www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Mieke knapt het op
door Nel Bas (Roel Jager)
geschreven circa 1959
uitgebracht door uitgeverij Jeugdland

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X
Hoofdstuk XI
Hoofdstuk XII
Hoofdstuk XIII
Hoofdstuk XIV
Hoofdstuk XV
Hoofdstuk XVI


 

HOOFDSTUK I

Verdrietig kijkt Mieke Verhoef naar de chaos in de kamer. Dat is de vierde keer vandaag al, dat ze alles op moet ruimen wat de tweeling heeft laten slingeren! Af en toe heeft Mieke opwellingen om de hele boel er bij neer te smijten, haar jas aan te trekken en er vandoor te gaan, waarheen kan haar dan niets schelen. En nu voelt ze die neiging weer in zich op komen. Vanmorgen heeft ze gewacht tot iedereen de deur uit was, alvorens de boel op te ruimen, de kamer te stoffen en vervolgens vast de tafel te dekken voor de middagboterham van de jongere kinderen, als die om kwart over twaalf thuis komen uit school. Alles liep, zoals ze zich dat had voorgesteld en het leek een heerlijk rustig dagje te worden. Maar nauwelijks waren de drie schoolgaande kinderen 's middags thuis gekomen, toen er gebeld werd. De groenteman kwam vragen, wat ze moest hebben. Net had die zijn hielen gelicht, toen de bakker kwam. Toen was er een colporteur met stofzuigers, die ze te woord moest staan, en vervolgens wilde een andere man haar beslist een abonnement aansmeren op het een of andere nieuwe damesweekblad.

Dat alles nam ruim twintig minuten in beslag, tijd genoeg voor drie ruziënde kinderen van acht en tien jaar om al haar werk van die ochtend te niet te doen. Hetgeen dan ook prompt gebeurde! Mieke had iets gemopperd over gebrek aan medewerking, maar gelaten de kruimels opgeveegd, de suikerpot, die op de grond lag, weer gevuld met datgene wat nog te redden viel en diverse stukken speelgoed, die door de hele kamer verspreid lagen, weer bij elkaar geraapt en in een grote doos gestopt.

Klokslag kwart voor twee had ze dat stel de deur uitgewerkt om vervolgens toebereidselen te maken voor het avondeten.

Maar om vier uur was het lieve leven opnieuw begonnen, toen de kinderen weer uit school kwamen. Het was een regenachtige dag, dus dat stel moest zich binnen zien te vermaken. Nu, dat deden ze dan ook wel. Alle beschikbare speelgoed werd naar binnen gesleept, toen ze een ogenblik niet oplette. Vervolgens werd het op een hoop gegooid en daarna ontstond een hevige discussie over datgeen, waar ze zich voorlopig mee dachten te vermaken.

De opmerking van Mieke, dat ze niet zo'n rommel moesten maken, werd volkomen genegeerd. Maar toen zij haar woorden tot drie keer toe had herhaald, en nog geen reactie had gehoord, was de maat vol. Alle drie kregen ze een tik om hun oren die ze terdege voelden. Het resultaat was, dat ze eendrachtig naar de zolder togen, om zich daar het eerste uur te vermaken.

Maar daar boven werden snode plannen uitgebroed tegen het krachtige optreden van hun oudere zuster! Het drietal zon op wraak, een wraak die de smaad, hen aangedaan, grondig zou moeten uitwissen.

"Ga liever wat lezen, daar heb ik tenminste niet zo'n rommel van in de kamer," had Mieke hen toegevoegd, nadat ze de tikken had uitgedeeld.

Nu, ze zouden lectuur mee naar beneden nemen. Nadat ze eerst een tijdlang hadden geschommeld in de doorloop tussen de bergzolders, kwam Joep op het "lumineuze" idee, om de raad van Mieke op te volgen. Alleen liep het wat anders dan die zich had voorgesteld. Alle drie raapten ze een grote stapel oude kranten, die op zolder lagen opgeslagen, op en vervolgens trokken ze in optocht naar beneden toe. Het waren oude tijdschriften en kranten, die al jaren op de stoffige zolder hadden gelegen en resultaat laat zich denken. De kleren van het nobele drietal vertoonden al direct grote grijze vlekken en vervolgens werd, weer in de huiskamer, de hele stapel op een hoop gegooid in een hoek. De snel toeschietende Mieke was net te laat, het onheil was al geschied. Een prachtige wolk stof verspreidde zich door de kamer en liet duidelijk zijn sporen achter op alles wat het op zijn weg vond.

Mieke, de altijd kraakheldere Mieke, stond te stampvoeten van woede toen ze die opzettelijke veroorzaakte rommel zag.

Maar wat kon ze doen?

Het laatste dreigement, dat ze altijd zo lang mogelijk bewaarde, was eindelijk in staat om de drie ondeugden tot rede en bedaren te brengen. Dat allerlaatste was de mededeling, dat ze 's avonds aan vader eens een boekje zou open doen over hun schandelijke gedrag. Als ze daarmee voor de dag kwam, was het altijd meteen muisstil, want vader was niet mals als hem klachten bereikten over het gedrag van zijn drie jongsten.

Maar toen Mieke de angstig kijkende ogen zag, was ze al meteen weer besloten om haar dreigement niet te volvoeren. Ze gaf opdracht dat alles weer netjes opgeruimd moest worden, en vijf minuten later waren inderdaad alle kranten weer terug gebracht naar de plaats waar ze hoorden. Daarmee was natuurlijk nog niet alle stof verwijderd van meubelen en andere dingen in de kamer, maar in elk geval was er weer orde in huis. En daarna kwam Jaap heel gedienstig met de kolenbak aan zetten, die hij wel even zou vullen voor zijn oudere zusje. Toen Mieke daar argeloos in toestemde, wilde ook Joep blijk geven van zijn goede wil en liep prompt met hem mee. Dat zou nog niet zo erg zijn geweest, als ze het ding maar niet met alle geweld samen naar binnen hadden willen dragen!

De gevolgen waren afschuwelijk. Op de een of andere onverklaarbare manier struikelde Jaap en met luid misbaar en herrie lag het tweetal even later samen op de grond om vervolgens een beetje verwezen te kijken naar de over het hele kleed verspreid liggende stukjes anthraciet.

Het was echt geen wonder dat Mieke toen alleen maar een verdrietig gevoel in zich op voelde komen.

Ach ja, de hele geschiedenis is eigenlijk een beetje verdrietig. Hoe lang is het nu al weer geleden, dat mevrouw Verhoef, Mieke's moeder, naar Zwitserland is gestuurd om daar te kuren en zodoende de gevolgen van een ernstige ziekte te boven te komen? Dat was in het hartje van de zomer, nu een maand of vijf geleden.

Ze hebben het altijd zo knus gehad, de Hoeven, zoals ze door vrienden en bekenden wel genoemd worden. Ontzaglijk veel pret hebben ze altijd gemaakt. Vader is altijd bereid geweest om daar aan mee te doen, was zelf veelal de aanstoker van de stoei- en daarop volgende holpartijen, iets waartoe de kinderen zich graag op lieten stoken.

Moeder niet, die sloeg alles meestal glimlachend gade, maar aan haar gezicht was meestal wel te zien hoe ze genoot bij de aanblik van dat joelende stel. Zelf klaagde ze nog al eens over vermoeidheid, maar veel acht werd daar voorlopig niet op geslagen. Iedereen zag het meer als een uitvlucht om niet aan het wilde spel mee te moeten doen en die uitvlucht werd geaccepteerd. Maar toen bleek op zekere dag, dat het echt geen uitvluchten waren. Zonder dat ze er iets over had verteld, ging moeder eens naar de dokter en toen een paar dagen later de uitslag van het geneeskundig onderzoek bekend werd, begrepen vader en Mieke beter waarom moeder wel eens klaagde over vermoeidheid. Ze was ziek, een ziekte die weliswaar niet direct gevaarlijk was, maar die haar toch een hele tijd aan het bed zou binden; dat had de dokter er meteen al aan toegevoegd, toen hij vertelde wat er aan de hand was.

Bijna een half jaar had ze thuis gelegen, maar toen er nog geen verbetering intrad, was de dokter over gegaan tot resolute maatregelen.

"Als U Uw vrouw weer gezond wilt hebben zult U haar een tijd lang moeten laten gaan," zei de dokter.

"Laten gaan?" vroeg Verhoef verwonderd. "Hoe bedoelt U dat dokter?"

"Kijkt U eens hier," antwoordde de arts gedecideerd, "hier in deze omgeving, in dit klimaat eigenlijk, zal het altijd kwakkelen blijven. Een maand of misschien dan weer een paar maanden naar bed. Dat is het gunstigste geval. Maar er zitten zelfs risico's in van een steeds voortschrijdend proces in de ziekte en om dat radicaal te stoppen, zal ze een tijdlang de bergen in moeten."

Na die woorden was het een hele tijd stil geweest in de suite waar het bed van moeder stond.

Tenslotte was het vader die de stilte verbrak.

"Als U dat nodig acht, dan moet het gebeuren," zei hij.

En toen de arts bevestigend knikte, daarbij vragend naar moeder kijkend, had die geknikt, al was het heel traag en al zagen de beide mannen in beide ogen een traan langzaam groter worden, waarna hij tenslotte over haar wangen rolde, totdat vader hem heel voorzichtig wegveegde met de punt van zijn zakdoek.

Een paar weken later werd mevrouw Verhoef door een ziekenauto gehaald, nu dus vijf maanden geleden. Tientallen brieven zijn sindsdien vanuit Amsterdam naar Zwitserland gegaan en omgekeerd zijn er ook tientallen lange epistels bezorgd in het benedenhuis in een der nieuwe wijken van Amsterdam, alle met het poststempel "Davos". Allemaal opbeurende en bemoedigende brieven van weerszijden, maar voor iemand die een beetje tussen de regels door wist te lezen, moest het helemaal niet moeilijk zijn om er uit op te maken hoezeer het gezin Verhoef verlangde naar een hereniging.

Maar na moeders vertrek begonnen ook pas de moeilijkheden in het gezin. Toen moeder nog thuis was, kwam er iedere dag iemand om haar geheel te verzorgen en tevens kwam er dan iemand om het gezin zo goed en zo kwaad mogelijk te verzorgen, dank zij een of andere kerkelijke instantie.

Toen er echter geen zieke meer was te verzorgen, was dat allebei echter afgelopen, en vanaf dat ogenblik moest meneer Verhoef uitzien naar een hulp. Miek ging toen nog naar school, de derde klas van de Mulo, Ans zat in de vijfde klas van de lagere school en de tweeling Jaap en Joep zaten pas in de derde, waar ze de schrik vormden van de onderwijzeres.

Meneer Verhoef zelf ging 's morgens om acht uur de deur uit en kwam er pas 's avonds tegen zessen, soms nog later, weer in. Op zaterdag en ook 's Zondags wilde hij best een handje helpen in de huishouding, maar dat was natuurlijk op geen stukken na voldoende om de boel draaiende te houden. Op verschillende manieren was het al geprobeerd.

Ze hadden advertenties geplaatst, waarop inderdaad enkele meisjes en oudere dames hadden gereflecteerd. Maar de meisjes dropen meteen al weer af toen ze hoorden in welk een levenslustig gezelschap ze terecht kwamen. Die hadden liever een dienst waar ze het rustig aan konden doen.

Een der oudere dames had het inderdaad een tijdlang geprobeerd, maar zei toen eerlijk dat ze er weinig voor voelde om steeds de tweelingen achterna te zitten, die haar het leven danig zuur maakten, omdat ze in haar een onwaardige opvolgster zagen van moeder, iets waarmee ze zich in het geheel niet konden verenigen.

Daarna was er nog iemand geweest. Die had het precies een volle dag uitgehouden en was daarna gewoon weg gebleven zonder opgave van reden. Zo zaten ze dus opnieuw in de narigheid en rommelden Miek en Ans zoveel ze konden voordat ze naar school gingen. 's Middags vingen ze dan de tweelingen op, wanneer die uit school kwamen, om vervolgens direct na schooltijd aan het warme eten te beginnen. De boodschappen werden overdag wel aangenomen door de buurvrouw, die het menu voor de hele week samenstelde. Als zij zelf van plan was om stamppot boerenkool te eten, kocht ze ook voor de familie Verhoef in en zo ging het met alles. Wat ze voor zich zelf bestelde, dat kreeg ook de buurman en diens kinderen te eten. Dat was dus wel geen ideale toestand, maar het leverde ook geen onoverkomelijke bezwaren op en iedereen was haar erg dankbaar.

Erger was dat die groente 's middags nog inderhaast schoon gemaakt moest worden en gekookt. Bij wijze van uitzondering was de buurvrouw ook daar wel eens toe bereid, maar niemand kon van haar verwachten dat ze dat maandenlang zou volhouden. De keren dat ze het wel had gedaan, had Mieke haar ogen echter behoorlijk de kost gegeven en zodoende zag ze wel kans om eenvoudige gerechten zelf klaar te maken. Ze vond het zelfs wel leuk werk en het grootste bezwaar dat ze er tegen had was dat alles zo in haast moest gebeuren. En daarom was de knoop resoluut doorgehakt, nadat Miek het derde leerjaar aan de Mulo met goed gevolg had doorlopen. Zij zou, met een vakantie van zes weken als proeftijd, voortaan het huishouden doen, met uitzondering van het naai- en verstelwerk en de grote was. Het eerste deed tante Rie, een zuster van moeder Verhoef en het laatste werd gewoon weg gehaald door een wasserij.

En zo ging dat nu al vijf maanden lang, vijf lange maanden stond Miek nu al voor de taak van een volwassen huisvrouw.

O, het was dikwijls heel leuk werk. In "haar" keuken ging ze zich soms te buiten aan wilde fantasieën, gedeeltelijk geïnspireerd op het kookboek, maar daarnaast verwerkte ze er ook zelf veel ideeën in, met wisselend succes.

Als vader 's avonds op verdacht vriendelijke toon zei: "Dat was lekker Miek!", dan wist Miek dat het product van haar kook- of bakkunst maar matig werd gewaardeerd.

En als ze het niet hoorde aan de een beetje ironische toon waarop vader haar dat compliment gaf, dan lieten de tweelingen geen twijfel bestaan over hun mening over het eten, maar trokken er een vreselijk vies gezicht bij.

Al een paar keer was hen dat op een stevige uitbrander van vader komen te staan, die geen openlijke kritiek duldde op zijn oudste dochter, maar als die even de kamer uit was, kon Miek er van lusten.

Ans gedroeg zich meestal neutraal. Niet dat ze niet voor haar mening uit durfde komen, maar ze had eenvoudig een hekel aan ruzie.

Ja, die Ans! Een beetje vreemd kind af en toe. Soms had ze dromerige buien, zoals Mieke het noemde, maar soms was ze niet te remmen, als wilde ze dan alle opgespaarde energie verbruiken. Dan maakte ze pret met de twee jongens alsof ze zelf een jongen was, zoals bijvoorbeeld vanmiddag. Dat ging dan steevast ten koste van Miek, die voor de gevolgen er van moest op draaien, al bedoelde Ans het beslist niet zo. Later kreeg ze er altijd weer spijt van en deed ze alles wat in haar vermogen lag, om Mieke weer zo veel mogelijk in een goede stemming te brengen. Eén keer was ze zelfs in huilen uitgebarsten, toen Mieke het woord "moeder" gebruikte nadat ze samen met de jongens de boel weer eens op stelten had gezet. Geschrokken van haar reactie had Miek toen op haar beurt weer de grootste moeite gehad om haar jongere zusje tot bedaren te krijgen.

Ach ja, dat waren zo de perikelen van de laatste maanden in het huis van de familie Verhoef. Slechts af en toe was de hele familie in dezelfde stemming. Dat was, als de post een enveloppe met een bekend handschrift in hun brievenbus stopte. De inhoud van die enveloppe ging van hand tot hand en iedereen verslond de woorden die er op stonden, begerig om alles te weten over de vordering in het genezingsproces van moeder, dat naar ieders zin veel te langzaam ging.

"De dokter is buitengewoon tevreden," dat was één van de altijd terugkerende opmerkingen die moeder in haar brief maakte. Maar positieve dingen over een eventuele terugkeer naar huis, waren voorlopig nog niet aan de orde!

En nu liep het langzamerhand tegen Kerstmis. De dagen waren kort, de avonden lang, veel te lang naar de mening van vader. Als hij 's avonds zijn krant uit had, zat hij verder maar wat doelloos te kijken. En als Mieke tegen half tien of tien uur aanstalten maakte om naar bed te gaan, duurde het doorgaans niet lang voordat ook hij verdwenen was in zijn slaapkamer.

Gelukkig, de Kerstdagen gingen een welkome onderbreking vormen van de dagelijkse sleur. Vader had beloofd dat ze de tweede dag gezamenlijk in de stad zouden eten in een gezellig restaurant, misschien wel in een Indische of Chinese gelegenheid. En de eerste dag zou de hele familie te gast zijn bij oom Cor en tante Rie. Die twee dagen zou Miek nergens zorg over behoeven te hebben, alles werd keurig netjes voor haar neer gezet. Ze had alleen maar te smullen en over de afwas hoefde ze zich niet te ontfermen. Als ze Miek een jaar geleden hadden verteld dat ze zich nog eens ooit op een dergelijk uitzicht zo zou verheugen, zou ze beslist naar haar hoofd hebben gewezen en gevraagd hebben of de spreker of spreekster gek was. Thuis was het toch ook gezellig?

Ja, thuis was het inderdaad gezellig, maar nu missen ze iets en niemand die dat op het ogenblik sterker voelt dan Miek, of het zou vader moeten zijn.

Een beetje loom pakt ze de zware stofzuiger uit de kast, nadat ze de kolen eerst via stoffer en blik in de kolenbak heeft gedeponeerd.

Ziezo, ook dat is weer gebeurd. Het stof dat zich heeft verspreid door de kamer, verzamelt ze morgen wel weer in de stofdoek. Voorlopig is de boel weer netjes; de boel die de tweelingen in hun val hebben meegesleurd, staat weer op zijn plaats en nu kan ze dan gaan zorgen voor het avondeten.

Terwijl ze naar de keuken loopt, is Miek al weer vergeten dat ze van plan is geweest om vanavond eens met vader te spreken over het gedrag van de jongste drie.

Het staat tenslotte zo klagerig, net of ze niet opgewassen is tegen de taak die ze vrijwillig op de schouders heeft genomen!


 

HOOFDSTUK II

"Wat kosten de aardappelen, groenteman?"

Mieke vraagt het zo gewoon alsof ze al jaren lang zelfstandig huisvrouw is, en geen enkele leverancier kijkt er nog vreemd van op, dat zo'n jong meisje dergelijke vragen stelt. Ze zijn er al lang aan gewend, dat mevrouw Verhoef zelf niet naar voren komt. Er zijn er zelfs, zoals bijvoorbeeld deze groenteman, die mevrouw Verhoef nog nooit hebben gezien. De man die hier vroeger kwam, heeft in het begin, toen Miek pas het huishouden deed, wel eens misbruik gemaakt van haar onwetendheid over allerlei prijzen. Maar toen Miek een beetje argwaan begon te krijgen, doordat ze sommige dingen in winkels een stuk goedkoper kon krijgen, heeft ze daar eens wat van gezegd. De groenteman, die al jaren tot tevredenheid veel mensen in de buurt had bediend, vond het niet nodig om een aannemelijke verklaring te zoeken en gaf Mieke een onhebbelijk antwoord. Nou, daar kwam hij toen toch echt mee aan het verkeerde adres. Zo jong als Miek was, ze voelde er toch beslist niets voor om iemand daarvan onrechtmatig te doen profiteren, en diezelfde dag was de groenteman meteen voor het laatst geweest.

Mieke, lang niet gek, had al verschillende keren een andere langs zien gaan en de volgende dag riep ze die aan. Ze gaf de man duidelijk te verstaan waarom ze veranderde, wat tevens een wenk betekende, dat hij haar echt niet moest proberen beet te nemen.

Overigens is dat optreden de "oude" groenteman toch duur komen te staan, want toen in de buurt bekend werd hoe hij had gedacht te profiteren van de afwezigheid van mevrouw Verhoef, zijn er vele huismoeders in de buurt geweest, die hem de klandizie hebben opgezegd. De nieuwe voelt nog altijd iets van erkentelijkheid tegenover Miek, dat zij hem eigenlijk zoveel nieuwe klanten heeft bezorgd en het scheelde Mieke al direct aanmerkelijk in haar huishoudgeld. Vaak wijst hij haar op bepaalde goedkope aanbiedingen en nu Miek wat meer bedreven is in het inkopen, weet ze soms zelfs wel eens iets van de prijs af te dingen.

"Ik heb twee soorten aardappelen," zegt de groenteman, in antwoord op Mieke's vraag. "Een goede aardappel, van de klei, voor drieëntwintig cent en dan heb ik ook nog duinaardappelen, het puikje; die kosten zesentwintig cent per kilo."

Mieke trekt een bedenkelijk gezicht.

"Tja," zegt de groenteman, "ik heb het echt niet in de hand, dat voelt U wel. Maar door de sneeuw en vorst van de laatste dagen hebben ze moeilijkheden met het transport. Dat maakt meteen alles een stuk duurder."

"Ja ja, het zal allemaal wel zo zijn," zegt Miek met een gezicht alsof haar die verklaring maar matig interesseert. "Weet U, wat we doen? Geeft U maar tien kilo van die duin aardappelen, maar dan voor de prijs van de goedkope. En helpt U me even vlug weg, want ik heb haast."

Het gezicht van de groenteman is een daalder waard om te zien. Een paar huisvrouwen, die ook aan de kar staan, schieten in de lach.

"Goed zo Mieke!" roept er eentje.

"Ja maar, luister nu eens even, dat gaat echt niet!" zegt de groenteman nog, maar Mieke interrumpeert hem meteen.

"Toe man, klets nu niet," zegt ze. "Hier heb ik een paar emmers, doe het daar maar in. 'k Heb een erg dure week, en daar moeten alle leveranciers me een beetje doorheen helpen."

En de groenteman is zo goed niet of hij doet, half boos en half lachend, de tien kilo aardappelen in de emmers.

"Prachtig," zegt Mieke. "En nu nog twee kilo andijvie." En met een genadig knikje er achter aan: "Daar mag U gerust de prijs voor berekenen die er voor staat. Die korting. Tenslotte neemt niet iedereen tien kilo tegelijk."

Dan geeft de groenteman zich helemaal gewonnen. Tegen zo'n redenering kan hij niet op, dat wil hij best toegeven. Alleen is hij nu wel genoodzaakt om alle omstaande huisvrouwen de goede aardappelen tegen de lage prijs te geven, want die zullen het natuurlijk niet nemen als zij het volle pond moeten betalen, dat begrijpt hij wel. Mieke bemoeit zich daar verder echter niet mee. Ze heeft er plezier van, dat ze de leverancier zo heeft overrompeld dat hij geen tegenspraak meer wist te verzinnen. Eigenlijk maakt ze een beetje misbruik van het feit dat hij haar dankbaar is voor alle klanten die ze hem heeft bezorgd maar ze vindt zelf dat ze daar ook wel een beetje recht op heeft.

Ziezo, die twee dubbeltjes, die ze er heeft uitgeslagen, gaan in een apart potje, dat al tamelijk zwaar begint te worden. Dat is zo'n soort reservepotje, waar alle extraatjes in gaan. Vader geeft haar gewoon huishoudgeld, zoals hij dat met moeder ook altijd gewend was, dus moet Mieke rekenen en passen zoals iedere huisvrouw. Ze verdeelt dus direct alles in gedachten. Zoveel voor de bode van het ziekenfonds, zoveel voor de kinderen, oudercommissie, melkgeld enzovoorts en dan zijn er verder nog een paar regelmatig terugkerende dingen, waarvan het bedrag vast staat. Toen vader zag, dat Miek de zaak best aan kon, heeft hij haar verder de volle vrijheid gegeven om het huishoudgeld te besteden zoals haar dat zelf het beste leek. In het begin woog de verantwoordelijkheid daarvoor wel erg zwaar, maar langzamerhand is ze daar wel aan gewend geraakt. Uit voorzorg heeft ze echter dat speciale spaarpotje gemaakt voor het geval ze eens een erg dure week mocht hebben.

Maar tot nu toe heeft ze het nog nooit aan hoeven te spreken, integendeel, er is steeds in gegaan.

Nee, wat dat betreft maakt Mieke zich geen enkele zorg. De enige zorg die ze wel eens heeft, is die voor de houding van de andere kinderen. Gelukkig staat vader altijd achter haar en keurt haar optreden altijd onvoorwaardelijk goed, maar toch voelt Mieke zelf het beste dat ze soms echt niet is opgewassen tegen het optreden van haar jongere zusje en de tweelingen.

Als ze daar even over na staat te denken in de keuken, komt het stel juist binnen stormen.

"Mieke, we gaan sleetje rijden van de dijk af!"

