, want af en toe grinnikte hij in zich zelf. "Waar lacht U toch steeds om, oom?" wilde Frans weten. "O, om de nonsens die sommige schrijvers weten op te dissen," zei oom Bert. "Deze wil me bijvoorbeeld laten geloven, dat een gestolen auto na drie maanden terug gevonden wordt, doordat de dief een lift geeft aan de eigenaar, die ergens buiten staat te duimen. Hij herkent dan zijn eigen wagen door een bepaalde kras op het dashboard. Alsof een autodief zo iets niet eerst weg zou werken, alvorens met een gestolen auto op stap te gaan." "Maar dat is toch helemaal niet zo gek," wierp Dick tegen. "Hij kan dat toch over het hoofd hebben gezien. En trouwens, al was dat niet het geval, dan nog zou hij zeker aan andere dingen zoals bekleding, hebben kunnen zien, dat hij in zijn eigen auto zat." "Dat is zo," moest oom Bert toegeven. "Maar het wil er toch niet erg in bij mij, dat hij dan op grote afstand van de plaats, waar hij hem is kwijtgeraakt, uitgerekend zij eigen auto aan moet houden. Dat is voor mij net een beetje te veel aan toeval bij elkaar geraapt. Bovendien, autodieven zullen niet zo vlot zijn met het geven van een lift, lijkt me." "Had Uw boot eigenlijk nog bepaalde kentekenen, meneer?" vroeg Rob. "Ja, ook al!" lachte die. "Ik had indertijd de beginletters van mijn naam in het hout gekerfd onder de achterbank. Dat zal wel altijd zichtbaar blijven, want om die plank er uit te halen, moeten ze ongeveer het halve schip slopen. Het enige zou zijn, dat ze het vol hebben gestopt met stopverf en de zaak geverfd hebben. Maar ik geloof, dat ik mijn verhaal uitvoeriger vertel, dan nodig is, want geloof me, die boot ben ik heus kwijt. Die zal hier gerust niet in de buurt gebleven zijn." "Toch weet je dat nooit," hield Dick hardnekkig vol. "Je leest wel eens meer van die dingen." "Ja, in boeken," weerde oom Bert af. "Maak je geen illusies dat doe ik ook niet. Maar ik beloof je, als jij hem weet op te sporen, dan is jouw vacantie voor het volgende jaar ook in orde." "Aangenomen, ik houd U aan Uw woord," stemde Dick in en daarmee was het geval voorlopig afgedaan. Tom kwam ook weer uit zijn kooi. Hij beweerde zich weer fit te voelen en inderdaad zag hij er een stuk beter uit, dan toen hij onder de dekens gestopt was. Hij kreeg van de kapitein voorwaardelijke toestemming om op te blijven en nu zaten ze met hun vieren naar buiten te kijken met verveelde gezichten. Maar tegen twee uur, Frans was juist voor de zoveelste keer de boel aan het opdweilen, riep Tom: "Kijk eens, het klaart op." En waarlijk, hij had gelijk. Aan de horizon, boven de plassen, verscheen een lichte blauwe streep, die langzaam groter werd, en na een kwartiertje kwam er zelfs weer een zonnetje door. Het was een machtig gezicht, dat zonlicht op het nog steeds woelige water en onwillekeurig kwamen allen onder de bekoring van het schouwspel. Als een grote golf stuk sloeg op de landtong, waarachter ze gemeerd lagen, spatten de druppels als kleine kristalletjes uiteen naar alle kanten. Een tijdlang bleven ze geboeid zitten kijken, maar lang duurde dat niet. Want de kapitein stond op en zei: "Vooruit jongens, we varen op. Provianderen doen we onderweg wel, als we er gelegenheid voor krijgen. Als je nog een paar dagen in Nieuwkoop wilt blijven, zullen we nu toch door moeten varen, want hemelsbreed is dat niet zo ver, maar over water maak je een hele omweg." Blij, dat er wat te doen was ruimden de jongens de boel nog eens op. Het wasgoed kreeg een paar flinke halen door het water en werd daarna op dek gehangen, aan een paar inderhaast gespannen lijnen. De ramen werden nog even gezeemd, het dek gedroogd toen werd de Lobbes gestart voor het tweede deel van de reis. Ze voeren dwars over de Westeinder-plassen de ingang van de Ringvaart op, waar aan weerskanten het vlakke polderland zich uitstrekte. De kapitein zette zowaar een lied in en de jongens vielen hem meteen bij. "Ferme jongens, stoere knapen" schalde het over het water en op de weg keken verschillende mensen lachend naar het vrolijke groepje op de met wasgoed gepavoiseerde boot. In de vaart was het vrij stil. Slechts af en toe passeerde een vrachtschip en een keer zagen ze een echte ouderwetse tjalk die gebruik maakte van de gunstige wind en met vol zeil statig aan kwam varen. Pleziervaartuigen zagen ze helemaal niet, waarschijnlijk een gevolg van het slechte weer van die ochtend. Voor een brug moesten ze wachten tot van de andere kant een geweldig hoog op het water liggende schuit was gepasseerd. Een forse blonde vrouw stond als een volleerde roerganger achter het stuur, haar aandacht verdelend tussen haar werk en een klein jongetje, dat in een met gaas afgeschermd gedeelte naast de roef speelde. Op de vrolijke armzwaai van oom Bert stak ze even haar hand op, de gebruikelijke schippersgroet. Het scheepshondje rende als een razende heen en weer langs het gangboord, daarbij nog aangevuurd door de jongens. Af en toe leek het of het dier zo overboord zou springen, maar blijkbaar wist het precies tot hoe ver het kon gaan, want steeds remde het met beide voorpoten bijtijds af. "Prachtig vrij leven hebben die mensen toch," merkte Dick op. "Inderdaad," zei oom Bert, "maar het heeft ook een heleboel nare kanten. Je kunt er op rekenen, dat vanmorgen die vrouw of haar man ook zo achter het roer heeft gestaan, terwijl wij achter het raampje zaten te wachten, tot het droog zou worden. Om nog maar niet te spreken van de wintermaanden, als het een paar graden vriest en ze zich haast niet tegen de kou kunnen kleden, omdat ze aldoor aan hun plaats zijn gebonden. Nee jongen, het is een hard bestaan, vooral voor de kleinere schepen, die er ook nog veel zorgen bij hebben, gezien de moordende concurrentie met het wegvervoer. Je moet eens letten op de namen van die boten. Het zijn allemaal namen als "Nieuwe zorg", "Op hoop van Zegen", enzovoort. Dat is wel het beste bewijs, dat het niet allemaal rozegeur en maneschijn is." "Maar waarom blijven ze dan varen? Er is toch werk genoeg op de wal te krijgen," zei Rob, die aandachtig had geluisterd. Oom Bert haalde zijn schouders op. "Ja dat is het nu juist," zei hij. "Om dat te kunnen begrijpen, moet je zelf schipper zijn geweest. Het is net zoals Dick al zei, een prachtig vrij leven. Ondanks de zorg. Vrij en zonder aan iemand verantwoording schuldig te zijn zo lang ze op hun schip zitten, behalve dan natuurlijk de wettelijke voorschriften en bepalingen waaraan ze zich moeten houden. Daarnaast moet je niet vergeten, dat deze bedrijven, want dat zijn het tenslotte, overgaan van vader op zoon en zoiets doe je niet gauw weg. Trouwens het is ook niet zo eenvoudig, om voor een schip van, laten we zeggen honderdvijftig ton, een koper te vinden. Een buitenstaander begint daar zo niet aan en een ingewijde weet, dat deze schepen tegenwoordig maar moeilijk rendabel zijn te maken, waarbij nog komt, dat er een lief kapitaal voor is vereist om zo'n ding te kunnen kopen." De vrienden hadden aandachtig het betoog gevolgd en ze begrepen, dat er veel waarheid school in dit verhaal. Het was even stil, maar dan zei Frans: "Die mensen zullen wel minachtend neerzien op ons als wij met zo'n plezierbootje aan het grutteren zijn." "Nee dat is nu het leuke," was het antwoord. "Je kunt er veel beter mee te doen hebben, dan met vele van die zondagsruiters, die de weekeinden met een smetteloos wit pak aan boord van hun luxe jacht zitten. Je zult het onderweg nog wel meemaken. Als je tien van dergelijke mensen groet, is het mooi als er vier de moeite nemen om je groet te beantwoorden. Maar bijna elke beroepsschipper zegt je goedendag, al is het dan ook op zijn speciale manier. Sommigen houden die wijze van groeten wel eens voor onbehouwenheid, maar dat is persé niet juist. Het leven aan boord geeft ze nu eenmaal niet altijd gelegenheid om veel te spreken en daardoor zullen ze ook naar buiten niet meer zeggen dan strikt noodzakelijk is." Het was inmiddels vier uur geworden en Rob herinnerde er aan, dat er nog eten moest worden gekocht voor die avond. Ze zouden echter moeten wachten tot Oude-Wetering alvorens ze een kruidenierswinkel te zien kregen en daarom stelde de kapitein voor, de maaltijd voor die dag te laten bestaan uit een fiks bord pap, zo nodig aangevuld met een paar eieren. Ze zaten hier midden in de leveranciers van die etenswaren en Rob en Dick namen op zich, er op af te gaan, zodra ze zagen, dat er ergens gemolken werd. Zo werd besloten en een half uurtje later stapten de beide jongens op de weg en gingen op een boerenhofstede af, die een klein eindje van de weg af stond en waar achter ze al op een afstand het gerammel van melkemmers hadden gehoord. Hadden ze van te voren geweten, wat hen daar te wachten stond, dan hadden ze zich waarschijnlijk wel twee keer bedacht, alvorens hun opdracht zo vrolijk te aanvaarden. Achter de boerderij stond namelijk, stevig vastgelegd, een grote stier, die meteen nerveus aan zijn ketting begon te rammelen, toen hij de beide vrienden in de gaten kreeg. En het ergste was, dat ze het beest voorbij moesten om het verderop gelegen weiland te kunnen bereiken. Er was niemand, die hun komst had opgemerkt en besluiteloos bleven ze achter de hoeve staan, angstige blikken werpende naar het geweldige dier, dat hen met gebogen kop op leek te wachten. Het deed bepaald niet erg gastvrij aan en de jongens kregen de indruk, dat de stier hen best eens kennis wilde laten maken met zijn kracht. "Zouden we maar niet terug gaan, er zullen toch verderop nog wel meer mensen aan het melken zijn," opperde Rob. "Ben je mal," zei Dick, "en ons straks uit laten lachen zeker. Kom op, dan lopen we door. Als we maar dicht genoeg langs de kant blijven gaan, kan dat beest toch niet dicht bij ons komen, want zo ver reikt die ketting niet." En hij ging vastbesloten zijn makker voor, toch steeds schichtig kijkende naar de stier met zijn kromme horens, en klaar om op de vlucht te slaan als de nood aan de man mocht komen. Hij kwam zonder moeilijkheden bij het bevrijdende hek, waar ze over heen moesten klimmen om hun doel te bereiken. Rob volgde op een afstandje, zo mogelijk nog voorzichtiger dan Dick. Langzaam liep hij voetje voor voetje en dicht tegen de draad gedrukt in de richting van het hek, een afstand van ongeveer vijfentwintig meter. De stier, kennelijk nog zenuwachtiger geworden door het vreemde gedrag van de knapen, was echter zo dicht bij hem gekomen, als de lengte van zijn ketting dat maar toeliet en stond hem nu snuivend af te wachten. En juist toen Rob met een korte ren door wou gaan, gaf hij een ferme ruk aan zijn ketting. Dat was voor Rob het sein om de aftocht te blazen, want ofschoon het dier nog steeds goed vast zat, was hij toch zo geschrokken, dat de moed hem in zijn schoenen zonk en hij zich voornam om nooit van zijn leven langs zo'n gevaarlijk beest te gaan, al kon hij er rijk door worden. Hij zou in 's hemelsnaam maar zien, langs een omweg bij die melkende boeren te komen, al scheen dat niet eenvoudig te zijn, want overal waren brede sloten gegraven. Intussen was Dick doorgelopen en stond nu in het land, waar een twintigtal koeien met de kop aan een lange paal gebonden was. Twee mannen en een jonge vrouw waren bezig de dieren te ontdoen van hun zware last. "Goedenmiddag," groette Dick beleefd. Van onder drie der koeien klonk brommerig iets terug, dat een groet voor moest stellen, maar niemand vroeg wat hij kwam doen. Dick besloot maar even te wachten, tot een van hen klaar zou zijn, want kennelijk ging het werk hier voor bij de beleefdheidsvorm.
Dick vond het een vrij overbodige vraag, gezien zijn emmertje, maar het leek hem beter, de boer te vriend te houden en dus zei hij: "Ik wilde U vragen of U ons misschien kunt helpen aan een paar liter melk meneer." "Ja, ja, dat dacht ik al," zei de boer wijsgerig. "Ik dacht al, die jongeman zal wel hier komen om melk. Nou, dat zal wel gaan, dunkt me zo, want ze geven best op het ogenblik, de beestjes. Maarre, hebbie geld bij je?" "Ja wat dacht U dan, ik begrijp wel, dat dat voor niets niet gaat," zei Dick, toch een beetje beledigd. Wat dacht die man wel! Nu mengde ook het meisje zich in het gesprek en zei: "Ach vader, doe toch niet zo vervelend en help die jongen, dan kan hij doorgaan. U ziet toch wel dat dit goed volk is? U doet altijd zo wantrouwend tegen vreemden!" "Ja, ja, dat kan wel zijn, maar er loopt tegenwoordig puur veel raar volk bij de weg," hernam de boer weer. "Die jongen daar bijvoorbeeld, wat is die daar toch aan het scharrelen? Is dat soms een vriend van jou?" Dit zeggende wees hij naar Rob, die op een afstand nog steeds aan het zoeken was naar een andere mogelijkheid om zijn doel te bereiken. "O ja," lachte Dick, "dat is mijn vriend Rob van Hoef. Die durft niet langs dat beestje van U, dat aan die ketting staat te rammelen, en nu zoekt hij een andere ingang." "Nou dan kan hij lang zoeken," zei de dochter. "Dan zou hij bij de volgende boerderij over het erf moeten en dat is een heel eind verder. Hier tussen lopen allemaal brede sloten." "Dan zal ik hem dwingen om toch rechtstreeks hier naar toe te komen," zei Dick lachend. "Alleen terug gaan doet hij niet en hij kan daar toch niet steeds blijven wachten. Als U het goed vindt, blijf ik hier nog even." "Mij goed hoor," zei de boer. "Neem er dan je gemak maar van. Daar staat nog wel een melkkrukje." En hij wees op een klein driepotig krukje, dat op de grond lag. Dick ging er eens rustig voor zitten. Als hij het wat rekte, kon hij straks tegelijk met de boer en zijn helpers terug naar het erf, want zelf voelde hij er ook niets voor om alleen langs de vervaarlijke stier te gaan. In zijn onnadenkendheid vergat hij, dat er aan boord ook nog drie mensen op hen zaten te wachten. Op zijn gemak keek hij naar de drie mensen, die met vlugge bewegingen de melk in de emmers deden stromen. Dick had wel eens gehoord, dat het nog heus niet mee viel, maar als hij het zo zag, leek het kinderlijk eenvoudig. Maar hij durfde toch niet te vragen, of hij het ook eens mocht proberen en daarom bepaalde hij zich maar tot de opmerking: "Mooie koeien heeft U meneer, en U weet ze vlug leeg te halen ook." Hij voelde zelf wel, dat het niet erg vakkundig klonk, maar de boer scheen het niet erg te vinden en antwoordde: "Ja ja jongen ieder zo zijn eigen vak hè. Jij komt zeker niet van het platteland, is het wel?" "Nee wij komen uit Amsterdam. We zijn met zijn vieren op pleziervaart met een motorboot, onder leiding van mijn oom." "Zo zo en waar gaan jullie dan zo al naar toe?" "Voorlopig naar Nieuwkoop en dan waarschijnlijk over de Amstel terug. In Nieuwkoop woont een kennis van me en daar blijven we vermoedelijk wel een paar dagen," antwoordde Dick. Dat was wel niet helemaal waar, want een kennis was Dick Berendse eigenlijk nauwelijks te noemen en wonen deed hij ook niet in Nieuwkoop. Maar Dick had geen zin het hele verhaal te vertellen en dus liet hij het maar zo. Intussen begon het Rob knap te vervelen, dat wachten op het erf en hij vroeg zich af, wat Dick toch in 's hemelsnaam uitvoerde. Hij had wel ingezien, dat het practisch onmogelijk was langs een andere weg in het land te komen en nu stond hij ongeduldig uit te kijken naar Dick. Het leek wel of die hem opzettelijk liet wachten, of dat hij zelf bang was om terug te komen. Maar Rob was toch heus niet van plan, zich lang aan het lijntje te laten houden. Ze konden zeggen wat ze wilden maar hij zou het nog een paar minuten aankijken en dan ging hij terug naar de boot. De houding van de stier beviel hem ook allerminst, want die deed steeds agressiever. Rob stond nu wel op veilige afstand maar het beest scheen hem niet in zijn omgeving te kunnen velen en deed verwoede pogingen om los te komen en die vreemde indringer aan zijn verstand te brengen, dat zijn aanwezigheid allerminst op prijs gesteld werd. Maar Rob voelde zich tamelijk gerust op zo'n afstand en stond zich alleen maar vreselijk te ergeren over het lange wachten. Zodoende had hij er ook geen erg in, dat de lange pen, waaraan de ketting was bevestigd door de voortdurende krachtige uitvallen van het dier steeds losser kwam te staan. Nog een paar fikse rukken en hij zou de vrijheid veroverd hebben. En dat ogenblik kwam al nader en nader! Juist toen Rob besloot alleen de terugtocht te maken ondernam de stier weer een enorme stormloop en begaf de weerstand van de pen het. Rob slaakte een luide kreet van schrik en zette het op een lopen. Hij had een voorsprong van ongeveer vijftig meter, maar hij begreep dat hij snel een goed heenkomen moest zien te vinden, omdat hij de wedloop zeker zou verliezen. In het weiland was de schreeuw van Rob ook gehoord en verschrikt keken allen naar de achtervolgde