| www.peterjager.net | e-mail: peter(at)peterjager.net |
| De Roel Jager bibliotheek |
| Jan, pak an! door Rob van Hoef (Roel Jager) geschreven circa 1961 uitgebracht door uitgeverij Herman Troukens
Hoofdstuk I |
HOOFDSTUK IMet een kalm gangetje reed de bestelauto langs de hobbelige landweg. Behoedzaam ontweek Jan Terborg zo veel mogelijk de diepe kuilen die het wegdek overal vertoonde, opdat achter in de laadbak van de auto de boel niet al te veel door elkaar gegooid zou worden. Hè hè, nog één klant en dan zat ook deze rit er weer op. Onwillekeurig zuchtte Jan even. Dit was dus zijn voorland, iedere dag al die kleine plaatsen af reizen met een auto vol kruidenierswaren en de onmogelijkste kletspraat aan horen van elke klant die om een praatje verlegen zat. Maar ja, wat moest hij anders doen? Hij wist nu langzamerhand wel dat zijn ouders het hem slechts met moeite zouden vergeven als hij de zaak van zijn vader niet voortzette. Als bediende in een kruidenierszaak was vader Terborg jaren geleden begonnen. Door hard werken en trouw sparen had hij in de loop der jaren een klein kapitaaltje bij elkaar gekregen en zo was dan de dag gekomen waarop hij zijn eigen bedrijfje was begonnen. Aan vooruitstrevendheid ontbrak het de toen nog jonge Terborg niet. In het kleine provinciedorpje waar hij was begonnen had hij alle verkoopmogelijkheden al spoedig uitgebuit. En toen rees het stoute plan in hem op om de zaak in het groot aan te pakken. Zo ontstond dan de groothandel in kruidenierswaren "H. Terborg & Zn." gevestigd in een flinke provincieplaats en met een klantenkring waar menige zaak in een grote stad niet aan kon tippen. Maar vader Terborg bleef nederig, hij zelf werkte waarschijnlijk harder dan iemand van het personeel. Overigens bleef dat personeel beperkt tot twee mensen, één op het kantoortje voor het bedienen van de telefoon, het noteren van orders en het factureren hiervan. De andere was een oudere baas die het werk op het magazijn alleen voor zijn rekening nam, de hulp van de baas zelf dan even niet meetellend. Die zat meestal bij de weg. Het contact met zijn klanten beschouwde hij als het voornaamste succes in zijn wijze van zaken doen en daarom was dat het deel van het werk dat hij zo lang mogelijk zelf wenste te doen. Met één uitzondering... Die uitzondering was Jan. Als vanzelfsprekend zag vader Terborg in hem zijn opvolger. Daarom vond hij het noodzakelijk dat Jan al bijtijds met de mensen om leerde gaan. Het had natuurlijk nog wel even de tijd. Jan was pas zeventien, maar het kon geen kwaad als hij jong in het vak kwam, zo redeneerde vader. In het begin vond Jan het machtig interessant. Toen beschouwde hij het alleen maar als een welkome afleiding van zijn normale gang naar de H.B.S., waar hij dit jaar eindexamen had afgelegd. Maar langzamerhand werd het als vanzelfsprekend beschouwd dat hij mee ging, zodra zijn werk dat even toeliet. En dat was zijn bedoeling niet geweest! Het enige wat hij nog wel leuk vond, was het besturen van de auto. Een rijbewijs had hij natuurlijk niet, daarvoor was hij nog te jong. Maar de laatste weken gebeurde het meermalen dat Jan de hele weg achter het stuur zat, terwijl zijn vader naast hem zat te schrijven of soms ook wel te knikkebollen, zoals nu. De hobbelige weg liet niet toe dat hij een streepje recht op het papier zette en al spoedig had hij die pogingen dan ook opgegeven. Na nog enige zakelijke opmerkingen, waar Jan met een kort antwoord op reageerde zakte langzamerhand zijn kin op zijn borst. Slechts af en toe, als de auto al te gekke bokkesprongen maakte, keek hij even op. Maar Jan was minstens even betrouwbaar op de chauffeursplaats als hij. Behendig zwenkte hij om een enorme kei heen die midden op de weg lag, om vervolgens de geasfalteerde autoweg op te rijden. Zo, hier zou hij hem even raken voor ze stopten voor de deur van Huibers, de kruidenier een paar kilometer verderop. Het ergerde hem onwillekeurig een beetje dat vader al rechtop zat toen ze de bocht maakten naar de grote weg. "Net een paard, dat langzamerhand elke bocht in de weg kent en precies weet waar hij moet stoppen," dacht hij. Maar hij wachtte zich wel om zijn gedachten onder woorden te brengen. Vader zou het waarschijnlijk toch niet begrijpen, daarvoor was hij veel te prozaïsch aangelegd. Hij gunde zichzelf weinig tijd voor iets anders dan zijn werk en dat benam hem een beetje het gevoel voor humor en voor de fantasie die zijn zoon soms ontwikkelde. Jan droomde soms van verre verten, een avontuurlijk leven, bijvoorbeeld als jager op groot wild of iets dergelijks. De nuchtere praatjes waar hij de hele dag naar moest luisteren en zelfs af en toe aan mee moest doen konden hem soms ergeren. Terwijl hij achter zijn vader aan de winkel binnen stapte, een groot pak met allerhande kruidenierswaren op zijn schouder, ving hij nog juist het gesprek op tussen een forse boerenvrouw en de winkelier, die meelevend stond te knikken bij haar verhaal. Het ging over een paard, dat kreupel was en waarschijnlijk afgemaakt zou moeten worden. "Maar U is toch zeker wel behoorlijk verzekerd tegen zo'n schadepost?" zei de kruidenier met een lepe blik in zijn ogen. Hij rook een nieuwtje voor zijn volgende klant. "Ach ja," zei de boerin vaag, "maar wat heb je d'r allemaal aan. We hebben hem vijf jaar gehad en dan hecht je toch aan zo'n dier, is het waar of niet." "Ja, ja dat kan ik me voorstellen," haastte de kruidenier zich te zeggen. "Maar 't is toch altijd een prettig idee als je weet dat je je geen zorgen behoeft te maken over het geld." "Dat is wel zo," antwoordde de boerin, blijkbaar niet van zins om de man achter de toonbank wijzer te maken dan hij al was. "Nou, dan ga ik maar es, U zult hier met de heren nog wel het een en ander te bepraten hebben dat mij niet aan gaat." "O, we hebben hier geen geheimen hoor, maar ja, de klanten gaan tenslotte altijd voor hè." "Ja ja, da's dan wel in orde," zei de boerin gevleid. Met haar zwaar beladen tas schommelde ze vervolgens de deur al uit, die Jan gedienstig voor haar open hield onder de goedkeurende blikken van vader Terborg en de winkelier. De doos met koopwaar had Jan inmiddels al achter in het magazijntje gezet. En daarna begon hetzelfde gesprek weer zoals dat ook was gevoerd bij hun vorige bezoek, twee weken geleden; of het druk was in de zaken, over het weer, over de klanten die onwillig waren om te betalen en zo meer. "Nou, dan gaan we weer eens terug naar huis," besloot Terborg het gesprek. "Goeie zaken Huibers, en tot ziens maar weer. Je weet het hè, als je tussentijds