Met verhitte gezichten schreeuwen ze het tegelijk uit, terwijl ze met de schoenen vol sneeuw de gang in willen dringen.

"Als jullie niet als een haas naar buiten gaat om die rommel van je schoenen te doen, dan komt er van dat sleetje rijden niets, helemaal niets!" is het antwoord van hun zuster.

"Ja maar, we hebben haast! De andere jongens zijn er al naar toe!"

"Als jullie meteen naar huis waren gekomen, had je alles op je gemak kunnen doen. En bovendien, al komen jullie tien minuten later dan de anderen, dan is er nog niets aan hand. Je hebt nog minstens een uur tijd voor we moeten eten. En nu naar buiten!"

Maar het tweetal maakt nog helemaal geen aanstalten om aan het bevel te voldoen.

"Maar we moeten de slee ook nog van de zolder halen," houdt Jaap aan.

"Best mogelijk," geeft Miek te kennen. "Maar zo komen jullie er toch niet in."

Meteen loopt ze terug naar de keuken; voor haar is de zaak afgedaan. Uit voorzorg steekt ze nog even het sleuteltje van de zolder bij zich, zo dat de jongens dat duidelijk kunnen zien.

Pruttelend begeven die zich weer naar buiten. Een minuut later staan ze al weer binnen; inderdaad hebben ze nu de ergste rommel van hun schoenen verwijderd. Ongevraagd geeft Mieke ze dan meteen het sleuteltje, waarna ze joelend naar boven gaan.

Een beetje bedaarder komt Ans binnen. Ze heeft een vriendinnetje meegebracht, dat een beetje schuchter mee naar binnen loopt. Mieke schrikt al een beetje; als die hier vanmiddag blijft plakken kan het weer een heerlijke pan worden in huis. Ans heeft als gewoonte om vriendinnen die bij haar thuis komen, al haar spulletjes te laten zien. Uit alle hoeken en gaten wordt de boel dan vandaan gehaald en vaak moet Mieke haar dan nog vertellen waar ze dit of dat heeft neer gelegd. En al is Ans echt niet zo'n herrieschopper als de twee jongens, aan opruimen heeft ze toch in het algemeen het land.

Maar gelukkig, het loopt anders.

"Vind je goed dat ik met Kitty ga schaatsen?" vraagt Ans.

Eerst kijkt Mieke een beetje wantrouwend een dergelijke onderdanigheid is ze van haar zusje helemaal niet gewend. Maar ze kan niets verdachts ontdekken in het gezicht van haar jongere zusje, en daarom zegt ze, zo gewoon mogelijk:

"Welja kind, ga jij je gang maar."

Kitty kijkt haast dankbaar naar Mieke, omdat die zo vlot haar toestemming geeft, en opeens voelt Mieke zich geen drie, maar minstens tien jaar ouder dan dat stelletje. Een beetje vertederd kijkt ze ze even later na, zonder dat het tweetal daar erg in heeft. Hevig in gesprek stappen ze in de richting van Kitty's huis om diens schaatsen te gaan halen. Als dat gebeurd is, ziet Miek ze even later nog een ogenblik, alvorens ze de hoek om slaan en verdwijnen in de richting van de ondiepe gracht, die achter het volgende blok huizen loopt.

Peinzend en, zonder dat ze het zelf merkt, af en toe met een zucht, staat Mieke nog een poosje voor het raam te kijken naar het winterse schouwspel in de straat. Een paar hummels hebben een klein eindje verder op de stoep een glijbaan gemaakt. Jongens en meisjes lopen af en toe voorbij met de schaatsen bungelend over de schouders. Velen zijn er van Mieke's leeftijd en als ze die ziet, komen de zuchten, die haar ontsnappen zonder dat ze er erg in heeft. Het zijn bijna allemaal jongens en meisjes waarmee ze op school heeft gegaan. De meesten van hen gaan nog alle dagen naar de Mulo of de HBS, een enkele werkt op een kantoor en heeft om de een of andere gezochte reden vrij weten te krijgen. Vooral dat laatste steekt Mieke een beetje. Die schoolgaande kinderen, ook al zijn ze dan van haar eigen leeftijd, beschouwt ze werkelijk als kinderen, waar ze zelf eigenlijk al niet meer bij hoort. Maar dat iemand rustig zijn werk in de steek laat, en Mieke weet zeker dat er zo een paar bij zijn, dat kan ze niet helemaal velen. Zelf moet ze zorgen dat alles blijft draaien. Vader zou vreemd kijken als vanavond alles niet was, zoals hij het de laatste tijd gewend is. En die anderen hebben er gewoon maling aan, ze doen precies waar ze zin in hebben.

Miek realiseert zich zelf niet, dat ze een beetje voorbarig is, en wat bevooroordeeld. Inderdaad zijn er misschien wel een of twee van de meisjes en jongens, die spijbelen van hun werk, maar ze voelt op het ogenblik niet het onredelijke van het feit, dat ze nu meteen al die meisjes en jongens over één kam scheert.

En dan, plotseling zonder er verder bij na te denken, neemt ze ineens een besluit. Zij gaat ook naar het ijs vanmiddag! O, niet de hele middag, ze zal heus zorgen dat alles in orde is als het stel vanavond thuis komt; maar een uurtje mag ze toch warempel wel eens voor zich zelf nemen, dat heeft ze heus wel verdiend.

Snel schiet ze haar jas aan, voor zich zelf bang dat ze op haar besluit terug zal komen. Toevallig heeft Ans gisteren haar schaatsen, tegelijk met die van zich zelf, van de zolder gehaald.

Een paar minuten later staat ze al buiten. De sleutel heeft ze bij de buurvrouw afgegeven, zodat de jongens er in kunnen wanneer die eventueel eerder thuis zijn dan zij zelf. Een gevoel van vreugde en onbezorgdheid doorstroomt haar, als ze even later het glimmende ijs ziet, dat druk bevolkt is. Mieke konstateert die onbezorgdheid met een beetje schuldig gevoel, dat ze echter haastig onderdrukt. En het valt haar helemaal niet moeilijk, vooral als direkt een paar vroegere klasgenootjes van haar op haar af komen en haar enthousiast begroeten.

Mieke is altijd erg populair geweest in de klas en daarbuiten en het doet haar goed als ze merkt dat die populariteit nog niet is uitgewerkt.

Maar toch doet het weer even onaangenaam aan als Lies Robbers roept: "Hallo huisvrouw, heb je je boeltje in de steek gelaten?"

Ze zegt het zonder enige kwade bedoeling en Mieke weet dan ook, gelukkig, sportief te reageren.

"De boog kan niet altijd gespannen staan, heb je nooit van dat spreekwoord gehoord?" roept ze vrolijk terug.

"Wat je gelijk hebt Miek!" valt Ronny Leefsma haar bij, het meisje waar Mieke het laatste jaar naast heeft gezeten in de schoolbank.

Het wordt een heerlijk uurtje. Vergeten is de zorg om aardappelen die helemaal stuk zijn gekookt, voordat ze van binnen gaar zijn, vergeten is de rommel die ze beslist straks zal vinden als de tweeling eerder thuis is dan zij.

Vrolijk babbelend en honderd herinneringen ophalend krast Mieke met de andere meisjes in het rond. Het is een vierjarige Mulo waarop ze heeft gezeten, en de andere drie gaan er nog naar toe.

"Hoe is het met meneer Bolijn?" vraagt Mieke.

Meneer Bolijn beschouwde haar altijd een beetje als zijn pupil, omdat ze in zijn vak, de Franse taal, verreweg de beste van de klas was.

"De Bolle bedoel je?" vraagt Ronny. "O, die maakt het prima. Hij heeft het nog wel eens over je, als ik mijn Franse thema's weer eens beloond heb gezien met een onvoldoende. Dan stelt hij je wel eens als voorbeeld. Op die momenten krijg ik een afschuwelijke hekel aan je."

Allen lachen.

"Hij zou me altijd nog eens een keertje op komen zoeken," zegt Mieke vrolijk. "Maar tot nu toe heb ik hem nog niet gezien. Niet dat het me spijt hoor!" voegt ze er aan toe, maar ze voelt dat ze bij die woorden een kleur krijgt en daarom wendt ze snel haar gezicht af.

De Bolle is een nog jonge man, die uitstekend met zijn klas overweg kan. Hij verlangt van zijn leerlingen dat ze voor de volle honderd procent hun aandacht bij de lessen hebben, en als de leerlingen daartoe bereid zijn, kan hij op zijn beurt best een grapje velen en doet daar zelfs af en toe graag aan mee. Miek herinnert zich een vakantiereisje, dat ze eens in klasseverband hebben gemaakt naar de grotten in de Sint-Pietersberg. De hele klas heeft hij onderweg vermaakt met zijn grappen en alle kinderen hingen aan zijn lippen. Ofschoon ze toen toch al in de tweede klas van de Mulo zaten, hebben ze allemaal met hart en ziel in de speeltuin gespeeld die daar in de buurt was, onder leiding van de leraar Frans, die zelf het hoogste ging in de schommel, het snelst ronddraaide in het kleine draaimolentje, dat met handkracht in beweging gebracht moest worden.

Maar toen later in de Sint-Pietersberg een paar jongens achterbleven bij de rondleiding, heeft diezelfde meneer Bolijn de twee knapen zo ongenadig afgeblaft, dat hun plezier voor die dag grondig bedorven was. De gids, die hen begeleidde, had hen uitdrukkelijk gewezen op het gevaar dat er in school, wanneer men hier verdwaalde, maar desondanks hadden de twee knullen toch op zeker ogenblik de hele groep laten gaan en waren een vijftig meter achter gebleven. Later bleek dat ze een zaklantaarn bij zich hadden. Gelukkig had de onderneming maar kort geduurd, want een honderd meter verder had de gids de hele groep om zich heen verzameld om ze op een paar dingen te wijzen en de geschiedenis daarvan te vertellen. En aangezien meneer Bolijn zijn pappenheimers door en door kende, had die meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om even appèl te houden.

Zodoende was de hele klas binnen de kortst mogelijke tijd weer verzameld, maar Mieke zou nooit vergeten welk een indruk het op haar had gemaakt toen de twee knapen daar ter plaatse een uitbrander kregen, die er wezen mocht. Overigens kon zij geen kwaad doen bij de leraar en dat kwam toch niet omdat ze, zoals dat in schoolkringen heette, "met de stroopkwast werkte". Ze was eenvoudig één van de beste leerlingen uit de klas, daarnaast altijd vriendelijk en vrolijk tegenover iedereen en dus was het geen wonder dat ze bij iedereen in de gunst viel, ook bij de leraren. Iedereen had haar beklaagd, toen ze van school af ging zonder in de gelegenheid te zijn, haar einddiploma te halen, meneer Bolijn voorop. Die was zelfs zo ver gegaan, haar toe te zeggen dat hij haar 's avonds wel les wilde geven. Maar Mieke's gedachten stonden toen niet naar Franse lessen in de avonduren en daarom had ze eigenlijk niet direct gretig toegehapt op het aanbod. Nu ze zo weer met haar vriendinnen samen was, kreeg ze er wel spijt van, maar ze zette dat gevoel meteen weer van zich af. Tenslotte was er nu toch geen kijk op dat haar idealen verwezenlijkt zouden worden, het ideaal om later onderwijzeres te worden. En als alleen haar kennis van de Franse taal haar daarbij had kunnen helpen, zou ze waarschijnlijk nog anders gereageerd hebben.

Mieke begreep best dat, ook al kwam moeder eerder thuis dan iemand had durven hopen, ze nog het eerste jaar niet in staat zou zijn, om een huishouding van vijf mensen behoorlijk draaiende te kunnen houden. Ze had zich dan ook beslist voorgenomen om thuis te blijven, net zo lang tot dat moeder weer helemaal de oude zou zijn of totdat er een andere bevredigende oplossing zou zijn gevonden. Maar voorlopig was er geen kijk op een van beiden en dus had ze zich al voorbereid op minstens een paar jaar huishoudelijk werk.

Toen al die gedachten vlug door haar hoofd gingen, haalde ze even de schouders op. Op het ogenblik heeft ze te maken met een andere realiteit, eentje die niet zo prettig is, maar toch soms ook wel voldoening schenkt.

Maar kom, ze zal nu nog zo veel mogelijk genieten van het vrije uurtje dat ze zich zelf heeft gegund. Het gesprek van de meisjes wordt trouwens abrupt afgebroken, want een stel jongens dat langs schaatst, dwingt hen om mee te rijden in een lange rij, die ze hebben geformeerd. En die laten zich daar nogal gewillig toe dwingen.

Miek geniet met volle teugen. Als ze Ans ziet, steekt ze jolig haar arm omhoog. Haar jongere zusje kijkt even verbaasd naar haar. Ze is het niet van Mieke gewend, althans de laatste tijd, dat zij de huisdeur achter zich sluit als het niet strikt noodzakelijk is.

Maar Mieke trekt zich er nu niets van aan. Ze maakt plezier met de anderen, ze lacht en heeft de grootste pret.

Ze is weer een uurtje zoals ze vroeger was, jong en onbezorgd!

HOOFDSTUK III

Met Ans loopt ze wat later naar huis terug, nu een beetje stilletjes. Terwijl ze haar schaatsen af zat te binden, is haar plotseling in gedachten gekomen, dat ze nog niet eens melk in huis heeft voor vanavond!

Gewoonlijk komt de melkboer om een uur of twaalf, maar waarschijnlijk in verband met het weer is hij de laatste dagen steeds wat later gekomen. Een melkwinkel is er niet in de omgeving, dus voor Mieke zal er niet veel anders opzitten dan er twee straten voor om te lopen. Onderweg zal ze dan eerst even de schaatsen naar huis brengen, dat ligt dan toch in dezelfde richting. In gedachten opent Mieke de buitendeur en wil dan naar de deur van de buren lopen, die aan de hunne grenst in het brede trapportaal.

Van achter die deur klinken kwade stemmen. Blijkbaar heeft de buurvrouw het weer eens te kwaad met een van haar jongens. Ze heeft twee zoons, één van veertien, Ab heet hij, en één van een jaar of zestien, die naar de naam Herman luistert. De laatste schijnt nu het slachtoffer te zijn van haar kwade bui.

Even aarzelt Miek bij de deur. Ze voelt er weinig voor om er nu naar binnen te gaan, omdat ze het een beetje indiscreet vindt. Maar van de andere kant moet ze toch haar sleutel terug hebben, want zonder die kan ze niets doen. Niet alleen dat ze haar schaatsen graag kwijt wil, maar ze heeft ook geen geld bij zich gestoken, voordat ze naar het ijs ging. En omdat ze bijna nooit bij die melkboer in de winkel komt, kent deze haar ook niet en zal hij er weinig voor voelen om haar crediet te geven.

Achter zich hoort ze Ans giechelen, en onwillekeurig moet ze mee lachen. Het is dan ook wel een dwaze situatie!

Daar staan ze met zijn tweetjes te wachten totdat het mevrouw Goethart en diens veelbelovende zoon Herman belieft om een einde te maken aan hun woordenwisseling! En voorlopig schijnt daar nog geen sprake van te zijn, want nadat Herman iets heeft gezegd op een wrevelige toon, begint mevrouw Goethart aan een nieuwe demonstratie van haar welsprekendheid.

"Uilskuiken!" horen Miek en Ans haar zeggen. "Wat doe je ook altijd je tijd te verspillen met allerlei nutteloze dingen! Daar zit ik me langer dan een uur te wachten tot meneer eindelijk eens zin heeft om naar huis te komen, en de ene keer dat hij dan eens iets mag vergeten, doet hij het natuurlijk prompt niet!"

In het trapportaal begint weer een onbetamelijk gegiechel, nu aangevoerd door Miek, die alles woordelijk kan verstaan, zo luid wordt er nu gesproken. Dat is nu weer echt een redenering voor de buurvrouw! Geen mens zal anders op het idee komen, iemand te verwijten dat hij iets niet heeft vergeten, maar zij gebruikt het juist als argument tegen zoonlief. Dit neemt zoonlief natuurlijk niet en neemt prompt het woord over.

"Ssst", doet Miek op de gang, als ze ziet dat haar zusje iets wil zeggen.

Ze amuseert zich kostelijk, al weet ze heel goed, dat het ongepast is iemands gesprekken af te luisteren. Maar deze keer neemt ze het niet zo nauw, want tenslotte is het niet belangrijk, wat er daarbinnen besproken wordt. Hoogstens is het zo, dat ze nu een dag eerder hoort, wat ze anders uit de mond van mevrouw Goethart zelf gehoord zou hebben. Die maakt er helemaal geen geheim van, dat ze af en toe zwaar overhoop ligt met een van de jongens, en soms wel met allebei tegelijk.

"Dan had U die belabberde boodschap zelf maar direct moeten doen," komt de stem van Herman.

"Welja, vooral niets voor je moeder doen, de jongens mochten je er eens om uit lachen!" kijft mevrouw Goethart slagvaardig terug.

Ook de logica van deze redenering ontgaat de beide meisjes, maar ze amuseren zich kostelijk. Als het werkelijk een ernstige ruzie zou zijn, hadden ze zich al direct terug getrokken, maar dit soort gesprekken is schering en inslag en meestal een paar dagen daarna al weer vergeten.

"Ik zal er eens met je vader over spreken vanavond, eens horen wat die daar van denkt," klinkt de stem van de buurvrouw.

"U doet maar, waar U zin in heeft," zegt de ander brutaal.

Hij weet langzamerhand wel, dat zijn moeder dit toch niet doet, want dan zijn de jongens de eerste dagen helemaal niet te hanteren. En bovendien gaat mevrouw Goethart er altijd een beetje prat op, dat zij het met haar twee knapen best kan klaren, zoals ze het uit drukt.

"Voor galg en rad groeien jullie op!" vervolgt mevrouw Goethart onverdroten, alsof ze de woorden van haar zoon niet heeft gehoord.

"Dat is dan waarschijnlijk Uw eigen schuld, want U bemoeit zich de hele dag met onze opvoeding. Het hangt me af en toe de keel uit," geeft haar lieveling te kennen, en dat is een redenering, waar buurvrouw niet zo gauw verweer tegen heeft.

Het is dan ook bijna een halve minuut stil achter de deur. En juist als Mieke de stoute schoenen aan wil trekken, omdat ze denkt dat het "gesprek" is afgelopen, hernieuwt mevrouw Goethart de aanval.

"Nog een zo'n brutale opmerking en ik smijt je de deur uit!"

Nu mevrouw merkt, dat haar woorden toch geen enkel effect sorteren, wordt ze pas goed kwaad.

Miek slaakt een zucht. Ze vindt het nog steeds amusant, maar ze kan toch geen half uur voor die gesloten deur blijven wachten? Ook Ans begint tekenen van onrust te vertonen, de aardigheid begint er ook voor haar kennelijk een beetje af te raken.

Dan komt Miek op een helder idee. Ze gaat gewoon weer naar buiten en dan belt ze aan bij de buren! Dat ze daar niet direkt op is gekomen! Het loopt allemaal in de war op deze manier, en ze kan nu toch werkelijk geen minuut meer verliezen. Het is nog een geluk dat de tweeling niet eerder thuis zijn gekomen dan zij, want anders had ze eerst waarschijnlijk nog een half uurtje moeten ruimen ook.

"Ik ga uit me zelf al weg, maakt U zich geen zorg!" hoort ze nog juist, voordat ze zich omdraait om naar buiten te lopen. "Dan kunt U mijn portie vanavond ook nog opeten!"

En dan gebeurt het. De deur vliegt open en Herman komt met een kwaad gezicht naar buiten. Maar nog voor dat hij buiten is, vliegt er iets achter hem door de lucht.

Nog juist op tijd weet hij zich te bukken en een witte bal vliegt de gang in. Hoe het eigenlijk allemaal precies is gebeurd, weet niemand later meer, maar plotseling staat Mieke met een groot pak zuurkool in haar armen, dat ze met een reflexbeweging heeft opgevangen.

Het domverwonderde gezicht van Mevrouw Goethart is werkelijk onbetaalbaar, als ze achter haar zoon, de gang in kijkt. Maar ook de gezichten van het andere drietal staat op dat ogenblik allesbehalve intelligent, want ze weten zich geen van allen een houding te geven.

Dan barst Ans in een lachbui uit en van de weeromstuit lacht iedereen tenslotte maar mee. Mieke staat nu een beetje te draaien met haar pak zuurkool, waarvan het papier stuk is gegaan. Mevrouw Goethart is de eerste, die ophoudt met lachen, maar haar woorden veroorzaken weer een nieuw salvo bij de anderen.

"Sta daar toch niet zo te lachen, brutale rekel, die je bent!" berispt ze haar zoon. "Wees liever galant tegenover je buurmeisje en neem dat pak van haar over!"

"Maar natuurlijk mam," antwoordt hij, terwijl hij knipoogt.

"Je hoeft niet te denken, dat ik dat knipoogje niet zag," zegt mevrouw Goethart.

"Nu, ik bedoel er helemaal niets mee, ik heb wel eens meer last van zenuw op mijn oog."

"Ja, praatjes heb je genoeg," antwoordt mevrouw Goethart. "Voor mij ben je een grote lanterfanter."

Maar die uitlating vindt Mieke toch wel wat te erg en daarom vergoelijkt ze "lanterfanten doet hij toch echt niet."

"Pff," doet haar buurvrouw. "Om twee uur heb ik meneer gevraagd of hij even een kilo zuurkool wilde halen. Dat wilde ik vandaag eten, en dan aan het einde van de week nog een keer! Nu zit ik met de zuurkool voor vier dagen. Hier is je sleutel kind, dan ga ik nu gauw aan het werk."

"En jij blijft hier!", dat laatste tegen haar zoon.

Meteen pakt ze hem bij zijn mouw en trekt hem naar binnen.

Bom, de deur gaat dicht en Mieke met haar zusje rest niets anders dan nu ook maar naar binnen te gaan.

Ja, het is een levendige trap waar ze wonen! De zusjes babbelen er nog een tijdlang over na, terwijl Ans bereidwillig haar zusje helpt bij de toebereidingen voor het avondeten. Weldra komen nu ook Jaap en Joep thuis; het loopt al tegen donker. Voor deze keer wil Miek er echter niets van zeggen, daarvoor voelt ze zich zelf een beetje schuldbewust. En wonder boven wonder zijn de jongens zo mak als lammetjes, zodat er verder geen enkel boos woord meer valt.

Klokslag zes uur komt vader binnen, en weldra zit het gezelschap dan aan tafel. Daarna vlug even afruimen en dan wacht de lange winteravond, die Miek meestal lezend doorbrengt. Vanaf het moment waarop ze de huishouding, zo goed en zo kwaad als dat ging, overnam, heeft haar vader haar vrij gelaten in de tijd waarop ze naar bed wil gaan. Meestal is dat tegen een uur of tien, soms ook wel later, als ze in gesprek met vader is geraakt. Vooral wanneer ze het over de thuiskomst van moeder hebben wordt het ongemerkt gauw laat.

Vooralsnog is hij vanavond niet erg spraakzaam. Vader heeft het de laatste tijd erg druk met zijn werk, en dan is hij vaak te moe om nog gesprekken met de kinderen te houden. Tenzij Mieke hem zijn mening over het een of ander vraagt natuurlijk.

Hè hè, het is acht uur, de tweeling is naar bed en dat geeft meteen een grote rust in huis. Zolang dat drukke stel over de vloer is, is er eigenlijk geen sprake van, om eens op je gemak te zitten. Maar buiten zijn ze twee gezworen vrienden, maar zodra ze onder elkaar zijn, hebben ze om de minste reden soms onenigheid. Als de een met een bepaald stukje speelgoed bezig is en de ander heeft daar toevallig zijn zinnen op gezet, kun je er steevast van op aan, dat ze binnen de kortst mogelijke tijd de grootste ruzie hebben. Wie de schuldige is, is nooit te achterhalen, maar minstens één keer per avond moet vader ze uit elkaar halen, wanneer ze elkaar weer eens in de haren zijn gevlogen.

Ans zit nog wat huiswerk te maken en Miek begint haar avond met een brief te schrijven aan moeder.

"Ga je moeder schrijven?" vraagt vader als hij haar briefpapier en een ballpoint ziet pakken.

En als Mieke knikt, legt hij zijn krant opzij.

Illustratie op pagina 40"Ik doe ook mee," zegt hij. " 'k Had het gisteren al willen doen, maar toen wist ik werkelijk niet wat ik moest schrijven. Misschien gaat het nu beter. Kijken wie het eerst een paar kantjes vol heeft?"

"Top," zegt Mieke, "dat wil ik wel eens tegen U opnemen! Maar houdt U er wel rekening mee, dat ik vandaag een heleboel beleefd heb."

Ze moet denken aan de geschiedenis met de zuurkool van mevrouw Goethart. Daar zal ze eens een smeuïg verhaal van vertellen. Moeder heeft veel gevoel voor humor, en het zijn juist die dingen die, wanneer ze ze leest, haar weer een beetje thuis doen voelen bij de rest van haar gezin.