jongen. "Alledonders, de stier is los," riep de boer. "Kom Nelis d'r achter aan, daar komen ongelukken van, als we niet op tijd zijn!" Nelis hoefde niet eens meer gewaarschuwd worden. Hij was al opgesprongen en samen renden ze, de klompen uitschoppend, met een voor hen ongelofelijke snelheid door het land in de richting van de boerderij. Daar liep op dat ogenblik Rob de race van zijn leven! Hij spurtte als een razende om het huis heen. Een stel kippen stoof kakelend uiteen, waarvan er één, blijkbaar ook in angst, een ei liet vallen. Het was een komiek gezicht, maar Rob kon er op dat moment de humor niet van inzien. Bezeten, het angstzweet op zijn voorhoofd, brak hij elk record, dat er maar mocht bestaan op de korte afstand. Maar ondanks dat slonk zijn voorsprong zienderogen en hij kon nu duidelijk het woeste snuiven horen van het woedende dier. Nog twintig meter en dan..... Daar maakte Rob een bocht om de voorkant van het huis en dat leverde hem een winst op van zeker tien meter doordat de stier niet zo snel reageerde. Maar Rob was nog lang niet veilig, want zijn vijand bleek niet van zins de achtervolging op te geven, en toen hij Rob weer zag om de hoek hervatte hij meteen de achtervolging en liep weer snel in op zijn slachtoffer. Zo ging het enige keren. In de bochten liep Rob steeds iets uit maar op het rechte einde won zijn achtervolger het glansrijk. Er moest snel een eind komen aan de holpartij, want Rob raakte dodelijk vermoeid. Hij kon nergens heen, want rondom het huis waren de brede poldersloten en alleen aan de voorkant was een klein houten bruggetje, waarop een hekje was gemaakt, dat nu dicht zat. De klink er af lichten zou te veel tijd vergen en bracht het risico mee, dat hij in die tijd ingehaald zou worden. Alle deuren van de boerderij waren ook gesloten. Maar toch zou zijn redding van die kant komen. Juist vloog Rob weer de hoek om langs de zijkant van het huis toen hij een deurkruk hoorde en een stem, die riep: "Hierheen, vlug!" Het was de boerin, die het tweetal al enige keren had gezien, maar nu pas kans kreeg om Rob te waarschuwen, zo snel waren achtervolgde en achtervolger steeds weer verdwenen. Gelukkig, Rob zag, waar het geluid vandaan kwam en als een wervelwind stortte hij naar binnen met het woeste dier op zijn hielen, dat vlak achter langs schoot. Trillend over zijn hele lichaam stond Rob even rond te kijken, waar hij terecht was gekomen. Het was blijkbaar een soort bijkeuken, want er stond een glimmend gepoetste koperen pomp en aan de muur hing wat kookgerei. "Zo, dat was geloof ik op het kantje, is het niet?" vroeg de boerin, toen Rob een beetje op verhaal was gekomen. "Hoe kwam dat allemaal zo?" Met horten en stoten vertelde Rob, hoe het in zijn werk was gegaan, terwijl de vrouw met een glas water aan kwam zetten. "Hier voor de schrik," zei ze. "Daar kom je weer van bij. En waar is je vriend nu?" "O, dat weet ik niet. Ik denk, dat hij nu helpt om de stier te pakken te krijgen, maar ik ga niet weer naar buiten." "Nee, dat zou ik zeker niet doen. Het stond me toch al niet aan, dat dat beest zo dicht bij huis stond alleen aan zo'n pen. Maar mijn man is zo eigenwijs in die dingen. Hij wil met alle geweld, dat hij al het vee kan zien, maar nu is het meteen afgelopen. Hij moet er maar een ander plaatsje voor zoeken, want dat loopt nog eens verkeerd af," zei de boerin. Ze had een blozend hartelijk gezicht en Rob vond, dat hij het slechter had kunnen treffen. Vergoelijkend zei hij: "Och, Uw man kon tenslotte ook niet weten, dat er nog eens een paar vreemden op het erf zouden komen, die zijn dieren zenuwachtig maken." Maar de boerin verklaarde beslist, dat er dan maar een andere oplossing gezocht moest worden en Rob zag haar er wel voor aan, dat ze haar zin door zou zetten. Intussen was buiten de zaak nu omgekeerd. Was eerst de stier de aanvaller geweest, nu werd hij achterna gezeten door de boer en enkele anderen waaronder ook oom Bert, die het tumult aan de overkant van de weg in de vaart had gehoord. Onder leiding van de baas zelf werd het dier in het nauw gedreven en na een kwartiertje toen hij ook uitgeput raakte, kon hij overmeesterd worden en liet hij zich gewillig, zij het met het schuim op de bek, door de knecht bij de ring pakken, die om zijn hals was bevestigd. Het mocht een wonder heten, dat er niet veel schade was aangericht, want de lange ketting, waaraan hij had vastgezeten, had al die tijd achter hem aangezwierd. Alleen een gedeelte van de moestuin was platgetrapt, maar daar schonk niemand veel aandacht aan, zelfs de eigenaar zelf niet, al kon hij niet nalaten te zeggen: "Ja ja, van de schade trekt niemand zich wat aan. Daar zal Stappers wel voor opdraaien." Even later stapte het gezelschap de keuken binnen, waar Rob heel gezellig met de boerin zat te babbelen. Hij had juist uitgebreid zitten vertellen van hun avontuur op de Westeinder-plassen en de boerin scheen zich er kostelijk mee te amuseren. Zo kon het gebeuren, dat ze juist smakelijk zat te lachen, toen haar man binnenkwam en een beetje geërgerd opmerkte: "Ja ja, wij zullen het werk wel opknappen, terwijl jullie hier pret zitten te maken." Maar hij liet er toch direct op volgen: "Zo hoe is het met jou afgelopen jongeman?" Maar Rob behoefde niet eens te antwoorden, want de boerin trok meteen van leer en ze voegde er aan toe, dat ze als schadevergoeding het gezelschap voor die avond uitnodigde aan de maaltijd, "omdat het toch feitelijk niets gedaan was, al die kerels onder elkaar." Haar uitnodiging werd door de knapen met een luid gejuich geaccepteerd en ook de kapitein verklaarde zich accoord. "Alleen moet U me dan beloven dat U morgen ook bij ons komt als gast. Dan zult U zien, dat het nogal losloopt bij die kerels," zei hij. Maar daar ging de boerin maar niet op in en toen werden allen de deur uitgewerkt, omdat ze het nog druk genoeg had, zoals ze beweerde. Oom Bert liep met boer Stappers mee naar het weiland, waar Nelis nu in zijn eentje, de laatste koeien aan het afmelken was. De jongens slenterden de boerderij wat rond, waar op dit ogenblik niet veel te zien was, want het meeste vee liep buiten. "Fijne mensen om zo maar uit te nodigen, terwijl je ze toch feitelijk een boel last hebt bezorgd en ze je helemaal niet kennen," zei Dick. "Ja," zei Rob. "Maar ik verdenk jou er sterk van, dat jij het hele geval op je geweten hebt, knaapje." Dick deed er voor deze keer het zwijgen maar toe en Tom zei lachend: "In elk geval behoeven we er geen spijt van te hebben, dat het zo is gelopen. Ik heb tenminste wel zin in dat etentje." "Ik geloof dat de boerin nogal op Rob ingeschoten is," verklaarde Frans en dat was weer een andere zienswijze, waarover te praten viel. "Maar hoe kwam het eigenlijk, dat die stier jou achterna kon zitten. Dat beest loopt hier toch zeker maar niet los rond?" vroeg Tom. Toch een beetje beschaamd vertelde Rob voor de tweede keer, hoe hij had staan wachten achter de boerderij, iets waarvan de stier blijkbaar nerveus geworden was met het bekende gevolg. Maar Frans besloot het gesprek en redde de eer, door te verklaren, dat hij ook liever een straatje om ging, dan zo'n kolos op zo korte afstand te moeten passeren. Een half uurtje later werd iedereen binnen geroepen en vonden ze een plaatsje in de grote keuken, waar het een gezellige bedoening werd met zoveel mensen. Oom Bert zette zijn beste beentje voor en vertelde diverse grappige voorvallen uit zijn loopbaan als zeiler en hij overdreef af en toe zo, dat de mannen hem wantrouwend aankeken en de vrouwen schaterden van het lachen. Maar hoofdzaak was, dat iedereen zich kostelijk amuseerde, zodat de jongens die avond weer voldaan terugkeerden aan boord, zich verheugend op het vooruitzicht dat er na deze dag nog vele vrije dagen op hen wachtten. |
HOOFDSTUK VIDe volgende dag was ieder bijtijds uit de veren daar de boerin er op gestaan had, dat ze alvorens verder te gaan, eerst nog de ochtendboterham moesten eten. Getroffen door zo veel hartelijkheid was ook dit aanbod aanvaard. Om acht uur zaten ze dus al weer in de ruime boerenkeuken en nu kwam het gesprek op de plannen voor de komende dagen. "Ik hoorde, dat jullie naar Nieuwkoop zouden gaan," zei Stappers en toen de kapitein dat bevestigde, vervolgde hij: "Nou, dan mag je wel uitkijken, dat je geen voorwerpen van waarde laat slingeren, want naar ik hoorde wordt daar de laatste weken zo bar veel gestolen. En de politie schijnt nog geen enkele aanwijzing te hebben over de mogelijke daders, zo geraffineerd gaan die kerels te werk. Ze hebben wel al een paar mensen aangehouden, maar steeds hebben ze ze weer vrij moeten laten, omdat ze niets konden bewijzen." "Ik denk wel dat ze ons zullen overslaan," veronderstelde Tom zorgeloos. "Alles wat ik aan waardevols bij me heb, is mijn polshorloge en daar zullen ze zich wel niet zo druk over maken, want dat is niet bepaald van de beste kwaliteit." "Dat zou ik maar niet te hard zeggen," waarschuwde Stappers. "Dat is nu juist een van de artikelen, waar ze het meest op gebrand schijnen te zijn, en die zijn er al verscheidene gestolen. Er gaan geen twee dagen voorbij, of het is weer raak. Vorige week hoorde ik van een jongen, die zich stond te wassen bij de gootsteen en zijn klokje even in het open venster had gelegd. Goed, hij is klaar en draait zich om naar de handdoek, die in de hoek van de keuken hangt. Drie minuten later wil hij het ding weer aan zijn pols doen, maar toen was het niet meer nodig, omdat het al weg was. Toen hij het vertelde hebben ze eerst gedacht, dat die jongen zich wel vergist zou hebben, maar ze hebben het hele huis doorzocht en niets gevonden. En het schijnt wel een bijzonder duur ding te zijn geweest, want er is nog een grote beloning uitgeloofd voor degene, die hem weer terug bezorgde." "Dat moet dan wel een ongelofelijk brutale kerel geweest zijn," meende oom Bert. "Ik neem aan, dat dat op klaarlichte dag is geweest, dus de dief moet op de uitkijk gestaan hebben en zijn kans meteen hebben waargenomen." "Ja, maar ze vermoeden wel, dat het niet het werk van één man is. Dat is af te leiden uit het feit, dat ze onder andere in een hotel kans hebben gezien al het zilveren tafelbestek te stelen en bij de notaris hebben ze bijna alle juwelen van mevrouw meegenomen. Bij zulk werk moet er toch wel eentje gestaan hebben, klaar om een sein te geven, als er onraad was." Oom Bert moest toegeven, dat die redenering nog zo gek niet was en ze verdiepten zich verder in allerlei veronderstellingen en mogelijkheden, waarbij bleek dat Stappers heel wat verstandiger was, dan men af en toe wel van hem zou denken. "In elk geval zijn jullie nu gewaarschuwd," zei hij. "Je ziet, dat er toch wel veel vreemd volk bij de weg loopt, al willen sommige mensen daar niet aan. Berg je spullen vooral goed weg, zolang ze de dieven niet gepakt hebben, want het is daar niet pluis op het ogenblik." Oom Bert stond op om aanstalten te maken voor het vertrek, maar voor die tijd moest de familie natuurlijk eerst nog hun boot bewonderen. Van bewonderen was echter niet veel sprake, want vooral mevrouw Stappers vond het "geval", zoals zij de Lobbes oneerbiedig noemde, veel te klein, om er met vijf personen zo'n lange tijd op te huizen. En ze kon maar niet begrijpen, dat het nu juist leuk was, om je een poosje te behelpen met als vergoeding de hele dag de zon en het water om je heen te hebben. Stappers maakte zich er af met de opmerking: "Ja ja, dat noemen ze geloof ik sportiviteit, is het niet?" Nelis stond er maar wat grinnikend bij te kijken en gaf helemaal geen commentaar; alleen Greet, de dochter zag er wel wat in. Maar ze ging toch ook niet in op de uitnodiging van oom Bert een dagje mee te varen en beweerde, dat ze wel wat anders te doen had, en zon genoeg kreeg. Mevrouw Stappers was er helemaal niet voor te vinden en zei vol afschuw: "Ik denk er niet aan. Ik voel me veiliger op de grond, dan heb ik in elk geval vastigheid onder de voeten. Ik vind het maar niks, zo'n gammel ding." Dat lokte een storm van protesten uit bij de jongens, die hun trouwe schip zo maar gerangschikt zagen als een onwaardig prulding. Vooral Dick was zwaar in zij wiek geschoten over dat oordeel en haalde zijn stokpaardje te voorschijn, door ze de werking van de motor uit te gaan leggen. Hij begon een heel verhaal af te steken tegen boer Stappers, maar die scheen van techniek niet zo veel verstand te hebben, want toen Dick klaar was zei hij verbaasd: "Het is toch mirakel hè! Hoor je dat Nelis, door die compressen gaat zo'n hele boot aan de haal. Je zou zeggen, hoe verzinnen ze het! Als ik die compressen op mijn lijf krijg, moet ik altijd stil in bed blijven liggen." "Compressie," legde Dick geduldig uit. "En dat brengt niet direct de motor aan de gang, maar is juist de weerstand van die motor." "Ja ja, gooi het maar in mijn pet," zei Stappers. "Eerst stribbelt ie tegen en dan later draait ie toch. 't Is mij te geleerd hoor, maar ik geloof het wel." Hij waagde zich verder niet aan een opmerking over het mechaniek, zodat Dick zijn kennis voor zich moest houden. Samen met de andere jongens liep hij de dijk nog een eindje op, terwijl de ouderen nog wat praatten bij een kop koffie, dat de kapitein zelf voor deze gelegenheid had gebrouwen. Langzaam slenterde het viertal de weg op in de richting vanwaar ze waren gekomen. Het was stil op het dijkweggetje en ook op het water was hier weinig scheepvaart. Alleen in de verte kwam, puffend op een buitenboordmotor, een zeilboot aanvaren. Eerst schonken ze er geen aandacht aan, maar toen het vaartuig naderde, zei Tom opeens: "Kijk eens jongens, een B.M." "Nu, wat zou dat?" vroeg Frans. "Is daar wat bijzonders aan dan?" "Zo'n boot hebben ze toch gestolen van je oom, is het niet?" "En dacht jij dan, dat je hier zo maar die dief tegen het lijf zou lopen? Jongen, er varen honderden boten van dat soort rond. Trouwens, ik meende dat oom Bert een kleine B.M. had en dit is een grote." "Nou ja, het kan toch," vond Tom, een beetje beledigd en nog niet helemaal overtuigd. "En die twee kerels aan boord zien er luguber genoeg uit, vind ik. Moet je die een zien met zijn baard. Het lijkt wel een kaperkapitein." Werkelijk zagen de twee opvarenden er allesbehalve vertrouwenwekkend uit. De oudste had een witte zeilpet op, tenminste die kleur had het hoofddeksel eens gehad, want de kleur helde nu meer over naar grijs, en ook verder zag hij er weinig fris uit. Zijn makker daarentegen was een gespierde, jonge kerel, gekleed in een smetteloos wit hemd en een short. Zijn gezicht was echter zo mogelijk nog onsympathieker dan dat van de ander. Hij had sluik, achterover gekamd haar en een wreed gezicht, waaruit een paar half toegeknepen ogen niet erg vriendelijk rondkeken. De jongens hadden het bootje aan de kant van het water afgewacht en toen het tot op enkele meters was genaderd, groetten ze vriendelijk. De twee verwaardigden zich echter niet een antwoord te geven, wat Frans de bittere opmerking ontlokte: "Zie je wel, dat zijn nu de pleziervaarders. Een behoorlijk goedemorgen kan er niet af, daarvoor hebben ze het zeker te druk." "Ach laat gaan," vond Rob. "En toch wil ik straks eens aan je oom vragen, of hij inderdaad een kleine boot heeft gehad," begon Tom weer, toen de boot uit het gezicht was verdwenen. "Ik vertrouw die kerels voor geen cent. Ze zien er uit alsof ze in hun leven al twintig boten hebben gestolen." "Schei toch uit jóh, je haalt je onzin in je hoofd. Je snapt toch zelf wel dat ze met een gestolen boot niet hier in het Westen van het land blijven rondvaren. En buiten dat zou het een uitgesproken toeval zijn, als wij hier die dieven tegen het lijf zouden lopen," zei Rob, een beetje geërgerd door de doordrijverij van Tom. Maar Dick viel bij en beweerde zelfs pertinent te weten, dat oom Bert wel degelijk een grote B.M. had gehad. Zo kibbelend liepen ze nog een eindje de weg af, totdat Frans voorstelde om terug te gaan, teneinde oom Bert zelf te vragen of die de twee had gezien en zijn mening te horen. Toen ze daar kwamen maakte de familie Stappers juist aanstalten om op te stappen. Er werd hartelijk afscheid genomen en de familie moest beloven dat ze, mocht ze in Amsterdam komen, een tegenvisite zou afleggen. Toen ze vertrokken waren begon Dick direct weer over de gestolen boot en hij vroeg wat zijn oom er van dacht. "O, hebben jullie die twee heren ook gezien?. Nu, het was inderdaad precies hetzelfde type, maar als het werkelijk mijn schuit zou zijn, hebben ze hem wel grondig veranderd. Deze was helemaal geverfd, terwijl die van mij blank gelakt was. En er zou een ander grootzeil op gezet moeten zijn, want die van mij was geklassificeerd en had een ander nummer. Nu is dat