nog wat nodig hebt, een telefoontje en we brengen het meteen even." Even later trok de auto weer gewillig de straatweg op. "Beste klant, die Huibers," zei vader tevreden. "Daar heb ik in de loop van de jaren al heel wat naar toe gebracht." "Ik vind het maar een uitgesproken kruidenierstype," kon Jan niet na laten om te zeggen. Zijn vader keek hem even verwonderd aan. "Hoe bedoel je dat?" vroeg hij. "Nou ja, hij heeft echt de manieren van een kruidenier," bromde Jan. "En dan dat uitgestreken gezicht van hem toen hij met die boerin bezig was. Hij probeerde eens heerlijk uit te vissen, hoe hoog dat manke paard nu wel verzekerd was." "Dat brengt die man zijn beroep nu eenmaal mee," vergoelijkte zijn vader. "Je moet soms wel eens vragen naar dingen die je eigenlijk volkomen koud laten." "Ik geloof nu juist niet dat het hem koud liet," meende zijn zoon. "Maar die boerin scheen hem wat langer te kennen en daarom ging ze er niet op in. Hij bazuint het natuurlijk direct het hele dorp door." "Tja, dat is nu eenmaal het zaken doen," zei zijn vader filosofisch. "Zo veel mogelijk te weten zien te komen en zo weinig mogelijk vertellen. En dat is Huibers wel toevertrouwd!" Dat was dan ongeveer het enige punt waar vader en zoon het tenminste volkomen over eens waren. Maar Jan deed er verder het zwijgen maar toe. In snelle vaart ging het huiswaarts. Met een grote boog draaide hij de auto meteen de garage in. Terborg stapte gewoontegetrouw eerst naar het kantoortje dat boven het magazijn was gebouwd. "Nog wat bijzonders Karel?" vroeg hij. "Druk geweest," verklaarde de boekhouder. "De telefoon heeft haast niet stil gestaan en vanmiddag bij de post waren er ook nog verschillende orders. En alles moet deze week in huis zijn bij de mensen." "Daar zullen we dan voor zorgen," zei Terborg, terwijl hij vluchtig even de post door keek. Vervolgens ging hij weer terug naar het magazijn om de verschillende voorraden nog even op te nemen met de oude, vertrouwde magazijnbediende. Hij was langzamerhand een vriend geworden, oom Willem, zoals de hele familie hem noemde. "Nog wat bijzonders gebeurd oom Willem?" vroeg Terborg ook hier. "De voorraad vermicelli raakt op," meldde oom Willem. "En dan wordt het ook tijd dat U de bouillonblokjes aanvult, de "Sarta" tenminste. Van de "Smulpaap" is de laatste weken bijna niets af gegaan." "Dan scheiden we daar mee uit," vond Terborg. "Ik had er trouwens vandaag ook een paar klachten over. De verpakking schijnt niet te deugen. Wacht, geef me de ladder even aan. Ik wil eens kijken wat er eigenlijk nog precies van staat. Die hoge vakken is toch wel ongemakkelijk zeg."
"Ga maar even de dokter halen oom Willem," zei hij tegen de hevig geschrokken bediende. "Het zal wel niet ernstig zijn. Ik geloof dat ik alleen maar mijn voet heb verstuikt, maar allemensen, wat is dat pijnlijk." Jan was intussen naar binnen gegaan, naar zijn moeder en had dus van het hele geval niets gemerkt. Pas toen de magazijnbediende kwam vertellen wat er gebeurd was, haastte hij zich met mevrouw Terborg naar het magazijn. Meneer Terborg probeerde juist weer overeind te krabbelen, maar halverwege viel hij met een kreet weer terug. Behoedzaam droeg Jan hem, samen met de boekhouder naar binnen en legde hem daar neer op de divan. Twintig minuten later was de dokter er al. Hij onderzocht het been zorgvuldig. "Waarschijnlijk een gescheurde spier," zei hij. "Pijnlijk zeker hè?" "Dat zou ik denken," zei vader. "Tja, dat wordt een dag of veertien rusten. Vooral de zaak niet proberen te forceren, want daar kunt U de hele boel mee verknoeien en dan komen er misschien nog een paar weken bij," adviseerde de dokter. "U zegt het maar," bromde Terborg onwillig. "En hoe moet het dan met het werk? We zitten er tot onze oren in!" De dokter haalde de schouders op. "Daar kan ik U echt geen antwoord op geven," zei hij toen. "De enige raad die ik U kan geven is, houdt U zich vooral rustig, des te eerder is het leed weer geleden. Voorlopig kan ik niets anders doen dan er een stevig verband om heen leggen." Hij voegde meteen de daad bij het woord en weldra zat de gewonde met een stijf verband om zijn linkervoet in een gemakkelijke stoel. Daarop vertrok de arts, het gezin met gemengde gevoelens achter latend. Moeder was blij dat het zo goed was afgelopen maar vader vond het al erg genoeg zo en maakte zich direct zorgen over het werk. En Jan? Eerst was hij natuurlijk wel even geschrokken toen hij zijn vader met een wit gezicht op de grond zag liggen. Maar nu achteraf bleek dat het nog al mee viel was zijn eerste gedachte dat hij aan het eind van de week waarschijnlijk alleen op stap moest met de auto. En al hield hij nu niet zo van zijn werk, toch trok hem die gedachte wel aan. Maar hij wachtte rustig af tot zijn vader er zelf over zou beginnen, wat ongetwijfeld wel moest komen. Ja hoor, daar had je het al. "Hoe moet dat nu met het afleveren van de bestellingen voor vrijdag?" vroeg vader. Hij keek daarbij naar zijn zoon, om te zien hoe die op de vraag zou reageren. "O, dat komt heus wel voor elkaar, maakt U zich maar geen zorgen," zei Jan zo luchtig mogelijk. "Ben je van plan om alleen te gaan?" vroeg vader. "Het zal moeten denk ik," zei Jan zakelijk. "Maar je hebt niet eens je rijbewijs," wierp zijn vader nog zwakjes tegen. "Ik kan rijden, en dat lijkt me het belangrijkste," zei Jan. "We zijn nog nooit gecontroleerd op de papieren, zo lang ik met U mee ga." "Uw zoon is handig genoeg om zich voor een paar keer zelf te helpen," bemoeide oom Willem zich met het gesprek. Dat gaf de doorslag blijkbaar. Vader Terborg stelde veel vertrouwen in de mensenkennis van zijn bediende die zelf altijd had bewezen uit het goede hout te zijn gesneden. "Nou, dan zullen we het daar maar op houden," zei hij. "Maken jullie de boel dan al vast zo ver mogelijk klaar. Het komt warempel nog goed uit, dat me dit niet een maand eerder is gebeurd. Dan had Jan niet eens mijn plaats in kunnen nemen!" Samen met oom Willem liep Jan weer terug naar het magazijn om daar nog zo veel mogelijk goederen neer te zetten. Onwillekeurig liep hij een beetje in zich zelf te fluiten. "Jij vindt het geloof ik niet zo erg dat je vader een paar weken op non-actief is hè?" vroeg oom Willem glimlachend. "Och, voor hem zelf is het natuurlijk erg vervelend," zei Jan, een beetje kleurend. "Ja, dat begrijp ik," zei de bediende. Hij mocht Jan graag. Als kleuter speelde deze al regelmatig in het magazijn en hij had hem langzamerhand mee zien groeien met de omvang van de zaak. Daarom deed het hem ook werkelijk plezier