"Nou, ik ook!" antwoordt vader. "Ik heb vandaag dingen beleefd, waar jij totaal geen idee van hebt, en waar je vreemd van op zou kijken als je ze hoorde."

Mieke antwoordt niet eens meer, wat overigens niet erg behoorlijk is. Maar ze heeft een prachtig begin gevonden voor haar brief, en voordat ze dat kwijt is, wil ze het gauw opschrijven.

"Lieve moeder", begint ze. "Vandaag wil ik eens beginnen met een bekentenis, en niet zoals altijd met de vraag hoe het wel met U is. Daar kunt U me toch nooit direct op antwoorden en ik hoop dat U dat wel vertelt in de volgende brief, die wij, hoop ik, weer spoedig van U zullen ontvangen. En nu dan die bekentenis."

Voldaan kijkt Mieke naar wat ze heeft geschreven. Zo, dat is tenminste eens wat anders dan dat afgezaagde begin van alle voorgaande brieven, zo van: "Hier is alles goed, bij U ook hoop ik?"

En dan gaat ze verder met haar "Bekentenis".

Ze vertelt van het schaatsenrijden van vanmiddag en haar belevenissen op het ijs. In gedachten ziet ze het glimlachende gezicht van moeder voor zich. Ze weet nu al, wat het antwoord zal zijn. Moeder vindt dat soort dingen helemaal niet erg. Ze weet zelf het allerbeste, welk een verantwoordelijke taak Mieke op haar jonge schouders heeft genomen, en gunt haar daarom best een pleziertje. Een tijdlang is het stil in de kamer. Alle drie zitten ze ijverig te schrijven, vader en Mieke aan de brieven. Ans aan haar huiswerk. Af en toe slaakt de laatste een diepe zucht wanneer de een of ander opgave haar een beetje te zwaar voorkomt. Zij is de eerste die, om kwart voor negen, iets zegt. Dan is het haar tijd om naar bed te gaan. Met een klap gaan de cahiers en het boekje met de opgaven dicht en komt ze naar vader, om die een nachtzoen te geven.

Haast een beetje verstoord kijkt Mieke even op, als haar jongere zus ook haar een vluchtige zoen geeft, maar meteen is ze weer vertederd.

"Welterusten Ans", zegt ze, en staat op, om de zoen van Ans te beantwoorden met een stevige pakkerd.

IJverig schrijven ze daarna verder, vader en zijn oudste dochter. Af en toe, als haar stof dreigt op te raken, kijkt Miek even verstolen op naar de vorderingen van vader. Die is minstens even ver als zij, ook al aan zijn derde kantje. Dan gaat Mieke ook nog door. Wacht, ze heeft al weer stof; ze gaat verder met moeder te vertellen van de weddenschap die ze met vader is aangegaan. Dat heeft dan tweeërlei doel, zij kan er minstens een heel kantje over uitweiden, en die lieve moeke heeft nog een extra toegift.

Maar als ze ook dat uitvoerig heeft verteld, geeft ze het toch op, ze weet echt niets meer te vertellen, dat moeder eventueel kan interesseren. En vader blijft maar door pennen, die is nog lang niet aan het einde van zijn Latijn, naar het schijnt. Wat zou die toch allemaal te vertellen hebben? Mieke wordt werkelijk een beetje nieuwsgierig. Anders komt vader nooit verder dan twee, hoogstens drie kantjes en nu is hij al aan zijn vijfde bezig!

Maar als die vol is, is ook vader blijkbaar aan het eind van zijn verhaal gekomen. Mieke ziet hem de brief besluiten met een forse uithaal van zijn pen, de ondertekening van het epistel. Glimlachend leest hij nog even enkele passages door, dan kijkt hij zijn dochter aan.

"Ziezo, dat heb ik glansrijk gewonnen, is het niet?" zegt hij.

Mieke knikt.

"Tja, je zult je wel hebben afgevraagd, wat ik allemaal voor nieuws te vertellen had. Wel, het zijn helemaal geen geheimpjes, integendeel, het raakt jou in de eerste plaats. Ik had vandaag een telefoongesprek dat jou bepaald zal interesseren."

"Een telefoongesprek, dat mij interesseert?" vraagt Mieke verbaasd.

"Ik werd vandaag opgebeld door een zekere meneer Bolijn", zegt vader. "Die naam ken je zeker wel?"

"Ja natuurlijk, dat is mijn leraar Frans geweest," zegt Miek, zo mogelijk nog verbaasder. Dat is ook toevallig; vandaag hebben ze het op het ijs ook al over hem gehad!"

"Hij vroeg, hoe het met je ging," gaat vader door.

"En wat heeft U gezegd?" vraagt Mieke een beetje gespannen.

"Wel, dat je het best maakte, natuurlijk. Overigens scheen jij nog al goede maatjes met hem te zijn, is het niet? Hij vertelde tenminste, dat jij altijd een van zijn beste leerlingen geweest bent, zo niet de allerbeste."

"Ja, dat kan heel goed zijn," zegt Mieke.

Ze begrijpt er nog steeds geen steek van, waarom de Bolle vader daar zo nodig over op moest bellen. Dat zal toch bepaald niet geweest zijn om dat aan vader te vertellen?

"Wat wil jij later worden Miek?" vraagt vader onverwachts, en die vraag overvalt Mieke volkomen, zo volkomen, dat ze meteen voor de waarheid uitkomt.

"Ik had altijd graag onderwijzeres willen worden," zegt ze. "Maar dat heb ik nu uit mijn hoofd gezet, omdat ik nu natuurlijk niet meer kan studeren. Daarvoor moet je op zijn minst einddiploma hebben van de Mulo, alvorens je wordt toegelaten tot de kweekschool."

En dan komt de grote verrassing.

"Meneer Bolijn heeft me alle medewerking toegezegd om te zorgen dat jij je einddiploma haalt," zei vader langzaam, maar heel nadrukkelijk. "Tenzij je natuurlijk inmiddels van gedachten bent veranderd en er nu niets meer voor voelt. Maar als dat wel het geval is, ik bedoel dus eigenlijk, dat je niet van gedachten bent veranderd, dan komt hij vrijdagavond bepraten, hoe dat het beste opgelost kan worden."

En dan heeft Mieke geen woorden meer. Het enige wat ze kan doen, is met haar hoofd knikken, ten teken dat ze het geweldig vindt.

HOOFDSTUK IV

Het zijn dagen vol goede berichten. Was daar eerst het verhaal van vader over zijn gesprek met meneer Bolijn, de volgende ochtend bracht de post een brief van moeder, die ook al vol goed nieuws staat.

"Lieve man en kinderen," begint de brief. "Hierbij dan weer het laatste nieuws uit Zwitserland en laat ik er meteen aan toevoegen, goed nieuws dit keer. Om daar maar direct mee van wal te steken, de dokter is voor een paar uur terug bij me geweest. Dat is niets ongewoons, het gebeurt regelmatig natuurlijk. Maar wat wel ongewoon is, tenminste voor mij, dat is het feit dat ik mag wandelen in de omgeving van het sanatorium. Het wil natuurlijk nog niet zeggen dat ik binnen afzienbare tijd naar huis mag, maar het is toch een grote stap vooruit, dat weet iedereen hier.

Ik kan jullie niet vertellen, hoe blij ik daar mee ben.

Ook verder gaat alles hier nog steeds naar wens. De omstandigheden waarvoor ik hier zit even buiten beschouwing gelaten, heb ik het hier reusachtig naar mijn zin. De zusters en trouwens al het verplegend personeel hier, is buitengewoon hartelijk en iedereen staat dag en nacht voor je klaar."

Illustratie op pagina 90In één adem leest Miek de brief uit en dan holt ze vlug naar de buurvrouw, om die ook deelgenoot te maken van het goede bericht. Mevrouw Goethart leeft altijd enorm mee met het wel en wee van de familie. Ook nu reageert ze spontaan en geeft Mieke een flinke zoen. En dan praten ze er samen nog even over, hoe alles zal zijn als mevrouw Verhoef weer thuis is en alles zijn gewone gang weer gaat.

En buiten dat goede bericht dan nog het nieuws over het gesprek met de leraar. Als men Mieke heel diep in haar binnenste kijkt, vindt ze dat misschien nog belangrijker dan de berichten over moeder. Het is wellicht een tikkeltje egoïstisch geredeneerd, maar over de genezing van moeder heeft Mieke zich geen enkele zorg gemaakt, sinds ze wist dat zij in een voor haar gunstig klimaat verkeerde en onder uiterst deskundige behandeling was. Dan werd het tenslotte alleen nog maar een kwestie van tijd. Natuurlijk zou ze liever moeder vandaag dan morgen weer thuis zien, maar dat dat weer zou gebeuren stond wel als een paal boven water, zo redeneerde Miek in zichzelf.

Maar dat andere, dat had ze eigenlijk nooit meer verwacht. Ze had alle illusies in die richting volkomen overboord gezet, vanaf de eerste dag dat ze thuis gebleven was.

Het enige wat ze zich nog van de toekomst had voorgesteld, was wellicht een baan op het een of andere kantoor, waar ze niet op diploma's keken, maar meer naar ijver en intelligentie. En aan geen van beiden ontbreekt het Mieke gelukkig. Maar zo heel af en toe kwam de droom van vroeger toch wel weer naar voren, zoals dagen geleden, toen ze met haar oude klasgenoten op het ijs is geweest.

Als kind speelde Mieke al steeds dat zij de juffrouw was en haar poppen waren dan de leerlingen.

Als kind.... Mieke glimlacht even in zichzelf als die gedachte haar door het hoofd gaat. Naar de begrippen van volwassenen is ze nog steeds een kind, althans wat haar leeftijd betreft. Maar zelf voelt ze zich soms als een volwassene, die van niemand nog iets leren kan. Is het tenslotte niet het voorland van iedere jonge vrouw, dat ze eens een huishouding moet besturen? En doet zij dat niet nu al, met haar veertien jaar?

Toen ze de leeftijd van de poppen was ontgroeid, waren het haar vriendinnetjes die voor leerling moesten spelen, en vanzelfsprekend was zij ook nu weer de onderwijzeres, die berispte en ook op zijn tijd prijzende woorden uitdeelde. Dezelfde mevrouw Goethart, die ze zojuist deelgenoot heeft gemaakt van het nieuws over moeder, heeft het al eens gezegd.

"Dat kind is geknipt voor onderwijzeres," zei ze, toen ze samen met mevrouw Verhoef de meisjes een tijdlang had gadegeslagen in hun spel, dat met overgave werd gespeeld.

Mieke had het heel duidelijk zelf gehoord en de woorden waren beslissend geworden voor haar plannen in een later stadium van haar leven.

Lerares, of eigenlijk onderwijzeres, wilde ze worden. Onderwijzeres voor een stel jonge kinderen, die waren nog zo heerlijk spontaan. Met oudere kinderen wist je toch niet altijd waar je aan toe was. Aan een middelbare school kreeg je al te maken met kinderen van een jaar of dertien, en daar werd natuurlijk over niets anders gesproken dan over de lessen die er behandeld werden.

Al die dingen had Mieke zich natuurlijk niet direct zo tot in details gerealiseerd, maar het leek haar toch vanaf het begin al prettiger om met heel jonge kinderen om te moeten gaan. Die waren nog zo heerlijk open, ze vertelden dingen uit het dagelijks leven van thuis en op straat, die ze later wijselijk voor zich hielden.

Of "wijselijk"?

Mieke wist het zo precies niet. Ze had met meneer Bolijn wel eens vertrouwelijk gesprekken gevoerd als de gelegenheid daartoe zich voordeed. Helemaal geen dingen die andere meisjes deden giechelen, zoals kleine avontuurtjes met jongens, maar gewoon over allerlei dingen die haar interesseerde en waar hij een open oor voor had. Zoals bijvoorbeeld de ziekte van moeder, de moeilijkheden bij het vinden van iemand in de huishouding, en ook wel over haar voornemen, eenmaal voor de klas te zullen staan en heerlijk jong te blijven met de kinderen die ze dagelijks om zich heen had en die ze dan zou moeten leren hoeveel drie en acht is, en die ze zou moeten vertellen waarom je paal met twee a's schrijft en zal met één.

Ze had meneer Bolijn ook als eerste van de leerkrachten verteld dat ze van school zou gaan en waar dat ze dat aan zou kunnen, had het voor Mieke al vast gestaan; als het sukkelen bleef met huishoudsters, zou zij voortaan het werk zo goed mogelijk doen. Tenslotte had ze toen al genoeg gezien thuis om te weten, dat zij het er zeker niet slechter af zou brengen.

Meneer Bolijn had een tijdje niets gezegd. Mieke was bezig geweest, de planten in de klas water te geven, een karweitje dat de meisjes uit de klas bij toerbeurt deden. Nadenkend had hij een tijdje over zijn kin zitten wrijven, alsof hij het voor en tegen van dat voornemen zat te overwegen. Tenslotte had Mieke zelfs gedacht dat hij haar woorden niet had gehoord, maar dat bleek geenszins het geval.

"En je plannen om onderwijzeres te worden?" vroeg haar leraar. "Heb je daar wel aan gedacht?"

"Dat zal natuurlijk niet door kunnen gaan," zei Mieke beslist. En op een docerend toontje had ze er aan toegevoegd: "Wat het zwaarst is, moet tenslotte het zwaarste wegen nietwaar meneer?"

"Tja," had meneer Bolijn glimlachend toegegeven, "daar valt natuurlijk niets tegen in te brengen. Het valt zelfs in je te waarderen dat je er zo over denkt, en ik hoop eerlijk gezegd, dat je geen spijt zult krijgen van die woorden, al geloof ik dat niet."

Met die een beetje onduidelijke woorden was het gesprek beëindigd. Toen Mieke afscheid had genomen van de leraren en leraressen, had hij haar heel stevig de hand gedrukt.

"Als je het toch weer in je hoofd krijgt om onderwijzeres te worden, wil ik je graag helpen, zoveel in mijn vermogen ligt, dat weet je toch hè Mieke?" had hij nog gezegd.

Mieke had niet beter weten te doen dan hem te bedanken voor die bemoedigende woorden en sindsdien had ze niets meer van haar gewezen leraar gehoord.

En nu scheen hij zich zijn woorden weer te herinneren, zelfs zonder dat Mieke hem er aan had herinnerd! Mieke was overigens uiterst benieuwd hoe hij zich voor stelde, haar te kunnen helpen. Maar dat zal de tijd leren, en Mieke heeft geleerd dat ze geduld moet hebben, zeker waar het dergelijke belangrijke dingen betreft. Een klein beetje nerveus is ze overigens wel, al wil ze dat zich zelf niet eens bekennen en de paar dagen, die nog voor Vrijdag liggen, gaan langzamer voorbij in haar idee dan gewoonlijk. Anders vliegen soms de dagen, vooral als ze het druk heeft gehad en nu betrapt ze zich zelf er af en toe op dat ze 's middags om een uur of drie al op de klok zit te kijken, in de veronderstelling dat het al etenstijd is. Maar eindelijk is het dan toch zo ver. Ze heeft gezorgd dat de afwas bijtijds gedaan was. Vader is er speciaal een half uurtje eerder voor thuis gekomen, de kinderen, althans de tweelingen, zijn wat eerder naar bed gegaan en ook Ans loopt al in pyjama rond, gereed om direct naar haar kamertje te gaan als er gebeld wordt.

Meneer Bolijn is een echte onderwijzer wat de tijd betreft. Klokslag acht uur, de afgesproken tijd, wordt er gebeld, een kort resoluut belletje als van een gast die weet dat hij welkom is. Met een beetje rood gezicht doet Miek de deur open. Ze hoopt in stilte maar, dat vader en meneer Bolijn elkaar een beetje liggen, wat hun liefhebberijen en andere dingen betreft. Tenslotte is zij een beetje aangewezen op de rol van bemiddelaarster, want de twee mannen hebben elkaar wel eens ontmoet bij een avondje van de school, maar geen van beiden zal daar herinneringen aan over hebben gehouden die stof tot gesprek geven.

Maar alles valt gelukkig enorm mee. Al is vader dan niet wat men noemt een man van de wereld, meneer Bolijn heeft al zo vaak gesproken met de ouders van leerlingen uit zijn klas, dat het gesprek weldra op gang is, nadat Mieke beiden ten overvloede nog eens aan elkaar heeft voorgesteld. De leraar zelf is ook al een paar jaar getrouwd, iets wat Mieke eigenlijk nooit heeft geweten.

Als het gesprek een tijdje over koetjes en kalfjes is gegaan, richt hun gast zich tot Mieke.

"Zo," zegt hij, "daar zitten we dan wel over allerlei dingen te praten die erg interessant zijn, maar het lijkt me nu toch het beste als we maar meteen overgaan tot de zaak waar ik eigenlijk voor gekomen ben."

"Ja," knikt Mieke.

Wat moet ze daar nu op antwoorden?

"Je hebt misschien gedacht dat ik je totaal vergeten was, maar ik heb de laatste maanden erg weinig tijd gehad. Ik zat namelijk met dezelfde moeilijkheid, of eigenlijk narigheid, als hier, al is het bij mij gelukkig niet zo erg en nu al weer achter de rug. Mijn vrouw heeft precies vijf maanden thuis in bed gelegen en die vond het niet erg leuk als ik iedere avond weg zou gaan."

Die opmerkingen vertragen de loop van het gesprek natuurlijk weer, want vader, blij dat hij eens met iemand kan praten over zijn moeilijkheden, informeert meteen belangstellend naar het verloop van de ziekte.

"Ik heb eens met het hoofd van de school gesproken toen je bij ons vandaan bent gegaan," neemt meneer Bolijn tenslotte de draad weer op.

"Kijk eens Miek, je bent een meisje die weet wat ze wil, dat heb je alleen al bewezen door zo moedig dit werk op je te nemen. Maar je hebt er vaak over gesproken dat je onderwijzeres zou willen worden. En voordat ik hier kwam, zelfs voor dat ik je vader opbelde, heb ik eerst eens links en rechts geïnformeerd of je nu helemaal van dat plan was afgestapt of dat het alleen maar een tijdelijk oponthoud van je studie zou zijn."

"Ik ben bang dat het wel helemaal van de baan zal zijn," antwoordt Mieke een beetje bedrukt. "We hebben nu wel goede berichten gehad van moeder, maar dat wil natuurlijk helemaal nog niet zeggen dat ze binnen een paar maanden weer thuis zal zijn. En zelfs al was dat zo, dan kan ze toch voorlopig al het werk nog niet aan, en kan ik haar dus moeilijk in de steek laten."

De onderwijzer knikt.

"Natuurlijk," zegt hij. "Ik had niet anders verwacht dan dit antwoord van je. En juist omdat je zo'n prachtig karakter hebt, zou het jammer zijn als je daardoor alle kansen, en wat dat betreft de beste jaren van je leven, ongebruikt voorbij zou laten gaan. Nu valt het leren je nog vrij gemakkelijk, maar over een jaar of twee misschien wordt dat moeilijker, tenminste als je al die tijd niets hebt kunnen doen aan je ontwikkeling."

Kleurend door de opmerking van de leraar over haar karakter, knikt Mieke nog maar eens. Ze heeft er nog steeds geen notie van waar die nu eigenlijk naar toe wil. Goed, hij zal haar natuurlijk willen helpen om verder te komen met haar studie, maar hoe? En bij wie kan hij in 's hemelsnaam geïnformeerd hebben naar haar plannen. Zo ver ze direct na kan gaan, heeft ze eigenlijk nooit met iemand gesproken over dat soort dingen.

Meneer Bolijn schijnt al die vragen van haar gezicht af te kunnen lezen.

"Het wordt dunkt me tijd, dat ik je nieuwsgierigheid eens een beetje ga bevredigen," zegt hij lachend. "Kijk eens, ik had gedacht dat je er misschien iets voor voelt om 's avonds naar school te gaan. Sinds mijn vrouw nu een paar weken weer beter is, heb ik de leiding genomen van een kleine klas leerlingen, voornamelijk jongens en meisjes die moeilijk leren. Meer een particuliere school dus, als je het zo wilt noemen. De ouders van deze kinderen zijn over het algemeen tamelijk welgesteld en willen graag wat extra betalen om hun kinderen mee te laten komen op school bij de gewone lessen. De H.B.S. gaat hen meestal te hoog, maar met wat extra lessen kunnen ze veelal het tempo op de MULO nog wel bijhouden. Daar zou jij dus ook bij ingeschakeld kunnen worden."

Hier zwijgt de heer Bolijn even, als wil hij de reactie van zijn oud-pupil eens op zijn gemak bestuderen en ook vader kijkt belangstellend naar zijn dochter om te zien, hoe die op de woorden van de leraar reageert.

Voorlopig weet Mieke nog niet helemaal wat ze er van moet denken en stormen weer vele vragen op haar af. Zij tussen al die "moeilijk lerende" kinderen in? Maar ze is nu al langer dan een half jaar van school! En meneer Bolijn spreekt over de avonduren; maar hoe laat is dat dan? Practisch als Mieke al die maanden heeft moeten denken ziet ze meteen allerlei bezwaren waar een man wellicht niet zo gauw aan denkt. En hoe moet het dan met het lesgeld? Meneer Bolijn sprak over kinderen van welgestelde ouders; maar daar zal hij haar toch zeker niet toe rekenen?

"Ik zie het al," zegt meneer Bolijn glimlachend. "Miek ziet voorlopig nog veel bezwaren. Je lijkt me tenminste nog niet direct enthousiast te zijn, is het wel?"

"Nog niet," bekent Miek een beetje aarzelend. "Ik wil natuurlijk graag leren, dat weet U wel, maar...."

"Maar wat?" moedigt meneer Bolijn haar. "U sprak net over kinderen van welgestelde ouders," zegt Mieke dan flink, maar ze voelt dat ze opnieuw bloost tot achter haar oren. "Maar ik ben bang dat het lesgeld een beetje bezwaarlijk zal worden op het ogenblik." Na die woorden schijnt vader meteen iets te willen zeggen, maar de ander is hem net even voor.

"Over lesgeld wordt niet gesproken," zegt hij haast scherp en Mieke wou, dat ze maar nooit dat woord had gebruikt want meneer Bolijn kijkt er haast een beetje nijdig bij, heel anders als toen Mieke hem in de klas leerde kennen. "Het lesgeld is iets, waar wij het heus wel over eens worden, je vader en ik," vervolgt meneer Bolijn een beetje vriendelijker. "En wat zijn er nog meer voor bezwaren?"

"Ik zou natuurlijk boeken moeten kopen," waagt Mieke het toch nog om te zeggen. Wat drommel, ze hoeft zich toch ook eigenlijk hier in huis niet onheus te laten bejegenen, zelfs niet door haar oude leraar?

"Tja, dat is inderdaad zo," geeft meneer Bolijn toe.

Maar nu is het vader die het woord overneemt.

"Als dat het enige bezwaar vormt," zegt hij, "dan zal het heus wel in orde komen. Maar vertel eens eerlijk Mieke, wil je werkelijk nog graag leren om wellicht later voor de klas te kunnen staan? Meneer Bolijn had het daarnet over informaties. Welnu, een van zijn bronnen ben ik waarschijnlijk geweest, al heb ik niet direct begrepen waar het hem om was te doen. Meneer Bolijn en ik, we hebben namelijk gemeenschappelijke kennissen en die vroegen verschillende keren belangstellend naar je toekomstplannen. Ik vermoed dat die mijn woorden over hebben gebracht, is het niet zo?"

Bij die laatste woorden kijkt vader vragend naar hun gast, die bevestigend knikt.

"De familie Driessen heeft me vrij regelmatig op de hoogte gehouden van de toestand hier en zodoende wist ik ook, dat Mieke in stilte eigenlijk nog altijd dezelfde ambities koestert als een half jaar geleden."

Verbaasd kijkt Mieke van de een naar de ander. Ze heeft wel eens gehoord van die meneer Driessen. Het zijn vroegere buren van de familie Verhoef, die voor enige jaren terug verhuisd zijn naar een ander stadsdeel, waar ook meneer Bolijn woont. Maar er is eigenlijk nooit over gesproken dat het kennissen van hem zijn geworden. Overigens wordt het haar nu wel duidelijk hoe meneer Bolijn zo goed op de hoogte is gebleven.

Maar intussen zitten de beide mannen nog te wachten op haar antwoord op de vraag van vader. Nu, daar behoefde Mieke niet lang over na te denken. Natuurlijk wil ze dat graag!

"Dolgraag," zegt ze, maar meteen laat ze er op volgen: "Als ik tenminste het werk hier in huis zo lang kan blijven doen totdat moeder het weer van me over kan nemen. Dat heb ik haar steeds beloofd in de brieven; van de week nog!"