natuurlijk allemaal vrij gemakkelijk te verwisselen, maar ik geloof toch niet dat het mijn boot is. Volgens mij is het ding de grens over gevaren zonder al die veranderingen. Hier blijven zou een veel te groot risico betekenen voor de dieven." "Zie je nu wel, precies mijn redenering," viel Rob in. "Ja, ze zijn gek om hier te blijven dobberen en zich zo te laten vangen." "En dat monogram, die beginletters van Uw naam?" vroeg Tom, die zich nog steeds niet gewonnen wilde geven. "Die had U toch in het hout gesneden, niet waar?" "Ja, maar ik heb niet door het hout heen kunnen kijken, of die er in stonden," lachte de kapitein. "Maar misschien zien we ze nog de eerstkomende dagen en dan vraag je gewoon, of je eens mag kijken onder de achterbank. Het is alleen een beetje vervelend natuurlijk. Als het er wel in staat, zullen ze je vermoedelijk niet toelaten en in het andere geval heeft het weinig zin en zullen ze zich alleen maar afvragen of je iets mankeert in je bovenkamertje." Maar Tom en Dick hadden op dat moment dezelfde gedachte, die ze geen van tweeën direct uitspraken. Ze namen zich voor om, als ze de kans kregen, eens een kijkje te nemen. Met die onuitgesproken gedachte in hun hoofd, deden ze er verder het zwijgen maar toe en keken elkaar eens veelbetekenend aan. De feiten zouden uitwijzen, wie het bij het rechte eind had! Ze zouden dat stelletje toch eens raar op hun neus laten kijken! Onder al dat gepraat had Frans in zijn eentje de boot losgemaakt en de motor gestart. Het gepraat begon hem al lang te vervelen en hij begreep niet, dat Tom en Dick zich aan dergelijke fantasieën te buiten konden gaan. Hij ging op het stuurkrukje zitten en toen werd de reis weer voortgezet. De kapitein kwam naast hem staan en gooide het gesprek over een andere boeg. Om de goede stemming er wat in te brengen, hing hij een verhaal op over een reuzenkarper, die hij eens had gevangen, maar hij overdreef zo verschrikkelijk, dat Dick op zeker ogenblik zei: "Als ik zo kon fantaseren, ging ik bepaald aan het toneel. Sjonge, jonge, wat een onzin kunnen sommige mensen in één verhaal onderbrengen." De kapitein schudde zijn hoofd eens over zoveel oneerbiedigheid en verklaarde dat hij het deze keer door de vingers wilde zien, maar dat hij een tweede keer niet zo soepel zou zijn. Waarop zijn matroos hem vlak in zijn gezicht uitlachte en zei, dat hij zich daar geen laars van aantrok. Het eindigde met een fikse stoeipartij, waarbij Dick natuurlijk aan het kortste einde trok. Maar de goede stemming was teruggekeerd en vol goede moed werd de reis voortgezet. Het gesprek kwam weer op de familie Stappers en iedereen was het er over eens, dat het reuze hartelijke mensen waren. "Als je het mij vraagt, had Nelis er wel iets voor gevoeld een weekje met ons mee te gaan," zei Rob. "Ja," zei de kapitein, "die mensen wonen nu zo dicht bij de natuur, en ik maak me sterk, dat ze geen van allen kunnen zwemmen, om iets te noemen. Die zitten hier vastgeroest op zo'n boerderij en ik wed dat ze nooit verder geweest zijn dan Gouda of hooguit Rotterdam. Nu geloof ik wel, dat de jeugd van het platteland het tegenwoordig wat anders aanpakt. Je kon bijvoorbeeld aan Nelis wel merken, dat het leven hem zo wel eens tegenstaat, en hij er ook wel eens uit wil." "Hij stond tenminste aan mijn hand te zwengelen alsof hij me hier wou houden," merkte Tom op. "Och, ze zijn er mee vergroeid en dan valt het niet mee je er een, twee drie uit los te werken. Laten we aannemen, dat Nelis vijfentwintig jaar is, dan zal hij toch stellig wel al een jaar of tien meelopen in het werk," zei de kapitein. "Maar kom mannen, we gaan full speed verder, want ons reisschema loopt langzamerhand aardig in de war. We zullen ons niet overhaasten, maar als we nog een paar dagen in Nieuwkoop willen blijven, moeten we toch niet te veel avonturen meer meemaken onderweg. Vooruit Frans, vol gas!" Nu, de Lobbes liet zich niet kennen en toonde wat hij waard was. Met een flink gangetje tuften ze in de richting van Bilderdam, een klein plaatsje aan het begin van de Drecht. Daar werd getankt en mondvoorraad ingeslagen en na dat kleine oponthoud trokken ze verder naar het voorlopige einddoel. Er was hier wat minder scheepvaart, wat betrof de beroepsschippers, maar ze zagen des te meer plezierboten. Motorboten, zeil- en roeibootjes lieten de opvarenden genieten van het water en ze passeerden de meest zonderlinge bouwsels, waarbij vergeleken de Lobbes een sierlijk jacht was. Je vroeg je soms af, hoe mensen het aandurfden met dergelijke wrakke vaartuigen in open water te komen. Er was dan ook stof tot gesprek genoeg, want op hun beurt voorzagen de jongens dergelijke schuiten rijkelijk van commentaar, als om zich er op te wreken, dat de Lobbes ook al herhaalde malen belachelijk gemaakt was. Ze stonden weer om beurten te sturen, en alleen op de moeilijk bevaarbare gedeelten nam de kapitein zelf het roer over, sinds Tom op een smal stuk kans had gezien zo dicht langs de oever te varen, dat de schroef vol met planten kwam te zitten. Hij moest zelf in zijn naakte body het water in, om ze er uit te halen en dat bleek een heel karwei. De bodem was er erg modderig en van staan was dan ook geen sprake. Dus moest hij, hangend aan het achterdek, zich met een hand vasthouden en met de andere proberen om de rommel weg te krijgen. Dat gelukte pas na een kwartier en daarna wilde de kapitein het risico op een herhaling niet lopen en omzeilde zelf de lastige klippen. De protesten deed hij af met een kwasi-ernstig: "Denk er om, geen muiterij of ik laat jullie in de boeien sluiten en van boord halen!" En toen legden ze zich er maar bij neer, omdat ze ook wel inzagen, dat er gevaren moest worden, wilde het hele programma afgewerkt worden. En dan, juist voorbij een flauwe bocht in het kanaaltje, zagen vier paar jongensogen het tegelijk. "Daar heb je ze weer," zei Dick bijna fluisterend. Met de kop in het hoge riet geduwd, lag een grote B.M., bemand door de twee kerels, die ze die morgen ook al hadden gezien. Of eigenlijk was er van bemanning op dit ogenblik geen sprake, want het tweetal lag tegen de dijk in diepe rust verzonken. De man met de pet had zijn hoofddeksel diep over de ogen getrokken tegen de felle zon en lag met half open mond zo zwaar te snurken, dat het op het water hoorbaar was. De ander lag op zijn buik met de handen onder het hoofd en het was op een afstand niet uit te maken of hij nu sliep, dan wel deed alsof. "Laten we nu meteen eens gaan kijken," stelde Tom voor en bijna zou het kibbelen weer begonnen zijn, als niet de kapitein de zaak af had gewimpeld door te zeggen: "Geen kwestie van! Het kunnen wel doodonschuldige touristen zijn en als ze ons schaken, terwijl wij aan het scharrelen zijn aan boord van hun schip, hebben ze het volste recht, óns voor dieven aan te zien." "De Gelukszoeker", las Frans nog juist op de boeg en ofschoon hij niet zo kwaaddenkend was als Tom en Dick, kon hij toch niet nalaten te zeggen: "Nou, de naam bevalt me niet erg." "En waarom niet?" vroeg zijn oom. "Daar steekt toch niets achter? Tenslotte zoeken we allemaal het geluk en ik vind de naam heel toepasselijk op een boot." "Maar de manier, waarop die lui zoeken, vertrouw ik niet erg," zei Tom een beetje vinnig. "Ieder op zijn manier," merkte de kapitein wijsgerig op. "Het ligt niet aan ons te oordelen; of zelfs maar te onderzoeken, hoe zij dat doen. Bovendien, je zoekt spijkers op laag water, want ik zie nog steeds geen aanleiding, die mensen van diefstal te verdenken." Maar hoewel Tom voelde, dat de kapitein volkomen gelijk had, kon hij een gevoel van wrevel toch niet onderdrukken en bleef hij het jammer vinden, dat ze deze kans voorbij hadden laten gaan. Maar hij wilde de stemming niet bederven en dus werd er niet meer over gesproken voorlopig. Voor Uithoorn sloegen ze rechtsaf de Kromme Mijdrecht op, voor de laatste etappe naar de Nieuwkoopse plassen. Rob was weer in zijn heiligdom, de keuken, bezig en wist het gezelschap zo waar te verrassen met een kop soep, al was die dan niet zo als ze het thuis gewend waren. Maar juist toen hij daar voorzichtig mee aan kwam dragen om de kapitein er als eerste eentje te offreren, was die bezig aan een omzichtige manoeuvre voor een smal bruggetje. Dat bezorgde hem nog een stekelige opmerking op de koop toe, en daarom zei hij een beetje beledigd: "Dan zal ik zelf maar vast beginnen." Maar even later kreeg hij toch een pluim, toen de hele bemanning van zijn brouwsel zat te slurpen, en dat bracht hem al spoedig weer in zijn goede humeur. Tegen vijf uur bereikten ze dan toch eindelijk de plassen bij Nieuwkoop en de kapitein stevende regelrecht dwars over het meer naar een soort natuurlijk haventje, waar hij al eens eerder had gelegen. Het behoorde bij een klein erfje en door wat struikgewas konden ze iets verder, het land in, een huis zien staan. In het haventje lag verder nog een grote roeiboot, bij het zien waarvan de kapitein zei: "Ha, ik zie dat mijn vriend Geurts tegenwoordig ook een visboot heeft. Nu, dat ding kan ons de eerste dagen nog wel eens van pas komen, want ik weet hier een paar beste visplaatsjes." Nadat de Lobbes aan de kant was geschoven stapte hij meteen van boord in de richting van het huis en de jongens wisten niet beter te doen, dan hem maar achterna te gaan. Oom Bert bleek hier een goede bekende te zijn en toen de jongens bij de woning kwamen, was hij al in druk gesprek gewikkeld met de bewoner. Toen die de vier knapen in gaten kreeg, zei hij lachend: "Zo, en dat zijn zeker Uw matrozen, meneer van Gelder?" "Ja en als U er geen bezwaar tegen maakt, wilde ik met hen graag een paar dagen gebruik maken van Uw gastvrijheid," antwoordde oom Bert. "Als ze maar niet mijn veestapel op stang jagen, gaan ze hun gang maar," zei meneer Geurts. "U weet, alles staat verder tot Uw beschikking." De veestapel bleek te bestaan uit een stel kippen, die ijverig pikkend over het erfje rondscharrelden. Verder liep er nog een dikke kalkoen rond en in een afgeschermd hoekje stonden twee grote konijnenhokken, waarin een stuk of tien konijnen waren ondergebracht. De jongens beloofden, dat ze de dieren met rust zouden laten en toen ging meneer Geurts hen voor naar binnen waar ze hartelijk werden begroet door mevrouw Geurts en de zestienjarige zoon des huizes. Het waren rustige, sympathieke mensen, en de jongens waren dan ook direct op hun gemak. Het eerste, wat Rob opviel waren de grote handen aan het gespierde lichaam van Hans Geurts. "Als je daar een klap van krijgt, ga je meteen voor de volle tien seconden tegen de grond," fluisterde hij tegen Frans, maar niet zo zacht, of Hans had het gehoord. Die lachte maar eens even en ging er niet op in, wat hem een goede beurt deed maken bij de jongens. "Wil ik jullie de boel hier eens laten zien?" vroeg hij zonder enige overgang. Daar voelden ze wel wat voor en zo liepen ze de tuin weer in. Veel was er niet te zien, alleen stonden ze een tijd stil bij de konijnenhokken, waar Hans vol trots een paar echte raskonijnen uithaalde, die hij zelf had gefokt. En daarna moest Hans de Lobbes bewonderen, die hij alleen maar even aan de buitenkant had gezien. "Hebben jullie die zelf gebouwd?" vroeg hij bewonderend, en het viel Dick op, dat zijn bewondering oprecht was. "Mijn vader heeft wel het grootste aandeel gehad in het werk, maar aan de motor heb ik wel een boel gedaan." "Is die roeiboot van jou?" vroeg Rob. "Nee, van mijn vader," zei Hans. "Maar ik gebruik hem wel het meest. We hebben verder op de plassen wat palingfuiken staan en daar kun je me bijna iedere ochtend vinden. Als jullie zin hebben, kun je morgen wel eens met me meegaan. Alleen moet ik je wel waarschuwen, dat het dan vroeg dag is. Om een uur of vijf ben ik meestal wel vertrokken." "Ik wil dat graag eens een keertje meemaken," zei Frans en ook Rob voelde er wel iets voor, mits de kapitein toestemming gaf. Die maakte geen bezwaren, toen het hem werd gevraagd, en wijzend op Hans zei hij: "Met hem zit je nog veiliger in een boot dan bij mij, dus ga je gang maar." Hans kleurde bij zo veel lof en nam de jongens maar gauw weer mee naar buiten, om nog even het dorp in te wandelen. Over een klein bruggetje kwamen ze op de weg en even later waren ze in de eigenlijke kom van het dorp. Er was daar een jachthaven en het was er druk met binnenkomende bootjes, die de dag ergens op het meer hadden doorgebracht, maar tegen de avond weer de veilige haven opzochten, want het kon er spoken bij zwaar weer op de grote meren. Dat hadden de vier knapen nu zelf ondervonden op de Westeinder-plassen! Een tijdlang stonden ze te kijken naar de bedrijvigheid, maar plotseling stootte Dick Tom aan en zei zacht: "Kijk daar, daar komen ze weer aan." En toen Tom hem niet begrijpend aankeek, vervolgde hij: "Daar achter die grote motorboot, daar heb je die twee kerels weer." Nu zag Tom het ook. Daar kwam de "Gelukszoeker" aan. Het bootje was nog te ver weg, om de opvarenden te kunnen onderscheiden, maar dat schip zouden de jongens langzamerhand uit duizenden hebben herkend. "Niets zeggen," zei Dick een beetje opgewonden en hij wees over zijn schouder naar de anderen, die wat verderop stonden en het binnenkomende vaartuig blijkbaar nog niet hadden opgemerkt. De "Gelukszoeker" zocht een plaatsje tussen de vele andere boten aan een van de steigers en de inzittenden gingen meteen naar het restaurant, waarna de beide vrienden ze uit het oog verloren. Ze moesten wel direct na hen zijn weggevaren, dat ze nu ook al in Nieuwkoop waren aangekomen. "Als ik wist, dat ze niet aan boord slapen, ging ik er vanavond al op af om eens te kijken," begon Tom, maar Dick beduidde hem te zwijgen, om de anderen er buiten te houden. Ze besloten de dingen maar af te wachten en zodra dat mogelijk was, hun slag te slaan. Toen voegden ze zich bij de rest van het groepje, dat intussen langzaam doorgelopen was. Het gesprek kwam nu op Dick Berendse en Frans herinnerde zijn broer er aan, dat die nog uitgenodigd zou worden, een dagje mee te varen. Hans kende de naam niet, maar wist wel, dat er in het voorjaar een jongen van hun leeftijd in het dorp was gekomen voor zijn gezondheid. "Die logeert hier vlak in de buurt," zei hij. "Willen we er nu nog even naar toe gaan? Dan heb je dat tenminste achter de rug." Maar niemand voelde er iets voor, om nu nog op bezoek te gaan bij vreemden, temeer omdat ze er nu niet bepaald op hun Paasbest bij liepen en tenslotte was het toch altijd nog de zoon van hun leraar, waar ze op visite moesten. Besloten werd, om de volgende ochtend te gaan en toen werd, via een andere weg, de reis naar het huis van familie Geurts weer aanvaard. "Er wordt hier zo veel gestolen de laatste tijd, is het niet?" vroeg Rob aan Hans en hij vertelde wat ze hadden gehoord. "Toevallig is het de afgelopen veertien dagen niet zo erg geweest," zei die. "Maar daarvoor hebben we een tijdje gehad, dat je niet veilig iets van waarde achter je rug kon laten liggen. Er moet hier voor duizenden zijn gestolen." En hij voegde aan het verhaal van boer Stappers nog diverse voorvallen toe. "En die lui zijn zo deksels glad, dat er eigenlijk nog niemand werkelijk verdacht is geworden," zei hij. "Gelukkig zijn ze tot nu toe onze deur nog steeds voorbij gegaan." Toen het vijftal de kamer bij de familie Geurts binnenstapte, zat mevrouw Geurts al te wachten met een groot glas limonade voor ieder. Bijtijds gingen de vrienden die avond naar bed om de volgende ochtend present te zijn, als Hans hen kwam halen voor de palingvisserij. HOOFDSTUK VIIOm half vijf kwam Hans hen die ochtend wekken, aangekleed en wel, en even later kwam de slaperige hoofden van Frans en Rob onder het dekzeil uitgluren. Terwijl Hans de roeiboot losmaakte schoten ze vlug in de kleren stapten dan, de laatste slaapresten uit de ogen wrijvende, ook op de wal. "Goeie morgen," zei Hans lachende, "uitgeslapen?" "Eerlijk gezegd nog niet helemaal," antwoordde Frans een beetje nageeuwend. "Die akelige muggen hebben het me gisteravond knap lastig gemaakt en daardoor sliep ik pas laat in." "In het vervolg insmeren met een beetje ammoniak," adviseerde Hans, maar de jongens trokken een vies gezicht en verklaarden, dan liever te doen te hebben met de muggen. "Zelf weten," zei Hans laconiek, terwijl hij in de roeiboot stapte. De roeiboot was als echte visboot voorzien van een bun. Deze was aangebracht in het midden van de boot. Het was eigenlijk een gewone vierkante bak, die diende om de vis zo lang mogelijk in leven te houden. Aan beide kanten van de bun waren twee planken aangebracht over de gehele breedte van de boot, die dienden als zitplaats, en dat was de hele inventaris van de visboot, behoudens de roeiriemen. Rob en