dat de oude Terborg zo'n flinke opvolger zou krijgen. Net als iedereen nam hij voetstoots aan dat dit het geval zou zijn. Over een jaartje of tien zou zijn vader het ongetwijfeld wat kalmer aan gaan doen en dan had Jan een prachtige leeftijd om de zaak op zijn wijze en volgens eigen, moderne inzichten verder te leiden. Jan leidde het gesprek maar gauw ergens anders heen. "Heeft U het gelezen oom Willem?" vroeg hij, "volgende week komt het circus Bandomi hier. Dat lijkt me enig, want het moet nog veel uitgebreider zijn dan vorig jaar, toen ze hier ook een week gestaan hebben." "Dat is geen liefhebberij voor mij," zei oom Willem misprijzend. "Het enige nummer wat ik leuk vind is dat van de clown. Hoewel daar ook steeds meer de aardigheid af gaat. Ik heb in mijn jonge jaren de grote Grock eens gezien. Dat was nog eens een mannetjesputter! Als die man alleen maar voor het publiek ging staan, lagen de mensen al dubbel van het lachen." "Dat lijkt me een mooi vak," zei Jan een beetje afwezig, en hij zette de stapel dozen waar hij juist mee aan kwam dragen, even uit zijn handen. "Allemaal schijn jongen," zei oom Willem wijsgerig. "Aan de buitenkant is alles prachtig en schijnbaar zorgeloos, maar kijk de mensen niet in het hart, dan schrik je van de zorgen die ze hebben. Nee hoor, geef mij maar het rustige leven zoals ik het nu heb, dan kunnen ze die prachtige costuums en wat er al zo meer bij komt kijken, van me cadeau krijgen." "Ja, ik ben heus niet zo dom om te denken dat het allemaal weelde is bij die mensen," sprak Jan tegen. "Maar in elk geval is het een afwisselend leven. Elke dag of in ieder geval elke week op een andere plaats. Overal andere mensen en steeds andere collega's. En als het je bij het ene circus niet bevalt, ga je naar een ander." Oom Willem schudde eens verbaasd met zijn hoofd. Daar hoorde hij nu toch werkelijk van op. Daar had me zo'n jongen een prachtige toekomst voor zich en zo iemand haalde het in zijn hoofd dat het onzekere bestaan van een vrijgevochten artistenleven aantrekkelijker zou zijn dan een plaats in het gewone, alledaagse leven zoals dat voor bijna ieder mens was weggelegd. "Ik hou het maar bij mijn pakjes macaroni en vermicelli," zei hij in een poging om grappig te zijn. En dat was een opmerking waar Jan weinig tegen in kon brengen en waar hij alleen maar een beetje minachtend zijn schouders over op kon halen. |
HOOFDSTUK IIDe benzinetank tot de rand toe gevuld, de auto volgeladen met allerlei bestellingen voor vele plaatsen in de provincie, zo startte Jan vrijdagsmorgens voor de eerste rit die hij in zijn eentje zou maken. Vader gaf hem nog allerlei welgemeende adviezen mee voor onderweg, die Jan gelaten over zich heen liet gaan. De "vuurdoop" die hij moest ondergaan, was overigens niet eenvoudig. Waren ze de laatste keer 's middags om een uur of drie al weer terug geweest, deze keer zou het bepaald niet eerder worden dan vrij laat in de avond. Maar zijn ouders maanden hem aan, zich vooral niet te overhaasten. "Mocht je aan zien komen dat je alles niet weg krijgt, blijf dan desnoods ergens overnachten," adviseerde vader. "Dat is mij ook wel eens gebeurd." En hij noemde verschillende hotels waar het goedkoop overnachten was en het eten prima.
Maar de agent liep rustig door, de handen op de rug. Blijkbaar vond hij het nog veel te vroeg in de ochtend om nu al op de bestuurders van passerende auto's te letten zolang die geen ernstige verkeersovertreding begingen. En daar wachtte Jan zich wel voor! Eenmaal buiten de bebouwde kom zette hij er wat meer vaart in. Ha, het was toch wel heerlijk, je volkomen baas te voelen over het mechaniek, er mee te kunnen doen wat je in de zin kwam, zonder op de vingers te worden getikt door iemand naast je. Daar naderden warempel de eerste huizen van het dorp al. Dat had hij even vlug gedaan! Met een sprongetje belandde hij op de grond, nadat hij de wagen feilloos bij de klant voor de deur had gezet. Als die lui maar niet allemaal het naadje van de kous moesten weten. Ze zouden wel vreemd opkijken dat hij alleen aan kwam zetten. Maar ze konden hem nog meer vertellen; hij was niet van plan om zich vandaag uit te laten horen over allerhande zaken. Hij zou kort en bondig vertellen hoe het kwam dat zijn vader vandaag verstek moest laten gaan en daarmee was de kous af. Gelukkig kende hij de mensen langzamerhand wel zo'n beetje. Zijn eerste adres was niet zo lastig of praatziek, dat wist hij uit ervaring. "Dag meneer van Senten," begroette hij de winkelier. "Zo Jan, komt je vader niet even uit de auto, dat jij hier zo alleen binnen stapt?" "Vader is van de week van een ladder gevallen en heeft daarbij zijn voet verstuikt," antwoordde Jan. "Zo, toch niet ernstig hoop ik? Ik bedoel, anders toch geen verwondingen?" "O nee, voor het overige maakt hij het uitstekend en hij laat zijn groeten over brengen." "Dat is dan prachtig," zei de kruidenier tevreden. Nadat ze samen de boel vluchtig even hadden na gekeken en Jan nog een kleine bestelling had genoteerd stond hij al spoedig weer buiten, klaar voor de tweede etappe. Ook op het volgende adres viel het buiten verwachting mee wat het oponthoud betrof. Natuurlijk informeerden zowel de kruidenier als zijn vrouw belangstellend wat er precies aan de hand was, maar nadat Jan de zaak met enkele woorden had uitgelegd vroegen ze niet verder meer. In vrij snel tempo werkte de jeugdige besteller het ritje af, hier en daar nog wat orders noterend alsof dat zijn dagelijks werk was. Nog voor de middag had hij meer dan de helft van zijn klanten al gehad en tevreden over zich zelf dronk hij in een dorps-cafétje een kop koffie bij zijn boterham. Nog een kleine twintig kilometer rijden, dan had hij het verst verwijderde punt van huis bereikt om daarna via een andere weg weer naar huis terug te keren en op die route de rest van de klanten af te werken. Lang rust gunde hij zich zelf niet. Na een half uurtje rekende hij af met de waard en stapte weer in. Over een binnenweg reed hij naar een gehucht, een kilometer of vijf verder. Toen ging het naar het uiterste hoekje van de provincie, langs een goede straatweg, die echter weinig werd gebruikt. Alleen heel in de verte voor hem reed een colonne vrachtauto's die hij al spoedig inhaalde, zo langzaam vorderden ze. De reden waarom werd hem al spoedig duidelijk, het waren niet alleen auto's, maar de meesten hadden nog een woonwagen op sleeptouw. "Circus Bandomi" stond met grote, kleurige letters op bijna elk van de wagens. Tjonge, wat een bagage hadden die lui bij zich! In enkele van de enorme