"Hè hè, dan zijn we het tenminste over het belangrijkste eens," zegt meneer Bolijn. "Luister eens goed Mieke, je vader zowel als ik, ik zeg het je nogmaals, we weten het heus te waarderen dat je zo veel plichtsgevoel hebt. En juist daarom gaat het ons allebei aan het hart, dat je daardoor je toekomstplannen helemaal in de war zouden sturen. En nu zullen we dan maar eens spijkers met koppen slaan. We spreken af, dat jij voortaan twee keer per week 's avonds bij me aan huis komt, te weten dinsdags en vrijdags, om half zeven precies. We beginnen volgende week, je hebt dus nog een paar dagen de tijd om te zorgen voor de boeken die je direct nodig hebt. Daar heb ik een lijstje van bij me: alsjeblieft. Op die twee avonden behandelen we de verschillende vakken vluchtig en voor het overige zul je het moeten doen met een heleboel huiswerk."

"En de andere kinderen?" vraagt Miek.

"Dat is iets wat je maar aan mij moet overlaten," weert meneer Bolijn resoluut af. "Ik maak de dienst uit, dus daar heb je je verder gewoon bij neer te leggen. Het zal dus een heel andere wijze van school gaan worden dan je tot nu toe gewend was, maar je aanpassingsvermogen lijkt me ruim voldoende om je er door te helpen."

Hij beschouwt het gesprek blijkbaar als afgelopen, want na die woorden staat hij op om zijn jas te pakken.

"U heeft niet eens thee gedronken!" schrikt Miek nog op, maar meneer Bolijn schudt afwerend met zijn hoofd.

"Ik ben er van overtuigd dat je heel goed thee kunt zetten," zegt hij lachend, "maar ik moet nu echt gaan."

Meteen drukt hij vader Verhoef heel hartelijk de hand en neemt ook afscheid van Miek.

"Voor deze keer krijg je nog een hand van me," glimlacht hij, "de volgende week ben je weer leerling bij me en gaan we weer uit elkaar zoals we altijd gewend zijn geweest."

"Het beste met Uw vrouw," zegt vader nog, dan is meneer Bolijn al weer verdwenen.

Mieke heeft die avond een heleboel dingen om nog eens over na te denken. Maar dat zij het er nog drukker door zal krijgen is een ding dat zeker is.

HOOFDSTUK V

Blijkbaar is er niets veranderd in het kleine gezin, die eerste week. Alleen heeft Mieke zich een middag vrij moeten maken om de benodigde schoolboeken te kopen. Dat viel nog niet eens mee, want pas bij de derde boekhandelaar waar ze binnen stapte, had ze direct succes. De anderen hadden het geen van allen in voorraad, al wilden ze het allemaal natuurlijk wel voor haar bestellen. Maar omdat het betrekkelijk kort dag is, heeft Mieke net zo lang gelopen tot ze haar doel heeft bereikt en ze de eerste tijd vooruit kan met haar studiemateriaal.

En dat is dan voorlopig het enige wat er is te merken van het feit dat Mieke weer naar "school" zal gaan. Het werk komt alle dagen terug zoals het al maanden het geval is geweest. De melkboer en de bakker komen aan de deur zoals ze dat al jaren doen, de tweelingen zijn even rumoerig als altijd en Ans is de ene keer erg uitbundig en speels, een volgend keer weer erg meegaand en graag bereid om Mieke een handje te helpen. Maandag heeft Mieke een hele consternatie met Jaap en Joep. Ze heeft voor de zondag een paar dingen erg zuinig in huis gehaald en dat wreekt zich 's maandags. De koffie blijkt plotseling op te zijn, ze moet hoognodig de voorraad suiker aanvullen en zo zijn er nog een paar dingen die dringend gehaald moeten worden.

Ze is van plan om Ans te vragen even naar de zelfbedieningswinkel te lopen als ze om vier uur thuis komt, maar als de klok kwart voor vier wijst, schiet haar in gedachten dat die vandaag naar zwemles moet. Dat is altijd na schooltijd, de kinderen van haar klas worden dan gehaald met een bus en gaan gezamenlijk naar het overdekte zwembad, verder in de binnenstad. Zelf kan ze moeilijk weg, er moet nog een leverancier komen, en ze moet nog verschillende dingen doen aan het eten. Tot overmaat van ramp is mevrouw Goethart ook niet thuis, zodat ze die niet kan vragen of ze de boodschappen van de slager wil aannemen. Dan zit er dus niet anders op dan dat ze dadelijk de tweeling er op uit stuurt, ofschoon ze dat liever niet doet. Ze zijn wel eens samen naar de bakker geweest; hun boodschap hebben ze toen wel goed gedaan, maar het duurde bijna een uur voor Mieke ze weer terug zag. Waarschijnlijk hebben ze toen onderweg iets gezien dat de moeite loonde om het wat beter te bekijken, en Mieke vreest dat het weer zo zal gaan.

Maar enfin, ze heeft op het ogenblik haast geen andere keus, dus zal ze het er op moeten wagen. Het enige voordeel is, dat ze dat stelletje dan meteen een tijdje bezig heeft gehouden en ze thuis de boel niet op stelten kunnen zetten.

"Luisteren jullie even goed naar me," zegt ze tegen de twee jongens, die haar trouwhartig aan staan te kijken. "Ik moet hebben een kilo suiker, een pond zout en een pakje koffie van één gulden tachtig. Dat hoef ik niet op te schrijven wel?"

"Welnee!" roept het tweetal tegelijk. "Het komt best voor elkaar Mieke!"

"Prachtig," zegt Mieke tevreden. "Als jullie de boodschappen goed hebt gedaan, mag je nog een keer gaan om een rolletje drop te halen. Afgesproken?"

Ze doet heel handig de toezegging dat de jongens de beloning later zullen krijgen, dan heeft ze de meeste kans dat ze bijtijds terug zijn.

"Laten we dat dan meteen meenemen," zegt Joep, "we zijn er dan toch een maal."

Maar daar gaat Mieke maar niet op in.

"Vertel me liever nog even wat jullie nu precies gaan halen," zegt ze, terwijl ze nog even een vluchtige blik in de provisiekast werpt om te zien of ze niets heeft vergeten.

"Een kilo suiker, een pond zout en een pakje koffie," repeteert Jaap zonder haperen.

"En een rolletje drop," vult Joep aan. De weifelende blik van de jongens verraadt dat ze het geen van tweeën zeker meer weten.

"Laat ik dat dan voor de zekerheid maar even opschrijven," zegt Mieke beslist. "Het andere hebben jullie wel onthouden."

Ze vist ergens een potlood op en een klein stukje papier. Een half pond koffie van één gulden tachtig; ziezo, dat kan nooit abuizen geven.

Ze stopt Jaap twee rijksdaalders in de hand en werkt dan het stel de deur uit. In zich zelf heeft ze nog even pret om haar handigheid. Reken maar dat die twee vlug terug zijn om de beloning te incasseren!

Intussen stappen Jaap en Joep welgemoed naar de grote winkel. Het is vlak in de buurt, nog geen vijf minuten lopen, zelfs niet voor hun jonge beentjes.

"Ik snap niet dat Mieke ons niet meteen dat rolletje drop mee laat nemen," zegt Jaap onderweg nog tegen zijn broertje, maar die haalt de schouders op.

"Ben jij wel eens in die winkel geweest?" vraagt hij.

"Ik niet," zegt Jaap ontkennend.

"Ik ook niet. Maar weet jij dan waar die spullen liggen?"

"Zullen we wel zien," meent Jaap luchtig. "En anders vragen we het toch zeker."

"Ja, maar het is zelfbediening daar," zegt Joep wijs. "Je moet er alles zelf pakken; ik heb het verschillende keren zien doen door het raam."

Maar Jaap ziet geen enkel bezwaar en is niet in het minst onder de indruk van de bezwaren die zijn broertje aanvoert. Met zo'n beloning in het vooruitzicht moet het al gek lopen, wil hij niet met de gevraagde boodschappen thuis komen! Even later stappen ze door de glazen deuren het moderne winkelhuis binnen. Het is er tamelijk druk en niemand schijnt er dan ook op de jongens te letten.

"Zo," zegt Jaap, "nu loop jij langs die kant en ik langs deze. Dan komen we vanzelf tegen wat we zoeken."

Zijn broertje knikt, hij is toch wel even onder de indruk van het moderne interieur en al die volwassenen die er rond lopen. Maar hij vindt het voorstel van zijn broer erg logisch. Tenslotte weten ze hier geen van beiden de weg in al die vakken, waar de levensmiddelen allemaal keurig verpakt op stapels staan of liggen. En als ze zo rond zijn gelopen, moeten ze elkaar altijd weer tegen komen, om dan samen naar de kassa te gaan met hun geld, zoals ze ook de andere mensen zien doen.

Onderzoekend kijkt het tweetal in de bakken en de stellingen. Geen van beiden heeft erg in de winkelchef, die hun gedragingen zorgvuldig gadeslaat. Er komen hier wel meer kinderen in de winkel, maar twee knapen van die leeftijd, die bovendien allebei een verschillende kant uit gaan is toch wel een beetje verdacht. En het zijn onbekende gezichten voor hem, reden dus om dat vrijmoedig stel geducht in de gaten te houden. Tenslotte komt het dagelijks voor dat kinderen hun snoeplust niet in bedwang kunnen houden en dan proberen te stelen wat ze op een rechtmatige wijze niet kunnen krijgen.

Intussen speuren Joep en Jaap zorgvuldig rond, maar geen van beiden ziet voor alsnog iets van datgene wat Mieke hen heeft opgegeven. Maar aan het eind van de winkel, als ze precies tegelijk aan komen lopen, valt hun oog er tegelijk op. Boven één der vakken staat met grote letters het woord "Suiker". Twee paar jongenshanden grijpen tegelijk in het vak om de eer van het vinden voor zich op te eisen. Het is Joep, die het vlugste is. En dan komt het fatale ogenblik. Hadden de jongens maar een mandje mee genomen van de stapel die voorbij de ingang klaar staat voor gebruik, dan was er waarschijnlijk nog niets aan de hand geweest.

Iedereen had dan kunnen zien wat ze uit het vak hebben genomen en vermoedelijk zou niemand er iets verdachts in hebben gezien. Maar nu staat Joep even besluiteloos met het pak suiker in de hand. Hij voelt er kennelijk weinig voor om daar mee in zijn handen te blijven lopen. Daarom maakt hij een paar knopen van zijn bloes los om het pak daarin te laten verdwijnen. Aan de kassa zal hij het er dan wel weer uithalen. Juist willen ze weer doorlopen om op zoek te gaan naar het zout en de koffie, als Joep zich in de kraag voelt gepakt. Achter hem staat de dreigende gestalte van een man met een witte jas. Net een dokter, flitst het even door Joeps gedachten. Maar het is geen dokter! De winkelchef heeft gemeend dat dit het moment is, waarop hij dient in te grijpen.

"Vertel eens knaapjes, wat hebben jullie uit dat vak gehaald?" vraagt hij quasi vriendelijk.

Twee paar jongensogen kijken hem met een onschuldige blik aan. Als de man wat meer mensenkenner was geweest, had hij bepaald moeten zien dat hier geen boefjes en winkeldiefjes voor hem staan.

"Ik heb een pak suiker uit het vak gehaald," zegt Joep, een beetje geschrokken, maar te goeder trouw.

"Ja, dat meende ik al te zien," zegt de chef, een beetje grimmig nu. "Ben je door je moeder gestuurd om boodschappen te doen?"

"Nee, door ons zusje," antwoordt Jaap nu.

"Zie je wel!" gaat het triomfantelijk door het brein van de achterdochtige chef. "Door hun oudere zusje gestuurd om zoetigheid te stelen; wat, dat kan waarschijnlijk niets schelen."

Maar hij wil het risico beslist niet lopen, een paar onschuldige knapen verdacht te hebben gemaakt.

Daarom vraagt hij voor de zekerheid nog: "Hebben jullie een boodschappenbriefje bij je? Je zult toch maar niet zo op pad zijn gestuurd?"

In zijn argeloosheid geeft Jaap onmiddellijk het briefje af. Zo, dan behoeven ze tenminste zelf niet meer te zoeken!

"Een half pond koffie van één gulden tachtig," leest de bedrijfsleider hardop, en meteen voegt hij er aan toe, en de boze klank is nu onmiskenbaar: "Geef die suiker dan maar vlug terug. Wat jullie gedaan hebben is heel erg, weten jullie dat wel?"

Nu dringt het pas tot de jongens door wat die man van hen denkt en tegelijk lopen ze rood aan van verontwaardiging. Maar wat ze ook voor protesten aanvoeren, geen enkel argument is overtuigend genoeg om hen te doen worden geloofd. Trouwens, de chef luistert niet eens meer naar hun woorden. Hij is niet van plan, er verder veel woorden aan te verspillen. Het is tenslotte toch verloren tijd om met een paar knulletjes van een jaar of zeven te gaan argumenteren over het slechte van diefstal. Laten de ouders dat maar doen, hij heeft wel andere zorgen. Zijn taak is het, toe te zien dat alles in de winkel ordelijk verloopt, de klanten behoorlijk te woord gestaan worden en de voorraden in de gaten te houden, opdat die tijdig weer kunnen worden aangevuld. Daar heeft hij werkelijk een stevige dagtaak aan, en het enige wat hij verder nog van plan is om te doen, is deze twee knaapjes voortaan goed in het vizier te houden, mochten ze ooit weer zijn winkel binnenkomen. Wat hij overigens niet gelooft! In een hoekje van de winkel, zo dat niemand het merkt, laat hij nog even tastend zijn handen langs de kleren van de jongens gaan om te voelen of ze wellicht nog meer in hun zakken hebben gestoken. Tenslotte heeft hij ze niet allebei helemaal kunnen volgen op hun strooptocht door de winkel en daarom neemt hij het zekere voor het onzekere.

Maar natuurlijk levert dat vluchtige onderzoek verder niets meer op. Diep beledigd laten de twee jongens zich die behandeling ondergaan. Het fijne van de zaak begrijpen ze niet, maar één ding is hen allebei volkomen duidelijk: die man verdenkt hen er van dat ze wilden stelen! Het huilen staat hen nader dan het lachen als ze later een half pond koffie in de hand gedrukt krijgen. Met een betraand gezicht haalt Jaap de twee rijksdaalders uit zijn zak, om daarmee te betalen.

Bij het zien van dat geld gaat de chef toch even twijfelen: zouden de jongens dan toch andere boodschappen hebben moeten doen, behoudens datgene wat er op het briefje stond?

Maar lang staat hij er niet meer bij stil; hij geeft het wisselgeld terug en daarna wordt de jongens aangeraden, om zo vlug mogelijk de winkel te verlaten. Op de drempel krijgt Joep nog een geniale gedachte.

Zodra de man hen heeft losgelaten roept hij: "We mochten lekker nog een rol drop ook halen, maar die kopen we wel ergens anders! Poe!"

Dan maken ze benen, uit vrees voor de wraak over zo'n brutale opmerking, maar toch met een zeker gevoel van triomf over die opmerking, naast een gevoel van beledigd zijn. Die vent kan lekker naar hun klandizie fluiten, daar komen hun gedachten zo'n beetje op neer. Maar het loopt toch een beetje anders.

Als Mieke, na veel vragen, precies de gang van zaken heeft gereconstrueerd, is ze meteen vastbesloten om de zaak niet zo op zijn beloop te laten. Beschermend strijkt ze het tweetal over het hoofd en er komt een klein rimpeltje boven haar neus. Tenslotte heeft zij overdag de verantwoording voor het doen en laten van de jongens! Dat brengt voor die jongens plichten met zich mee, maar toch zeker ook rechten? En Mieke vindt, dat ze zeker het recht hebben om beschermd te worden tegen aantijgingen als zouden ze diefjes zijn die brutaalweg op klaarlichte dag in een winkel zouden gaan stelen. Gedecideerd trekt ze haar mantel aan, nadat ze het gas, waar de groente op staat te koken, wat lager heeft gezet. En of de twee jongens al protesteren en zeggen dat ze nooit, nee nooit weer naar die winkel zullen gaan, Mieke pakt ze allebei bij de hand en trekt ze mee naar buiten. Een beetje gegeneerd, maar toch ook wel trots op hun oudere zuster, die dat varkentje wel eens even zal wassen, gaan Jaap en Joep tenslotte maar gewillig mee naar de zelfbedieningszaak. Eerst doet de winkelchef een beetje uit de hoogte als Mieke vraagt of ze hem even onder vier ogen kan spreken. Hij heeft de beide jongens natuurlijk meteen herkend en is niet van plan om zich door zo'n "jong ding" de les te laten lezen. Maar dan heeft hij in Mieke toch echt de verkeerde voor. Die heeft al te veel met volwassenen om moeten gaan om zich door een van hen te laten intimideren.

"U heeft niet het recht om mijn broertjes als diefjes te behandelen!" zegt ze fel, als de chef gezegd heeft dat hij maar weinig tijd heeft. "En U zult er even tijd voor moeten nemen om tegenover mij Uw verontschuldigingen aan te bieden voor Uw handelwijze tegenover hen!"

"Ze hielden zich erg verdacht op en ik sta er voor om toe te zien dat er hier niets wordt gestolen," repliceerde de man die nu wel begrijpt dat hij dat kordate meisje maar zo niet af kan schepen.

"Pff," snuift Mieke, "jongetjes van zeven jaar die zich verdacht ophouden! Dat gelooft U toch zelf niet?"

"Als ze een mandje hadden gepakt en daar dat pak suiker in hadden gedaan, zou ik niets gezegd hebben," verweert de winkelchef zich. Maar het is niet gewoon dat een jongen van die leeftijd een pak suiker tussen zijn bloes steekt."

"Toegegeven," zegt Mieke. "Maar dan had U ze in de gaten moeten houden en als ze geprobeerd hadden naar buiten te komen zonder betalen had U altijd nog kunnen ingrijpen. Of U moest bang zijn dat ze zo hard weg zouden lopen, dat U ze niet meer kon achterhalen!"

Dat laatste komt er een beetje spottend uit: de winkelchef is nogal dik, maar toch niet zo, dat hij het tempo van een paar kleine jongens niet bij zou kunnen houden.

"De manier waarop ik dergelijke dingen denk op te lossen, moet U maar aan mij over laten," antwoordt de chef, nu ook een beetje fel wordend. "Tenslotte heb ik niets gedaan, waarmee ik buiten mijn boekje ben gegaan."

"Behalve dan, dat U de jongens hier de stuipen op het lijf heeft gejaagd," bijt Miek. "Ze kwamen half huilend thuis, en daar is heel wat voor nodig, dat kan ik U wel verzekeren. Maar goed, als U niet van plan bent om Uw verontschuldigingen aan te bieden dan kom ik wel achter het adres van het hoofdkantoor van deze onderneming, daar kunt U van op aan. Misschien dat ze daar een andere zienswijze op dit geval hebben. Dan kon het wel eens zijn dat U er nog eens op terug komt."

Na die woorden richt Mieke zich op, klaar om weg te gaan. Maar nu bedenkt de ander zich toch blijkbaar. Hij begrijpt dat hij beter direct deze zaak uit de wereld kan helpen, want anders zou het nog wel eens een staartje kunnen hebben.

"Maar luistert U dan toch even naar me," zegt hij nu op een geheel andere toon, een toon waaraan Mieke zich een beetje ergert omdat hij net zo'n hoog woord tegen haar had. "Als U in mijn plaats had gestaan zou U de zaak toch ook niet hebben vertrouwd?"

"Dat heb ik al toegegeven," zegt Mieke genadig. "Maar dan had U ze bijvoorbeeld kunnen wijzen op de zelfbedieningsmandjes, of kunnen vragen wat ze moesten hebben. In dat geval zou dit gesprek voorkomen zijn en was er niets aan de hand geweest."

"Nou ja, laten we er niet meer over praten," probeert de ander voor de laatste keer.

"Praten niet, maar geschreven wordt er wel," zegt Mieke, nu weer nijdig. Tenzij U hier, op dit moment, Uw verontschuldiging aanbiedt voor de onheuse behandeling."

"Nou dan, het spijt me dat het zo is gegaan," zegt de winkelchef overwonnen.

"Het komt er niet erg gemeend uit, maar ik wil er genoegen mee nemen," zegt Mieke en nu is het haar beurt om uit de hoogte te doen. "Dan zou U me nu een plezier kunnen doen door me een kilo suiker te geven."

"Anders nog iets," vraagt de chef.

De triomf is volledig!

Wat bijna nooit gebeurt en waar het overige personeel verbaasd naar staat te kijken: de chef haalt eigenhandig het gevraagde uit de vakken en doet het bij Mieke in de tas. Nee, zoiets had het winkelpersoneel nog nooit van de chef gezien.

De jongens krijgen ieder een rol snoep in de handen gedrukt en vervolgens laat de bedrijfsleider het drietal persoonlijk uit en houdt de deur voor hen open.

Wat een triomf voor Mieke en haar broertjes.

En Mieke is in de achting van haar broertjes hoger geklommen, dan ze ooit heeft gestaan!

En zo is alles toch nog tot een goed einde gekomen.

HOOFDSTUK VI

"De klas" blijkt uit drie personen te bestaan, buiten Mieke dan altijd. Het zijn even zoveel verschillende types. Daar is om te beginnen Gerard van Rooyen, een stille knaap. Als je hem de eerste keer ziet en niet langer mee maakt dan een half uur, zou je je slecht voor kunnen stellen dat hij eens van de H.B.S. is gestuurd, omdat hij daar het tempo van de lessen niet kon volgen en vervolgens op de Mulo met dezelfde moeilijkheid te komen zitten. Maar al spoedig wordt Mieke de voornaamste oorzaak van zijn slechte leren duidelijk. Gerard is enig kind en zwaar verwend, dat blijkt als de leerlingen een korte pauze hebben om wat nader met elkaar kennis te maken. Nu behoeft die verwennerij niet beslist mee te brengen dat hij slecht leert, maar het ergste is, dat Gerard geen avond voor elf uur in bed komt, ondanks het feit dat hij even oud is als Mieke, hoogstens een half jaar ouder. Gerard rookt ook; hij heeft een pakje zeer dure en welriekende sigaretten bij zich, waarvan hij er na een kwartier eentje wil opsteken, terwijl meneer Bolijn zich juist op maakt om een uiteenzetting te geven van de wijze waarop hij het werk hier zo veel mogelijk denkt aan te passen bij dat op school. De andere drie, waaronder dus ook Gerard, zitten namelijk alle drie nog gewoon op school overdag. Maar dat sigaretje gaat toch niet door, meneer Bolijn geeft hem namelijk niet onvriendelijk maar wel zeer beslist te kennen dat hij hiervan niet is gediend tijdens de les. In de korte pauze staat het Gerard vrij om te roken, maar er voor en er na moet hij zijn sigaretten in zijn zak houden.

"Maar we zijn hier toch niet op school," waagt het veelbelovend jongmens nog op te merken.

Meneer Bolijn trekt even de wenkbrauwen hoog op en kijkt strak in het jongensgezicht voor hem.

"Ik had gehoopt dat deze opmerking niet nodig zou zijn," zegt hij na korte tijd. "Maar als je me er toe wilt dwingen, goed dan. Laat ik de opmerking algemeen houden. We gedragen ons hier inderdaad net als op school, dat houdt dus in, dat ik een grapje op zijn tijd best kan waarderen. Verder verlang ik natuurlijk helemaal niet dat jullie de volle twee uur stijf op je stoel blijft zitten, maar wel eis ik dat jullie rustig blijft zitten en dat er, zo lang er over het werk wordt gesproken, de monden dicht blijven. Verder nog iemand opmerkingen?"

Niemand had nog iets te zeggen, de woorden van meneer Bolijn konden niet misverstaan worden.

Overigens vindt Mieke de jonge Gerard niet onsympathiek, als die knaap eens een jaartje onder een straffere leiding zou komen te staan, zou hij beslist een stuk veranderen, lijkt haar. Maar Pa en Moe schijnen hun zoon beslist in de watten te willen leggen, zoals Mieke het voor zich zelf noemt. Er wordt van hem ook niet verwacht dat hij om acht uur op de fiets of lopend naar huis komt, nee meneer wordt door Moe persoonlijk afgehaald in een enorm dure slee van een auto! Klokslag acht uur geeft mevrouw van Rooyen die eerste avond meteen blijk van haar aanwezigheid door voor de deur luid en langdurig gebruik te maken van de claxon. En dan volgt prompt het tweede incident daar binnen. Meneer Bolijn weet niet, maar kan het natuurlijk wel vermoeden, dat het mevrouw van Rooyen is, die daar buiten zo'n royaal gebruik maakt van de stroomtoevoer naar de claxon. Hij heeft zelf namelijk gezien hoe Gerard 's avonds gebracht is.

Maar als die bij het eerste signaal op wil staan, terwijl meneer Bolijn juist bezig is, hem aanwijzingen te geven voor zijn huiswerk, is Leiden in last.

De toon van de leraar is bepaald scherp als hij zegt: "Ik meen, dat ik daar straks al heb gesteld dat ik hier de gang van zaken uit maak, binnen redelijke grenzen. En zolang ik dus niet heb gezegd dat we de les beëindigen, bepalen we onze aandacht bij het werk."