Frans zetten zich neer op een van de banken, terwijl Hans aan de andere kant plaats nam en de riemen pakte om de boot voorzichtig het haventje uit te duwen. Eenmaal in open water roeide hij met rustige, maar forse slagen langs de oever van het meer. Het was een heerlijke ochtend en alle drie keken ze geboeid naar het altijd weer prachtige schouwspel van de opkomende zon. Als een bloedrode bal, zijn gloed overbrengend op de wazig witte wolkjes, die in vlammen leken te staan, steeg hij hoger en hoger, fel weerkaatsend in het zacht rimpelende water. In de verte loeide hees een koe en ergens blafte een hond. Verder was er niets te horen dan het plassen van de riemen en het geklots tegen de steven van de boot. In een zijslootje stond een reiger doodstil diepzinnig in het water te kijken, wachtende op zijn prooi en klaar om daar op af te schieten. "Ook een broodvisser, maar op een andere manier dan wij," zei Hans, de blikken van de beide jongens volgend. Alsof hij zich beledigd voelde door die opmerking verhief de reiger zich statig uit het water en vloog trots weg met brede wiekslag. Een paar honderd meter verder streek hij neer, om daar zijn geluk opnieuw te beproeven. "Wil ik het eens van je overnemen, Hans?" vroeg Rob, maar Hans schudde alleen maar met zijn hoofd en roeide onverstoorbaar verder. Nieuwkoop lag nu al een heel stuk achter hen en alleen de kerktoren en wat rode pannendaken verriedden, dat ze zich nog zo dicht bij de bewoonde wereld bevonden. Ze hadden ongeveer drie kwartier gevaren, gedurende welke tijd er weinig gesproken was, toen Hans de boot uit liet drijven en zei: "Zo, we zijn er. Nu gaan we kijken, of de tocht wat oplevert." Ze waren vlak onder de wal gekomen, waar op enige afstand uit elkaar een aantal stokken boven water uitstak. Steeds tussen twee van die stokken waren de fuiken gespannen, onder de oppervlakte van het water. Het waren lange ronde netten, op dezelfde wijze open gehouden als een schepnet, met grote ronde hoepels. Op geregelde onderlinge afstanden was in die netten een soort klep gemaakt van hetzelfde weefsel als het omhulsel en heel fijn. De paling kon vrij binnenzwemmen, maar eenmaal achter een der "kleppen" sloot die zich onherroepelijk en kon hij alleen nog maar vooruit om, vervolgens door de tweede klep te zwemmen totdat hij tenslotte niet meer verder kon en gedwongen wachtte op zijn "bevrijding". Een bevrijding waaraan dan minder prettige gevolgen verbonden waren..... De twee vrienden keken belangstellend toe, hoe Hans de eerste fuik oplichtte, om te kijken of er wat in zat. De vangst viel erg tegen, want alleen helemaal achterin spartelde een klein palinkje, dat door Hans met een verachtelijk gebaar in het water werd gegooid. "Kom maar eens terug, als je wat groter bent," zei hij, "voorlopig is er voor jou nog geen plaats." Maar bij het ophalen van het tweede net keek hij meer tevreden, want daarin was het een gekronkel van jewelste door de vele palingen, waarbij een paar waren ter dikte van een pols. Met een hoera'tje werd het net ingehaald en Frans en Rob beijverden zich om Hans te helpen met het leegschudden in de bun. Toen alle netten waren geleegd en Hans ze zorgvuldig op hun oude plaats had bevestigd, was het een wriemelende massa in de bak en zat er ternauwernood genoeg water in om alle vis er onder te houden. "Gebeurt het nu nooit eens, dat een ander je voor is geweest met het ophalen van je fuiken?" vroeg Rob belangstellend. "Ja, dat zal wel eens voorkomen, denk ik," antwoordde Hans. "Er is een tijd geweest, dat ik er in een paar weken bijna niets uithaalde. Nu kan dat natuurlijk aan het weer liggen. De paling loopt het best bij broeierig weer, bijvoorbeeld tegen onweer. Hoewel je het natuurlijk nooit precies kan zeggen, kun je toch wel ongeveer bekijken, wanneer je de meeste kans hebt op een behoorlijke vangst. En als je dan in drie weken practisch niets thuisbrengt, wordt je wel wat wantrouwend. Maar de boel was altijd keurig weer opgehangen, en als er al iemand is geweest, die meende meer recht te hebben als wij, is het in elk geval een nette dief geweest. Vader heeft nog eens een paar nachten op de uitkijk gelegen, maar steeds zonder resultaat. We hebben zelfs al met zijn tweeën van 's avonds elf uur tot 's ochtends vier in de boot tussen het riet gelegen. We sliepen om beurten een uurtje onder een oude deken, maar hebben niets verdachts gezien. Toen hebben we het maar opgegeven en ik moet er bij zeggen dat we sindsdien ook nooit meer iets hebben gemerkt, al is de vangst dan de ene dag wel eens wat beter dan de andere. Maar vandaag is mijn dag, wat dat betreft, wel weer goed." Op de terugweg nam Rob eerst de riemen, maar dat viel hem toch niet mee. Wat roeide dat zwaar in zo'n logge visboot. Als hij dat hele stuk terug moest doen, leverde hem dat een stel blaren op, dat voelde hij nu al. Hij was dan ook blij dat Frans na een kwartiertje voorstelde het over te nemen, al hield hij zich groot en liet niets merken. Ook Frans moest behoorlijk zijn best doen, om de gang er een beetje in te houden. Hij had wel eens in een kano gezeten, maar dit was wel wat anders dan het gepeddel met zo'n rank dingetje. Hans had het geploeter van de beide knapen maar eens stilletjes lachend aangezien en na korte tijd verwisselden ze weer van plaats en trok hij op zijn gewone, rustige manier de boot door het water, alsof hij pas ingestapt en er niet al drie kwartier op had zitten. Het liep tegen zessen en er kwam al wat meer leven op het water. Een hengelaar zocht met zijn roeibootje een geschikt plaatsje en verder op het meer voer statig een sierlijk jacht voorbij, op weg naar een andere bestemming. In de jachthaven, waar ze van hier uit een leuk gezicht op hadden, heerste ook al weer bedrijvigheid. Toen ze een half uurtje later hun uitgangspunt weer naderden, kwam meneer Geurts hen al tegemoet. "Hé, wat doet vader vreemd," zei Hans. "Anders is hij meestal niet zo vroeg en dan verzorgt hij eerst de kippen en vaak ook de konijnen. Zou er iets aan de hand zijn? Hij loopt zo raar te draaien!" Ook oom Bert was naar buiten gekomen en samen stonden ze de jongens op te wachten, druk pratend, maar met een beetje bedrukte gezichten. "Is er iets aan de hand, vader?" riep Hans op een afstand. Zijn vader wachtte met antwoorden, tot ze aangelegd hadden en vroeg toen: "Zeg Hans, heb jij vanmorgen niets bijzonders gezien toen je wegging?" "Ik?" vroeg Hans verwonderd. "Wat zou ik gemerkt moeten hebben? Ik ben op de gewone tijd opgestaan en achter door de keuken naar buiten gegaan zoals altijd. En ik heb niets bijzonders gezien." "Nee, dat kan ook haast niet," moest zijn vader toegeven. "Maar zie je, er is vannacht ingebroken en er zijn verschillende dingen weg, waaronder moeders juwelenkistje. Daar zat wel niet zo veel in, maar naar het schijnt toch voldoende om het voor een dief aantrekkelijk te doen zijn. En dan is de cassette met het zilveren tafelbestek verdwenen." "Wat?" riep Hans verschrikt, "maar dat kan toch niet! Die cassette bewaarde moeder zorgvuldig in het dressoir en ik slaap vlak boven de kamer! Dan had ik toch iets moeten horen!" "Ja, dat dacht ik ook, maar dat blijkt dan toch niet het geval." "Dat begrijp ik niet," mompelde Hans, te verbouwereerd om meer te zeggen. "Nee," zei zijn vader schouderophalend, "ik snap er ook niet veel van. Trouwens, als je ziet, hoe ze de boel door elkaar hebben gesmeten, vraag ik me af, hoe ik er zelf doorheen heb kunnen slapen. We hebben wel gezond geslapen, maar dit is er het nadeel van. Maar kom maar mee, dan kunnen jullie zien, hoe ze huis gehouden hebben." In optocht, ook Dick en Tom waren nu te voorschijn gekomen, gingen ze naar binnen. Daar heerste inderdaad een onbeschrijfelijke verwarring. Ieder plaatsje, waar de inbrekers enig voorwerp van waarde verwachtten was doorzocht en alles wat niet kostbaar genoeg was om mee te nemen, was op de grond gesmeten. De laden van meneer Geurt's schrijfbureau waren alle opengetrokken en de inhoud lag door elkaar op het vloerkleed. Men had geen sloten behoeven te forceren, want er was niets afgesloten, om de eenvoudige reden, dat de familie een dergelijke brutaliteit nooit had verwacht. De heer en mevrouw Geurts sliepen aan de achterkant van het huis. Tussen hun slaapkamer en de huiskamer was een tamelijk lange gang, maar als er flink wat lawaai gemaakt werd, moesten ze er toch wel wakker van worden. Vanuit de gang leidde een trap naar boven, waar Hans een kamertje had. Hij sliep vlak boven de huiskamer en de zoldering bestond uit een enkele laag planken, zodat ook hij had moeten horen, wanneer er wat lawaai werd gemaakt. De dief moest een raam opengeschoven hebben, wat vrij gemakkelijk kon, waarna ze meteen in de kamer stonden. Een andere weg was haast niet denkbaar want de deur was niet geforceerd en achter langs was te riskant, daar ze dan de deur van de slaapkamer hadden moeten passeren. Een tijdlang stonden allen zwijgend te kijken naar de wanorde. Ook mevrouw Geurts, die in de keuken bezig was geweest, had zich bij hen gevoegd en stond er een beetje ontdaan bij te kijken. Ze was een flinke vrouw, die niet gauw van haar stuk gebracht was, maar dat vreemde indringers in haar zorgvuldig beheerde boeltje hadden gerommeld, maakte haar kennelijk wat overstuur. Oom Bert verbrak tenslotte de stilte. "Overal afblijven," zei hij. "Als de politie komt kunnen ze alles onderzoeken op vingerafdrukken, hoewel ik denk, dat de heren, gezien hun raffinement, wel met handschoenen gewerkt zullen hebben. Mist U ook nog geld, meneer Geurts?" "Nee, ze hadden gelukkig geen kans om dat te stelen, want ik heb nooit veel in huis," antwoordde die grimmig. Tien minuten later werd er gebeld en verschenen er twee politiemannen in de kamer. "Zo, dat is dan het tweede geval van deze morgen," zei een van hen, nadat hij de situatie vluchtig had overzien. "Wat zegt U me daar?" riep mevrouw Geurts onthutst uit. "Is er nog meer ingebroken vannacht?" "Ja, bij de notaris, en daar is de toestand precies als hier. Ook alles overhoop gehaald, dus blijkbaar is het het werk van dezelfde lui, want het zullen er wel meer geweest zijn dan een. Eén man kan dit nooit zo grondig doorzocht hebben, nota bene op twee plaatsen in een nacht," zei de man der wet. Zonder verder nog een woord te verspillen, toog hij aan zijn werk, terwijl de jongens maar stilletjes naar buiten gingen. Later moesten ze stuk voor stuk weer binnen komen om te worden verhoord, maar dat leverde natuurlijk niets op. De brigadier krabde zich na afloop eens bedenkelijk achter het oor, bromde in zich zelf "raadselachtige geschiedenis" en maakte dan weer aanstalten om op te stappen, terwijl zijn collega nog enkele aantekeningen maakte. Bij de deur draaide hij zich nog om en zei: "Ik moet U wel verzoeken, de boel voorlopig zo te laten liggen. Straks komt er een deskundige om te zoeken naar eventuele vingerafdrukken. Ik stel me van het resultaat wel niet veel voor, maar we zullen in elk geval doen, wat in ons vermogen ligt." Daarna vertrok hij, het gezelschap niet veel wijzer achterlatend, dan toen hij gekomen was. "Daar heb je ook niet veel aan op zo'n manier," zei Hans een beetje schamper, toen de beide mannen verdwenen waren. Maar zijn vader zei vergoelijkend: "Wat had jij dan gedacht jongen; dat ze de zaak in tien minuten opgelost hadden? Neen, als het zo eenvoudig was, zou er heel wat minder oneerlijkheid in de wereld zijn, dat kun je rustig aannemen." "Maar het gaat allemaal zo laks," vond Hans. "Nou, me dunkt dat ze er anders vlug genoeg bij waren." De jongens trokken maar weer naar buiten, maar de ware stemming was er toch niet. Ze vonden het allemaal een vervelende geschiedenis en putten zich uit in alle mogelijke veronderstellingen over de eventuele daders. "Wat is er eigenlijk op dat andere adres gestolen?" vroeg Frans, maar daar wist niemand antwoord op te geven. Hans had wel eens gehoord, dat de notarisvrouw erg veel juwelen en sieraden bezat en de notaris zelf was dol op antieke voorwerpen, dus er was daar voor de dieven wel iets van hun gading te vinden. "Maar als het er net zo'n rommel is als bij ons, zal de notaris zelf waarschijnlijk nog niet weten wat hij allemaal kwijt is," zei Hans, en dat geloofden de anderen ook wel. Hans was zelfs zo pessimistisch te veronderstellen dat de dieven wel ongestraft konden doorgaan met hun werk omdat ze toch niet gesnapt werden, maar Rob zei opbeurend: "Niet zo somber jóh, vandaag of morgen lopen ze toch wel een keertje tegen de lamp." "Ja, net zo als bij vorige gelegenheden zeker," zei Hans sarcastisch en daar viel niet veel tegen in te brengen. Dick had tot nu toe niet veel gezegd, maar er kwam een vermoeden in hem op, waarover hij niet durfde te spreken, zelfs niet met Tom, omdat hij vreesde te zullen worden uitgelachen. De gedachte was bij hem opgekomen, dat er best eens verband kon bestaan tussen de aankomst van "de Gelukszoeker" en de inbraken van die nacht. En hij was vast van plan, om te onderzoeken of dat vermoeden op waarheid berustte! HOOFDSTUK VIIIZonder veel animo ging de bemanning van de Lobbes tegen tienen op stap om kennis te maken met Dick Berendse. Alleen de kapitein was "thuis" gebleven en had verklaard liever een boek te lezen, dan op visite te gaan. Ze hadden het adres opgekregen van Hans en omdat er nu eenmaal over gesproken was, wilden ze niet terugkrabbelen. Al had Tom op het laatste ogenblik nog voorgesteld van het bezoek af te zien. "Als hij hetzelfde karakter heeft als zijn vader, voel ik er niet veel voor, een hele dag met hem op te trekken," zei hij. Maar daar kwam Dick tegen op. "Meneer Berendse is een fijne vent," zei hij, "en wie anders beweert, kent hem niet, zoals ik hem heb meegemaakt." "Nou, eet me maar niet op, ik ga wel met jullie mee," zei Tom sussend. "Maar je praat me toch niet uit het hoofd, dat de Bolle soms knap vervelend kan zijn." "Dat zal iedere leraar wel eens overkomen. Maar laten we afspreken, dat wij ook niet altijd lieverdjes zijn," kaatste Dick terug. "Sjonge jonge, wat worden we opeens braaf," spotte Tom. Dat liet Dick niet op zich zitten en het dreigde op ruzie uit te draaien. Gelukkig wist Frans het gevaar te bezweren door te zeggen: "Ja, gaan we nou, of gaan we niet. Ik vind het veel te warm, om je druk te maken en als jullie zo beginnen trek ik mijn kleren uit en duik het water in." "Natuurlijk gaan we," zei Tom een beetje onlogisch en daar schoten de anderen bij in de lach, omdat hij eerst het bezoek had af willen wimpelen en het nu deed voorkomen alsof ze het daar al lang over eens waren. En zo liepen ze dan broederlijk door het dorp als was er nog nooit een kwaad woord tussen hen gevallen. Het was niet moeilijk te vinden en tien minuten later stonden ze voor het huis waar, volgens Hans, Dick Berendse moest logeren. "Wat een knots van een huis," zei Frans bewonderend. "Zo wil ik ook buiten wonen!" De woning deed inderdaad deftig aan. Zij was niet zo groot, maar er voor lag een prachtige tuin en het hele geval zag er tot in de puntjes verzorgd uit. Een beetje aarzelend bleven de jongens voor het hek staan, waarachter een soort oprijlaan liep, die zich verderop splitste in tweeën. Een kant leidde naar het huis, terwijl de andere uitkwam bij een garage. En voor die garage stond een kleine auto, bij het zien waarvan Dick een beetje een kleur kreeg ondanks zijn zelfverzekerdheid. "Wat scheelt jou, dat je zo verschiet van kleur?" vroeg Rob. "Die wagen ken ik," zei Dick, alweer op zijn gemak. "Dat is de auto van meneer Berendse. Vooruit maar jongens, dan zien we tenminste een bekend gezicht!" En resoluut liep hij door naar de voordeur en drukte op de bel, die even later werd geopend door een jongen van hun eigen leeftijd. Hij had een bleek, verveeld gezicht met lange haren, die hem tot in zijn nek vielen. Hij was netjes gekleed, zo netjes, dat Dick het haast een beetje eng vond. En vooral het feit dat hij op een paar pantoffels liep, bezorgde Dick kippevel en deed hem bijna in de lach schieten. "Goede morgen," zei de jongen vormelijk, "wat kan ik voor U doen?" Niet bedacht op zo'n ontvangst, wist Dick zich zo snel geen houding te geven en zei, een beetje bedremmeld: "Mijn naam is Dick, ik kom voor de jongeheer Berendse, die hier logeert." De ander keek hem een beetje wantrouwend aan en nam hem van onder tot boven op. "Dat ben ik," zei hij toen, "maar ik heb niet het genoegen U te kennen." Dick voelde zich steeds onzekerder worden door het gedrag van de jongen. Wat had hij zich aangehaald met zijn spontane voornemen! Moest die knaap met zijn weke gezicht uitgenodigd worden voor een boottochtje? Hij kon hem zich maar moeilijk voorstellen aan boord van de Lobbes. Tot overmaat