vrachtauto's klonk een gestommel boven het geluid van de auto uit, dat waren natuurlijk de verblijfplaatsen van de dieren. In snelle vaart passeerde Jan de karavaan. Een hevig gebalk uit een der wagens drong tot hem door. Kennelijk was de ezel een beetje onrustig, dacht Jan geamuseerd en in het voorbij rijden wierp hij een belangstellende blik op de auto. En wat hij daarbij zag, deed hem even schrikken. De deur van de auto, die opzij was aangebracht was kennelijk niet goed afgesloten. Jan zag hem tenminste even terug rollen en in een flits zag hij daarna ook de kop van de ezel die nieuwsgierig om het hoekje gluurde. Het dier zou natuurlijk wel vastgebonden zijn, maar toch leek het hem gevaarlijk. De wagen was afgesloten met een roldeur die over een rail liep, althans, zo behoorde het te zijn. Maar als die deur nu eens helemaal open rolde, leek de mogelijkheid niet uitgesloten dat de ezel, en wellicht nog andere dieren die zich misschien in de wagen bevonden, kans zouden zien zich los te rukken en dan onherroepelijk naar buiten zouden vallen met alle gevolgen van dien. Snel nam Jan een besluit. Hij moest die mensen waarschuwen voor het gevaar dat één van hun kostbare dieren, onbewaakt natuurlijk, uit de auto zou vallen. Direct nadat hij de stoet was gepasseerd remde hij af. Door signalen te geven, wist hij de aandacht van de bestuurder al spoedig te trekken. Eerst werd die een beetje nijdig en begon te toeteren, maar weldra begreep hij dat er iets bijzonders aan de hand moest zijn en tenslotte remde hij af om aan de kant van de weg te blijven staan. Nu stapte ook Jan uit en liep op de auto af. Er stapte een kleine, kwieke man uit, die naast de chauffeur zat. "Wat is er aan de hand jongeman?" vroeg hij in gebroken Hollands. "Een van Uw wagens is niet goed afgesloten meneer. Ik zag het in het voorbij rijden en meteen zag ik ook de kop van Uw ezel. Hij gedroeg zich nog al onrustig als U het mij vraagt." Het was wonderlijk hoe snel de houding van het kleine mannetje veranderde. Onder het slaken van allerlei uitroepen, waarvan Jan er niet een verstond, rende hij langs de rij wagens naar die waarin de ezel was opgesloten. Jan volgde hem geamuseerd. Hij had natuurlijk ook meteen door kunnen rijden, maar hij wilde toch wel eens zien welke maatregelen dat mannetje ging nemen. De serie uitroepen en verwensingen die hij er uit bracht, waren blijkbaar bestemd voor iemand van zijn personeel. "Piëtro, Piëtro!" hoorde hij zijn krachtige stem langs de rij auto's schallen. Uit een der wagons kwam nu een andere man te voorschijn, wat zijn voorkomen betrof precies het evenbeeld als de man uit de voorste wagen, maar gekleed in een uniform of iets wat daar voor door moest gaan. In een rad taaltje, Italiaans dacht Jan, begon het eerste mannetje uit te varen tegen de man in zijn vuile uniform om hem vervolgens aan zijn arm mee te trekken naar de bewuste wagen. Net te laat kwamen ze daar aan. Door het remmen was de roldeur geheel naar voren geschoven en stond wagenwijd open. En die kans wilde de ezel zich schijnbaar niet laten ontgaan. Al lang genoeg had hij tegen de wanden van de auto aan gekeken en nu de vrijheid zo voor het grijpen lag was hij stellig van plan om er van te genieten. Met een hups sprongetje wipte hij op de grond, nam niet eens de moeite om naar zijn bazen te kijken maar koos direct het hazenpad, of liever gezegd het ezelspad. In de dubbele betekenis van het woord, want het was natuurlijk erg dom van Grauw dat hij er tussenuit probeerde te gaan. Dit moest onherroepelijk uitlopen op een teleurstelling voor hem want hij zou of spoedig gevangen worden ofwel door een achteropkomende auto aangereden worden. Hoe kon een Spaanse ezel zo dom zijn om zich op de weg te begeven in het voor hem zo vreemde Nederland! Uit alle auto's en woonwagens kwam onmiddellijk het circuspersoneel naar buiten hollen om het dier te vangen. Maar zo eenvoudig was dat niet! Grauwtje scheen geenszins van plan om zich direct te laten grijpen en was vastbesloten, zo lang mogelijk van zijn vrijheid te profiteren. Luid balkend holde hij eerst een tijdje voort over het midden van de weg. Toen hij zijn belagers ver genoeg achter zich waande, ging hij in de berm van de weg lopen om zich vervolgens als een fijnproever te goed te doen aan het geurige Hollandse gras. Hmm, dat was nog eens iets anders dan dat dorre hooi dat ze hem anders altijd te eten gaven, scheen hij te denken. Vermaakt stond Jan toe te kijken. In een eerste opwelling was iedereen achter de ezel aan gaan hollen maar al spoedig zag men in dat dit toch geen resultaat zou hebben. Er waren wel een paar lenige jongens onder het gezelschap, maar tegen de snelheid die de ezel wist te ontwikkelen, moesten ze het schromelijk afleggen. Nadat ze een tijdje hadden gehold klapte het mannetje dat Jan het eerst had gezien, hard in zijn handen. Het resultaat was verbluffend. Iedereen keerde direct terug op zijn schreden en kwam enigszins beschroomd bij hem. In een mengelmoesje van Frans, Duits en Italiaans legde hij vervolgens uit hoe ze te werk moesten gaan om succes te hebben bij hun pogingen. Blijkbaar was zijn bedoeling om de ezel te omsingelen, want nadat hij was uitgesproken verspreidden de mannen zich. Een vijftal sprong links van de weg over de greppel die langs de berm liep, de andere vijf volgden hun voorbeeld aan de andere kant om op die wijze het dier in te sluiten. Het mannetje zelf bleef bij de wagens staan, omringd door enige vrouwen die blijkbaar niet waardig gekeurd werden om aan de jacht deel te nemen. Omzichtig liepen de mannen door de akkers die links en rechts van de weg lagen. Binnen tien minuten zou iedereen zijn plaats hebben ingenomen en was het afgelopen met de kortstondige vrijheid van de ezel. Dat was het inderdaad, maar het liep wel een beetje anders dan elkeen zich had voorgesteld. Tot nu toe was er geen verkeer langs de weg gekomen, maar nu verscheen in de verte een stip op de weg, die snel groter werd. Met vrij grote snelheid naderde een personenauto. Niemand van de mannen die de achtervolging hadden ingezet scheen er erg in te hebben eer de auto tot op vrij korte afstand was genaderd. Maar met het doel van hun jacht was dat anders. Eensklaps spitste de ezel zijn lange oren. Vervolgens sloeg hij de achterpoten in de lucht alsof hij een onwillige berijder af moest werken en spurtte daarna vlak voor de auto terug in de richting van de veilige wagens. De bestuurder van de personenauto kon nog maar net voorkomen dat hij het dier aanreed door krachtig op het rempedaal te drukken. En