En met een blik, zo mogelijk nog scherper als de toon van zijn stem: "Is dat goed begrepen?"

Gerard is al weer terug gezakt op zijn stoel, hij heeft niet de moed om in opstand te komen tegen deze persoonlijkheid. Maar Mieke betwijfelt op dat moment of hij de bijlessen, waarvoor pa van Rooyen waarschijnlijk nog flink in de beurs zal moeten tasten, lang zal blijven volgen.

Verder is er nog Ria van der Pol, een druk, nerveus wezentje dat, zodra daar even gelegenheid voor is, aanhoudend babbelt over de meest onbenullige dingen. Ze schijnt al direct sympathie op te vatten voor Mieke, een sympathie, die overigens niet wederkerig is. De opmerking die tegen haar gemaakt wordt, beantwoordt ze dan ook maar met een korte hoofdknik of met een ontkennend "nee". Veel meer krijgt Ria er die eerste avond tot haar spijt niet uit bij Mieke.

Het gezelschap wordt gecompleteerd door Max Werner. Hij is de enige van het drietal dat werkelijk zijn best doet om alles wat hem wordt voorgeschoteld, serieus in zich op te nemen. Maar Mieke kan aan hem zien dat het hem moeite kost en de meeste tijd die hij aan de leerlingen individueel spendeert, staat meneer Bolijn dan ook bij hem.

Overigens valt het Mieke zelf ook eerst niet mee om alles te verwerken wat de leraar tegen haar staat te verkondigen. Ze kan toch wel heel goed merken dat ze meer dan een half jaar geleden de schoolbanken voor het laatst heeft gezien. Maar ze doet werkelijk haar best, en buiten de paar keer dat hij Gerard heeft moeten terecht wijzen, is meneer Bolijn dan ook niet ontevreden over zijn leerlingen.

Ze krijgt een enorme stapel huiswerk mee, allemaal dingen die haar vroegere klasgenoten waarschijnlijk al lang hebben gehad, maar die zij er zo tussen haar huishoudelijk werk door nog in zal moeten stampen.

Maar ze doet dat graag, al duizelt het haar die eerste avond werkelijk van al de dingen die ze te verwerken heeft gekregen.

Er volgt een drukke tijd, een tijd waarin Mieke meer verwerkt dan ze ooit voor zich zelf voor mogelijk heeft gehouden. Ieder uurtje dat ze vrij kan maken, zit ze over haar huiswerk gebogen. Vader heeft Ans en de jongens duchtig onder handen genomen en ze aangemaand om vooral niet in de kamer te spelen als Miek daar zit met haar werk. Die vindt het zelf eigenlijk wel een beetje zielig, al hebben ze verder ruimte genoeg om zich te vermaken. Maar ze aanvaardt de medewerking van vader in deze toch dankbaar, want ze voelt zelf wel dat ze haar aandacht niet bij haar lessen zal kunnen bepalen als dat stelletje levenslustige jongens met hun zusje in de kamer aan het spelen is.

Vader tracht trouwens toch op alle mogelijke manieren om zijn dochter te helpen. Vroeger was het altijd zo dat de afwas 's avonds altijd bleef staan voor Mieke. De eerste avond, als Mieke zelf heeft gegeten voor ze naar les ging en de tafel vast heeft gedekt voor de anderen, klaar om te kunnen beginnen, zit ze toch tijdens het werk bij meneer Bolijn nog af en toe even te denken aan de vaat, die straks natuurlijk wel vuil in de keuken zal staan. Maar als ze om kwart over acht binnen komt, klaar om zich weer aan het huishouden te wijden is alles al keurig opgeruimd. De jongens lopen al rond in hun pyjama's, klaar om naar bed te gaan, evenals Ans. En als Mieke een blik in de keuken werpt is er daar geen stukje vuil servies meer te vinden.

Eerst vertrouwt Mieke de zaak nog niet erg en kijkt ze in de kasten of inderdaad alles schoon op zijn plaats staat, maar als dat inderdaad het geval blijkt te zijn begrijpt ze dat vader van zijn afkeer voor vrouwelijke karweitjes is heen gestapt en, wellicht geholpen door Ans, alles aan kant heeft gemaakt. Zelfs is er thee gezet! Het is weliswaar veel te sterk, maar de bedoeling is in ieder geval goed geweest, daar hoeft Mieke niet aan te twijfelen.

Vader zelf zit in zijn luie stoel de krant te lezen. Als Mieke die opzij trekt, zegt zijn gezicht genoeg. Hij is er zelf een beetje voldaan over dat hij zijn oudste dochter die verrassing heeft kunnen bereiden.

Maar zo komt hij er niet af! Mieke pakt hem eens even flink bij zijn nog vlasblonde kuif. En al doet vader, alsof hij dat helemaal niet prettig vindt, hij blijkt toch bereid om een fikse stoeipartij op te zetten, waaraan vooral de jongens met graagte meedoen. Het wordt een gezellige bende in de huiskamer, af en toe slaat er een stoel tegen de vloer; de jongens hebben kans gezien om vader zijn colbertje uit te trekken en de inhoud daarvan ligt links en rechts over de vloer verspreid.

Zo was het ook wel toen moeder thuis was, een "robbertje vechten" waar het hele gezin in was betrokken behalve moeder. Het is weer echt ouderwets. Maar eindelijk maakt vader Verhoef er een eind aan; de beide knapen en ook Ans worden naar bed gestuurd en dan moet Mieke verslag doen van haar eerste lessen in de nieuwe omgeving.

In het kort vertelt ze over de belevenissen van die avond. Maar lang blijft ze zelf ook niet meer op; ze voelt wel, dat ze de slaap onder deze omstandigheden dringend nodig heeft. Nadat ze voor vader nog een extra kopje thee heeft ingeschonken, verdwijnt ze tegen een uur of negen ook naar haar kamertje. Geeuwend rekt ze zich nog eens uit, alvorens onder de wol te kruipen.

Maar als ze er eenmaal in ligt, duurt het een hele tijd, eer de slaap zich over haar ontfermt. Ze moet nog lang denken aan de voor haar zo ongewone avond. Een beetje voldaan is ze overigens toch ook wel; al viel het in het begin echt niet mee, later heeft ze toch alles goed kunnen verwerken, wat meneer Bolijn haar voor zette aan leerstof. En morgen zal ze zich meteen op haar huiswerk werpen, zodra de kinderen naar school zijn en ze de boel aan kant heeft.

Tjonge, tjonge, wat zette die meneer Bolijn die Gerard van Rooyen heerlijk op zijn nummer! Grote kans, dat mama zich er een volgende keer ook nog mee gaat bemoeien...... Dan kan het helemaal leuk worden. Mieke is nu al nieuwsgierig, hoe dan de reactie van de leraar zal zijn. Het is misschien niet leuk van haar, dat begrijpt ze zelf wel, maar van één kant hoopt ze, dat het nog eens zal gebeuren. Ze stelt zich mevrouw van Rooyen voor als een dikke, welgedane dame, natuurlijk zwaar opgemaakt, die het wel eens even zal opknappen voor haar zoontje! Maar ze zal aan meneer Bolijn toch beslist geen gemakkelijke hebben, dat staat zo vast als een paal boven water.

Nee, dan die Max Werner, dat is een aardige jongen. Jammer dat zo'n knaap gewoon op school niet mee kan komen. Naar wat Mieke er vanavond van heeft begrepen, is hij ook al een tijdje op de H.B.S. geweest, maar daar kon hij het helemaal niet bolwerken natuurlijk.

Enfin, dat zijn haar zorgen tenslotte niet...

Overigens heeft ze de eerste tijd handen vol werk overdag. Voor de middag kan ze eigenlijk beter misschien het huiswerk maar in haar tas laten zitten....

Dan komen er allerlei leveranciers aan de deur en moet ze er toch steeds tussen uit...

Nou ja, ze zal morgen wel eens kijken. Nu slapen...

Langzaam glijdt Mieke dan toch eindelijk weg in een onrustige slaap. Ze droomt van meneer Bolijn, die met een heel klein schortje voor, borden staat af te wassen. Dat doet hij vreselijk onhandig. En juist heeft hij zijn derde kopje stuk laten vallen, als Gerard van Rooyen binnen komt.

"Zo," zegt hij een beetje cynisch, "ben jij nu dat mannetje dat vanavond zoveel praatjes had over mijn optreden! Man, je ziet zelf nog niet eens kans om behoorlijk de vaat te wassen!"

Meneer Bolijn zegt niets terug. Hij zet alleen maar een vreselijk verbeten gezicht en doet reusachtig zijn best om zijn werk nu zonder brokken af te maken. Maar het lukt hem niet. Mieke ziet, hoe er nu twee kopjes tegelijk uit zijn handen vallen. En het hatelijke lachje van Gerard wordt nog scherper. Maar dan wordt het Mieke te veel. Ze pakt een theedoek van het rekje en neemt het van meneer Bolijn over.

Handig droogt ze alles af en in een paar minuten is alles schoon. En kijk, daar staat warempel moeder op de drempel van de keuken met een tevreden gezicht naar haar dochter te kijken. Mieke is er helemaal niet verbaasd over, haar hier te zien. Meneer Bolijn en Gerard zijn ineens weg en dan ruimen moeder en dochter samen de boel in de keuken op.

"Ik vind, dat je je maar kranig hebt geweerd in de tijd dat ik weg ben geweest," zegt moeder nog. "Vanavond moesten we samen gezellig een bioscoopje pakken, heb je daar zin in?"

"Als Max Werner ook mee gaat," zegt Mieke dan.

"Max?" vraagt moeder een beetje verbaasd. "Is dat die jongen waar je mee op school zit? Maar die jongen kan niet eens behoorlijk leren!"

Maar dat neemt Mieke niet, dat er zo over Max gesproken wordt.

Ze vaart heftig tegen moeder uit, die op haar beurt haar dochter weer de mantel danig uitveegt.

"Daar komt niets van in!" zegt moeder tenslotte, "je bent trouwens nog veel te jong om nu al over een jongen te beginnen. Je mag dan al een hele Piet zijn in de huishouding, maar dat wil helemaal nog niet zeggen, dat je er dan ook al een vriendje op na mag houden!"

En dan barst de bom.

"Ik wou, dat U maar in Davos was gebleven, dan had ik tenminste geen last van U gehad!"

Het wordt een hevige woordenstrijd tussen die beiden. Als er wat al te hard wordt geschreeuwd, wordt Mieke tenslotte badend in het zweet wakker.

Verdwaasd kijkt ze een poosje om zich heen. Het is nog aardedonker en stil in het huis. Door een spleet tussen de gordijnen kan ze het vertrouwde licht zien van de lantaarn voor het huis. Gelukkig, de anderen schijnen er niets van te hebben gemerkt dat ze zo onrustig lag te doen. Zou ze geschreeuwd hebben? Een poosje ligt Miek nog in het donker te staren. Een blik op de klok leert haar, dat het twee uur is; ze heeft dus nog een halve nacht voor de boeg. Hè, even wakker blijven om die nare droom goed kwijt te raken! Hoe lang ze zo nog ligt te kijken, weet ze niet, maar langzaam, heel langzaam dommelt ze weer in en slaapt dan de slaap der rechtvaardigen....

HOOFDSTUK VII

Een paar weken later moet Mieke even naar het huis van meneer Bolijn. Ze heeft de dag daarvoor les gehad. Maar toen had meneer Bolijn het correctiewerk nog niet klaar van de les daarvoor. Hij beloofde dat het de volgende dag klaar zou liggen en degene, die er prijs op stelde om het niet te laten liggen tot de volgende week, mocht het bij hem af komen halen. Zijn vrouw zou het dan wel even geven.

En omdat Mieke vandaag vroeg klaar was met het werk, en ze wel erg nieuwsgierig is hoe ze het er de vorige keer heeft afgebracht, loopt ze nu langs één van de grachten naar het huis van meneer Bolijn. De leraar woont in zo'n heerlijk ouderwets grachtenhuis, waar het 's avonds wel heerlijk rustig is, maar waar overdag honderden auto's langs de wallekant geparkeerd staan, terwijl er nog eens honderden proberen langs de rijen auto's te komen. Voor de vele magazijnen en kantoren staan verder nog vele vrachtauto's hun goederen af te laden, zodat er van de rust, die er 's avonds heerst, overdag niet veel is te merken. En het vervelendste is het vaak nog voor de voetgangers, die zich temidden van die drukte moeten wagen. Op de stoep kunnen ze haast niet lopen, daarvoor is die vaak te smal. Op de meeste plaatsen kun je er met zijn tweeën niet eens naast elkaar lopen en bovendien zijn er nog vaak auto's die de stoep ook al in beslag nemen, om de eenvoudige reden dat er vaak dubbel geparkeerd staan en dan moeten de bestuurders wel de weg over de stoep nemen, anders komen ze er eenvoudig niet eens door. Overigens is het wel gezellig, al die drukte, tenminste zo voor een uurtje. Dagelijks zou Mieke er niet graag in zitten, maar dat hoeft ze gelukkig ook niet.

Een schelle claxon doet haar opschrikken. Het geluid is vlak achter haar en met een sprongetje drukt ze zich nog wat verder tegen het hek van één der hoge stoepen aan. Nog niet genoeg om de bestuurster van het gloed nieuwe personenautootje voldoende ruimte te geven blijkbaar. Een schurend geluid weerklinkt, dan gaat het over in een luid gekras.

De nieuwe auto zit met één van de portieren klem tegen de bumper van een oude bestelauto, die bijna midden op de rijweg staat. De dame achter het stuur zit een beetje hulpeloos te kijken naar de man naast haar.

Ondanks het weinig lachwekkende van de situatie kan Mieke het niet laten in zichzelf te lachen. De twee gezichten in de luxe wagen drukken twee zo verschillende emoties uit dat een mens wel volslagen humorloos moet zijn om daar het gezicht bij in de plooi te houden.

"Crazy," hoort Mieke door het half geopende portierraampje zeggen, en nu pas valt het haar op, dat de auto een buitenlands nummerbord draagt.

Van alle kanten komen meteen de mensen toelopen. Typisch is dat, zo gejaagd als iedereen anders lijkt, zo veel tijd schijnen ze allemaal te hebben als er iets te zien is, wat een beetje buiten het normale ligt. Mieke kan het trouwens ook niet laten; ze moet zien hoe dit afloopt. Tenslotte verzaakt ze weinig. De jongens hebben na afloop van de normale lessen op school nog een uurtje gymnastiek en voor Ans heeft ze de sleutel bij de buurvrouw afgegeven, die kan ze in haar eentje gerust thuis laten.

Nu gaat de deur van de auto open en de dame stapt uit; de man naast haar schuift direct achter haar naar buiten toe. De dame schijnt nog steeds niet helemaal van de schrik te zijn bekomen en kijkt een beetje ontdaan naar de gevolgen van de aanrijding, die verder gelukkig niet veel om het lijf heeft. De bestelauto heeft in het geheel geen schade opgelopen, het luxe wagentje is met het portier langs de bumper gegaan en zit er nu klem tegen aangedrukt. Achter hen ontstaat al snel een hele rij auto's, waarvan sommige bestuurders, die niet weten wat er aan de hand is, al direct flink stevig op de claxon drukken.

Dan komt de bestuurder van de bestelauto aangelopen, een enorme kerel in een manchester pak. Met een achteloos gezicht bekijkt hij het geval, als ging het hem eigenlijk niet aan. Nu blijkt echter dat de man naast de chauffeuse ook goed Nederlands spreekt.

"U staat daar verkeerd geparkeerd meneer," zegt hij tegen de bestelwagenchauffeur.

Die kijkt hem eens aan alsof hij een vlieg is en zegt dan: "Heb Uwes dat kunstje gemaakt? Knap hoor, hoe krijgt een mens het voor mekaar!"

"Mijn vrouw zat achter het stuur," verweert de ander zich. "Ze is Engelse en niet zo bekend met het verkeer hier in Nederland."

"Ken U dan zelf niet rije?", vraagt de ander.

"Ja, dat wel, en mij was het ook zeker niet gebeurd," zegt de onfortuinlijke autobezitter.

"O, mevrouw most ook zo nodig effe rije als ik het dus goed begrijp," stelt de man vast, met een geringschattende blik naar het nerveuze vrouwtje.

"Ja, maar dat wil nog niet zeggen dat U daarom niet fout bent door Uw wagen zo neer te zetten," gaat de echtgenoot van de Engelse nu weer over tot het offensief.

"Voortaan zal ik hem op mijn nek nemen als ik weer ergens moet weze en dan stal ik hem zolang op het bero van de directeur. Man, ga fietse, dan maak je tenminste geen brokke!"

"Nou, wat doen we?" zegt de bestuurder van de auto, die als eerste zijn weg versperd zag. "Moeten we dat ding maar effe opzij gooie? Dan kunne we verder. Ik ben niet in mijn vrije tijd hier!"

Hij is ongeveer het evenbeeld van de eigenaar der bestelauto, althans wat zijn postuur en zijn kleding betreft.

"Aan mij ligt het niet," zegt die.

"Ja, maar dat gaat zo maar niet! Eerst zal de politie er bij moeten komen," mengt de eigenaar van de personenauto zich er weer tussen. "U staat wel te bedisselen over mijn wagen, maar misschien mag ik er zelf ook nog wel wat van zeggen! Ik ben verzekerd in Londen en daar accepteren ze een schadeaangifte in het buitenland alleen als er een officieel proces-verbaal van is opgemaakt."

"Tja, dat is zijn goed recht," meent de betrokken bestuurder. "Dan zal er dus niks anders opzitten als dat we de politie maar opbellen en dan maar afwachten jongens."

"Ja, en dan kon U nog wel eens een lelijke pijp roken. Dat gaat U geld kosten, let U maar eens op mijn woorden!"

De ander haalt de schouders op. In zijn ogen is dit blijkbaar de meest onzinnige opmerking die hij ooit heeft gehoord. Mieke heeft al die tijd geamuseerd staan luistern. Het is vermakelijk om te zien en te horen; het een beetje verengelste Nederlands van de eigenaar der personenauto en de volslagen onverschilligheid waarmee de ander de zaak schijnt op te vatten met zijn weinig stijlvolle, maar aan duidelijkheid niets te wensen overlatende antwoorden.

En het dametje loopt er maar zo'n beetje tussendoor. Ergens uit een minuscuul klein tasje heeft ze een pakje sigaretten opgediept en nu trekt ze nerveus met kleine haaltjes. Dan komt ze ongelukkigerwijs ook nog terecht voor de fiets van een bouwvakarbeider, die met een grote balk op zijn schouder, zich met zijn vehikel aan de hand moeizaam een weg baant door het nauwe gaatje wat nog is openbleven op de stoep.

"Gaan es effe opzij zus!" zegt hij familiair en met zeer weinig égards.

Ofschoon het duidelijk is, dat ze geen woord Nederlands spreekt, schijnt ze toch heel goed te begrijpen wat de man bedoelt. Met een schichtig, bijna hups sprongetje maakt ze zich uit de voeten. Mieke staat zich te verbijten om niet in een luide lach te schieten, zo komiek vindt ze de situatie. Het is dan ook werkelijk een allerzotste bedoening. Terwijl haar man nog steeds in debat is over de schuldvraag, waar hij zelf eigenlijk geen partij bij is, wordt degene, die het ongelukje heeft veroorzaakt, bijna ondersteboven gelopen door een forse bouwvakker. En dan de reacties van al die mensen die noodgedwongen hun motor af hebben moeten zetten en nu maar af moeten wachten tot ze verder kunnen! De één vindt, dat de eigenaar van de personenauto volkomen gelijk heeft door aan te dringen op proces-verbaal. Een ander vindt het maar een schandaal dat hij zo lang moet wachten, terwijl hij juist zo'n haast heeft om ergens te komen. Een loopjongen, of liever gezegd, een fietsjongen, dringt zich naar voren en kijkt met vakkundige blikken naar de aangerichte schade.

"Gaat minstens een rooie kosten," zegt hij, als om de onfortuinlijke autobezitter nog een extra domper te geven. "Als ik U er een plezier mee kan doen, wil ik mijn oudste broer wel even sturen, die zit in het vak."

Maar zijn woorden worden niet eens gehoord, althans er wordt niet de minste aandacht aan geschonken.

Dan komt aan de overzijde van de gracht, tegen het verkeer in, een politieauto aanstuiven. Als die genaderd is tot vlak bij de opstopping, stappen er twee agenten uit, die met grote, rustige stappen de zaak komen overzien.

"Ziet er goed uit," kan de een niet nalaten om te zeggen.

"Buitenlander," zegt zijn collega, en haalt achteloos de schouders op, als is voor hem de zaak daarmee al afgedaan en helemaal verklaard.

"Ik heb het al gezien; eerst moeten we ruimte maken, opdat de boel weer vrij komt," gelast de eerste. "Waar zijn de bestuurders van de auto's?"

De eigenaar van de bestelwagen komt als eerste naar voren.

"Is die auto van U?" vraagt de agent.

"Wat, deze?" vraagt de man, wijzend op het luxe autootje, en er komt iets van afschuw in zijn stem.

Een daverend gelach klinkt op. Iedereen voelt de absurde combinatie; die grote, forse man in zijn manchester pak past helemaal niet bij dat gloednieuwe, uiterst luxe uitgevoerde autootje; hij zou er waarschijnlijk slechts met moeite een plaatsje in kunnen vinden.

"Klets nou niet," zegt de agent op gemoedelijke toon, "ik heb wel wat anders te doen dan aan grappen te denken."

"Ik denk al, wat heeft die agent het toch weer druk vandaag," mengt de fietsjongen zich in het gesprek.

"Ga jij nou je boodschappen maar doen, anders krijg je de grootste last met baas," zegt de agent een beetje scherp.

"Ph," doet de fietsjongen, blij dat er deze keer tenminste op zijn opmerking gereageerd wordt, "voor hem tien andere bazen, zo lekker is ie niet!"

"Zou ik ook niet wezen voor jou," merkt de collega-agent op. "Nou, vooruit mannen, we moeten ruimte hebben. Die personenauto moet naar voren toe, achter die blauwe bestelwagen daar. Wie rijdt dat ding weg?"

Dat geeft weer stof tot conversatie, nu tussen de Engelse Nederlander en diens echtgenote. Mevrouw beweert dat zij dat best kan, terwijl meneer daar blijkbaar sterk aan twijfelt, overigens niet zonder reden, dat is wel gebleken. Tenslotte echter geeft mevrouw toe, meneer gaat achter het stuur zitten en zal het karweitje wel even klaren. Het vervelende is echter, dat hij niet voor of achteruit kan, zoals de situatie nu is.

De beide auto's zitten tegen elkaar geklemd en iedere beweging is noodlottig voor de lak op de portieren. Nu vinden de politiemannen het echter welletjes geweest. Zonder nog veel tijd te verspillen zetten ze zich elk aan een kant van de auto. Een paar vrijwilligers hebben de bedoeling al begrepen.

"Eén, twee...hup!" roept de agent en vijf paar sterke handen wippen het lichte autootje een metertje opzij, zo over de stoeprand heen. Het ding staat vrij, meneer maakt contact, geeft gas, en rijdt zijn eigendom heel behoedzaam een meter of tien naar voren. Vijf minuten later is er van het gebeurde weinig meer te zien, behalve dan de twee politiemannen en de betrokkenen, die nog steeds hevig staan te debatteren over de schuldvraag.

Maar dat interesseert Mieke maar weinig. Ze heeft nu ruim twintig minuten staan kijken en haast zich voort langs de gracht, in de richting van het huis, waar meneer Bolijn woont. Weldra staat ze voor de oude woning, een prachtexemplaar overigens, dat nog de sfeer weergeeft, die hier vroeger moet hebben gehangen. Beneden zijn nu een kantoor en bijbehorende magazijnen, wat een beetje rommelig maakt, maar zodra Mieke via allerlei kleine trapjes tot de tweede verdieping is geklommen, ademt alles hier rust en een sfeer die volkomen ontbreekt in de moderne en van alle gemakken voorziene woningen zoals die tegenwoordig worden gebouwd, bij massale aantallen tegelijk.

Mieke weet hier nu precies de weg. De eerste keer dat ze hier kwam, vond ze het allemaal maar een beetje vreemd, maar nu gaat het beter.

Op de derde verdieping woont de familie Bolijn. Het gezin bestaat trouwens nog maar uit twee personen, want kinderen heeft het echtpaar niet. Mieke heeft al eens kennis gemaakt met mevrouw Bolijn, maar die kennismaking was maar heel vluchtig. Als Mieke en de anderen 's avonds komen voor hun lesuur, is zij het meestal die voor hen open doet, maar verder laat ze zich niet zien. Ze gaat erg vroeg naar bed, omdat haar gezondheid nog wel eens iets te wensen over laat. Al een paar keer is het Mieke opgevallen dat om acht uur, het tijdstip waarop de lessen afgelopen zijn, het grote licht in de huiskamer van de familie Bolijn al uit was.