van ramp hoorde hij achter zich nu ook nog een onderdrukt gegrinnik. Verwenste knullen, terwijl hij in de penarie zat, stonden zij hem nog een beetje uit te lachen, inplaats van hem te helpen! "Ja eh, ja, zie je, ziet U," begon hij maar hakkelend, "ik wilde vragen of U, of je....." Wat hij wilde vragen, bleef hem verder gelukkig bespaard voor het ogenblik, want door de gang klonk nu een luide mannenstem: "Wat is er toch Dick, wie is daar!" En meteen kwam de forse gestalte van meneer Berendse naar boven. Bij het zien van de wachtende jongens riep hij verrast: "Nee maar, daar hebben we zowaar Dick van Gelder en zijn vrienden. Kom er in jongens, dat vind ik leuk! Dick, ik zal maar zeggen Dick de Tweede, dit zijn een paar van mijn leerlingen uit Amsterdam. Ik hoop, dat jullie goede vrienden zullen worden." Zijn zoon was het daar kennelijk niet erg mee eens. Hij gaf de jongens een slap handje en mompelde iets van: "Aangenaam." Meneer Berendse deed alsof hij van de weinig prettige houding van zijn zoon niets merkte en ging hen voor naar de huiskamer. Daar zat mevrouw Berendse in een gemakkelijke stoel wat te lezen. Bij het binnenkomen van de jongens stond ze echter direct op en kwam naar hen toe. Maar Dick was haar juist even voor en stapte naar haar toe terwijl hij met een hoogrode kleur zei: "Mevrouw, ik wilde U nog mijn verontschuldigingen aanbieden voor de lelijke woorden, die ik indertijd eens tegen U heb gezegd." "Wel," lachte mevrouw Berendse, "daar had je anders niet speciaal voor naar Nieuwkoop behoeven te komen. Maar gaan jullie zitten en neem een glas limonade, dan kunnen we beter praten." Weldra zaten ze achter een groot glas limonade en toen begon meneer Berendse weer: "Je ziet, we hebben het hele huis tot onze beschikking. Onze kennissen zijn zelf met vacantie en gedurende die tijd hebben wij hier onze intrek genomen. Maar vertel nu eens, hoe jullie hier verzeild raken." Nu vlotte het beter en kwamen de tongen een klein beetje los. Ze vertelden van de boot en hun kapitein en hoe ze tenslotte op de Nieuwkoopse plassen waren aangekomen. "En nu hadden we gedacht, dat Uw zoon het misschien wel leuk zou vinden om vanmiddag een stukje mee te varen," eindigde Dick. Hij vermeed angstvallig om diens voornaam te gebruiken. Eigenlijk had hij achteraf liever die vraag voor zich gehouden, maar hij kon toch moeilijk beweren, dat ze hier gekomen waren, om meneer Berendse goedendag te zeggen en zijn vrouw verontschuldigingen aan te bieden voor zijn weinig fraaie gedrag. Tenslotte had hij bij de voordeur al gevraagd naar hun zoon, dus hij kon nu kwalijk terug. Zijn naamgenoot had met een vervelend gezicht, hangende in zijn stoel, naar het verhaal geluisterd maar bij de laatste woorden ging hij een beetje rechtop zitten en keek met een bijna vies gezicht in het rond, alsof hij duidelijk wilde maken, dat het voor hem niets was. "Ja, hij moet natuurlijk graag willen," zei Tom, ziende dat het voorstel bij de uitgenodigde niet in goede aarde viel, en in de vage hoop, dat het niet door zou gaan. Maar Dick Berendse kreeg geen gelegenheid om te antwoorden, want zijn vader viel in: "Maar natuurlijk vindt hij dat erg leuk en hij zal er graag gebruik van maken. Als meneer van Gelder tenminste meegaat, want Dick is geen beste zwemmer en daarom zie ik hem toch liever onder het geleide van een volwassene." "Ja, oom Bert gaat zeker mee. Die zou het niet eens goed vinden, dat we zonder hem op stap gingen," zei Frans. "Wel, dat blijft dan afgesproken," zei meneer Berendse. "Je wilt toch graag, is het niet Dick?" "Ja paps," zei die gedwee, blijkbaar te beleefd om in bijzijn van de jongens te zeggen, dat hij er eigenlijk geen snars voor voelde en veel liever thuis bleef. "Goed, dan stel ik voor dat ik je om, laten we zeggen twee uur, even met de auto breng. Schikt dat? Dan kan ik meteen jullie boot ook eens even bewonderen." "Ja uitstekend meneer," zei Dick. En blij dat het bezoek afgelopen was, stonden ze op om afscheid te nemen van mevrouw Berendse. "Wat een droogpruim van een knul," zei Tom, zodra ze buiten het hek waren. "Ja, dat kan een leuk middagje worden," vond ook Frans. "Ik lach me nu al tranen," verkondigde Rob. "Als jullie je fatsoen maar weten te houden en geen grappen uithaalt, want dan draai ik er voor op," waarschuwde Dick. Hij kende zijn makkers goed genoeg om te weten, dat ze, als ze met die snuiter alleen waren, hem best de stuipen op het lijf durfden jagen. "We zullen ons best doen paps, en we vinden het erg leuk," zei Tom met een ernstig gezicht, maar Dick vertrouwde het nog niet erg en nam zich voor om een oogje in het zeil te houden, als dat nodig mocht blijken. Toen ze terugkwamen in huize Geurts, was mevrouw bezig de boel op te ruimen. Het bleek dat er buiten de cassette tafelzilver en het juwelenkistje, ook nog een zwaar gouden horloge was verdwenen, dat in een van de bureauladen had gelegen. Hoewel meneer Geurts het nooit gebruikte, was hij er toch erg aan gehecht, omdat het een erfstuk van zijn vader was. Het was hem aan te zien, dat hij zich danig op stond te winden, al trachtte hij zich zo goed mogelijk te beheersen. "Al die jaren heb ik het trouw bewaard, terwijl ik het toch heus voor een goede prijs had kunnen verkopen en nu komen er een paar van die gauwdieven, die het onder je handen vandaan stelen," mopperde hij. Het onderzoek van de deskundige had niet veel opgeleverd. Hij had wel enige vingerafdrukken gevonden, maar die waren waarschijnlijk van mevrouw Geurts en dus werd de kans op een oplossing van het raadsel nu wel erg klein. Nee, het was geen prettige ochtend, want hoe ze het ook probeerden te draaien, steeds kwam het gesprek via een omweg op de diefstallen en de ongelofelijke brutaliteit, waarmee deze waren gepleegd. De jongens waren dan ook blij, toen om precies twee uur het auto'tje van meneer Berendse voor de deur stopte en het tweetal vader en zoon, uitstapte. Ze hadden de Lobbes een extra goede beurt gegeven onder leiding van de kapitein en nu mocht het schip werkelijk gezien worden. Dick stelde zijn leraar en diens zoon voor aan oom Bert. Die nodigde ze aan boord en bood meneer Berendse zelfs een kop thee aan, wat hem een dankbare blik van zijn neef bezorgde. Maar meneer Berendse sloeg het aanbod af omdat hij, naar hij zei, nog een afspraak had voor die middag. Hij bekeek de boot en verdween toen direct weer. Toen hij weg was, zei de kapitein tegen hun gast: "Zo jongeman, maak het je gemakkelijk en doe je jas uit, dat past beter bij de omstandigheden." "Nee, laat ik dat liever niet doen meneer; het lijkt me op het water tamelijk fris en ik moet aan mijn gezondheid denken," antwoordde de jongeman. Dick voelde iets in zijn keel kriebelen, toen hij de afgemeten toon hoorde, waarop de knaap het zei. Het klonk een beetje potsierlijk uit de mond van een jongen van veertien jaar en ook zijn vrienden hadden moeite hun lachen in te houden. Wat een wonder, dat die snuiter ziekelijk was! Terwijl zij rondliepen in hun shorts en verder alleen een dunne blouse, liep hij met een vlinderdasje en daarboven nog een colbertje! Die had het stormpje op de Westeinder-plassen mee moeten maken, dat zou hem bepaald goed hebben gedaan! De kapitein keek hem eens even verbaasd aan en zei alleen maar: "Ook al goed." Vervolgens dook hij onder de motorkap, waarschijnlijk om zijn lachen te verbergen, zette de benzinekraan open en startte zonder veel omhaal. Toen de motor stond te draaien, vroeg hij over zijn schouder heen: "Had U nog speciale wensen omtrent het doel van de tocht jongeheer?" Daarmee trok hij natuurlijk in de kaart van de jongens en alleen Dick vroeg zich bezorgd af, waar dat naar toe moest. Als oom Bert nu zelf al begon aan het spelletje, waren de anderen straks helemaal niet meer te houden. Maar het viel allemaal erg mee. Oom Bert bleef zich gedragen alsof hij een gehuurde schipper was en de "jongeheer" scheen niet te voelen, dat hij danig in de maling werd genomen. Zodoende was de aardigheid er al gauw af en Dick haalde verlicht adem. Ten slotte voelde hij zich een beetje verantwoordelijk, omdat hij het was, van wie de uitnodiging was uitgegaan. Alles ging goed, totdat Tom voorstelde om wat te vissen. Er zou door de warmte wel niet veel gevangen worden, maar het was in ieder geval een tijdverdrijf. Rob pakte ook een hengel en sloeg handig een worm aan de haak, die ze regelmatig in voorraad hadden in een bak met aarde onder de bank. Dick Berendse keek met afschuw toe, hoe Tom zijn voorbeeld volgde en zei: "Bah, ik begrijp niet, hoe jelui dergelijke vulgaire dingen kunt doen. Ik vind het vuns en laag bij de grond." Maar Tom zei onverschillig: "Dat is dan erg vervelend voor je!" En met een brede zwaai gooide hij zijn snoer een eind van de boot in het water. Het warme weer bleek echter inderdaad weinig aanstekelijk te werken op de eetlust van de vissen. Ze hadden dan ook en half uurtje op hun dobbers zitten kijken, toen het hen begon te vervelen, omdat ze geen teken van leven zagen. Daarom vroeg Tom: "Ik heb in het visbakje een snoer met een lepel zien liggen, meneer van Gelder. Kunnen we niet een stukje opvaren door dat vaartje daar? Dan wil ik het eens proberen op de snoek." "Ik vind het best," zei die. "Maar je weet, voor eigen risico, hè?" "O ja best meneer," zei Tom onbezorgd en haalde zijn hengel binnen om de lepel ofwel het blinkertje te voorschijn te halen. Zo'n ding had inderdaad wel iets weg van een lepel, maar dan zonder steel. Het was bevestigd aan het snoer vlak boven de grote haak. Als men het achter zich aansleepte door het water, draaide het snel rond en gaf daardoor het effect van een zwemmend visje. De bedoeling was natuurlijk, dat de snoek, roofvis als hij is, op het ding af zou schieten en tegelijkertijd in de haak zou bijten. Het was dus feitelijk een vorm van stropen en mocht alleen worden gedaan met een speciale vergunning, die Tom niet in zijn bezit had en trouwens niemand van het gezelschap. De kapitein voer nu langzaam de brede sloot in, terwijl Tom het snoer liet vieren. Hij hing er bij over het gangboord, klaar om op te halen zodra daartoe aanleiding was. Het was een ogenschijnlijk leuk en onschuldig spelletje en dat zou het ook wel blijven, gezien de drukte op het water en de tijd van het jaar. De jongens zaten geïnteresseerd toe te kijken en zelfs Dick Berendse vergat zijn verwaande houding en keek naar het glinsterende stukje metaal, dat snel door het water wentelde. Zo waren ze een minuut of vijf langzaam doorgevaren, toen Tom tegen de gast zei: "Och hou even vast als je wil, ik moet even naar binnen." En voor Dick Berendse er op bedacht was, zat hij met het snoer in zijn handen. Maar hij vond het helemaal niet erg, want blufferig zei hij: "Ja, dat is leuk zeg! Maar nu zal ik jullie eens laten zien, hoe je het eigenlijk moet doen. Ik heb dat wel eens gezien van een geroutineerde visser. Kijk, zo," en meteen begon hij steeds korte rukken aan het dunne koord te geven, om het vervolgens weer te laten schieten. "Ik kan er eerlijk gezegd het nut niet van inzien," vond Frans. "Ik begrijp niet waartoe dat geruk moet dienen." "Wacht maar af, dadelijk spreek je wel anders," zei de ander op een toon van "weet jij veel". Verbaasd zaten de andere jongens toe te kijken naar het spelletje, toch nieuwsgierig of hij misschien gelijk zou hebben. Toen kwam Tom weer naar buiten en zei: "Zo, wil ik het maar weer van je overnemen?" "Nee, laat me nog even gaan, ik ben juist aan het demonstreren, hoe men dit werk eigenlijk behoort te doen," zei de jonge Berendse. Tom wees achter zijn rug met een veelzeggend gebaar naar zijn voorhoofd, maar deed er het zwijgen maar toe. Hij bleef nog even kijken, maar ging dan bij de kapitein staan, die achter het stuur zat op een speciaal daarvoor getimmerd krukje, dat door de jongens betiteld werd met de weidse naam "stuurstoel". Tenslotte verloren ook Rob, Frans en Dick hun belangstelling voor het gedoe met het vistuig en lieten Dick Berendse alleen, die stug doorzette. Zodoende had niemand in de gaten dat er achter hen een motorboot aankwam, waarvan de bestuurder al een tijdje had gekeken naar de verboden manier van vissen. Op een gegeven moment hoorden allen: "Stopt U eens even meneer, en legt U eens aan." Verschrikt keken ze naar de boot van de waterpolitie die niemand hier had verwacht. "Daar heb je het al, dat gaat geld kosten," zei de kapitein. Hij kon niet anders doen dan een plaatsje aan de wal zoeken, waar even later een politieman aan boord stapte, die zich tot Dick Berendse wendde met de vraag: "Heb je vergunning voor dat vistuig, jongeman?"
"Dat is nog al duidelijk, lijkt me," zei de ambtenaar rustig. "Ik bedoel een vergunning voor dat geval met die lepel, waar je nu al minstens vijf minuten mee aan het vissen bent." Had Dick een behoorlijk antwoord gegeven, dan was de zaak misschien met een sisser afgelopen, maar hij bedierf de boel totaal door te zeggen: "Nee, en wat zou dat dan?" Toen maakte de politieambtenaar korte metten en antwoordde: "Dat zou zo veel, dat ik je moet bekeuren." En tot oom Bert: "Is dit Uw zoon meneer? Dan kost hij U geld. U weet waarschijnlijk ook wel, dat het verboden is op deze wijze te vissen?" "Ja" gaf oom Bert eerlijk toe. "Maar mijn zoon is het niet en juist daarom zou ik het zo vervelend vinden als U proces-verbaal opmaakte." Maar de man was nu niet meer te vermurwen en zei: "Hij schijnt het zelf anders niet zo erg te vinden, gezien zijn houding en daarom wilde ik graag even de naam noteren." Nu pas scheen Dick Berendse in te zien, dat het ernst was en hij zei: "Ja maar dat ding is niet van mij en trouwens, hij heeft er de langste tijd mee gevist." Dit zeggend wees hij op Tom. "Niets mee te maken, dat heb ik niet geconstateerd, maar dat van jou wel," zei de man en hoe de onfortuinlijke Dick ook tegenspartelde, hij ging op de bon en het ding werd in beslag genomen. De aardigheid van boottochtje was er nu wel helemaal af en toen de politie weer van boord was gestapt besloot de kapitein dan ook meteen te draaien en terug te gaan. Er werd niet veel meer gesproken onderweg, maar stilzwijgend waren allen het er over eens, dat meneer Berendse een fijne vent mocht wezen, maar dat zijn zoon dan toch beslist niet naar hem aarde. Dat hij zich had trachten schoon te wassen door de schuld op Tom te gooien had wel de deur dicht gedaan. HOOFDSTUK IXStil lag de avond over de Nieuwkoopse plassen. Alleen een enkele late motorboot kruiste nog over het meer, maar verder was alles in diepe rust verzonken. Vredig lag de Lobbes in het heldere maanlicht op zijn plaatsje, terwijl de bemanning een gezond gesnurk voortbracht. Alleen Dick kon de slaap niet vatten deze avond. Om half tien waren ze naar bed gegaan en nu had hij juist een torenklok elf uur horen slaan, maar hij had nog geen oog dicht gedaan. Om te beginnen waren het de muggen, die hem plaagden en die het schijnbaar allemaal op hem hadden voorzien. Het wemelde! Juist als hij er weer een had weggejaagd van zijn oor, streek er een op zijn neus neer en als die verdreven was, vielen er twee tegelijk op zijn voorhoofd aan. Ten einde raad was hij al een tijdlang onder de deken gekropen, maar dat was niet te harden van de hitte. Dan maar liever muggen, die kon hij tenminste nog wegjagen, als ze al te lastig werden. Maar eindelijk had hij het maar opgegeven en zich overgeleverd aan de grillen van het zoemende gedierte om hem heen. Slechts als er eentje al te fel ging steken, gaf hij weer een vinnige mep, meestal net te laat, want aldoor als zijn hand neerkwam, vloog de mug juist op met zijn irriterend zoemen. Dan waren er de gedachten, die door zijn hoofd woelden. Daar was in de eerste plaats de onplezierige middag. Hij wist nu werkelijk niet meer, hoe hij zich moest gedragen tegenover meneer Berendse, want diens zoon zou wel niet nagelaten hebben het hele verhaal te vertellen. En stellig had hij de jongens niet in een gunstig daglicht gezet. Enfin, hij kon het ook niet helpen. Na de vacantie zou hij wel weer zien en dat duurde gelukkig nog een hele tijd. En dan was er nog het geval met die twee kerels in hun zeilboot. Als hij nuchter redeneerde, kon Dick geen enkele reden vinden om ze ergens van te verdenken, maar steeds weer speelde toch de gedachte weer door zijn hoofd, dat het geen zuivere koffie was met die lui. Het was in elk geval wel toevallig dat de diefstallen weer waren begonnen juist op de dag, dat zij hier waren aangekomen, al bewees het natuurlijk niets. Toen hij zo ver was met zijn gedachten, stak plotseling een mug hem venijnig in zijn onderarm. Onbeheerst schoot zijn hand uit om het beest een fikse tik te geven, maar hij had kennelijk niet goed gemikt, want Tom, die