nu holde Grauw dus voor hem uit terug in de richting vanwaar hij was gekomen. Maar daar stond op dat moment bijna niemand om hem op te vangen. Bijna niemand! De vrouwen maakten geen aanstalten om het dier te vangen en dus stond de directeur alleen voor de taak om hem te pakken te krijgen. Tenminste, als Jan er niet was geweest. Tot nu toe had hij alleen maar gefungeerd als belangstellende toeschouwer, maar nu werd hij actief. In zich zelf moest hij even lachen om de malle situatie. Al die lui, die daar zo heldhaftig als Indiaanse sluipschutters het bouwland waren op gelopen, kwamen nu hevig schreeuwend terug. Maar daar maakten ze de zaak alleen maar erger mee, want dat werkte schijnbaar op de zenuwen van de ezel die in snel tempo zijn uitgangspunt naderde. Signor Bandomi plaatste zich wijdbeens op de weg als wilde hij hem op die manier de doortocht beletten, maar dat bleek niet de juiste manier te zijn om de ezel te stuiten. Lustig draafde hij langs zijn baas, het touw waarmee hij vastgebonden was geweest over de grond achter zich aanslepend. Zijn laatste hinderpaal werd gevormd door een Hollandse jongen van zeventien jaar, die beslist niet van zins was om zich door een ezel in de luren te laten leggen. Op het juiste moment deed hij een vlugge stap opzij. Bijna kreeg hij een trap van de voortvluchtige ezel, maar het volgende ogenblik had hij het touw toch te pakken en klemde het in zijn stevige knuisten. Lang zou hij dat natuurlijk niet vol kunnen houden, want de ezel deed verwoede pogingen om zich te bevrijden van die hinderlijke tegenstand. Maar signor Bandomi was er ook nog! Mocht hij dan geen tacticus zijn in het vangen zelf, nu hij zag dat zijn hulp dringend was vereist schoot hij onmiddellijk te hulp. Weldra was Grauw machteloos. Tegen twee mensen kon hij niet op en bovendien klonk de bestraffende stem van zijn meester nu wel erg dicht bij zijn oren. Zo dicht, dat hij plotseling besloot, zich maar weer te onderwerpen aan diens gezag en zich gewillig op te laten sluiten. Mak als een lammetje verdween hij in de auto, waar hij zeer secuur werd vast gebonden. Als voorzorgsmaatregel kreeg hij een speciale bewaker mee in de vorm van de man in zijn vuile uniform die blijkbaar speciaal was belast met zijn verzorging. Voor Jan was de zaak hiermee afgedaan. Hij wilde terug lopen naar de auto en juist stond hij op het punt om in te stappen, toen signor Bandomi hem hoogst persoonlijk bij de arm greep. "U wilt toch zeker niet zo maar weg gaan zonder mij de gelegenheid te geven U hartelijk te bedanken voor Uw hulp?" vroeg hij buiten adem. "O, ik vond het best leuk," zei Jan lachend. "Ik maak zo iets niet alle dagen mee moet U denken." "Ik gelukkig ook niet," pufte de circusdirecteur. "Stel U voor dat er iedere dag een van mijn dieren los breekt. En dan niet iemand van Uw formaat in de buurt, ik moet er niet aan denken." Nu lachte Jan daverend. Allemensen, wat stond dat mannetje te overdrijven! Dat was natuurlijk het Zuidelijk temperament. Die mensen deden allemaal een beetje overdreven voor nuchtere Hollandse begrippen. Hij zou er zich maar van af proberen te maken, want nu dacht hij juist een beetje vroeg te zijn en door al dat gejaag achter die ezel aan zou het nog laat worden. Maar signor Bandomi bleek geenszins van plan om hem zo te laten gaan. "Laat ik U in ieder geval een vrijkaart aanbieden voor de voorstelling van vanavond," zei hij beslist. Dat vond Jan nog zo'n slecht idee niet. Alleen zou hij er niet direct gebruik van kunnen maken. "Als U volgende week bij ons in de stad bent wil ik hem graag hebben. Maar nu moet ik echt terug. Ik moet vanmiddag nog naar verschillende mensen toe, maar ik wil graag een keer Uw circus zien wanneer U bij ons in de buurt bent." "Ah!" riep de heer Bandomi verrukt uit, "U is een liefhebber van het circus merk ik! Dan zult U volgende week mijn gast zijn voor een avond. Ik laat U alles zien!" "Heel graag," zei Jan dankbaar. "Maar nu moet ik toch echt gaan." "Hier hebt U mijn kaartje," zei de circusdirecteur met zwier. "Met dit kaartje in Uw hand gaan alle deuren in het circus wagenwijd voor U open." Vervolgens drukte hij Jan warm de hand om direct daarna zijn bevelen in de richting van de wagen te roepen. Lachend kroop Jan weer achter het stuur. Een wonderlijk mannetje, die meneer Bandomi. Enfin, hij zou in elk geval een dankbaar gebruik maken van de gelegenheid om het circusleven van dichtbij te leren kennen. Het was natuurlijk nog de vraag of de circusdirecteur hem tegen die tijd niet vergeten zou zijn. Die lui waren erg grif met het doen van beloften, maar het volbrengen daar van bleef wel eens achterwege. In een fiks tempo reed hij door en weldra bereikte hij het verst verwijderde punt van huis. Hier werd hij een tijd opgehouden, want de winkelier had verschillende dingen op zijn lijstje staan en van andere artikelen moest hij de voorraad nog precies opnemen. Daardoor kon Jan niet direct rechtsomkeert maken, zoals hij zich dat had voorgesteld en was hij gedwongen om nog wat na te praten. Zo vlug mogelijk brak hij echter het gesprek af door te zeggen dat hij erge haast had. Ten dele was dat natuurlijk wel waar, maar het zekere gedoe van de man achter de toonbank verveelde hem. En toen, vlak buiten het dorp, gebeurde het. De motor sputterde even, sloeg vervolgens nog eens aan om dan geheel te zwijgen. Wat Jan ook probeerde, het ding was niet meer op gang te krijgen. Hij had wel een klein beetje verstand van het mechaniek en daarom dook hij meteen onder de motorkap om te zien of het euvel wellicht gemakkelijk verholpen kan worden. Benzine had hij nog genoeg, daar kon het niet aan liggen. Ook verder kon hij niets ontdekken en een beetje moedeloos richtte hij zich op om terug te lopen naar het dorp en de auto naar een garage te laten slepen. Toen ontdekte hij het naderende circus van meneer Bandomi, dat met een kalm gangetje in de richting van het dorp sukkelde. HOOFDSTUK IIIDe circusdirecteur had hem eerder opgemerkt dan Jan de karavaan had gezien. Hij behoefde niet eens een stopteken te geven. Uit zich zelf liet signor Bandomi zijn auto vaart minderen en sprong direct uit de cabine. "Aha!" riep hij. "Ik heb het U niet gegund om pech te krijgen met Uw auto, maar nu ben ik toch blij dat ik U kan helpen. Wat is er precies aan de hand?" En weer moest Jan even lachen. De behulpzame circusman wist nog niet eens wat er aan de hand was, maar was er toen bij voorbaat al van overtuigd dat hij hier de helpende hand kon reiken. "Waarom lacht U toch steeds?" vroeg meneer Bandomi een beetje