Nu is ze echter op. Een zacht, bescheiden klopje van Mieke is voldoende. Blijkbaar is ze al op de hoogte van diens komst, want ze toont geen enkele verbazing.

"Kom even binnen Mieke," zegt ze vriendelijk. "Jij kwam zeker je gecorrigeerde huiswerk halen hè? Mijn man had het klaar gelegd voor je. Hij wist niet zeker of je het af zou komen halen, maar heeft het in ieder geval apart gelegd voor je."

"Ik wist het zelf ook niet zeker mevrouw," zegt Mieke. "Ik kan niet altijd weg, ziet U."

"Nee, dat weet ik," zegt mevrouw Bolijn, terwijl ze haar jeugdige bezoekster voor gaat naar binnen. "Je zult het wel erg druk hebben met je huishouding."

"Ach, dat went wel," weert Miek af. "In het begin was het even vreemd natuurlijk, maar nu kan ik het werk gemakkelijk af."

"Ik vind het buitengewoon knap wat je presteert," hemelt mevrouw Bolijn haar op. "Eerlijk gezegd begrijp ik niet, hoe je het voor elkaar krijgt kindje. Ik heb het soms met mijn manier al erg druk om mijn kleine huishoudinkje te doen, en nu zijn er bij mij niet eens kinderen over de grond."

"Nee, dat is inderdaad het ergste," geeft Mieke direct toe. "Soms word ik er eerlijk gezegd wel eens een beetje wanhopig onder! Zo heb je de boel opgeruimd, of tien minuten later is alles weer veranderd in een chaos en kun je opnieuw beginnen."

"Ga even zitten," nodigt mevrouw Bolijn uit. "Dan zal ik vlug even kijken of er nog thee in de pot zit."

Dat durft Mieke niet te weigeren. Nadat mevrouw Bolijn het huiswerk klaar heeft gelegd komt ze gezellig even bij haar zitten. Ze blijkt een gezellige praatster te zijn en Mieke verdenkt haar er heel even van, dat ze blij is met de kleine afwisseling in haar dagelijkse leven, dat toch ook wel een beetje eentonig moet zijn. Wandelen in de buurt is hier practisch uitgesloten, tenzij mevrouw Bolijn er behagen in schept om de hele dag langs de winkels in de binnenstad te wandelen. En daar lijkt ze Mieke nu ook bepaald het type niet naar. Dat blijkt trouwens ook wel uit het gesprek dat zich ontspint tussen het tweetal.

"Ik had vroeger heel andere idealen als jij," zegt mevrouw Bolijn met een peinzende blik in haar ogen. "Stewardess wilde ik worden, iets van de wereld zien! Of reisleidster bijvoorbeeld, maar in elk geval een beroep waarbij veel gereisd moest worden. Maar ja, dat is allemaal een beetje anders uitgevallen."

"Maar dat had U toch kunnen doen voordat U trouwde?" waagde Mieke op te merken.

Mevrouw Bolijn lacht even. "Dat had gekund," zegt ze, "aangenomen natuurlijk dat ik er geschikt voor was verklaard. Maar tot een test voor één van die beroepen is het nooit gekomen. Mijn ouders waren er fel tegen. Als ik dan met alle geweld een beroep wou kiezen, moest ik maar studeren voor apothekeres of iets dergelijks, zeiden ze altijd, de hele dag met flesjes en pilletjes in je handen staan, terwijl je verlangt naar verre reizen! Of bijvoorbeeld een beroep als assistente bij een tandarts of iets dergelijks, dat vonden ze ook prachtig. Dat gaf zekerheid, vonden ze. Misschien hadden ze nog gelijk ook, maar ik walgde alleen al van de gedachte aan één van die baantjes."

"En wat is het tenslotte geworden?" vraagt Mieke, ofschoon ze zich op hetzelfde moment erg brutaal vindt, dat ze die vraag zo maar durft stellen.

"Van alles," zegt mevrouw Bolijn, en er klinkt nu een beetje vrolijkheid in haar stem. "Ik ben een poosje secretaresse geweest op een handelskantoor. Dat heb ik precies drie maanden vol gehouden. Daarna kwam ik terecht bij de een of ander professor, die iets heel geleerds deed, iets wat me overigens nooit helemaal duidelijk is geworden. Het had iets te maken met de archeologie, geloof ik. Bar interessant misschien, en als ik nu nog eens een reisje met hem had mogen maken naar Egypte of zo, om daar fossielen of andere oudheidkundige voorwerpen te gaan zoeken, was ik bepaald wel langer gebleven. Maar op zeker ogenblik ging de professor zelf een reis maken, die wel een paar maanden kon duren, terwijl ik alleen achter bleef om allerlei post te beantwoorden of door te sturen naar een bepaalde afdeling van de universiteit. Nu, daar was ik 's morgens om een uur of elf al mee klaar en dan zat ik voor de rest van de dag door het raam te kijken. Toevallig echter stond het gebouw waar ik werkte, in een vreselijk eentonige straat ergens in zuid, dus daar was ik ook al vlug uitgekeken. Daar ben ik bijna een half jaar geweest. Toen kwam de professor terug van zijn buitenlandse reis en ben ik weg gegaan. Na nog wat omzwervingen ben ik tenslotte in een universiteitsbibliotheek terecht gekomen. Daar heb ik verreweg het langst gewerkt. Het was er wel leuk; of leuk is eigenlijk het woord niet, het was er erg leerzaam dat is misschien beter uitgedrukt. Toen leerde ik mijn man kennen en nu woon ik dus hier."

"Brr," zegt Mieke, "dat zou mij nu juist helemaal niet lijken, de hele dag tussen die gewichtige boeken. En vreselijk moeilijk lijkt het me ook!"

"Ach, dat laatste valt wel mee," zegt haar gastvrouw, "maar het eerste heb je inderdaad misschien wel gelijk in. Tegenwoordig ben ik het liefst maar buiten, maar nu is daar helaas niet zo veel gelegenheid meer voor. Alleen natuurlijk zaterdags en zondags, als mijn man ook vrij is. En dan trekken we er ook altijd wel op uit."

"Misschien wordt Uw man nog eens overgeplaatst naar een plaats in de provincie," zegt Mieke.

"Tja, wie weet," lacht mevrouw Bolijn. "Maar we hebben nu langzamerhand genoeg gepraat over mij. Vertel liever eens, hoe het met je moeder gaat. Mijn man heeft me er alles van verteld."

"O, dat gaat heel goed," zegt Mieke. Ze weet de laatste brief haast woordelijk uit haar hoofd en dus heeft ze er weinig moeite mee, om precies te vertellen welke vorderingen moeder heeft gemaakt.

Nog een kwartiertje babbelen ze door over allerlei dingen die de dagelijkse bezigheden van Mieke uitmaken. Dan kijkt de laatste verschrikt op de klok. Ze moet nodig naar huis! Straks is de tweeling thuis en die hebben in een minimum aan tijd de hele boel op stelten gezet. Mevrouw Bolijn houdt haar niet langer op. Maar wel moet Mieke beloven, dat ze nog eens een keertje zal komen.

"En dan liefst op een tijd, dat je nog wat langer kunt blijven," zegt mevrouw Bolijn hartelijk.

En dat belooft Mieke dan maar. Hoe ze dat precies moet doen, is haar voorlopig nog een raadsel, maar ze durft geen neen te zeggen. Trouwens, ze heeft het ook zelf erg leuk gevonden, het half uurtje, dat ze hier heeft gezeten. Mevrouw Bolijn is helemaal niet het type van de onderwijzersvrouw, zoals men zich dat meestal voorstelt. Als men haar hoort praten, heeft men veel eerder het idee, dat men naast iemand zit van gelijke leeftijd, zo praat ze.

Als Mieke al buiten staat in het drukke verkeer langs de gracht, gaat er boven in het huis nog een raam open en een jolige stem roept: "Oehoe!"

Vragend kijkt Mieke naar boven.

"Je hebt je huiswerk vergeten domoor!" roept mevrouw Bolijn vanuit de hoogte.

En daar schiet Mieke dan bij in de lach. Als twee vrouwen, (of twee meisjes, dat lijkt er meer op) met elkaar zitten te praten, vergeten ze vaak dingen, waarvoor ze eigenlijk bij elkaar gekomen zijn! Op een holletje gaat ze weer naar boven.

En als ze voor de tweede keer buiten staat, gaat het raam nog eens open, nu, omdat mevrouw Bolijn Mieke nog even na wil wuiven.

Opgeruimd slaat Mieke de kortste weg naar huis in, om vervolgens voor de laatste trip nog even een trammetje te nemen.

Ja, ze vind mevrouw toch een heel aardig iemand. Ze had haar eigenlijk heel anders voorgesteld.

Maar dat is haar heel erg meegevallen, nee een onderwijzersvrouw is het helemaal niet.

Zo zie je dat het altijd heel anders uit kan lopen, dan je zelf meestal denkt.

HOOFDSTUK VIII

De maanden verstrijken zonder veel bijzondere dingen. Mieke doet haar werk in de huishouding, ze zorgt dat 's avonds het eten op tijd klaar is, loopt de kinderen achterna, voor zo ver dat nodig is en volgt ijverig de lessen van meneer Bolijn. Die is dan ook buitengewoon goed over haar te spreken, en hij steekt dat niet onder stoelen of banken. Niet dat hij haar na iedere les prijst, maar hij is al eens een keer thuis geweest, zo maar uit vriendschap zoals hij zelf zei, maar bij die gelegenheid heeft hij niet nagelaten om eens danig de loftrompet te steken over Mieke. En nu is het al weer winter. Tenminste, dat wijst de kalender aan, maar in werkelijkheid is er nog niet veel winterweer geweest. Zestien januari wijst het vakje op de kalender aan, een tijd waarop het eigenlijk moest vriezen, of op zijn minst sneeuwen. Maar vanaf oktober duurt eigenlijk al de herfst. Afwisselend regent en stormt het. De ene dag blaast een felle Zuidwester door de straten en net als je denkt dat die de lucht wel een beetje schoon zal vegen, meldt de Bilt, dat er een gebied met veel regen op komst is. En het is zeldzaam, zo vaak als de weerkundigen het in deze tijd bij het juiste einde hebben met hun voorspellingen. Het wordt langzamerhand eentonig en Mieke beeldt zich in, dat ze zelf wel de weersverwachting op kan stellen, zo weinig variatie zit er in.

Het werkt bepaald deprimerend op een mens, dat nare, sombere weer. Nee, dan liever een fikse vorst 's nachts daar kun je je tenminste tegen kleden, maar dit weer? Bah! Drie of vier keer per week komen de kinderen doornat thuis van school, en ook zelf is ze al verschillende keren met een nat pak aan gekomen, als ze bij meneer Bolijn was geweest of, nog erger, bij hem aan kwam.

Gelukkig, nog een half jaartje, dan is het weer de tijd van de eindexamens voor de Mulo en de andere scholen. En meneer Bolijn heeft beloofd dat hij zijn best zou doen om haar ook eindexamen te laten doen. Daar zitten wel de nodige haken en ogen aan vast, maar dat maakt hij allemaal in orde voor haar. Mits ze natuurlijk blijft doorgaan met haar goede vorderingen, die conditie heeft meneer Bolijn er uitdrukkelijk aan verbonden. Ze heeft het dus zelf in de hand, alleen zal het nog wel de nodige energie kosten. Tenslotte moet ze het allemaal doen in de weinige vrije uurtjes, die er voor haar overblijven. Maar Mieke is vastbesloten, en wat ze een keer in haar hoofd heeft gezet, dat is er niet één, twee, drie weer uit.

Ja, ze heeft dan wel van alle kanten de volle medewerking. Zelfs de andere kinderen thuis schijnen te voelen, wat er voor haar van af hangt. In het begin moest vader er nog wel eens een enkele keer aan te pas komen, om ze tot bedaren te brengen als Mieke zat te studeren, maar tegenwoordig hoeft Mieke maar een kik te geven, dan zijn ze al zo stil als muisjes, of verleggen in ieder geval hun speelterrein naar een plaats waar Mieke er geen hinder van heeft. Ook vader is geweldig. Bijna iedere avond wast hij de vaat, veelal geholpen door Ans, aan wie Mieke langzamerhand ook een grote steun heeft gekregen.

En dan is er natuurlijk meneer Bolijn zelf. Niet dat Mieke door hem meer tijd krijgt, maar wat die man voor haar doet, zal Mieke hem waarschijnlijk nooit terug kunnen betalen. Als Mieke ook maar even moeilijkheden heeft met haar lessen staat hij klaar om haar de zaak uit te leggen. Een heel enkele keer gebeurt het wel eens, dat Mieke op een dag dat er geen les is, in moeilijkheden zit en met bepaalde opgaven geen raad weet. Dan gaat ze rustig naar het huis aan de gracht, waar ze altijd met open armen wordt ontvangen. Na die keer dat ze een tijd met mevrouw Bolijn heeft zitten babbelen is ze gewoon als kind aan huis, of eigenlijk zelfs als vriendin. Want mevrouw Bolijn is haar steeds meer gaan beschouwen als een gelijkwaardig gesprekspartnerin en vaak dringt ze er op aan dat Mieke tussentijds nog even op een middag bij haar aan komt wippen. Veel gebeurt dat overigens niet, Mieke heeft warempel wel andere dingen te doen dan een beetje te gaan zitten keuvelen.

De uitnodiging van Miek om eens bij haar langs te komen heeft mevrouw Bolijn beslist afgewimpeld.

"Als jij hier bij mij komt, neem ik aan dat je de tijd er voor hebt kunnen vinden," heeft ze eens gezegd. "Maar als ik zo onverwacht bij jou binnen kom vallen, is dat misschien op het meest ongelegen moment, en dat zou ik beslist niet willen."

"Trouwens," voegde ze er aan toe, "ik ben bang dat ik dan ook de grootste ruzie zou krijgen met mijn man! Als hij zou horen dat ik jou van je tijd beroof, zou hij niet te genaken zijn!"

En dus is het zo gebleven. Voorlopig althans.

Met een beetje rood hoofd staat Mieke in de keuken. Ze heeft juist het eten gestampt en dat is een warm karweitje. De hete stoom van de aardappelen en de wortelen met uien slaat haar om het gezicht en doet ook verder in de keuken alles aanslaan met een vochtige condenslaag. Ze is laat vandaag; het loopt al tegen half zes. Vader kan ieder ogenblik thuis komen, en die is gewend om het eten klaar te vinden als hij binnen komt. Niet dat hij er wat van zou zeggen als het een enkele keer wat later zou worden, maar Mieke stelt er voor zich zelf een eer in, om met alles op tijd te zijn, zodat hij alleen maar een stoel behoeft te pakken en bij de tafel behoeft te schuiven. Hè, nu wordt er nog gebeld ook! Wie kan dat nu zijn om deze tijd van de dag? Een van de kinderen kan het niet zijn, de tweeling zit te spelen in hun kamertje en Ans is bezig aan haar huiswerk. Een beetje wrevelig loopt Mieke naar de deur om die te openen.

Het blijkt iemand te zijn die haar dekens wil verkopen. Een nog tamelijk jonge man staat met de voorwerpen over zijn arm te wachten.

"Is je moeder thuis?" vraagt hij, als Mieke open heeft gedaan.

"Nee, mijn moeder is niet thuis," antwoordt Mieke geheel naar waarheid.

Meteen wil ze de deur weer sluiten, maar zo gemakkelijk gaat dat niet. De man zet snel zijn voet tussen de deur, zodoende haar poging verijdelend.

"O, ik zie het al," zegt hij overdreven vriendelijk. "Jij bent natuurlijk degene die hier over de huishouding gaat."

Mieke vraagt zich af, of ze er dan zo oud uit ziet, maar meteen begrijpt ze hoe de man zo vlug aan die gedachte komt.

Het is natuurlijk haar kleding. Ze draagt een schort en aan haar uiterlijk moet wel te zien zijn, dat ze niet bepaald in een stoel heeft zitten luieren.

"Ja, maar je zult toch wel even tijd hebben om die prachtige dekens van me te bekijken," houdt de man aan. "Zo'n koopje krijg je nooit meer aangeboden! Honderd procent wol en dat voor een prijs, ver beneden die in de winkel!"

"Best mogelijk," zegt Mieke gedecideerd. "Maar ik moet geen dekens hebben meneer; we liggen er allemaal warm onder, dat verzeker ik U."

Maar de man is gewoon niet uit het veld te slaan. Hij heeft blijkbaar vandaag nog niet veel zaken gedaan en hier, bij een van zijn laatste adressen voor die dag, ziet hij zijn kans schoon. Hij is toch zeker wel in staat om een meisje van een jaar of veertien te bewegen een of twee dekens te verkopen.

"Je zou ruzie met je moeder krijgen als die wist wat je laat lopen," zegt hij. "Of leeft je moeder niet meer?"

Die vraag maakt Mieke woedend. Waar bemoeit die man zich mee! Ze is echt wel iets gewend als ze mensen aan de deur te woord moet staan, maar de brutaliteit van deze man spant toch wel de kroon!

"Gelukkig wel," bijt ze. "Maar ze is al ruim een jaar ziek als U er prijs op stelt om dat te weten. Ofschoon U dat allemaal eigenlijk niets aan gaat!"

Ze kan het niet nalaten, ze moest het er even bij zeggen.

"Nou nou, over brutaliteit gesproken, jij bent ook niet op je mondje gevallen zeg!" tapt de koopman nu uit een ander vaatje.

"Daar hebben mensen zoals U het wel naar gemaakt," zegt Mieke, terwijl ze zich afvraagt hoe ze de man kwijt moet raken.

Ze kan natuurlijk wel naar binnen gaan en hem gewoon laten staan, maar de vraag is nog maar of hij dat neemt. Het is er eentje van het slechtste soort, dat heeft ze wel begrepen. Dadelijk loopt hij nog achter haar aan naar binnen en wat moet ze dan beginnen? Even overweegt ze om Ans te roepen en die naar de buren te sturen, maar het volgende ogenblik geeft ze dat denkbeeld al weer prijs. De familie Goethart, vlak naast hen, is momenteel niet thuis, dat weet ze. Bovendien zou ze misschien het drietal binnen nog angstig maken ook, en dat wil ze vermijden. Tot nu toe schijnen ze niets te hebben gehoord van het gesprek aan de deur. Overigens schijnt de man in de veronderstelling te zijn dat ze alleen thuis is, anders had hij zich misschien wel een beetje gematigd.

"Nou, hoe zit het, wil je gebruik maken van mijn aanbod of niet," stelt de man als een soort ultimatum.

"Geen sprake van," antwoordt Mieke. "Ik heb U al gezegd dat ik meer dan genoeg dekens heb en ik ben beslist niet van plan om er nog meer bij te nemen."

Hoe laat komt vader ook weer precies thuis, flitst het door Mieke haar hoofd. Meestal is hij er toch al omstreeks deze tijd!

"Dat wil ik dan zelf wel eens even bekijken," zegt de man brutaalweg.

Even rilt Mieke, niet van kou, maar, ze wil het zichzelf best bekennen, van angst. Je leest af en toe verschrikkelijke verhalen in de krant.

Nee, wat er ook gebeurt, die kerel komt er beslist niet in!

"Nu, laat Uw dekens dan maar eens kijken," zegt ze, om tijd te winnen.

Ze moet zien dat ze die man aan de praat houdt, tot ze de bekende voetstappen van vader hoort. Hè, waarom wonen ze toch ook in zo'n stil gedeelte van de stad? Overdag is het hier levendig genoeg, maar het schijnt wel of er op het ogenblik in de wijde omtrek geen levende ziel te bekennen is!

"Laten we maar liever even naar binnen gaan, het is hier zo koud," antwoordt de man nu echter, steeds brutaler. "Dan kun je op je gemak even kijken, vindt je ook niet?"

"Daar komt niets van in," antwoordt Mieke. "Om de waarheid te zeggen, ik wil ze helemaal niet zien."

Ze wordt opeens weer spinnijdig. De brutaliteit van de kerel heeft haar heel even overdonderd, maar nu neemt ze ook niets meer van hem!

"En als je nu niet weg gaat, zal ik er anderen bij halen!"

Op dat moment hoort ze op korte afstand voetstappen naderen, voetstappen die ze uit duizenden zou herkennen.

"Vader!" roept ze opgelucht.

"Ja!" antwoordt een stem, "Hier ben ik."

Het is verwonderlijk om te zien, hoe snel de vent reageert bij het horen van die stem. Hij gooit zijn dekens, die hij over de arm droeg, over de schouder en draait zich snel om. Even overweegt Mieke nog, te trachten hem tegen te houden, maar meteen verwerpt ze die gedachte weer.

"Nou, dan ga ik maar," zegt de man amicaal.

Vervolgens maakt hij zich uit de voeten en is even later verdwenen in de schemerige straat.

"Wie was dat?" vraagt vader verwonderd als hij zijn dochter een beetje verwezen in de deuropening ziet staan.

"O, iemand die dekens probeerde te verkopen," zegt Mieke zo gewoon mogelijk, terwijl ze naar binnen gaat.

En verder krijgt vader er geen woord uit. Miek zou echter nooit hebben willen bekennen, hoe bang ze een ogenblik is geweest voor die brutale kerel. Gelukkig dringt vader niet lang meer aan, en weldra zit het gezin aan de maaltijd.

Tja, dat zijn zo van die dingen, die je als klein huisvrouwtje mee kunt maken! Maar verder gebeurt er weinig, en gelukkig is ook Mieke zelf het geval weldra geheel vergeten. Alleen is ze in het vervolg niet zo vlot meer met het openen van de deur als tot nu toe.


 

HOOFDSTUK IX

Het is een maand later, dan komt er een verheugend bericht uit Davos, uit het verre Zwitserland. Het is maar een heel kort berichtje in telegramstijl, maar daarom niet minder vreugdevol begroet.

Kom over ca. veertien dagen thuis,
moeder.
P.S.: Brief volgt.

Dat is alles. Een simpele briefkaart, maar Mieke leest het berichtje wel twintig keer over. Dan pas heeft ze het een beetje verwerkt en vervolgens zoekt ze naar iemand, die ze dadelijk in de vreugde kan laten delen. Ze weet voor het ogenblik niets anders te doen, dan naar mevrouw Goethart te hollen om die het heuglijke nieuws te vertellen. En ofschoon die druk bezig is met haar was, laat ze het werk toch ook even in de steek. Ze zet er speciaal haar leesbril voor op, om de woorden toch vooral goed te kunnen lezen.

"Dat moet je je vader ook meteen vertellen," is haar eerste reactie. "Kind, kind, wat geweldig!"

En dat doet Mieke dan direct. Op een drafje holt ze naar de dichtstbijzijnde telefooncel om het bedrijf op te bellen waar vader werkt. Het is voor de eerste keer, dat ze dat doet, want vader heeft het liever niet, maar voor deze keer durft Mieke toch wel een uitzondering te maken.

Een beetje zenuwachtig zoekt ze in het telefoonboek naar het nummer. Als ze dat gevonden heeft, komt ze tot de ontdekking dat ze geen dubbeltje bij zich heeft.

Dus op een hol weer terug naar huis en in nog sneller tempo weer terug naar de cel.

"D. van Houten," zegt een verveelde meisjesstem aan de andere kant van de lijn.

"Mag ik meneer Verhoef even aan het toestel?" vraagt Mieke beleefd.

"Meneer Verhoef is op het ogenblik in gesprek."

"O," zegt Mieke, "dat is dan erg jammer. Maar wilt U toch zo vriendelijk zijn om hem even te roepen? Het is nogal dringend, ziet U."

Ze hoort door de telefoon duidelijk een diepe zucht.

"Verwenst lui kind," denkt Mieke een beetje kwaad. "Juffrouw heeft natuurlijk geen zin om hem te roepen!"

"Met wie spreek ik eigenlijk?" vraagt de juffrouw.

"U spreekt met de dochter van meneer Verhoef," zegt Mieke afgemeten.

Ze krijgt de neiging om eens flink uit te vallen, maar gelukkig weet ze zich nog net op tijd te bedwingen en beleefd te blijven.

"O, wacht U dan een ogenblikje."

Het "ogenblikje" worden precies vier minuten en na wat haar een eindeloze tijd heeft geschenen, hoort ze dan toch eindelijk de stem van vader.

Eerst is die stem ook een beetje geïrriteerd, maar als hij het blijde nieuws hoort, verandert dat als bij toverslag.

"Maar... maar dat is geweldig kind," is alles wat hij er het eerste ogenblik uit kan brengen, nadat Mieke hem de briefkaart heeft voorgelezen. "Maar vergis je je echt niet?"

"Nee paps ik vergis me echt niet," lachte Mieke.

Vergeten is de juffrouw die ze zoëven aan het toestel had!

"Ja, maar vertel nog eens verder," dringt vader aan. "Staat er verder helemaal niets op? Want we moeten maatregelen nemen voor als ze thuis komt!"