naast hem lag, riep: "Au, wat moet dat!" "Sorry," fluisterde Dick, "ik moet niks, maar die mug blijkbaar wel, want die stak me gemeen." "Nou," bromde Tom, terwijl hij zich weer omdraaide, "van een mug heb ik anders niets gemerkt; wel van die klap, want die was op mijn hoofd." "Ik kan niet in slaap komen," begon Dick weer, "jij wel?" "Dat schikt nog al," zei Tom met een geeuw. "Als ik jou was, zou ik mijn ogen dicht doen en tot duizend tellen. Mijn tante zegt altijd, dat je voor die tijd wel afgezakt bent. Ik heb het nooit gedaan, maar probeer jij het eens, dan hoor ik morgen wel of het waar is." En met die woorden draaide hij zich voor de tweede keer om, vastbesloten zijn onderbroken slaap voort te zetten. Dick volgde zuchtend zijn voorbeeld en gedurende vijf minuten was het stil. Maar blijkbaar wilde het met Tom nu ook niet meer vlotten, want toen begon hij zelf weer: "Wat heb je, dat je niet kunt slapen?" "Die twee kerels zitten me dwars," fluisterde Dick. "Wat, nu nog?" vroeg Tom verbaasd. "Heb je ze dan weer gezien soms?" "Nee, dat niet," zei Dick. "Maar ik verwed er mijn laatste cent onder, dat het niet safe zit met die lui." "Wel, ga dan nu eens kijken, je schijnt toch niet beter te doen te hebben," poogde Tom grappig te zijn. Maar tot zijn verwondering antwoordde Dick: "Als je met me mee gaat, stap ik direct op." "Wat, nu?" vroeg Tom. "Man het is nu stikdonker en wat zal je oom wel zeggen, als hij merkt, dat we weg zijn?" "O, die hoeft niets te merken. En wat dat licht betreft, dat valt wel mee, want het is volle maan." Tom moest het even verwerken en een tijdlang zwegen ze beide. Dan zei hij: "Maar wat wil je dan, als die kerels aan boord slapen?" "Dat zien we dan wel weer. Als we niet ongemerkt binnen kunnen komen, gaan we gewoon terug en is er nog niets aan de hand." Weer was het een poosje stil. Tom was nu ook klaar wakker geworden en begreep wel, dat er van slapen voorlopig niet veel meer zou komen. In zijn hart voelde hij wel voor het avontuur, maar hij zag niet in, wat het op zou kunnen leveren in het donker. Een zaklantaarn hadden ze niet en het zou onmogelijk zijn om in het maanlicht onder die achterbank de letters te vinden, die de kapitein er in had gekrast. En wat moesten ze zeggen, als ze gesnapt werden? Alle kans, dat ze nog op het politiebureau terecht kwamen wegens poging tot inbraak. Als ze met dat verhaal van die gestolen boot aankwamen, zouden ze toch niet geloofd worden en was Leiden in last. Maar toch...... "Ik ga mee," zei hij plotseling en onmiddellijk kroop hij overeind om zijn kleren te zoeken. Ook Dick stond op en in het licht, dat door het kleine raampje viel, kleedden ze zich snel en geruisloos aan. Tot elke prijs moesten ze voorkomen, dat de kapitein wakker werd, want dan zou hun onderneming al afgelopen zijn, nog eer hij was begonnen. Al was de kapitein sportief genoeg; tegen hun nachtelijke wandeling zou hij toch wel enige bezwaren aanvoeren, vooral wanneer hij hoorde, waar ze naar toe gingen. Binnen enkele minuten hadden ze de weinige kleren aan, die ze nodig hadden en nu was het zaak, ongemerkt naar buiten te komen. De belangrijkste hindernis bestond uit Frans, waar ze overheen moesten stappen. Dick ging als eerste en kwam ongehinderd weg. Maar Tom bleef met zijn schoen achter een deken haken en trok die helemaal opzij. Gespannen bleven de jongens staan. Zou Frans iets gemerkt hebben? Nee, hij draaide zich eens om, knarste op zijn tanden en zette zijn gesnurk weer voort. Twee minuten later stonden ze op de kant en haalden verlicht adem. Rechts langs het huis," fluisterde Tom. "Aan de andere kant slaapt de familie Geurts." Op hun tenen slopen ze als Indianen door de tuin en bereikten ongezien de weg. Dicht langs de huizenkant liepen ze voor de tweede keer die dag het dorp in. Alles leek uitgestorven; er was geen levende ziel te bekennen. "Brr," zei Tom zacht, "stel je voor, dat je nu die kerels tegenkomt, die hier de laatste tijd de boel onveilig maken. Ik denk....." Hij maakte zijn zin niet af, want op dat ogenblik greep Dick hem bij de arm en fluisterde opgewonden: "Kijk daar, nu is hij weg, nee toch niet, daar de boerderij, een man!" Hij wees naar een boerenhofstede, een klein stukje van de straatweg, maar hoe Tom ook zijn ogen inspande, hij kon niets verdachts ontdekken. En ook Dick zag nu niets meer. Tom was de eerste, die weer sprak: "Je zult het je verbeeld hebben," zei hij. "Kom mee, dan gaan we door." Nog maar half overtuigd liet Dick zich bij de arm meetrekken, nog enige keren omkijkend naar het huis, alvorens zich weer naast zijn makker verder begevend. "Beng," zei de torenklok. "Half twaalf," zei Tom. "Laten we voortmaken." Waarom ze voort moesten maken, begreep hij zelf niet, maar de stilte benauwde hem een beetje. Weldra waren ze bij de jachthaven, waar blijkbaar alle schepen binnen waren, want het lag er tjokvol. "Weet jij nog, waar die boot ligt?" vroeg Tom. "Ja, ik heb er goed op gelet en kan er zo naar toe lopen," antwoordde Dick. Hij ging voorop over verschillende steigers en werkelijk zagen ze in het maanlicht de bewuste schuit liggen. Er scheen niemand aanwezig te zijn, maar toch keken de beide vrienden elkaar eens een beetje onzeker aan. Allebei speelden ze met de gedachte om terug te gaan, maar geen van beide wilde zich laten kennen. Dick voelde zich ook niet prettig. Maar ze waren nu al zo ver gekomen, dat hij beslist door wilde zetten. Als ze nu hun onderzoek opgaven, zou hij zich morgen wel voor zijn hoofd kunnen slaan. Nee, hij moest en zou in die vermaledijde boot kijken, al begreep hij op dit ogenblik helemaal niet meer, waarom hij er aan was begonnen. Maar terug gaan? Dat nooit! En uiterst voorzichtig begon hij het zeil, dat over het achterschip was gespannen, los te peuteren. Ook Tom vatte nu weer moed en ingespannen werkten ze om het solide gesloten geval open te krijgen. Het maakte een beetje lawaai, doordat het schip licht begon te deinen onder de druk van de beide jongenslichamen, en ze hielden hun hart vast bij de gedachte, dat hun aanwezigheid opgemerkt zou worden. Maar na wat hun een eindeloze tijd toescheen, kon Tom toch behendig onder het opgeslagen zeil doorkruipen en onderzocht of de klep van de achterbank open was. Een zucht van teleurstelling ontsnapte hem toen hij het kleine hangslot zag, waarmee het ding was afgesloten. "Voor niets geweest," zei hij gedempt, "het ding zit op slot." Doch nu was Dick's wantrouwen pas goed opgewekt. Wie sloot er nu de achterbank van een zeilboot af, als daarin niets te verbergen was? Nee, dit was beslist geen zuivere koffie! Eens even kijken, of hij de schroeven niet los kon draaien. De gedachte en de daad waren een. Hij pakte zijn zakmes en begon onmiddellijk pogingen aan te wenden, de koperen schroeven, waarmee het slot was bevestigd, los te werken. Oef, dat viel niet mee! Het was bepaald stevig hout, waarvan die boot gemaakt was. Minutenlang zwoegde en wrikte hij en hij voelde, hoe hij langzaam won. Het stalen zakmes, dat hij voor zijn laatste verjaardag had gekregen, bewees nu goede diensten. Twee van de vier schroeven had hij al losgewurmd. Nog even doorzetten en ze zouden zekerheid hebben of hun werk resultaat had. Met een lichte klik schoot even later de klep omhoog en grepen twee paar handen tegelijk het hout. Bijna hadden ze hem weer uit hun handen laten vallen, zo stom verbaasd waren ze over hetgeen ze zagen. In het gele licht van de maan ontwaarden ze allerlei waardevolle dingen. Bovenop lag een cassette tafelzilver en dan zagen ze bij de eerste oogopslag nog een antieke klok, waarvan ze wel niet direct de waarde konden taxeren, maar die hen toch erg kostbaar leek. Dan stond er een doos in zonder deksel en daarin kon Dick enige horloges onderscheiden en verschillende juwelen, die achteloos door elkaar waren geworpen. "Dat is de buit van de inbrekers," fluisterde Tom, toen ze een beetje over de eerst verwarrende indrukken waren heengekomen. "Ja," zei Dick, "wat doen we nu?" Maar Tom kreeg geen gelegenheid meer om zijn mening te zeggen, want voor hij iets uit kon brengen, viel er iet boven op hem, en werd hem een hand voor de mond gehouden. Zo verdiept waren ze geweest in hun werk, dat ze totaal geen oog meer hadden voor hun omgeving. Daardoor hadden ze ook niet opgemerkt, dat de twee kerels over de steigers waren genaderd. Even was er een heftige worsteling in de boot, maar overrompeld als ze waren duurde het verzet van de beide jongens niet lang. Dick was besprongen door de andere inbreker en weinige seconden later lagen ze gebonden op de grond, en moesten ze machteloos toezien, hoe vervolgens de jongste van het tweetal zwijgend en snel de boot losmaakte en hem van de steiger wegduwde. Schreeuwen konden de beide jongens niet want er was hen een flinke prop in de mond gestopt, zodat ze gedwongen wachtten, wat de kerels met hen in de zin hadden. Bijna onhoorbaar peddelden ze het haventje uit en toen ze ver genoeg in open water waren, om niet meer gehoord te worden op de wal, gaf de oudste, de man met de baard en zijn vuile pet, kortaf het bevel: "Starten!" De jongste van de twee kerels wilde snel de opdracht uitvoeren en slingerde enige keren krachtig aan de buitenboordmotor. Toen het ding niet verder kwam dan een kort gesputter, vloekte hij binnensmonds en zei dan met een benepen gezicht tegen zijn makker: "Hij doet het niet." "Zie je wel," viel die uit. "Ik heb je nog zo gezegd, voor we op stap gingen, er een nieuwe op te laten zetten, maar jij was natuurlijk weer eens eigenwijs. Nu zitten we met de ellende." "Maar hij heeft het toch steeds goed gedaan," zei de ander verontschuldigend. "Ja maar juist nu hij het móét doen, vertikt hij het. Hier, neem jij het roer, dan zal ik het proberen met dat beroerde ding." Maar ook de oudste was niet in staat om de boot op gang te krijgen en na een tijd te hebben gemodderd, gaf hij het op. Hij maakte zijn collega de heftigste verwijten, die deze schokschouderend in ontvangst nam. "Het is allemaal de schuld van die verwenste knullen," zei hij. "Als die niet zo bemoeiziek waren geweest, was er niets aan de hand geweest en hadden we rustig de boel op kunnen bergen." In zijn woede gaf hij Dick een venijnige schop tegen het dijbeen, alsof daar de zaak beter mee werd. Die gaf echter geen kik. Trouwens, al had hij dat willen doen, zou het toch niet gekund hebben, want hij lag stevig vastgesnoerd. Maar zijn hersens werkten koortsachtig! Hoe kwamen ze hier uit? Hij begreep, dat hun toestand allesbehalve rooskleurig was. Als die twee kerels het in hun hoofd kregen, om hen overboord te gooien, kraaide er geen haan naar en zou het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven hoe zij, Tom en hij, verdronken waren. De gedachte alleen al bezorgde hem kippevel! En hij achtte ze er zeker niet te goed voor, vooral de jongste niet, die het vermoedelijk in wreedheid verre van zijn makker won. In het halfduister kon hij duidelijk de gemene tronie zien, waaruit een paar stekende ogen hem weinig vriendelijk opnamen. De oudste boezemde iets meer vertrouwen in, hoewel ook van hem onder deze omstandigheden weinig goeds te verwachten viel. Hij leek meer een aan lager wal geraakt type van behoorlijke afkomst, terwijl de jongste, die hij Wil hoorde noemen, wel een geboren misdadiger scheen te zijn. Nog een geluk dat die ander de baas leek te zijn! Hij moest er niet aan denken wat hen te wachten stond, als ze overgeleverd waren aan de willekeur van Wil! Hij voelde nog een stekende pijn in zijn bovenbeen, waar de schop was aangekomen. Jammer dat hij niet eens even buiten boord kon kijken om te zien, hoe ver ze nu uit de kant waren. Hoe diep zou het hier zijn op de plassen? Toch gauw een meter of tien, schatte Dick. Als hij nu eens kans zag zich los te werken en overboord te springen? Die boeven zouden toch niet de hele nacht met zijn tweeën zo waakzaam blijven! Hij probeerde heel voorzichtig of er niet wat speling in het touw zat en warempel, het gaf een heel klein stukje mee; al zou hij heus niet zo een, twee, drie los zijn. Voorlopig maar even wachten, zo lang ze met hun tweeën zo dicht in de buurt waren, had hij toch geen schijn van kans ongemerkt iets te ondernemen. De twee dieven stonden intussen te debatteren over de vraag, wat hen te doen stond, maar konden het blijkbaar nog niet eens worden. "Wat doen we met dat stel, Sjaak?" vroeg Wil. "Zullen we maar niet liever schoon schip maken en ze meteen het water insmijten, dan kunnen we rustig terugkeren en lopen we het minste risico!" Maar Sjaak ging niet op zijn voorstel in en besliste: "We zullen eerst eens zien, hoe ver we komen met de peddels. Tegen dat het dag wordt, leggen we die jongens binnen, we zoeken een rustig plekje op en kijken daar de motor op ons gemak na. Als dat in orde is, zien we wel weer verder. We kunnen ze nog altijd op een stil plaatsje neerleggen, waar ze voorlopig niet ontdekt worden en tegen dat ze gevonden zijn, zorgen we dan wel dat we de grens over zijn. Met wat we opgehaald hebben, kunnen we in elk geval een paar maanden vooruit. Hoeveel was het eigenlijk precies?" "Ik denk ongeveer zesduizend contant en dan nog die juwelen en andere sieraden." "Voorlopig genoeg Wil," zei Sjaak voldaan. "Dan ga ik nu eerste een uurtje maffen, want daar zal verder de eerste tijd wel geen gelegenheid meer voor zijn. Wek me maar tegen half twee en probeer in die tijd op een afgelegen plaats te komen. Maar hou wel die twee in de gaten." "Mooi klusje," bromde de ander. "Dat laatste zal nog wel gaan, maar voor roeien ben ik veel te fijn gebouwd." "Je moet wat voor de goede zaak over hebben, boy," troostte zijn makker. "Tenslotte is het ook een beetje je eigen schuld, want als jij gezorgd had, dat de boel in orde was, had je nu niet hoeven werken! Nu, sterkte en tot straks." En na die woorden ging hij het roefje binnen om een uiltje te knappen terwijl Wil, onder het slaken van enige ijselijke verwensingen binnensmonds, aan de hem opgedragen taak begon. Tot geluk van de jongens moest hij daarvoor zo gaan zitten, dat hij niet voortdurend naar hen kon kijken, iets waar hij ook blijkbaar niet de minste behoefte aan had, want hij deed totaal geen enkele moeite de situatie te veranderen. Kennelijk was hij in de veronderstelling, dat de twee vrienden volkomen weerloos waren en daarmee hadden ze zijn belangstelling verloren. Trouwens, waar zouden ze naar toe moeten, als ze al los wisten te komen? Maar dan had hij toch gerekend buiten het doorzettingsvermogen van Dick, want die begon meteen aan zijn pogingen om los te komen en hij was er stellig van overtuigd, dat hem dat gelukken zou, als die vent hem maar niet ontijdig in de gaten zou krijgen. In de haast om weg te komen hadden de inbrekers de knoop zo gelegd, dat de jongens voor het ogenblik onschadelijk zouden zijn, maar nu Dick wat steviger begon te wrikken voelde hij, dat hij won. Hij probeerde zijn hand door de lust te werken, iets wat hem wel pijn deed, doordat het dunne koord hem in de handen striemde, maar dat telde nu niet. Het zweet stond hem van inspanning op het voorhoofd, maar hij zette door, wetende dat dit hun enige kans was voorlopig. Koortsachtig, maar geluidloos werkte hij. Ha, het touw zat nu voor zijn knokkels! Nog een laatste krachtsinspanning en het eerste deel van zijn plan was geslaagd. Dan schoot het touw over zijn hand heen en door de schok maakte hij enig geluid. De dief keek echter alleen achteloos om en zei ruw: "Hé, een beetje rustig daar en niet zo woelen, of ik kom nog even bij je!" Roerloos wachtte Dick af of hij inderdaad zou komen kijken, zijn handen angstvallig achter zijn rug houdende. Maar de man wijdde weer zijn aandacht aan zijn onvrijwillig karweitje en scheen verder geen argwaan te koesteren. Nu haalde Dick behoedzaam zijn zakmes uit zijn broekzak. Tom bevrijden zou weinig zin hebben, want ofschoon die behoorlijk kon zwemmen, zou de afstand naar de oever waarschijnlijk te groot voor worden. Hoewel Dick geen flauw idee had waar ze waren, veronderstelde hij toch wel, dat ze ergens midden op het meer moesten zijn. En met zijn tweeën zouden ze letterlijk van de wal in de sloot geraken! Voorzichtig trok Dick zijn benen wat omhoog en een ogenblik later flitste het vlijmscherpe zakmes door het touw. Hij was los! Bliksemsnel schoot hij overeind, zich geen tijd gunnende zijn pijnlijke ledematen te wrijven, en dook overboord. Zijn bewaker wist van verbazing niet zo gauw, wat er gebeurde en eer hij tot bezinning was gekomen had Dick een voorsprong genomen van twintig meter. Door de deining was nu ook de oudste van de twee mannen wakker geworden en kwam stommelend naar achteren. Dick kon nog horen hoe hij zijn makker hevig