verbaasd. Snel werd Jan weer ernstig. Hij moest nu vooral de ander niet tegen zich innemen, want wellicht kon die hem in ieder geval naar het dorp slepen. Dat bespaarde hem een wandeling en bovendien de kosten van het slepen. "Ik weet niet precies wat er aan de hand is," legde hij uit. "Het beste lijkt me dat ik maar terug loop om te zien of er misschien een garage in de buurt is." "Geen sprake van! U terug wandelen, terwijl ik een hele stoet auto's tot mijn beschikking heb? Ik laat Uw auto naar het dorp trekken en dan zullen wij verder zien. Mijn mensen kunnen daar beginnen met opzetten van de tent en intussen laat ik onze eigen monteur naar Uw auto kijken. Wij zijn van alles voorzien!" "Heel graag," zei Jan dankbaar. Sterke armen duwden de auto zo dat hij achter een van de wagens kwam te staan, er kwam een zwaar touw aan te pas en daarna werd de tocht weer voortgezet, voor Jan in omgekeerde richting. Midden in het dorp werd halt gehouden op een plein. Er was direct een horde kinderen op de been die nieuwsgierig naar het voor hen vreemde volkje keken. Iedereen scheen echter wel gewend te zijn aan een dergelijke nieuwsgierigheid. In snel tempo sloeg men aan het werk om de zaak zo spoedig mogelijk voor elkaar te hebben. Signor Bandomi had zich voorgenomen om nog dezelfde avond op te treden. Doordat ze onderweg zo'n oponthoud hadden gehad was het wat later geworden dan hij zich had voorgesteld en nu joeg hij zijn mensen op tot zo groot mogelijke spoed. Kwam het daardoor dat hij aan Jan en zijn auto niet meer dacht? In elk geval stond die, nadat de sleepkabel was los gemaakt, geheel alleen bij zijn voertuig, niet wetende wat hij moest doen. Toen hij de bedrijvigheid zo'n half uurtje had gade geslagen, begreep hij wel dat de mensen van het circus heus wel andere zorgen hadden dan op hem te letten. Als hij naar signor Bandomi ging zou die stellig direct zijn monteur, waar hij over had gesproken, bij Jan sturen, maar daar zag Jan maar van af. Aan een paar omstanders vroeg hij waar hij een garage kon vinden en weldra had hij die gevonden. Voor de tweede keer werd de bestelauto op sleeptouw genomen en op de hefbrug geplaatst. Lijdzaam stond Jan maar af te wachten tot het euvel verholpen zou zijn. Met een bedenkelijk gezicht kwam het gezicht van de monteur tenslotte weer onder de motorkap vandaan. "Ik vrees dat dat niet één twee drie gebeurd is," zei hij. "Het euvel zit in het electrische gedeelte van de motor en er is alle kans dat er nieuwe onderdelen voor moeten komen." "En heeft U die in voorraad?" vroeg Jan. De garageman schudde met zijn hoofd. "Nee," zei hij, "die zullen uit de stad moeten komen. Dat soort dingen komt hier haast nooit voor en daarom ben ik er ook niet op ingesteld." "Daar gaan dus op zijn minst enige uren in zitten," veronderstelde Jan een beetje somber. "Tja," zei de ander, "ik zal natuurlijk direct iemand sturen, maar of ik de zaak vandaag nog voor elkaar krijg, dat kan ik U echt niet zeggen." "Daar zit ik dan lelijk mee," zei Jan. Het zou er dus op neer komen dat hij hier waarschijnlijk de nacht moest doorbrengen. Dat was op zich zelf natuurlijk al een tegenvaller. Maar ook de rekening die hij straks gepresenteerd kreeg, zou wel behoorlijk gepeperd zijn. Enfin, hij kon er tenslotte ook niets aan doen. Er zat niet veel anders op dan dat hij zijn ouders opbelde om de zaak uiteen te zetten. Vanuit de garage kreeg hij verbinding met het kantoor in de stad. Vader zelf was schijnbaar van zijn rustplaatsje opgestaan en nam de telefoon aan. Zijn reactie op het geval viel gelukkig nogal mee. Hij gaf de raad om naar eigen goeddunken te handelen. Als Jan die nacht niet thuis kon komen, wisten ze in ieder geval hoe de vork in de steel zat. Gerustgesteld legde Jan de hoorn weer op het toestel. Gelukkig, vader maakte hem geen onverdiende verwijten. Hij had blijkbaar vertrouwen genoeg in zijn zoon om te weten dat die geen ondoordachte dingen zou doen en ook, dat hij niet de schuldige was aan het feit dat de auto momenteel onbruikbaar was. Hij vroeg de garagehouder, de zaak zo veel mogelijk te bespoedigen en daarna wist hij niet beter te doen dan het dorp maar in te slenteren. Toen hij bij het circus kwam grinnikte hij in zichzelf. Signor Bandomi zou nu toch zijn zin direct krijgen, hij kon Jan die avond al van dienst zijn door hem een gratis toegangsbewijs voor de voorstelling te geven, tenminste, als de boel tijdig gereed kwam. Daar werd alles toe in het werk gesteld. Het circus kon zich echt de weelde niet permitteren om een avond over te slaan, daarvoor waren de kosten te hoog. Belangstellend stond Jan toe te kijken naar de handige wijze waarop de boel werd aangepakt. Uit een schijnbaar hopeloze chaos kwam langzaam maar zeker de grote tent omhoog. Het was een zwaar karwei. Iedereen liep schreeuwend door elkaar, maar toch wist elke man zijn plaats. Toen Jan zag hoe ze met vijf man bezig waren om een van de grote masten overeind te zetten kon hij niet nalaten om ook de handen uit de mouwen te steken. Anders liep hij hier toch maar rond te lummelen. En ofschoon signor Bandomi hem eigenlijk een beetje in de steek had gelaten met de auto mocht Jan hem toch graag, vanaf het eerste moment dat hij hem had gezien toen hij uit de auto sprong. De directeur zelf had hem al spoedig in de gaten. "Ah mijn vriend!" riep hij uit, "U bent een geboren circusman. U kunt met dieren omgaan, U weet Uw handen te gebruiken en U hebt karakter." "Best mogelijk," zei Jan, "maar houdt U dat touw even vast wilt U?" En voor de verbouwereerde circusdirecteur wist wat er gebeurde, stond hij met een touw in zijn hand, waarmee het zeil van de tent rechtgetrokken moest worden. Van zijn ondergeschikten nam hij niet veel als een van hen hem dit had geleverd zou hij waarschijnlijk ongenadig op zijn huid gekregen hebben. Nu echter hield hij het touw zo stevig mogelijk vast. "Zo, dank U wel," zei Jan nadat hij zijn handen weer vrij had gekregen. Handig bevestigde hij het dikke koord op de daarvoor bestemde plaats. Met een tent van zo'n formaat had hij nog nooit geholpen bij de opbouw, maar handig als hij was wist hij precies waarmee hij zich het meest productief kon maken. Intussen liep signor Bandomi al weer bedrijvig in het rond, links en rechts aanwijzingen gevend aan iedereen die in zijn gezichtsveld kwam. Het was maar een klein circus dat de heer Bandomi het zijne mocht noemen. Dieren waren er niet veel. Buiten de ezel waren er nog een stel apen die kunstjes moesten vertonen, een zeeleeuw die met ballen jongleerde en verder drie paarden. Maar