Vader is gewoon een beetje zenuwachtig en in zich zelf moet Mieke er een beetje om lachen. Wat kunnen ze nu direct voor maatregelen nemen? Ze weten nog niet eens precies de dag, waarop ze komt. Ze voelt zich opeens een beetje superieur aan vader, die zich direct van de wijs laat brengen, en vergeet even dat zij zelf ook het eerste ogenblik niet wist wat ze met de briefkaart moest doen.

"We hebben heus nog de tijd, ga ik vandaag nog wel even naar dokter van Renesse, om te vragen wat die er van denkt en of er inderdaad nog iets te verzorgen is voor moeder."

"Ja ja, dat is ook eigenlijk wel zo," de stem wordt al wat rustiger. "Goed kind, bekijk het dan maar even zelf. En als je nog iets naders hoort, bel je me dan nog even?"

"Ik beloof het U," zegt Mieke.

Dan legt ze de hoorn weer op het toestel en gaat, al weer op een holletje, naar huis.

Tja, wat moet ze nu doen? Ze besluit tenslotte, om eerst maar naar dokter van Renesse te gaan. Hij is de man geweest die indertijd gezorgd heeft dat moeder opgenomen kon worden, zonder dat het gezin Verhoef voor ondraaglijke kosten kwam te staan, en dus heeft hij er ook een zeker moreel recht op om als één van de eersten te horen dat zijn vroegere patiënte weer naar huis terug keert. Maar eerst moest Mieke zorgen dat de tafel gedekt staat als de kinderen vanmiddag thuis komen. Ze is direct één en al actie en organiseert alles zodanig dat ze desnoods de hele middag wel weg kan. Alleen had ze eigenlijk nog een hele stapel huiswerk liggen van meneer Bolijn, maar dat moet voor deze keer dan maar blijven liggen. Ze geeft de sleutel van de huisdeur aan mevrouw Goethart met het verzoek de kinderen op te vangen als die thuis komen en dan gaat ze op pad naar dokter van Renesse.

Illustratie op pagina 1 Ze treft het, de dokter is net thuis, klaar om aan zijn dagelijkse ronde langs de patiënten te beginnen. Veel tijd heeft hij natuurlijk niet, maar hij toont zich toch ook oprecht verheugd als hij het goede nieuws hoort. Maar als Mieke hem vraagt of er nog iets geregeld moet worden, lacht hij even.

"Hou me maar op de hoogte als je iets naders weet," zegt hij. "Ik vermoed toch dat ik ook nog wel bericht zal krijgen van de geneesheer-directeur in Davos. Voorlopig heb je je alleen nog maar blij te maken, de rest komt heus wel in orde."

En vijf minuten nadat ze binnen is gekomen, staat Mieke al weer op straat.

Wat moet ze nu doen? Maar weer naar huis gaan en de boel verder aan kant maken? Maar daar heeft ze op dit ogenblik nog helemaal geen zin in. Ze moet eerst nog met mensen praten over haar blijdschap! O, wat zal het allemaal weer anders worden, als moeder eenmaal thuis is! Niet dat ze voorlopig veel zal kunnen doen, maar ze zullen weer met zijn zessen zijn! En als moeder eenmaal weer een beetje op krachten is gekomen, kan Mieke haar studie weer helemaal voortzetten! Ja, als het eenmaal zo ver is!

Een beetje doelloos loopt Mieke de straat door. Dan krijgt ze plotseling een idee. Ze gaat naar mevrouw Bolijn!

Ze zal zich zelf eens een vrij uurtje gunnen en gezellig een babbeltje op gaan zetten.

Vastbesloten stapt ze naar de tramhalte en weldra is ze onderweg naar het huis aan de gracht.

HOOFDSTUK X

Als ze daar aan komt, kijkt mevrouw Bolijn haar eerst een beetje verwonderd aan. Ze kent de beschermelinge van haar man nu langzamerhand wel zo goed, dat die een gegronde reden moet hebben om zo maar, en dat nog wel tegen het middaguur, het werk in de steek te laten om wat te gaan babbelen. Maar gelukkig begrijpt ze de reactie van Mieke best, als die haar vertelt waarom ze een uurtje het huis uit moest.

Het wordt inderdaad wat Mieke zich er van heeft voorgesteld, een gezellige middag.

"Zo, dat heb je wel eens verdiend," zegt mevrouw Bolijn tevreden. "En dan gaan we nu eerst eens een paar plaatjes draaien. Tenslotte is je zusje voor vanmiddag goed verzorgd, dat heb je zelf al gezegd. En die is op haar beurt best in staat om te zorgen dat de jongens tijdig naar school komen."

En dan zet Mieke alles maar van zich af.

De prachtige radio met pick-up, die in de hoek van de kamer staat, wordt ingeschakeld en weldra klinken de vrolijke klanken uit een opera van Rossini door de gezellige kamer.

Meer dan een half uur zit het tweetal bijna voortdurend zwijgend te luisteren. Alleen als er een plaat verwisseld moet worden, valt er een losse opmerking.

En als ze lang genoeg naar de muziek geluisterd hebben komt mevrouw Bolijn zowaar met een fles sherry aan.

Mieke heeft nog nooit een alcoholische drank gebruikt en ze protesteert dan ook hevig, maar mevrouw Bolijn weet haar ook nu weer te overreden.

"Op de thuiskomst van je moeder," zegt ze vrolijk en voor dat argument bezwijkt Mieke.

"Vooruit dan maar," zegt ze, "maar als ik er last van krijg is het Uw schuld en beklaag ik me bij Uw man!"

"Op dat risico," antwoordt mevrouw Bolijn lachend.

De sherry is een beetje wrang, vindt Mieke eerst, maar als ze werkelijk goed heeft geproefd, toch wel lekker.

Terwijl ze allebei met een geheven glas in de hand zitten, komt de heer des huizes vrij onverwacht binnen stappen. Mieke kan het niet laten, of het komt van het eerste glaasje sherry weet ze niet, maar ze schiet in een onbedaarlijke lach als ze het verbouwereerde gezicht van haar leraar ziet.

Het moet dan ook wel een ongewone gewaarwording zijn voor meneer Bolijn dat hij geen gedekte tafel vindt maar zijn vrouw en één van zijn leerlingen met een sherryglas in de hand.

"Nou, nou, een vrolijke boel hier," brengt hij er tenslotte uit.

Zijn stem klinkt overigens weinig toeschietelijk, maar gelukkig verandert dat snel als hij hoort wat de aanleiding is tot deze ongewone gebeurtenis en eigenhandig pakt ook hij een glas om zich eens in te schenken.

Mieke heeft zich in lange tijd niet zo zorgeloos gevoeld. Ze is enorm dankbaar dat iedereen zo meeleeft met het wel en wee van de familie Verhoef en daar is ook echt wel reden toe.

"Ik heb een voorstel," zegt meneer Bolijn, als hij zijn achterstand heeft ingehaald en bezig is aan zijn tweede glaasje sherry.

De andere twee kijken hem nieuwsgierig aan.

"Vanavond," zegt meneer Bolijn, terwijl hij heel voorzichtig aan zijn glaasje nipt, "vanavond heb ik geen enkele afspraak. En dus...."

"En dus gaan we vanavond uit," vult zijn vrouw aan.

"Tsjonge, wat ben jij vlug van begrip," lacht meneer Bolijn. "En Mieke..."

"En Mieke gaat mee," klinkt weer de stem van zijn vrouw.

"Da's sterk," vindt meneer Bolijn.

En tot Mieke: "Zie je wel, dat wij een ideaal huwelijkspaar vormen? Dat blijft dus afgesproken."

"Ja, maar," protesteert Mieke, "dat kan toch zo maar niet?"

"Geef mij de naam van de firma waar je vader werkt," commandeert meneer Bolijn.

Daar schiet Mieke even bij in de lach. Ze moet meteen weer denken aan het telefoongesprek dat ze zelf voor een paar uur terug heeft gevoerd.

Maar gewillig geeft ze het telefoonnummer, dat ze vanmorgen heeft genoteerd. Ze heeft er tenslotte ook geen enkel bezwaar tegen om er eens een keertje tussen uit te kunnen zijn en daarom is ze blij dat meneer Bolijn dat allemaal wil regelen.

"Dat is dan in orde," zegt haar gastheer. "Rest ons dus alleen nog, een goede film uit te zoeken, een onderwerp waarover mijn vrouw en ik helaas nog al eens van mening verschillen. Daarom stel ik voor dat Mieke de beslissing heeft in dit geval. Hier is de krant waarin alle filmprogramma's staan."

En zo gebeurt het.

Mieke kiest een film uit, waarin prachtige natuuropnamen voor komen, een keus, waar het echtpaar Bolijn zich direct bij neer legt.

"Maar dan ga ik nu toch echt naar huis," zegt Mieke. "Ik moet nog wat doen!"

En deze keer wordt ze niet tegen gehouden. Ze spreken af waar ze elkaar 's avonds zullen ontmoeten en dan gaat Mieke vrolijk naar huis.

Het wordt een geweldige avond.

De film is prachtig en de stemming opperbest. En als Mieke, ruim een uur later dan ze doorgaans gewend is, in haar bed stapt, is ze met alles verzoend. En boven alles overheerst de gedachte, dat over hoogstens drie weken het gezin weer voltallig is!

HOOFDSTUK XI

Het was een gedrang van jewelste in het station, maar gelukkig kostte het niet veel moeite om moeder te vinden. Ze was vergezeld van iemand van het verplegend personeel uit Davos, die verlof kreeg op dezelfde dag als die, waarop moeder naar huis mocht. Er volgde nog even een hartelijk afscheid tussen die twee en toen volgde de rit door de stad naar huis.

Met zijn vijven hadden ze moeder afgehaald en nu zaten ze dan met de voltallige familie, zes mensen, in de ruime taxi, die hen in snelle vaart door het drukke verkeer heen loodste. Zorgzaam stopt Mieke de warme sjaal nog wat beter tussen haar jas, terwijl vader tevreden lachend toe kijkt. Het weerzien is toch niet bepaald uitbundig geweest. Ze weten allemaal wel, dat moeder nog niet weer helemaal in orde is en dat ze de eerste tijd beslist heel kalm aan moet doen. Wat overigens niet wil zeggen dat ze niet blij zijn, maar vooral vader heeft er op gestaan dat ze vooral rustig moesten blijven bij het weerzien. En dat hebben ze gedaan, zo goed en kwaad als dat ging. Ook moeder zelf heeft zich goed gehouden. Ze heeft ze natuurlijk allemaal eens stevig omhelsd maar daar bleef het dan ook bij.

Ze naderen het vertrouwde buurtje. Nog één hoek en dan zal de straat voor hen liggen. En dan, als ze het huis naderen, kan moeder toch een kreetje niet onderdrukken. Uit zeker vijftien, twintig huizen, steekt de vlag en mocht moeder een ogenblik gedacht hebben dat dat voor iemand anders was, dan helpt de geweldige bloemenkrans boven de deur met uitlopers langs de kozijnen haar wel uit die droom.

"Welkom thuis!" staat er met grote letters op een groot bord dat ergens tussen die bloemen hangt.

En dat is nog niet alles!

Zeker veertig of vijftig mensen staan haar op te wachten, sommigen met nog een extra bloemetje in de hand, anderen met lege handen, maar iedereen met een vrolijke lach op het gezicht, blij dat ze het bekende gezicht weer zien. Dat wordt daar nog even een drukte voor de deur. Iedereen wil graag de eerste zijn, die haar de hand drukt, maar na een minuut of vijf maakt mevrouw Goethart er resoluut een einde aan.

"Zo mensen," zegt ze kordaat, "jullie hebben nu allemaal gezien dat ze weer terug is en nu moet ze naar binnen. Dit wordt veel te veel voor haar. Die haar nog geen hand hebben kunnen geven komen bij gelegenheid maar eens terug als ze wat bij is gekomen van de reis."

Er gaan wat lachend geuite protesten op bij de vrouwen en meisjes, maar gelukkig ziet iedereen wel in dat mevrouw Goethart volkomen gelijk heeft. Die loodst mevrouw Verhoef met zachte drang naar binnen, waar ze verschillende dingen heeft klaar gezet, zodat Mieke nergens naar hoeft te kijken, maar er nu ook even haar gemak van kan nemen.

Moeder is ontroerd, Mieke ziet het duidelijk. Zoveel goede zorgen en hartelijkheid had ze blijkbaar niet verwacht. Ze zit maar wat stilletjes om zich heen te kijken, als moet ze het allemaal nog eerst eens even verwerken. Mevrouw Goethart neemt weldra afscheid en nu zijn ze dan eindelijk met zijn zessen onder elkaar. Nu kunnen ze ook beter praten, vertrouwelijker. En dat doen ze dan ook. Weldra komen de tongen van alle kanten los en moeder vooral moet vertellen. Ze heeft wel steeds alles per brief verteld, maar zo uitvoerig kon ze dat op manier toch niet doen.

Maar na een uurtje is het dan vader, die de leiding voorlopig over neemt.

"Zo," zegt hij, "en nu ga je eerst eens een poosje rusten. Als je alles nog niet hebt verteld, ga je morgen maar eens verder, maar eerst moet je nu bijkomen van al die vermoeienissen. En de jongens gaan nu maar een poosje spelen."

Zelden was een "bevel" van vader zo snel opgevolgd. Tien minuten later lag moeder in bed, de jongens stoeiden op straat, blij met hun vrije middag en Mieke liep heel zachtjes door het huis heen, bezig voor de avondmaaltijd.

Het is echt een beetje vreemd voor haar, ze voelt zich een klein beetje indringer op het terrein van moeder, die voorlopig nog zo hulpeloos is en maar moet toe zien dat een ander al haar werk over heeft genomen. Gelukkig, ze gaan de zomer tegemoet, de bomen in de straat vertonen al een zacht groene waas en dus kan moeder weldra volop profiteren van het mooie weer. Wel zijn de nachten voorlopig nog koud, maar alles in de natuur wijst er toch op dat de winter bezig is afscheid te nemen van het kleine landje aan de Noordzee. De zon krijgt steeds meer kracht en als hij 's middags op de huiskamer aan de straatkant staat, is het heerlijk achter de ramen.

Er is nog een boel te organiseren, die eerste dagen. De volgende dag komt dokter van Renesse al eens even een kijkje nemen, zoals hij het zelf uit drukt. Hij zit een tijdlang genoeglijk te babbelen met moeder, maar als hij ziet dat die opstaat om een kopje thee in te schenken voor hem, krijgt ze een flinke uitbrander van hem.

"Daar komt voorlopig niets van in," zegt hij. "Ik weet precies hoe dat allemaal gaat. Vandaag schenkt U een kopje thee in voor Uw visite, morgen snijdt U een boterham voor uw man en over veertien dagen denkt U, dat U alles wel weer alleen aan kunt. Nee, nee, zo gaat het echt niet, dat begrijpt U zeker wel!"

"O, maar daar ben ik bij dokter," zegt Mieke.

"Ja, dat weet ik, jij bent flink genoeg," zegt dokter van Renesse goedkeurend. "Je hebt je flink gedragen, dat mag gerust eens gezegd worden waar je zelf bij bent. Maar je zult nu toch echt wel blij zijn als daar eens een eind aan komt zeker."

Even aarzelt Mieke. Zal ze daar echt wel blij mee zijn? Hoe vaak heeft ze gemopperd in zich zelf, als bijvoorbeeld de tweeling de boel weer eens in het honderd had gestuurd. Als Ans eens een onwillige bui had en haar overal voor op liet draaien of als er eens een dag al te veel gebeld werd en ze steeds maar weer naar de deur moest lopen, vaak voor de meest onbenullige dingen. Maar toch....

Toch heeft ze het nooit werkelijk naar gevonden. Ze wist dat ze zich verdienstelijk maakte, dat ze bijna onmisbaar was geworden voor het gezin. Hoe had het moeten gaan, als zij de zaken niet steeds zo energiek had aangepakt? O zeker, het zou op de een of andere wijze wel zijn opgelost misschien maar zonder dat Mieke lijdt aan zelfoverschatting, weet ze best dat een vreemde het waarschijnlijk nooit zo goed zou hebben gedaan als zij, meisje van vijftien jaar.

HOOFDSTUK XII

Glimlachend en vol belangstelling kijken de twee ouderen naar Mieke, trachtend haar gedachten te raden. Ze zijn allebei psycholoog genoeg om zo'n beetje haar gedachtengang te kunnen volgen, maar toch is vooral moeder vol spanning, haar reactie te horen.

En dan heeft Mieke het juiste woord gevonden.

"Och," zegt ze, een beetje kleurend bij de enigszins eigenwijze woorden, die ze nu gaat zeggen, "ik geloof dat ik dat pas kan zeggen als moeder alles weer heeft overgenomen. Tenslotte is mijn plaats hier eigenlijk nog niet, maar ik ben erg blij dat ik het allemaal heb kunnen doen."

"Bravo!" zegt dokter van Renesse hartelijk. "Dat is erg verstandig gesproken van je, Mieke. Je bent nog veel te jong om elke dag in deze kleine kring te blijven. Je moet er voorlopig nog wat uit, met mensen om gaan, vooral met meisjes van je leeftijd. Anders wordt je misschien te oud in je gedachtengang en je ideeën."

"Dan moet U me maar gauw mijn eigen gang weer laten gaan dokter," werpt moeder op.

"Mevrouw Verhoef," zegt dokter van Renesse ernstig, "ik beloof U, dat ik U geen dag langer zal laten rusten, dan strikt noodzakelijk voor U is. Maar weest U net zo verstandig als Uw dochter, dan komt het voor elkaar, dat moet U vooral steeds goed voor ogen houden."

Een poosje is het stil in de huiskamer. Dan neemt de dokter weer het woord.

"Ik zal zorgen dat U voorlopig weer hulp in de huishouding krijgt," zegt hij langzaam, terwijl hij het tweetal goed opneemt om te zien hoe de reactie is.

En als hij ziet dat Mieke een beetje rood aanloopt, als zoekt ze in die woorden een vooroordeel, als zou zij het werk tóch niet aan kunnen, vervolgt hij snel: "En dat doe ik dan eigenlijk niet, omdat het strikt noodzakelijk is. De boel zou hier beslist goed marcheren, daar ben ik zeker van. Maar ik ben er van de andere kant van overtuigd, dat ook onze Mieke wel een beetje rust toekomt. Bovendien is het zo, dat zo iemand waarschijnlijk U, mevrouw Verhoef, een beetje meer tot rust zal manen dan Uw eigen dochter dat kan doen. En ik beloof U ook nog, dat ik zal trachten mijn invloed uit te oefenen bij de keuze van die hulp."

"Maar dat wil ik helemaal niet dokter," waagt moeder te zeggen. "Ik heb hier genoeg vreemden binnen gehad!"

Dankbaar blikt Mieke in haar richting. Ze is het volkomen met moeder eens, maar ze durfde het niet te zeggen.

"Als U persé niet wilt, gaat het natuurlijk niet door," zegt dokter van Renesse, die deze reactie kennelijk wel zo'n beetje heeft verwacht. "Maar laten we het zo doen. Voorlopig komt die mevrouw hier een week. In die week doet Mieke precies waar ze zin in heeft. Ze neemt het er eens echt van en na die week kom ik weer eens kijken hoe het hier marcheert. Is de kennismaking met Uw hulp U niet bevallen en heeft Mieke al weer genoeg van het luieren, dan nemen we direct onze maatregelen en gaan we het anders doen. Is dat een voorstel wat instemming kan krijgen?"

Die goeie dokter van Renesse! Hij doet echt zijn best voor hen, dat is aan alles te merken. Hij komt hier dan ook al jaren over de grond en weet best dat hij hier niet met mensen te doen heeft die de dingen zelf te gemakkelijk nemen.

Moeder kijkt eens naar Mieke, Mieke kijkt eens naar moeder, dan is het tenslotte moeder die antwoordt geeft.

"Als dat kan dan graag dokter," zegt ze. "U moet ons wel erg ondankbaar vinden, dat we Uw aanbod niet direct met graagte hebben geaccepteerd, maar we waren juist zo blij, weer onder elkaar te zijn. Maar U hebt volkomen gelijk. Mieke heeft het wel verdiend, dat ze er eens een weekje tussenuit trekt."

"Dat is dan afgesproken," zegt de arts tevreden. "Voor morgen kan ik dit niet meer in orde maken waarschijnlijk, maar overmorgen heeft U deskundige hulp. En dan zullen we zorgen voor een bed, dat hier voor het raam geplaatst kan worden, opdat U overdag heerlijk voor het raam kunt liggen."

En zo gebeurt het dan.

Als de dokter afscheid heeft genomen, uitgeleide gedaan door Mieke, gaat die voorlopig voor de laatste keer naar de keuken om alles klaar te maken voor de tijd dat vader en de kinderen thuis zijn.

Onderwijl loopt ze te bedenken, wat ze in die week zal gaan doen. Het idee van een week heerlijk te kunnen luieren, lokt haar nu toch wel aan. Alleen, hoe moet ze haar dagen nu vullen? Helemaal niets doen, daar heeft ze toch geen karakter voor.

Vader komt 's avonds met een plannetje waar ze toch veel voor voelt.

Als hij hoort, welke beslissingen er zijn genomen die dag, zegt hij: "Waarom ga je niet een weekje naar tante Truus?"

Tante Truus is zijn jongste zuster. Ze is pas twee jaar geleden getrouwd en in de omgang nog erg meisjesachtig. Ze is dan ook nog in de twintig, weet Mieke en het idee maakt haar meteen enthousiast. Ze woont ergens in een klein plaatsje, onder de rook van Arnhem, waar haar man een goede baan heeft bij een grote fabriek. De laatste jaren heeft Mieke haar eigenlijk niet meer gezien, maar ze kan zich nog maar al te goed herinneren hoeveel pret er altijd gemaakt werd als tante Truus, die toen nog verloofd was, wel eens bij de familie Verhoef kwam, wat vrij regelmatig gebeurde.

Nog diezelfde avond wordt er telefonisch gesproken met de familie om een afspraak te maken over de dag, waarop Mieke kan komen. Oom Niek en tante Truus vinden het direct goed, tante Truus oppert meteen allerlei plannetjes voor hun tweeën en het wordt een duur telefoongesprek. Afgesproken wordt tenslotte, dat Mieke overmorgen om negen uur 's morgens op de trein zal stappen. Aan het station in Arnhem zal tante Truus haar dan af komen halen, zodat ze niet hoeft te zoeken.

Voor de tweede keer sinds haar thuiskomst laat moeder even een paar tranen vallen als ze hoort dat haar oudste dochter haar nu voor een week gaat verlaten, terwijl ze eigenlijk nog maar pas thuis is. Maar ze gunt het haar Mieke van harte.

Het wordt een drukke dag, de volgende dag. Mieke moet een boel kleren inpakken, er moet zelfs een koffer worden gekocht om alles mee te kunnen nemen. Tussentijds wordt dan het bed nog gebracht, dat moeder meteen in gebruik neemt. En van daaruit ligt ze nu met een tevreden gezicht te kijken naar de bedrijvigheid van haar dochter. Die is met een rood hoofd van de inspanning bezig allerlei spulletjes in te pakken, die ze beslist nodig denkt te hebben tijdens haar logeerpartij. Dat is op zich zelf al een leuke bezigheid, alleen moet ze natuurlijk wel zorgen, dat ze niets vergeet!

HOOFDSTUK XIII

Ze zal die blauwe jurk meenemen, mevrouw Bolijn heeft eens gezegd dat die haar zo leuk stond bij die lichte schoentjes. O ja, en dan natuurlijk een paar stevige lage schoenen voor een eventuele wandelpartij.

Eens kijken, haar regenjas zal ze ook maar in haar koffertje stoppen. Hij wordt er natuurlijk niet bepaald mooier van, maar ze kan toch moeilijk twee jassen over elkaar heen aantrekken!

En ofschoon het op het ogenblik heerlijk weer is, durft ze toch echt nog niet zonder dikke jas weg te gaan voor een hele week.

Zo, dat is dat.

Het koffertje raakt al behoorlijk vol, veel kan er echt niet meer bij. Als het zo door gaat, zal ze genoodzaakt zijn nog een reistas mee te nemen ook!

Als een echte vrouw denkt Miek nog eens diep na. Heeft ze nu werkelijk niets meer vergeten.

Ze moet natuurlijk nog het mondvoorraad meenemen voor onderweg, maar dat komt morgen ochtend nog wel. Jammer dat ze haar fiets niet mee kan nemen!

Ze zou graag wat fietsen in de omgeving van Arnhem. Het moet er prachtig zijn en ofschoon Truus wel de beschikking heeft over een autootje had Miek toch graag haar stalen ros ook meegenomen. Dan kom je nog eens op plekjes, die je met de auto toch niet kunt bereiken. Ze spreekt er over met moeder, die vol belangstelling is.

"Waarom geef je die niet afzonderlijk af?" vraagt ze. "Desnoods ga je op de fiets naar het station en geef je hem daar af. Als je een beetje geluk hebt, gaat hij mee met dezelfde trein als waar je zelf in zit en kun je hem in Arnhem meteen afhalen aan het bagagedepot."