scheldend zijn nalatigheid verweet en dan hoorde hij schreeuwen: "Kom terug jóh, dat red je nooit!" Maar hij gaf geen antwoord en zwom snel verder. Zijn enige angst was nu nog, dat ze hem na zouden springen en dan zou hij het vermoedelijk verliezen omdat zijn weinige kleren toch een geduchte hinder veroorzaakten, vooral zijn schoenen. Maar de twee schenen niet zulke helden te zijn in het water en toen Dick zich op veilige afstand waande, begon hij op zijn gemak zijn schoenen los te peuteren, die hij prijs gaf aan de Nieuwkoopse plassen. Zo, nu eens even kijken welke richting hij uit moest en dan maar kalmpjes aan doen, om zich niet te veel te vermoeien. Ha, in de verte zag hij een paar lichtjes branden! Dat moest de straatverlichting zijn van Nieuwkoop, want van die kant waren ze gekomen, als hij het goed had. Vol goede moed zwom hij die kant uit, dan weer eens crawlend en als hem dat te veel vermoeide, weer een tijdje op zijn rug drijvend. Als de omstandigheden niet zo onaangenaam waren, zou hij warempel plezier gehad hebben in zo'n zwempartij. Maar hij moest er aan denken, dat Tom zich nog steeds in handen van die misdadigers bevond en hoe vlugger hij de politie waarschuwde, des te eerder zou ook Tom bevrijd zijn. De temperatuur van het water was heerlijk door de langdurige periode van warmte, die achter hen lag. Slechts af en toe voelde hij een koude stroming en dan beving hem even de angst, dat hij kramp zou krijgen en het op zou moeten geven. Maar dat duurde nooit lang. De gedachte aan de taak die hij op zich had genomen, namelijk de dieven in handen van de politie te spelen, gaf hem steeds weer de kracht om met ferme slagen door te zwemmen. Daarna liet hij zich maar weer een poosje drijven, om even uit te rusten van de inspanning. En zo stapte twee uur later, het liep tegen half vier, een dodelijk vermoeide jongen op blote voeten en druipend van het water op een boerenerf aan land, een paar huizen van de familie Geurts. HOOFDSTUK XDe overige bemanningsleden van de Lobbes verkeerden intussen in de grootste onrust. De kapitein was tegen twaalf uur wakker geworden en even naar achteren gegaan. Tot zijn verwondering had hij de plaatsen van Dick en Tom leeg gevonden, maar aanvankelijk maakte hij zich daar nog geen zorgen over. Dat stel had waarschijnlijk niet kunnen slapen door de warmte en de muggen en maakte nu een wandeling. Hij nam zich voor om ze op te wachten en ze dan een flinke uitbrander te geven. Die spelletjes moesten ze niet doen, zonder hem er eerst in gekend te hebben. Op zijn gemak ging hij op een krukje zitten en genoot in stilte van de prachtige nacht en de bijna hoorbare stilte. Maar de tijd verstreek en er kwam niemand opdagen. Tegen half een werd het hem te erg en stapte hij op de wal, om de omgeving te verkennen, zich langzamerhand stevig opwindend over de onbezorgdheid van die twee knapen. Die konden er van lusten, alvorens ze weer naar hun bedden gestuurd werden! Hij liep langs het huis de weg op een paar honderd meter het dorp uit en toen weer terug naar de boot, om te kijken of ze inmiddels terug gekomen waren. Vervolgens de andere kant op, het dorp in, maar natuurlijk was er geen spoor van de jongens en onverrichterzake keerde hij terug. Ten einde raad betrok hij zijn wachtpost, zich langzamerhand toch een beetje ongerust makend. Om half twee zat hij er nog, maar toen zijn horloge twee uur wees, begreep hij, dat er iets aan de hand moest zijn. Dick en Tom mochten dan soms een beetje zorgeloos zijn, ze zouden iemand niet opzettelijk in angst laten zitten, daar kende de kapitein ze langzamerhand te goed voor. Hij schudde Rob en Frans wakker, die hem eerst verdwaasd en niet begrijpend aankeken. "Kom er uit," zei oom Bert kortaf, "we moeten Dick en Tom zoeken." En hij vertelde bondig hoe hij vanaf twaalf uur had gewacht op de beide jongens. "Wat!" riep Frans verschrikt uit, ineens klaar wakker, "maar waar zijn ze dan?" "Als ik dat wist, had ik jullie niet hoeven te wekken, dan had ik het alleen wel kunnen klaren," zei oom Bert grimmig. "Kom, kleed je aan, we moeten ze zien te vinden. Ieder gaat op eigen gelegenheid, elk in een andere richting, maar we zorgen dat we om klokslag drie uur hier weer terug zijn. Begrepen?" De beide jongens haastten zich aan het bevel te voldoen en even later zwierven ze ieder een kant uit, op speurtocht naar hun verdwenen makkers. Maar het was zoeken naar een naald in een hooiberg en om drie uur vonden ze elkaar dan ook moedeloos terug bij het uitgangspunt op het erf van de familie Geurts. Rob sprak als eerste de gedachte uit, die hen alle drie als een spookbeeld door het hoofd zweefde. "Als ze maar niet zijn gaan zwemmen," zei hij. "In het donker verlies je zo gauw het gevoel voor afstand." Maar hoewel hij die mogelijkheid ook al onder ogen had gezien, zei oom Bert: "Dat lijkt me vreemd, want hun kleren zijn ook weg. Maar sufferds die we zijn! Kijk eens gauw of hun zwembroeken er nog liggen!" Ze slaakten een zucht van verlichting toen Frans bijna triomfantelijk met de beide voorwerpen aan kwam dragen en Rob zei: "Gelukkig, dat weten we in ieder geval. Maar waar zitten ze dan wel?" "Ja, ik weet het ook niet meer," zuchtte oom Bert. "Maar dat die twee weer wat uitgehaald hebben, staat wel vast. We zullen het nog even aanzien, dan zal ik de politie moeten waarschuwen." Zwijgend zaten ze in het gras te wachten, ieder in eigen gedachten verdiept. En dan riep Rob opeens: "Ik hoor wat op het pad!" Als op een afgesproken teken sprongen ze tegelijk overeind en holden in de richting van het huis. Daar kwam Dick aansjokken, nog steeds een spoor achterlatend van het water, dat uit zijn kleren droop. Hij had eerst naar de politie willen gaan, maar toen hij zag, dat hij zo dicht in de buurt van de boot terecht was gekomen, had hij daar maar van af gezien. De afstand die hij had moeten zwemmen, was hem toch danig tegengevallen, vooral omdat zijn kleren hem op de duur waren gaan hinderen. Maar nu was hij dan toch veilig en was het zaak eerst voor Tom te zorgen en de politie te waarschuwen. Daarom wimpelde hij alle vragen af en vertelde zo kort mogelijk en nog een beetje hijgend wat er was gebeurd en in welke hachelijke omstandigheden Tom verkeerde. De kapitein liet hem rustig uitspreken. Toen Dick klaar was met zijn verhaal, had hij zijn besluit al genomen. "Jij kleed je uit en gaat nog een uurtje naar bed," zei hij. "Als je erge slaap hebt, laat je je maar gaan, maar probeer liever wakker te blijven. Ik ga nu direct naar het politiebureau en ik denk wel, dat ze je spoedig nodig zullen hebben." Vervolgens stuurde hij de drie jongens aan boord en zelf belde hij de familie Geurts wakker om een rijwiel te vragen, waarbij hij in enkele woorden vertelde, wat er gebeurd was en hoe Dick en Tom de dieven opgespoord hadden. Weinige ogenblikken later stapte hij op de fiets van Hans en sprintte naar het dorp, om de politie op de hoogte te stellen. Mevrouw Geurts had zich direct aangekleed en Dick kreeg geen gelegenheid naar zijn bed te gaan, iets waaraan hij trouwens ook niet de minste behoefte had ondanks zijn vermoeidheid. De jongens werden naar binnen gehaald en daar zette mevrouw een vers kop koffie voor hen "om de slaap uit de ogen te houden", zoals ze zei. Genietend slurpten ze aan hun koppen, waarvan vooral Dick gaandeweg een stuk opknapte, en weldra was hij in staat om een uitvoerig verslag te geven van het gebeurde, waarbij iedereen aan zijn lippen hing. "Zo jongen, dat is een knap stukje speurwerk geweest," zei meneer Geurts, toen ieders nieuwsgierigheid was bevredigd. "Ik hoop nu maar, dat ze die kerels gauw te pakken hebben en dat jullie vriend weer ongedeerd terug komt bij ons." Ja, iedereen voelde wel, dat er nog geen aanleiding was om te juichen, al was het raadsel van de diefstallen dan ook opgelost. De inbrekers zouden zich bepaald niet vrijwillig aanmelden en wat zou er in die tijd met Tom gebeuren? Het verdroot vooral de jongens, dat ze hier maar lijdelijk af moesten wachten, wat dat nobele tweetal nog meer in de zin had en ze zouden er zo wel op eigen gelegenheid achteraan willen gaan. "Als ik die lui hier voor me had," zei Hans kwaad, "dan, dan wist ik nog niet, wat ik zou doen." Hij zat zich hevig op te winden en daarom zei zijn vader kalmerend: "Het enige wat we op het ogenblik kunnen doen, is rustig afwachten. De zaak is nu in elk geval in betrouwbare handen en je kunt heus aannemen, dat er direct werk van gemaakt wordt, daar zorgt meneer van Gelder wel voor." "Heb je nog ontdekt of het inderdaad de boot van oom Bert was?" vroeg Frans aan zijn broer, maar daarvoor had Dick alle belangstelling verloren; trouwens hij had ook niet de kans gehad, om daar naar te kijken. Het was inmiddels klaarlichte dag geworden, al was het dan nog tamelijk vroeg en geen der knapen voelde er voor om nog naar bed te gaan, omdat ze toch niet meer zouden slapen. Daarom bleven ze nog maar wat praten in afwachting van de dingen, die er verder zouden gebeuren. Lang behoefden ze niet meer te wachten, want een half uur nadat hij was weggegaan, stapte oom Bert de kamer in en zei tegen Dick: "Als je een beetje opgeknapt bent, moet je je meteen klaarmaken om met de politieboot mee te gaan, die je straks zal komen halen. Ik verwacht ze binnen een kwartiertje hier." Blij dat aan het wachten een eind kwam, sprong Dick direct op om zich verder aan te kleden en net toen hij daar mee klaar was, klonk het geronk van een motorboot bij het haventje. Het was inderdaad een boot van de waterpolitie, die geen minuut verspeelde en Dick onmiddellijk aan boord nam. Er waren drie mannen aan boord, waarvan een, blijkbaar de chef, Dick vriendelijk begroette met een: "Zo kleine rechercheur, kom er in en vertel eens wat je weet." Terwijl de boot in een razend tempo over het water stoof en met een wijde boog naar het midden van de plas voer, deed Dick voor de derde keer zijn verhaal. "Je zou die boot dus wel herkennen, als je hem weer zag, denk ik, hè," zei de wachtmeester en toen Dick stellig knikte, vervolgde hij: "Ja daarom hebben we je ook gehaald, maar als je het benauwd krijgt straks, duik je maar in de kombuis." Nou, bang was Dick niet, dat had hij nu wel bewezen en het enige wat hem benauwde, was de gedachte aan zijn vriend, die hij in de steek had moeten laten, om hulp te kunnen halen. Snel vervolgde de boot zijn weg in de richting, die Dick had aangegeven en het was een geluk, dat het nog tamelijk rustig was op het meer, zodat niets hen belemmerde om op te schieten. "Heb je nog gezien of die kerels gewapend waren?" vroeg de wachtmeester aan Dick. "Ik heb werkelijk niet veel gelegenheid gehad om ergens op te letten, meneer. Maar ik zou het niet denken, want ik heb er niets van gemerkt en ze hebben er ook niet over gesproken," zei Dick en hij vroeg een beetje angstig: "Wat denkt U, zouden ze Tom nog kwaad hebben gedaan?" "Dat zal wel loslopen," stelde de politieman hem gerust. "Vooral niet, nu jij hebt weten te ontsnappen en ze dus kunnen vrezen, dat wij op de hoogte zijn met de gevangenschap van je vriend. Als ze hem zouden mishandelen, zou dat hun straf bij arrestatie alleen maar verzwaren en dat weten ze drommels goed. Ik heb nu goede hoop, dat we dat stel gauw te pakken zullen hebben en dat zal te danken zijn aan jouw dappere optreden. Het enige, wat je nu nog te doen hebt, is op te letten en ons te waarschuwen, als je de boot ziet met die twee kerels." Verder werd er niet veel meer gesproken. In razende vaart scheerde het vaartuig over de plassen, het water hoog opspattend en een breed spoor van luchtbellen achterlatend. Wat was er intussen met Tom gebeurd? Van de voorbereidingen voor Dick's ontsnapping had hij niets gemerkt, omdat hij met zijn rug naar hem toe had gelegen en Dick hem dus geen sein had kunnen geven. Pas toen hij de plons in het water hoorde, begreep hij dat zijn makker er in was geslaagd zich los te werken en aan hun bewaker te ontsnappen. Hij wist, dat Dick kon zwemmen als een rat en zich in het water haast net zo goed thuis voelde als op de wal en zijn hart sprong op van blijdschap toen hij bedacht, dat er nu ook voor hem wel spoedig hulp op zou komen dagen. Maar toch bekroop hem ook de angst, als hij dacht aan de grote afstand, die Dick ongetwijfeld af zou moeten leggen en dan was het de vraag hoe de inbrekers zouden reageren op de ontsnapping van zijn vriend. De kans bestond, dat ze hun woede op hem zouden koelen, nu ze in gevaar kwamen. De inbrekers stonden nog een tijdje tegen elkaar te schreeuwen, waarbij de jongste de grofste scheldwoorden naar zijn hoofd kreeg geslingerd. Die verweerde zich echter steeds weer door er op te wijzen, dat hij voorgesteld had, om dat lastige stel meteen op te ruimen, dan hadden ze nu niet al die ellende gehad en hadden ze rustig naar Nieuwkoop terug kunnen keren. Maar eindelijk zagen ze dan toch in dat ze zo niet opgeschoten en nu pakten beiden een roeispaan om de voorsprong, die ze nog hadden, zo groot mogelijk te houden. Ze zetten hun discussies zachter voort overleggend wat hun verder te doen stond, nu de omstandigheden zo veranderd waren. Tom luisterde zo scherp mogelijk, maar hij verstond alleen iets over "België... trein....boel achterlaten...." Hoe goed hij ook zijn best deed en zijn oren de kost gaf, hij kon verder niets verstaan. Zo verstreek de tijd en Tom lag zich te verbijten over zijn gedwongen werkloosheid. De touwen begonnen hem nu ook danig te knellen en bij de minste beweging voelde hij de striemen in zijn ledematen. Blijkbaar hadden ze hem steviger gebonden dan Dick, want er was geen verwikken of verwegen aan zijn boeien, die bovendien na de ontsnapping van Dick nog eens secuur waren gecontroleerd. Ze schenen nu de wal te naderen, want hij hoorde het geruis van de wind in de hoge rietkragen. Hij hoopte vurig, dat hij van de kant af opgemerkt zou worden, maar die hoop werd de bodem ingeslagen, toen Wil, de jongste van het stel, eensklaps opstond en hem zonder veel omhaal aan zijn benen naar binnen sleepte in het kleine roefje, waar hij vrij onzacht werd neergegooid. "Denk er om, dat je geen spelletjes uithaalt zoals die mooie vriend van je, want dan maken we korte metten met je. Goed begrepen?" zei de vent ruw en daarna werd Tom weer aan zijn lot overgelaten. Zo voeren ze nog lange tijd door. Tom dacht, dat ze al uren onderweg waren, maar hij had geen flauw besef van de tijd. Het gesprek van de mannen kon hij helemaal niet meer volgen, nu ze hem binnen hadden neergelegd. Maar eindelijk kwam er dan toch een einde aan de tocht en werd het scheepje in de wal geduwd. Hij voelde een zachte schok en hoorde vervolgens enkele korte bevelen van Sjaak, die nog altijd de leiding in handen hield. Even later kwamen ze de roef binnen en verkleedden zich zwijgend en snel, zonder Tom een blik waardig te keuren. Ze trokken een gewoon, onopvallend costuum aan waarvan Tom, zo goed als zijn ongemakkelijke houding hem dat toestond, alle bijzonderheden in zich opnam. Wellicht, dat dat nog eens te pas kon komen. In zich zelf bedacht Tom, dat de kerels toch niet zo slim waren als ze van zich zelf wel dachten, anders zouden ze hem wel geblinddoekt hebben, maar het kon ook zijn dat ze zijn opmerkingsvermogen onderschatten. Het was hem ook opgevallen, dat ze helemaal niet hadden gevraagd, waarom Dick en hij hun boot hadden doorzocht. Dat interesseerde hen schijnbaar niet in het minst of ze durfden hem de prop niet uit de mond te nemen uit vrees, dat hij zou gaan schreeuwen. Na nog een poosje te hebben gerommeld, maakten de twee mannen aanstalten om op te stappen. Nog even keken ze rond en daarna vertrokken ze, zonder verder op Tom te letten, en lieten hun boot in de steek met zijn onvrijwillige passagier. Alles, wat ze meenamen, waren twee kleine koffertjes, waarin waarschijnlijk de meest waardevolle voorwerpen waren gepakt. Met gemengde gevoelens zag Tom hun vertrek aan. Aan één kant was hij blij, dat ze verdwenen waren en hij dus niet meer was overgeleverd aan hun grillen, maar hij vermoedde dat ze beslist niet bij een drukke verkeersweg hadden aangelegd, zodat het wellicht nog even kon duren eer hij werd bevrijd, en hij begon nu dan ook ernstige pogingen te ondernemen om zich zelf los te werken. Hij moest zijn pogingen echter wel opgeven, want er was geen verwikken of verwegen aan het koord, waarmee hij was vastgebonden. Gelaten wachtte hij tenslotte maar op zijn ontdekking, waarop hij niet zo lang hoefde te wachten als hij wel had gedacht. Het tweetal kon hoogstens tien minuten weg zijn, toen hij het geronk van een motorboot hoorde en er schoot een hele vreugde door hem heen bij het horen van een bekende jongensstem, die opgewonden riep: "Daar, daar ligt hij, achter die rietkraag daar!" Zijn hart sprong op van blijdschap, toen het tot hem doordrong dat Dick er in was geslaagd hulp te halen en zijn bevrijding nu snel naderde. Even later zag hij een paar benen over de rand van het bootje komen en vervolgens stapten twee politiemannen met getrokken revolver omzichtig naar binnen. Ze bewogen zich pas vlugger, toen ze ontdekten dat Tom de enige aanwezige was. Direct werd de prop uit zijn mond gehaald, maar het duurde nog wel even eer hij in staat was om gewoon te spreken door de ontroering en de blijdschap. Nu kwam ook Dick overstappen en in een oogwenk waren de touwen losgesneden. Tom vermande zich spoedig, want hij begreep dat er snel gehandeld moest worden en dat er nu geen tijd was voor tranen of onnodige woorden. Ongevraagd begon hij te vertellen wat hij wist en ook dat de dieven pas vertrokken waren. Toen de wachtmeester hoorde, dat ze nog niet ver konden zijn, nam hij onmiddellijk zijn maatregelen. "Jij blijft hier bij deze jongeman, Oostveen," zei hij tegen de politieman, die met hem mee was gekomen. "Kijk maar of er wat versterkends is te vinden voor hem en wacht verder af, tot we terugkomen." Oostveen salueerde en onderzocht toen de striemen op Tom's armen en benen, terwijl zijn chef snel weer overwipte in de politieboot, die met draaiende motor lag te wachten. Dick volgde hem op de voet. Hij wilde nu niets meer van het avontuur missen en de wachtmeester liet hem stilzwijgend begaan. "Varen Bakker," zei hij tegen de derde politieman, die steeds achter het roer had gezeten. "Als we dat stel willen achterhalen zullen we op moeten schieten. Weet jij of er hier in de buurt telefoon is?" "Dat is minstens een half uur hier vandaan," wist Bakker. "En een auto zal hier ook in verre omtrek niet te vinden zijn." Intussen was hij al weer opgevaren en zo snel als dat mogelijk was onder de omstandigheden, ze waren in een klein kanaaltje terecht gekomen, trok de boot door het water. "Hm," bromde de politiechef, "dus aan versterking valt voorlopig niet te denken. Dan zullen wij moeten laten zien wat we waard zijn. Eén geluk hebben we. Als er hier werkelijk geen auto te krijgen is, zullen die kerels ook moeten lopen of ze moeten gewoon de bus nemen en doen alsof ze van de prins geen kwaad weten. Weet jij de dichtstbijzijnde bushalte hier?" Zijn ondergeschikte scheen hier goed bekend te zijn, want hij wist precies uit te leggen, waar ze die konden vinden en hoe ze er het vlugste kwamen. Dick voelde zich hevig opgewonden. Als ze die kerels zagen, zou het aan hem niet liggen wanneer het er om ging ze te pakken te krijgen! Bij het wrijven over zijn dijbeen voelde hij nog waar die ene hem een schop had gegeven en dat alleen was al bijna voldoende om zijn jachtlust op te wekken. Bovendien vond hij het een buitenkansje de achtervolging van zo dicht bij te mogen volgen. Iets om op school te vertellen aan zijn vrienden! Scherp tuurde hij op de weg en verder in de omtrek of hij niemand zag lopen. Gewapend met een verrekijker hield ook de wachtmeester de omgeving nauwkeurig in het oog, klaar om op de wal te springen, als dat nodig mocht blijken, terwijl zijn collega al zijn aandacht nodig had bij het stuur. Maar bij een kromming van het kanaal stuurde hij de boot het riet in en zei: "Zo, hier moeten we uitstappen, want de rest zullen we moeten lopen. Vijftig meter voorbij die boerderijen, daar is de bushalte." Een paar honderd meter van de plaats, waar ze aangelegd hadden, stonden inderdaad drie boerderijen op een onderlinge afstand van ongeveer vijftig meter en verder waren er in wijde omtrek geen huizen te zien. Binnen luttele minuten zou dus blijken of de dieven nog in de omgeving waren, ofwel hun weg door de landerijen hadden gezocht. Vlak voor de eerste der boerderijen maakte de weg een bocht en wachtmeester Bogaards stelde voor tot zo ver te lopen en dan om de hoek te kijken. Daarna konden ze handelen naar omstandigheden, omdat het ondoenlijk was met zo weinig mensen een plan te maken, de dieven te omsingelen. Gespannen liep het drietal over de straatweg. Verkeer was er niet en er was geen levend wezen te zien, dan een paar koeien en een paard, dat bij hun nadering hinnikend door het weiland galoppeerde. Het was haast ondenkbaar, dat er in dit vredige landschap, waar alles rust ademde, een paar niets ontziende inbrekers rondliepen, vermomd als onschuldige buspassagiers. Maar toch waren die er! Een enkele blik om de bocht van de straatweg was voldoende om Dick zacht uit te doen roepen: "Dat zijn ze!" Hij kon zich niet vergissen. Dat gezicht met die baard zou hij zich altijd blijven herinneren en zelfs op deze vrij grote afstand herkende hij direct de oudste van het stel, al was die dan nu ook anders gekleed. De kerels hadden het zich gemakkelijk gemaakt door op hun koffertjes te gaan zitten en ogenschijnlijk waren ze volkomen onwetend van het feit, dat ze achterna gezeten werden. Snel handelen was nu geboden, want als de bus kwam eer ze de dieven genaderd waren, zou dat uitstel van de arrestatie betekenen, tenzij de chauffeur tijdig ingelicht kon worden. Afgesproken werd dat Dick de bewoners van de boerderijen op de hoogte zou stellen, opdat ze zo nodig konden assisteren, terwijl Bakker achter de huizen om zou lopen om te trachten ongezien de mannen van de andere kant te naderen. De wachtmeester zelf zou trachten ze tegen te houden, als ze terug wilden keren. "We hebben geen tijd om versterking te halen, maar neem geen risico's, Bakker, want krijgen doen we ze toch wel," drukte de chef zijn collega nog op het hart. Die grijnsde alleen maar eens en gaf geen antwoord. Hij scheen wel zin in het geval te hebben naar zijn gezicht te oordelen. Snel liep hij achter de boerderij om, waar ze het dichtst bij stonden, terwijl Dick hem volgde en naar binnen stapte. De boer en zijn gezin zaten juist koffie te drinken in de grote keuken toen hij binnenkwam. Verwonderd keken ze naar de vreemde jongen, die daar binnen kwam stappen, alsof het zo hoorde. Juist wou de boer een beetje geërgerd vragen, wat hij kwam doen, toen Dick hem in de rede viel en uitlegde wat er aan de hand was. De boerin bleef bij het verhaal van pure ontzetting met haar kopje in de hand en met half open mond zitten luisteren. Maar de boer was nuchterder en zei direct: "Daar wil ik natuurlijk aan meehelpen." En tegen zijn zoon, een jongen van een jaar of achttien: "Kom Kees, dat is wel wat voor jou ook, dan kun je meteen laten zien, wat je geleerd hebt uit die detectiveboeken van je." Zelf stond hij op, om de buren te waarschuwen, terwijl zijn zoon en Dick opzij van de boerderij achter een klein schuurtje, wachtten op de dingen die gingen gebeuren. Ze konden nog juist zien, hoe Bakker achter de laatste boerderij om liep en nu dus in het gezicht van de inbrekers moest zijn. Uit de andere huizen kwamen nu nog enkele mannen, sommige gewapend met knuppels en een zelfs met een hooivork. Tersluiks keek Dick om de voorgevel van de boerderij om te zien of de dieven nog altijd zaten te wachten op de bus, maar juist op dat moment hadden de twee blijkbaar Bakker in het oog gekregen, want de jongste rende terug in de richting vanwaar hij gekomen was, recht op de wachtmeester af, die hij nog niet had gezien. Maar ook daar werd hem direct de pas afgesneden, want nu kwam de politiechef die de zaak nauwkeurig in de gaten had gehouden, oplopen en riep: "Blijf staan en handen omhoog." De man met de baard had blijkbaar het nutteloze van een ontsnappingspoging ingezien en had zich overgegeven aan Bakker, maar zijn makker scheen niet van zins zich zo maar gewonnen te geven. Hij holde nu in de richting van de boerderij, waar Dick stond, zich niets aantrekkend van het waarschuwingsschot, dat de wachtmeester afvuurde. Dick voelde zijn hart snel kloppen, toen hij de vent recht op zich af zag komen. Hoe kregen ze die woesteling te pakken zonder ongelukken? De kerel had Dick nog niet opgemerkt en scheen zijn toevlucht te willen zoeken in de boerderij of in een van de bijgebouwtjes. En plotseling schoot hem een plannetje in zijn gedachten. Hij greep Kees bij de arm en trok hem mee achter de schuur. Kees liet zich gelukkig gewillig meetrekken, er kennelijk ook niets voor voelend kennis te maken met de brute kracht van hun tegenstander, die ze in een normaal gevecht toch niet de baas konden. Toen gebeurde alles razend vlug. Van verschillende kanten kwamen boeren opzetten, het de wachtmeester onmogelijk makend te schieten. Als een bezetene rende de dief tussen de twee huizen door, zoekend naar een uitweg. En juist toen hij de schuur passeren wilde, waarachter Dick en Kees zich hadden opgesteld, wierpen die zich naar voren. Ze zouden ondersteboven gelopen zijn, als ze niet bedacht waren geweest op hetgeen hen te wachten stond. Nu liet Dick het zo ver niet komen. Bliksemsnel schoot zijn rechter been naar voren en voor de man wist wat er gebeurd was, lag hij languit op de grond onder het uiten van de vreselijkste verwensingen. Hij wilde direct weer overeind krabbelen, maar daar kreeg hij geen kans meer voor. Tegelijk sprongen de beide knapen hem op de rug en hielden hem enige seconden in bedwang, lang genoeg om ook de andere mannen gelegenheid te geven zich op de dief te werpen en hem onschadelijk te maken. Even later stond hij, stevig vastgehouden door vier potige mannen, volkomen machteloos, maar hij tierde en raasde nog altijd door. De politiemannen ontfermden zich nu over hem en samen met zijn makker werd hij tijdelijk opgesloten in het schuurtje, waarvoor Bakker de wacht betrok. Zijn chef leende een fiets en ging in het verder gelegen dorp afdoende hulp halen. Maar toen zat Dick al binnen bij de ouders van Kees, waar het geval nog eens druk werd besproken met de buren en waar hij de nodige complimenten in ontvangst moest nemen voor zijn tegenwoordigheid van geest. Een uur later keerden ze terug naar de politieboot, waar Tom, nu weer helemaal de oude, gezellig zat te babbelen met politieman Oostveen over de avonturen, die ze al hadden beleefd, sinds ze vertrokken waren uit Amsterdam. "Zo, dat zit er ook weer op," zei Bakker, neerploffend op een krukje in de boot. "Dat was me het karweitje wel. Wat ging die kerel te keer!" "Nou, je scheen er anders nog al zin in te hebben," merkte zijn chef op. "En het zwaarste werk heb je nog niet eens gehad, dat heeft onze vriend Dick wel opgeknapt met die boerenzoon. Jij moest later maar bij de politie gaan jongen, daar kunnen ze nog plezier van je beleven." "Nee, dat zou me toch niet lijken," zei Dick openhartig, maar toch trots om de lof, die hem werd toegezwaaid door een vakman zelf. De terugreis werd nu aanvaard en eindelijk kregen Tom en Dick gelegenheid met elkaar te praten, wat ze dan ook grif deden. Ze raakten niet uitgepraat over het avontuur en eer ze er erg in hadden, naderden ze Nieuwkoop al weer. In het dorp had zich het nieuws als een lopend vuurtje verspreid, daar had Hans wel voor gezorgd. Waar de mensen zo vlug vandaan kwamen was onbegrijpelijk, maar toen de politieboot het jachthaventje binnen kwam, was er een hele mensenmenigte op de been en werden de jongens als helden ingehaald. Er ging een luid gejuich op, toen beide knapen op de wal stapten met achter hen de grote gestalte van de wachtmeester, die ze lachend op de schouders klopte en zei: "Nou, dat hoeraatje hebben ze wel verdiend, mensen, want ze hebben zich kranig gedragen." En op Dick wijzend: "Vooral hem komt wel een extra applausje toe." Nu de mensen waren niet karig met hun bewonderende uitroepen en het werd Dick haast te erg, zodat hij van verlegenheid wel weer terug had willen stappen in de boot. De zeilboot, die ze op sleeptouw hadden genomen werd nu losgemaakt, en grondig doorzocht, waarbij bleek dat er nog verschillende voorwerpen aan boord gebleven waren. Wat de jongens het meest interesseerde was echter of er onder de achterbank een monogram in het hout was gesneden. Maar dat leverde een teleurstelling op, want er was niets te zien. Het was gewoon blank hout en er waren ook geen andere planken in aangebracht. Dat viel Tom en Dick een beetje tegen, want ze hadden nog steeds hoop gehad, dat ze oom Bert zijn boot terug hadden kunnen bezorgen. Maar de blijde stemming werd er toch niet door bedorven en in optocht ging het daarna naar het huis van de familie Geurts, waar ze eindelijk tot rust kwamen en niet meer lastig gevallen werden door mensen, die ze de hand wilden drukken. Op één uitzondering na! Toen ze gezellig bij mevrouw Geurts in de huiskamer zaten werd er gebeld. Hans deed open en daar stond Dick Berendse op de stoep, die nu bescheiden vroeg of hij meneer van Gelder even mocht spreken. Toen die naar voren kwam, maakte Dick hem zijn verontschuldigingen voor zijn onsportieve houding van de vorige dag, maar oom Bert weerde dat lachend af, waarop hij Dick binnenhaalde. De jongen scheen wel erg veranderd te zijn in die ene dag want hij deed eerst erg bedremmeld en verlegen. Maar dat veranderde gelukkig al spoedig, doordat iedereen gewoon tegen hem deed en met geen woord meer repte over de onplezierige boottocht, waarbij Dick gast geweest was. En toen hij een uurtje later weer opstapte, was er afgesproken, dat wanneer Dick Berendse weer in Amsterdam terug was, hij spoedig eens aan zou komen bij de vrienden. "Toch blijf ik het een rare knul vinden," zei Tom, toen hij weg was en dat moest iedereen wel met hem eens zijn. Wat niet wegnam, dat ze deze houding in elk geval beter konden waarderen dan die, welke hij eerder had getoond. En vooral Dick was blij om die gewijzigde houding, maar die blijdschap werd vooral veroorzaakt door een tikje egoïsme. Een goede verstandhouding met de leraren was ook wat waard...... Voor de eerste keer tijdens hun trip stond het gezelschap die ochtend pas laat op. Ze maakten op hun gemak de beddenboel aan kant, waarna ze pas tegen tien uur de boot startten, daarmee een begin makend aan het allerlaatste stuk, dat hen nog wachtte, de tocht via Ouderkerk naar Amsterdam. Het wemelde hier op zondag van de plezierboten, waaronder ook veel wherry's, een soort roeiboot, die ze nog niet eerder hadden gezien op hun trip. Het waren brede, tamelijk ruime boten en het typische er aan was wel, dat ze bestuurd werden met twee touwtjes aan weerszijden van het roer bevestigd. En dan zagen ze ook grote passagiersboten, overvol en met schetterende radio, waarbij het twijfelachtig mocht heten of de mensen werkelijk genoten van al het moois, dat er om hen heen was te zien. "Dan trek ik er toch maar liever op uit op eigen gelegenheid," zei Tom. "Liever dan me plat te laten drukken op zo'n grote boot en al die tijd naar die herrie te moeten luisteren." "Toch maar gelukkig dat ze er zijn," zei de kapitein, "want niet iedereen is nu eenmaal in de gelegenheid om het anders te doen." In de namiddag bereikten ze het meertje in de omgeving van de woning der familie van Gelder. De kapitein besloot wijselijk de boot maar te meren in een der jachthavens, die daar waren aangelegd en niet te riskeren dat ze weer ballast in zouden moeten nemen bij het lage bruggetje. Lopende moesten ze daarna het eind naar huis afleggen. Toen ze daar aankwamen wisten ze niet, wat ze zagen. Het hele huis was versierd en het zat vol mensen, buren en andere goede kennissen, die de jongens een welkom kwamen toeroepen. Iedereen scheen wel op de hoogte te zijn van de belevenissen van de knapen en wilde er bij zijn, als ze weer thuis kwamen. En Tom en Dick vooral moesten uitvoerig vertellen, voor de zoveelste keer, hoe alles in zijn werk was gegaan. Kreten van bewondering klonken, vooral, toen Dick vertelde van de twee dieven. Het oude buurvrouwtje, dat iedereen tante Marie noemde sloeg de handen ineen en schudde haar hoofd: "Wel, wel wat een avonturiers - wel, wel, wat zal ik de eerste dagen een massa te vertellen hebben!" De jongens waren het middelpunt van het grote gezelschap - maar ook de kapitein werd niet vergeten - hij vertelde met tintelende ogen over de reusachtige snoek, die hij haast gevangen had. Tom en Dick stootten elkaar aan - zij kenden langzamerhand de kapitein - maar het gezelschap, en vooral tante Marie, luisterde met open mond! Zo verstreek de avond - vóór ze het wisten, was het bedtijd. "En nu is het de hoogste tijd, jongens!" zei vader. "Maar....." bedacht hij opeens - "waar is de Lobbes eigenlijk? Hij is toch niet....!" "Welnee!" sprak de kapitein - "die ligt veilig in een jachthaventje en morgen vroeg gaan we hem direct ophalen!" En vader was wel wat gerustgesteld - maar sliep die nacht toch niet zo goed, als hij wel gewend was! |
| R. Jager, 1954 - tekstverwerking door Evanes | © www.peterjager.net 1999-2003 |