dat waren dan ook prachtige dieren, de trots van het circus. De mensen die aan het circus mee werkten waren een clown, die zich zelf Alfonso noemde en een wonderlijk taaltje sprak; daarnaast het muzikale duo "de Musketiers" dat bestond uit twee jonge mannen met een gitaar. De dieren werden allen gepresenteerd door een meisje, de enige dochter van signor Bandomi en tevens diens lieveling. Het circuspersoneel werd gecompleteerd door een groep meisjes die aan acrobatiek deden en daarnaast de mensen die moesten zorgen voor de kaartverkoop, het verspreiden van de programma's in totaal vier mannen die tevens moesten opdraaien voor alle voorkomende werkzaamheden die buiten het gewone kader vielen. Binnen een paar uur stond de hele zaak op poten en daarop liet de directeur iedereen aantreden voor een rondgang door het dorp. Er moest de nodige reclame gemaakt worden om de tent voor die avond flink vol te lokken en daarvoor trokken alle deelnemers in vol ornaat langs de straten. Nu, voor de optocht was belangstelling genoeg. Het hele dorp stond zich te vergapen aan de vreemde stoet. Voorop liep meneer Bandomi zelf, omstuwd door de drie paarden en het ezeltje. De apen vonden een plaatsje op de ruggen der paarden en maakten vreemde grimassen tegen de dorpelingen. Hier en daar, op de hoeken der straten, liet de directeur halt houden en kondigde met luide stem het optreden van zijn "wereldberoemde" circus aan. De medewerkenden, die hij die middag nog tot het uiterste had opgejaagd om de zaak klaar te krijgen, werden luidkeels geprezen en kregen allen een prachtige titel van hem mee. Zo heette Alfonso de "grootste grappenmaker aller tijden", de vrouwelijke acrobaten waren de "springende graties" terwijl de jongens met hun gitaar de "afgezanten van het wilde Westen" werden genoemd, regelrechte afstammelingen van Roy, de koning der prairie die de jongens slechts node naar het verre Europa had laten gaan. Slechts na moeizame onderhandelingen, zo vertelde de circusdirecteur, was hij er in geslaagd deze muzikale knapen te engageren. Jan bewonderde de welsprekendheid van meneer Bandomi, die bij iedere toespraak welke hij hield zijn toehoorders in andere bewoordingen liet horen welke attracties hen voor die avond stonden te wachten, wanneer ze althans de somma van twee gulden vijftig neer wilden tellen aan de kassa. Ook de dieren kregen hun deel in de eer. De ezel werd gekenschetst als het meest karaktervolle en schrandere dier dat ooit in de piste werd gepresenteerd. Nu reeds werd aangekondigd dat hij of zij die langer dan vijf minuten op de rug van het dier wist te blijven, een beloning kreeg van tien gulden. Zoals Grauw er op dat moment sullig bij liep leek dat Jan niet zo'n grote kunst, maar hij wachtte zich wel om er met een woord over te reppen tegen de omstanders. De tocht was afgelopen. Iedereen ging zo snel mogelijk zijn wagen binnen om nog wat te eten en te rusten van de vermoeiende dag die ze al achter de rug hadden. Signor Bandomi nodigde Jan uit om met hem en zijn dochter in de woonwagen de maaltijd te gebruiken. Nadat hij in de garage had gehoord dat zijn auto inderdaad niet eerder klaar zou zijn dan de volgende dag, nam Jan de uitnodiging met graagte aan. De directeur bood nog zijn verontschuldigingen aan voor het feit dat hij Jan met zijn auto uit het oog had verloren, direct na de aankomst in het dorp, maar Jan wuifde de woorden van het kleine mannetje weg. Hij was erg benieuwd naar het interieur van de woonwagen waarin de circusdirecteur woonde. Hij vond het wel een beetje vreemd dat die hem na zo'n korte kennismaking al uitnodigde om met hem aan tafel te gaan, maar tenslotte had hij ook de hele middag mee geholpen, dus hij meende dat hij een gratis maaltijd wel verdiend had aan meneer Bandomi. Toch een beetje beschroomd stapte hij de wagen binnen. Daar binnen wachtte hem een vreemd wereldje. Jan zou het niet kunnen omschrijven waar nu het eigenaardige in zat, maar de hele sfeer was er anders dan hij tot nu toe ooit ergens anders had mee gemaakt. Allerhande Oosterse snuisterijen sierden de wanden. Ondanks de betrekkelijk kleine indruk die men van de buitenkant van de woonwagen kreeg, viel de ruimte enorm mee. Gezellige rotanmeubelen vormden het ameublement, terwijl er zelfs nog een hoekje was vrij gehouden voor een ligbank. "Kom binnen mijn vriend," begroette signor Bandomi hem al bij de deur, nog voor Jan een woord had kunnen zeggen. "Silvano, dit is sedert kort mijn beste vriend. Hij heet...." Met die woorden keek hij Jan vragend aan. En alweer moest die lachen om dit spontane mannetje dat hem zijn grootste vriend noemde maar niet eens zijn naam wist! "Ik heet Jan Terborg," zei hij. Silvano lachte beminnelijk. Nog nooit in zijn leven had Jan zo'n klein, teer poppetje gezien. Hij schatte haar een paar jaar ouder als hijzelf was, maar in haar manier van doen was ze kinderlijk eenvoudig. Kleurend nam hij de toegestoken hand aan van het meisje, terwijl haar vader er met een trots gezicht bij stond. "Zij is mijn oogappel," verklaarde hij en Jan hoorde hoe zijn stem een tedere klank kreeg toen hij over haar sprak. "In alles is zij sprekend haar moeder, al weet ze het zelf niet. Ach ja," signor Bandomi zuchtte even, "dat was een wonderschone tijd, toen ik samen met mijn vrouw het circus leidde. Maar helaas, dat heeft niet lang mogen duren. Silvano was pas twee jaar, toen we met zijn tweeën achter bleven." Weer zuchtte hij, en Jan kreeg haast medelijden met hem, zo'n ongelukkig gezicht trok hij daarbij. Maar al spoedig veranderde die uitdrukking al weer. "Laten we niet te somber worden, daarvoor heb ik je niet naar hier laten komen," zei hij, en zijn beweeglijke gezicht straalde. "Neem plaats; dan zul je eens zien wat mijn dochter in haar bescheiden keuken weet klaar te maken. Zij is een kunstenares, niet alleen in de piste, maar ook in de dagelijkse bezigheden die het leven met zich mee brengt. Wat heb je voor ons klaar gemaakt Silvano?" "Dat zult U zo zien," zei zijn dochter met haar zachte stemmetje. "Als U zich nu even wilt onderhouden met onze gast, dan zal ik vast de tafel dekken." "Hoe vindt je ons circus?" probeerde signor Bandomi het gesprek op gang te krijgen. "Pas op," dacht Jan, "nu moet ik uitkijken met mijn woorden." In zijn hart vond hij het maar een tamelijk tamme bedoening, maar dat kon hij zijn gastheer toch moeilijk vertellen. Signor Bandomi was echter mensenkenner genoeg om direct te zien wat er in hem om ging. De kleine aarzeling die Jan toonde alvorens hij antwoord gaf, scheen hem al genoeg te