"Ja, maar tante Truus zal me misschien af komen halen met de auto, en dan moet ik maar weer zien dat ik hem verder krijg," weifelt Miek.

"O, er zal daar heus wel een mogelijkheid zijn om hem verder te transporteren," meent moeder. "Als je tante Truus daar over in de arm neemt, wil die dat heus wel voor je verzorgen."

"Ja, maar dat kost allemaal weer extra geld," werpt Miek tegen.

Ze heeft de laatste tijd wel leren rekenen en geld, wat je een keer hebt uitgegeven, ben je kwijt.

Dat is natuurlijk iets wat al zo oud is als de weg naar Rome, maar Miek heeft juist het laatste jaar ondervonden, wat dat betekent.

Vader was nooit krenterig, maar het was toch altijd vervelend als ze, wat wel eens een enkele keer gebeurd was, op Donderdag al tot de ontdekking moest komen, dat de huishoudpot van die week al leeg was.

Moeder glimlacht eens om de woorden van haar dochter. Zo heeft ze haar nog nooit gekend.

Voordat ze weg ging naar Zwitserland, was haar dochter een vrolijke belhamel zoals elk meisje van haar leeftijd. En nu, na die anderhalf jaar, is dat helemaal veranderd. Ergens doet het moeder een beetje pijn ook, dat haar dochter het nu al nodig had om zo te rekenen en tellen. En ze neemt zich voor, te zorgen dat dat er spoedig weer uit gaat.

Het is natuurlijk wel fijn dat haar dochter zo zuinig is maar het past eigenlijk nog niet bij haar leeftijd.

"Om dat geld moet je je voor die ene week nu maar eens geen zorgen maken," zegt ze daarom. "Dat maak ik wel in orde met vader. Je hebt nu lang genoeg moeten rekenen en tenslotte ben je niet iedere maand zo maar een weekje weg. Je moet dit nu toch echt zien als een welverdiende vakantie."

En dan zet Miek de gedachten aan het geld maar van zich af.

Ze zal vader of Ans vragen of die even met haar mee willen rijden naar het station, want alleen kan ze die spulletjes onmogelijk mee sjouwen op haar karretje.

Moeder schijnt haar gedachten al te hebben geraden.

"Ik geloof zeker dat vader wel een half uurtje of een uurtje later op zijn werk mag komen morgen," zegt ze. "Tenslotte is dat hem echt niet zo vaak gebeurd, en zijn baas zal het heus wel voor een keertje door de vingers zien, als het hem maar gevraagd wordt."

Aldus wordt tenslotte besloten.

En eindelijk is Miek dan toch klaar met het inpakken van al de spulletjes, waarvan ze denkt dat ze ze beslist nog wel eens nodig kan hebben.

Ze moet op de koffer gaan zitten om die dicht te kunnen krijgen en zelfs de tamelijk grote reistas staat bol als de ritssluiting dicht is getrokken.

Een ogenblik denkt ze er over om tante Truus nog een keertje te bellen en haar te vragen of ze met de fiets aan het station wil staan, maar dan verwerpt ze toch die gedachte meteen weer.

Tante Truus was vroeger wel een liefhebber van fietsen, maar misschien is ze in die tijd wel helemaal veranderd in dat opzicht. En per slado weet Miek ook eigenlijk niet eens precies hoe groot de afstand is naar haar huis vanaf het station.

Daar komt nog bij dat het morgen wel kan regenen bij haar aankomst en dan wordt het helemaal een bedoening waar ze haar tante niet mee op durft te knappen, zo direct bij haar aankomst. Die nacht heeft Miek weer allerlei dromen. Van alles haalt ze door elkaar heen in die dromen, mevrouw Bolijn, tante Truus en zelfs moeder ziet ze op zeker ogenblik in haar fantasie.

In een stromende regen fietsen ze gezamenlijk over de Veluwse hei en komen tenslotte drijfnat aan bij het Centraal Station in Amsterdam!

Gelukkig kan ze er de volgende ochtend om lachen en als ze tenslotte echt op weg is naar haar bestemming voor die week is ze de hele droom al weer vergeten.

Ze heeft een voorspoedige reis.

Het enige, wat haar niet mee zit, is het transport van haar fiets.

In Arnhem blijkt, dat die pas een trein later mee komt, omdat er waarschijnlijk geen plaats meer is geweest in de trein die haar er naar toe heeft gebracht.

Van een kant is dat niet erg, want wat Miek al zo'n beetje had verwacht, is namelijk ook gebeurd, tante Truus staat met haar piep kleine two-sitter voor het station. Als tante Truus hoort van de moeilijkheid met Miek haar fiets weet zij meteen een oplossing daarvoor.

Ze heeft een goede kennis in Arnhem wonen, die beslist wel zorgen wil dat de fiets met de een of andere bode bij haar thuis wordt gebracht.

Daar rijden ze dus nog even langs alvorens naar hun eindbestemming te gaan.

HOOFDSTUK XIV

Oom Niek en tante Truus hebben een leuk huis. Het is er een prachtige, bosrijke omgeving en Miek is blij dat ze haar fiets toch maar heeft meegenomen.

Ze neemt zich meteen al voor om de volgende dag aan tante Truus te vragen of die het fietsen nog niet is verleerd.

Nu, dat blijkt geenszins het geval te zijn.

"Ik ben blij dat ik eens gezelschap krijg bij een fietstochtje," verklaart ze. "Niek is een beste man voor me maar een beetje meer sportiviteit zou hem geen kwaad doen."

Haar man glimlacht maar eens, als hij die woorden hoort. Hij wil er best voor uit komen, dat al die "overbodige lichaamsbeweging", zoals hij het noemt, hem weinig aantrekt.

Het liefst zit hij in de huiskamer, die uitzicht geeft op de grote tuin achter het huis. Maar hij gunt zijn vrouw graag het plezier van haar liefhebberijen.

En zo kan het dus gebeuren dat Miek en haar jeugdige tante die week enorme fietstochten maken door de prachtige omgeving.

Ze trekken door de bossen en de derde dag van Mieks verblijf volgen ze de loop van de IJssel een hele poos voor zo ver dat mogelijk is.

Want die rivier heeft, zoals tante Truus het uitdrukt, de onhebbelijke gewoonte om zich hele stukken door de weilanden te laten gaan, langs plaatsen die voor hen moeilijk te bereiken zijn. Of het zou al lopende moeten zijn.

Het zijn heerlijk dagen de tijd vliegt voorbij. Miek ligt 's avonds nooit langer dan vijf minuten wakker in het grote tweepersoons bed dat haar ter beschikking staat. Ze slaapt hier als een roos door alle buitenlucht die ze opdoet.

Miek en tante Truus gaan ook een dagje winkelen in Arnhem. Voor die gelegenheid haalt tante Truus de auto uit de garage, om hem ergens in het centrum van de stad te laten staan voor de rest van de dag. En ook dat heeft natuurlijk weer zijn bekoring voor een meisje.

Ergens voor een chique byouteriewinkel blijft Miek in verrukking staan kijken naar een beeldig collier.

Ofschoon ze niets zegt, ziet tante wel wat er in haar om gaat. Miek is nooit zo royaal verwend met allerlei luxe dingen. Dat zal waarschijnlijk wel komen, doordat moeder niet erg pronkziek is. Die is thuis vroeger altijd streng opgevoed, omdat ze uit een groot gezin kwam. Voor allerlei snuisterijen was daar geen plaats.

Maar tante Truus heeft een tamelijk onbezorgde jeugd gehad en staat bovendien nog veel dichter bij de leeftijd van Miek. Daardoor kan ze zich beter voorstellen wat een meisje op die leeftijd allemaal voor heimelijke verlangens heeft.

En in een royale bui zegt ze: "Wat een leuk collier is dat hè?"

"Enig," kan Miek niet nalaten te zeggen.

Meteen krijgt ze een kleur. Als tante Truus nu maar niet gaat denken dat ze haar het geld voor zo'n ding wil ontfutselen!

Maar ze krijgt geen gelegenheid om daar lang over na te denken, want die zegt plotseling resoluut: "Ga mee naar binnen, dan gaan we toch eens even kijken hoe het je staat."

"O nee," protesteert Miek, nog heviger kleurend nu.

Maar ze heeft niets meer in te brengen, tante Truus pakt haar gewoon bij de arm en sleept haar als het ware de winkel in.

Vijf minuten later staan ze weer buiten, Miek met een kleinood rijker.

Ze is er echt een beetje opgewonden van. Zo'n duur stuk heeft ze nog nooit gehad!

Als oom Niek het nu maar niet te erg vindt en er ruzie over gaat maken met tante Truus. Hoewel oom Niek en tante Truus het heus wel ruim hebben, kan Miek zich toch echt niet voorstellen dat tante Truus zo met geld om mag springen!

Maar er wordt haast met geen woord over gerept.

"Wat een leuk dingetje heb je daar om!" zegt oom Niek alleen. "Zijn jullie vandaag aan het winkelen geweest?"

"Staat haar goed hè?" valt tante hem bij. "Ja ze heeft een goede smaak, die Miek."

Over de vraag wie er heeft betaald, wordt niet eens gesproken!

Node gaat Miek na de prettige dagen, die ze heeft doorgebracht in Gelderland, weer naar huis terug.

Tante Truus en oom Niek hebben eerst nog aangedrongen, haar verblijf nog wat langer te rekken, maar Miek heeft, terecht, gewezen op het feit dat ze nog wat in te halen heeft met haar lessen.

Voor dat argument bezwijken beiden.

En zo komt Miek, heerlijk voldaan, weer thuis, waar haar nu weer een ander leven wacht.

HOOFDSTUK XV

Tja, die lessen! Voordat Miek weer weg ging, heeft ze eigenlijk helemaal vergeten aan meneer Bolijn te vertellen, dat ze een weekje weg zou gaan.

Maar gelukkig, dat ze mevrouw Bolijn heeft opgezocht en dat ze er toen zo'n feestelijk dagje van hebben gemaakt. Nu staat ze tenminste enigszins anders tegenover hem en kan ze wat makkelijker verklaren waarom ze zo, zonder enig bericht te sturen, weg is gebleven.

Het ging toen immers ook allemaal wel erg plotseling en Miek had nog zo veel te doen!

Gelukkig blijkt meneer Bolijn begrip te hebben voor de situatie en veel woorden worden er niet meer aan gespendeerd. Trouwens, Miek krijgt nu volop gelegenheid om de schade in te halen.

Thuis loopt het allemaal weer wat vlotter, de nieuwe mevrouw, die er is, blijkt een heel lieve dame te zijn. Het komt zelfs aan de orde, dat Miek weer gewoon naar school zal gaan.

Dat vereist nog wel de nodige maatregelen, maar dank zij de bemoeiingen van meneer Bolijn komt het voor elkaar.

Al de eerste week blijkt, dat Miek heus niet veel achter is bij de rest van haar klasgenoten en dank zij wat extra huiswerk kan ze het tempo van de hoogste klas vrij gemakkelijk bijhouden.

Lang zal dat trouwens toch niet meer duren.

Het is April, als Miek voor de tweede keer naar school gaat en eind Juli breekt de grote vacantie al aan, wat voor de leerlingen van de hoogste klas wil zeggen dat ze voorgoed de school vaarwel zullen zeggen, tenminste voor zo ver ze geslaagd zijn.

En daarbij behoort ook Miek.

Er was maar één onvoldoende op haar eindrapport. Wel niet met daverende cijfers, maar ze is toch ruimschoots aan het aantal vereiste punten gekomen.

Zes heerlijke vrije weken liggen dan voor haar.

Op uitnodiging van tante Truus en oom Niek gaat ze nog veertien dagen naar Gelderland, waar ze weer hartelijk wordt ontvangen. Alleen komt er deze keer niet veel van fietstochten, want inmiddels is het gezin daar uitgebreid. Miek is tante geworden!

Het is een piepkleine schattige baby, een meisje, en Miek slaakt telkens weer verrukte kreten als ze in de wieg kijkt. De baby, zo klein als ze is, slaakt verrukte kreetjes als Miek haar in de kinderwagen legt om dan heerlijk in het zonnetje te gaan wandelen.

Zo maakt ze zich ook nog verdienstelijk, want tante Truus moet nog veel rusten van de dokter.

Tante Truus is erg dankbaar voor de goede zorgen, die Miek aan de baby besteedt en Miek is blij dat ze iets terug kan doen voor de heerlijke week, die ze dat voorjaar bij de familie heeft doorgebracht.

Ook nu vliegen de dagen om en het weer blijft aanhoudend mooi.

's Morgens mag ze ook helpen de baby in bad te doen en vaak geeft ze haar ook de fles. Soms heeft ze de neiging haar een stuk uit haar wang te bijten als ze haar knuffelt.

Oom Niek schiet vaak in de lach als hij haar met zijn dochter gade slaat. Hoewel hij de goede zorgen voor de baby zeer op prijs stelt, doet hij het voorstel een dag oppas voor de baby te verzorgen en gedrieën een dagje te gaan toeren met onbepaalde bestemming, welk voorstel met algemene stemmen wordt aanvaard.

En zo gebeurt het dan, dat Miek als een soort afscheid van haar vacantie met tante Truus en Oom Niek een onvergetelijke dag gaat beleven.

Na met de auto de mooiste plekjes, die de Veluwe rijk is, te hebben bezocht, gaan ze, het is inmiddels al een uur of vier geworden, nog op bezoek bij een kennis van oom Niek, die een boerderij heeft in de buurt van Oosterbeek.

Het huis en de stallen staan op een helling en je hebt van daaruit een prachtig gezicht op de Rijn.

Veel tijd om van het uitzicht te genieten nemen ze overigens niet, want Miek wil natuurlijk met alle geweld een kijkje nemen op de boerderij.

Het is daar een levendige bedoening. Meneer Lammers, de eigenaar van de boerderij, laat zijn overwachte gasten alles zien en Miek vraagt honderd uit.

Slechts in één ding is ze teleurgesteld.

Bij een boerderij horen op z'n minst een stel biggen, vindt ze.

Maar daarvoor is het seizoen al te ver gevorderd. Meneer Lammers verzekerd haar, dat er 12 biggen zijn geweest, maar die zijn inmiddels al gegroeid tot fiks uit de kluiten gewassen varkens.

Veel te vlug naar de zin van Miek moeten ze weer opbreken en rijden ze weer naar huis.

Die laatste nacht van haar vacantie slaapt Miek als een roos. Ze heeft in bed eigenlijk maar nauwelijks tijd om zich te realiseren, dat de eigenlijke vacantie er al weer opzit. De resterende vier weken is er volop werk in de huishouding.

De volgende morgen gaat Miek per eerste gelegenheid terug naar Amsterdam.

Thuis wordt ze met open armen ontvangen en kan ze meteen weer aan de slag.

Gelukkig maar, denkt Miek.

Nu vliegen tenminste de weken voorbij en heeft ze haast geen tijd om aan de komende tijd van zware studie te denken.

Lichamelijk vermoeid, maar geestelijk volkomen fit, zo stapt Miek het leven van de kweekschool in na die vier weken van huishoudelijk werk.

Overigens valt het in het begin echt niet mee, maar gelukkig kan ze ook nu nog altijd een beroep doen op de welwillendheid van meneer Bolijn, haar toeverlaat bij de studie.

De sfeer is heel anders dan op de Mulo. Het gaat er veel meer gedisciplineerd toe tijdens de lessen vindt Miek. Maar ongetwijfeld heeft dat voordelen.

Er staat tegenover, dat er een veel fijnere geest is tussen leerkrachten en leerlingen.

Op de Mulo waren veel kinderen die van hun ouders naar school moesten, maar hier is echt wel te merken dat iedereen uit vrije wil, of, zo men wil, op eigen initiatief is gekomen met een vastomlijnd doel voor ogen.

En het is logisch dat daarvoor geblokt moet worden, vindt iedereen.

HOOFDSTUK XVI

Miek heeft er ook nieuwe vriendinnen gekregen. De laatste tijd was ze in dat opzicht een beetje vereenzaamd door de omstandigheden, maar nu zit ze weer tussen meisjes van haar eigen leeftijd.

En mocht dat in het begin niet zo vlot zijn gegaan, langzamerhand laat zich de invloed van de anderen toch ook op haar gelden.

"Kind doe toch ook mee!" zo is er in het begin wel eens bij haar aangedrongen voor als er een grap op touw werd gezet wat overigens niet zo veel voorkomt, of voor een bepaald feestelijk gebeuren in het verschiet.

Zo zal Miek nooit vergeten hoe ze voor de eerste keer mee heeft gedaan aan een schoolbal.

Eerst vond ze het echt een beetje griezelig en probeerde ze, zich er stilletjes van af te maken. Maar Nel Abbenhues, een studiegenootje van haar, heeft haar eigenlijk gewoon gedwongen om mee te doen. Ze is verschillende keren met haar opgefietst en natuurlijk bracht Nel, die zelf al aardig kon dansen, het gesprek op het aanstaande feest, waar de hele school vol van was.

Miek reageerde echter tamelijk koeltjes op haar enthousiasme.

Ze vind het maar een beetje dom, beuzelig gedoe en zag er voorlopig de aardigheid nog niet van in. En ze is zo onverstandig geweest om dat te zeggen ook. Tenminste, onverstandig....!

Het is maar hoe je de dingen bekijkt natuurlijk.

Haar opmerking had in elk geval tot gevolg dat Nel haar stomverbaasd aan keek en, toen ze zag dat Miek het inderdaad meende, in een hevige lachbui schoot.

"Dat had ik van jou nooit gedacht," zei ze, toen Miek een beetje nijdig keek. "Kind, heb je eigenlijk wel eens gedanst?"

"Nee, nog nooit," moest Miek toegeven.

"Dan is het dus gewoon een vooroordeel van je," besliste Nel. "Als je nu eens gedanst had, zou ik er nog met je over willen praten, maar het is gewoon een idee van je."

"Dat is helemaal niet waar," protesteerde Miek, maar ze voelde heel goed dat ze erg zwak stond.

Tenslotte kon ze eigenlijk geen enkel argument inbrengen tegen zo'n feestje.

"Dat is wel waar," hield Nel vol. "En ik durf het nog anders te zeggen. Ik geloof eerder dat je een beetje bang bent mee te doen, omdat je niet kunt dansen!"

"Poeh," deed Miek, echt nog als een Mulo-leerlinge, "nog al iets om bang voor te zijn! Hoewel het me niet leuk lijkt om er naar toe te gaan, als je niet helemaal mee kunt doen," voegde ze er direct aan toe...

"Daar komt de aap uit de mouw," lachte Nel triomfantelijk. "Ach kind, daar behoef je je toch zeker niets van aan te trekken! Van de vijf leerlingen die er komen, zijn er hoogstens drie die het kunnen."

"Maar wat doen die daar in 's hemelsnaam?" vroeg Miek oprecht verbaasd.

"O, die huppelen zo maar wat mee," zei Nel vrolijk. "Het gaat tenslotte niet alleen om het dansen, maar veel meer om de pret die je daar hebt."

"O, nou als jij het zegt, dan zal het wel zo zijn," zei Miek een beetje schaapachtig.

"Je gaat mee," besliste Nel. "Probeer van je moeder maar een baljurk af te zetten en anders kom je gewoon in je beste jurk!"

"Ik zal nog wel eens kijken," beloofde Miek vaag.

Het beviel haar toch eigenlijk niet zo best dat ze zich maar zo liet overbluffen door Nel, al meende die het ook nog zo goed. Ze had tenslotte ook haar eigen wil, en ze was niet gewoon om die zo maar opzij te laten zetten door de denkbeelden van een ander.

Al moest ze toe geven dat Nel blijkbaar meer ervaring had in die dingen dan zij zelf.

"Als je niet mee doet, kijk ik je nooit meer aan," dreigde Nel nog.

"Ja, dat is een argument waar ik wel voor moet wijken," zei Miek, toch weer lachend. "Maar ik zal toch eerst toestemming moeten hebben van mijn ouders!"

"Dat is zo," gaf Nel op haar beurt grif toe. "Ik hoef voor die dingen eigenlijk nooit toestemming te vragen, het wordt bij ons gewoon voor kennisgeving aangenomen. Wat dat betreft zijn mijn ouders echte schatten!"

"De mijne ook," snibde Miek, "maar blijkbaar op een andere manier dan de jouwe!"

"Nou nou, stil maar," suste Nel, "ik bedoel het niet kwaad. Maar mijn vader en moeder kunnen me nu eenmaal niets weigeren en daar profiteer ik maar dankbaar van. Ofschoon ik direct toegeef dat dat niet altijd de juiste manier van opvoeden is."

"Als je dat maar weet," zei Miek voldaan.

"Vraag je het nu of vraag je het niet," hield Nel nog even aan, voor ze een andere weg insloeg dan Miek.

"Ik zal het heus vragen," beloofde Miek.

En zo was ze dan aan die eerste schoolfuif met bal begonnen. Vader en moeder hadden er geen enkel bezwaar tegen mits ze 's avonds op een redelijke tijd thuis kwam.

Miek had niet gesproken over een baljurk, ze vond het een beetje blufferig staan, omdat ze eigenlijk nog geen pas op de maat van de muziek kon maken.

Daar was ze erg blij om, want er waren maar een stuk of vijf meisjes zo frivool uitgedost, waaronder natuurlijk Nel.

Die vijf bleken dan ook behoorlijk uit de weg te kunnen op het kleine dansvloertje, waarin een gedeelte van een klaslokaal was herschapen.

Maar ook zonder dat er werkelijk serieus gedanst werd, was het een vrolijke boel, zoals Nel al had voorspeld.

Verschillende groepjes meisjes en ook jongens hadden een kleine sketch ingestudeerd. Een paar deden er een leuke voordracht en zelfs was er een jongen, die verbazend aardig kon goochelen.

Miek voelde het, terwijl ze volop mee deed aan het vrolijke gedoe, hier hoorde ze thuis, tussen meisjes en jongens van haar eigen leeftijd.

Nu pas realiseerde ze zich wat ze de laatste tijd eigenlijk tekort was gekomen, al had ze de taak, haar door de omstandigheden op de schouders gelegd, dan ook met toewijding en zelfs liefde verricht.

En soms had daar zelfs tegenover gestaan, tegenover het gemis dat ze nu eigenlijk pas goed voelde; de dankbaarheid van vader en moeder, de medewerking van allen die haar hadden geholpen om toch voor haar toekomst te kunnen werken.

De medewerking bijvoorbeeld van meneer Bolijn en zijn vrouw, de zorg van vader, als ze 's avonds moest blokken om in te halen wat ze achter was geraakt.

Ja, Miek had reden om dankbaar en gelukkig te zijn, ze wist het nu beter dan ooit. Maar ook voelde ze, dat ze het echt verdiend had en daarom gaf ze zich die avond helemaal over aan de feestroes.

En daarom was het goed geweest dat ze zo had gereageerd, toen Nel begon over de schoolfuif. Die had haar tenslotte uit haar tent gelokt.

Ja, Nel! Zonder een zweem van afgunst zag Miek haar over het dansvloertje glijden, begeleid door een van de docenten, die haar na afloop van de vlugge foxtrot, alsof ze een echte dame was, terug bracht naar haar stoeltje langs de kant en haar met een hoofse buiging bedankte voor de dans.

"En, amuseer je je?" vroeg Nel, toen Miek even naast haar kwam zitten.

"Enorm", zei Miek uit de grond van haar hart. "Ik heb echt niet geweten dat je zo maar pret kon maken om niets."

"Als je dat voornemen maar hebt met een groep jonge mensen is er altijd wel iets van te maken van zo'n avond," zei Nel wereldwijs.

En Miek moest haar al weer gelijk geven; deze keer zonder verzet.

Die schoolfuif ligt al weer een tijd in het verleden.

Er zullen er na deze nog wel meer volgen, want voorlopig is Miek nog wel enige jaren gebonden aan de kweekschool.

Maar toch zijn dit herinneringen, die je de moed geven om door te gaan. Ook uit iets schijnbaar zo luchtigs en frivools als een feestje voor jonge mensen valt voor die zelfde jonge mensen soms heel wat te leren.

Dat ze zich niet afzijdig moeten houden, dat een mens af en toe met mensen van zijn eigen leeftijd vooral eens uit de band moet springen, mits het werk daar natuurlijk niet onder lijdt.

En voor dat laatste zorgt Miek wel.

Het worden nog een paar jaartjes van hard studeren, alvorens de grote dag aan komt waarop Miek voor de examencommissie moet verschijnen.

Des te groter is de voldoening als ze het felbegeerde papier in handen krijgt, waarop vermeld staat dat Annemieke Verhoef met goed gevolg examen heeft gedaan voor de acte onderwijzeres voor het lagere onderwijs. Het is soms moeilijk geweest, maar tenslotte heeft haar wilskracht haar dan toch gebracht op de plaats waar ze wilde staan: voor de klas!

EINDE

 
R. Jager, circa 1959 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003