zeggen. "Ik geloof dat je er niet zo'n geweldige indruk van hebt gekregen, is het wel?" vroeg hij. "Wat ik er van heb gezien is wel aardig," zei Jan en hij betrapte zich er voor de tweede keer op dat hij een kleur kreeg. "Alleen vind ik dat U wat weinig nummers heeft. Bij een circus verwacht je meer dieren en zo." "Ach ja, ik had het ook eigenlijk niet moeten vragen," zei signor Bandomi. "Ik had het van te voren kunnen weten dat je dit antwoord zou geven. Als je iets anders gezegd had, zou je gejokt hebben of blijk hebben gegeven dat je nog nooit een circus hebt gezien." "Eerlijk gezegd ben ik er ook nog niet zo vaak geweest," bekende Jan. Alsof hij hem niet had gehoord, vervolgde de heer Bandomi: "Vroeger was dat anders. Toen had ik inderdaad meer dieren, maar ik heb een grove fout gemaakt. Ik heb ze niet laten verzekeren en dat is mijn noodlot geweest. Een tijger had ik en drie leeuwen met daarbij nog twee olifanten. Over een ezel dacht ik toen niet, het moest allemaal spectaculair zijn en ik had er het geld ook voor om grote en dure dieren te kopen. Maar toen stierf een der leeuwen plotseling, zonder aanwijsbare oorzaak, en een week later volgde de tweede. Daarna is het snel gegaan. De tijger heb ik af moeten maken toen hij een dompteur aanviel. Toen trok het circus al steeds minder publiek en tenslotte heb ik me genoodzaakt gezien om de olifanten te verkopen. Dat is verleden jaar gebeurd. In plaats daar van heb ik toen de ezel en de apen gekocht om althans nog dieren in de piste te kunnen brengen. Maar hoe lang zal het nog duren eer ik die ook weer moet verkopen? Vroeger dacht ik er niet over om op te treden in een plaats zoals hier, nu moet ik wel. De belastingen en de hoge huur van de plaats waar ik sta met mijn circus hebben het optreden in de grote steden voor mij onmogelijk gemaakt. Bovendien is het publiek daar veel te veel verwend dan dat ze bij mij zouden komen kijken. Daarom zit er niet veel anders op, dan het in de kleinere provincieplaatsen te zoeken. Maar mijn tent is langzamerhand veel te groot geworden voor het publiek dat naar de voorstellingen komt kijken. Het is nog steeds dezelfde tent als waarin ik eenmaal triomfen heb gevierd door het optreden van mijn goed afgerichte dieren." Geboeid zat Jan te luisteren naar de ontboezemingen van de man tegenover hem aan de tafel. Hij wist weinig te antwoorden. Hier werd hij in aanraking gebracht met een stuk dramatiek waarvan hij het bestaan nooit had vermoed. Alles aan het circusleven had hem vroeger prachtig geleken. Als men de rijk versierde toiletten van de optredenden zag, kreeg men de indruk van buiten af alsof men te doen had met mensen die baadden in weelde. En nu kwam daar plotseling die kleine circusdirecteur met een verhaal dat de zaak van een heel andere kant liet zien. Als zoon van een nuchtere groothandelaar in kruidenierswaren moest je dan wel sprakeloos zitten. Signor Bandomi scheen overigens helemaal geen antwoord te hebben verwacht. Een paar minuten zat hij nog voor zich uit te kijken, het hoofd in de handen gesteund. Pas toen zijn dochter binnen kwam met een dampende schaal spaghetti, lichtte zijn gezicht weer op. "Daar heb ik me warempel weer helemaal laten gaan," riep hij. "En dat terwijl er nog zo veel schoons te genieten valt op deze aarde. Tast toe, vriend! En over mijn circus heb je de volle waarheid mogen spreken, maar waag het niet om de kookkunst van mijn Silvano te bekritiseren. Wat zij presteert grenst aan het ongelofelijke!" "De spaghetti is iets aangebrand, geloof ik," bekende zijn dochter blozend. "Ik ben bang dat ik ze iets te lang heb laten staan." "Dan nog is ze gekruid met jouw goede wil," zei meneer Bandomi lyrisch. Meteen gaf hij het goede voorbeeld en wipte een vork vol lange slierten spaghetti handig naar binnen. Even zag Jan zijn gezicht vertrekken bij het proeven er van en dat maakte het voor hem niet erg aantrekkelijk. Maar er zou wel niet veel anders op zitten dan ook niets te laten merken. In zijn hart verfoeide hij even het moment waarop hij de wagen was binnengestapt. Hij had dat spul nog nooit gegeten en nu bleek dat het nog niet goed klaar gemaakt was, verlangde hij helemaal naar een gezonde Hollandse maaltijd. Manmoedig hapte hij in de lange slierten. Hij zag hoe zijn gastheer nauwlettend naar zijn gezicht keek alsof hij hem wilde waarschuwen om vooral niets te laten merken. Met de grootste moeite gelukte dat Jan. Het spul was zo zwaar gekruid met peper en andere specerijen dat het het eerste moment leek alsof zijn tong en zijn gehemelte in brand stonden. Hij kon zich slechts voorstellen dat het gerecht op de juiste manier was klaar gemaakt buiten het feit dat de boel was aangebrand. "Hoe vindt U het smaken?" vroeg Silvano, terwijl ze zelf met lange tanden zat te kauwen. "Je hebt de aangebrande smaak weg weten te krijgen door de combinatie van de kruiden," prees haar vader. "Ik hoop maar dat onze gast het ook lekker vindt." "O....eh...heerlijk," zei Jan. "Het is voor mij alleen natuurlijk een beetje vreemd. Mijn moeder heeft dit nog nooit klaar gemaakt ziet U." "Begrijpelijk! Begrijpelijk!" haastte signor Bandomi zich om te zeggen. "Maar je zult zien, het nagerecht zal zeker ook bij je in de smaak vallen, nietwaar Silvano?" "Ik wilde een vlaatje maken, maar nu hoop ik maar dat de melk niet is gaan schiften bij het koken," gaf zijn dochter liefjes te kennen. Maar de melk was wel doorgelopen! Het "vlaatje" bestond uit een ondefinieerbare witte massa, waarin een paar aardbeien waterig ronddreven. "O, maar het is heerlijk fris," zette Jan nu de zaak aan. "Ja ja, heerlijk," viel de gastheer hem gretig bij, blij dat Jan de zaak zo opvatte. Nadat ook dat gerecht met mannenmoed naar binnen was gewerkt, kwamen er als desert nog wat sinaasappelen op tafel. "Dat zijn heerlijke sinaasappelen nietwaar?" merkte signor Bandomi triomfantelijk op. En voor de eerste keer was Jan het hartroerend met hem eens. Het uurtje dat hen nog restte voor ze naar de grote tent moesten, werd gevuld met allerlei verhalen uit zijn glorietijd en Jan was een dankbare toehoorder. Toen Silvano Bandomi even naar buiten was gelopen, fluisterde haar vader Jan vertrouwelijk toe: "Eten koken kan ze totaal niet, maar ze doet in elk geval verschrikkelijk haar best." En het is tot vandaag toe nog een raadsel voor Silvano, waarom de gast zo onbedaarlijk zat te lachen op het moment dat ze binnen kwam.... Ze moest Jan wel een onbehouwen dorpsjongen vinden, want ondanks het feit dat ze enige keren vroeg waarom hij zo zat te lachen, was Jan niet in staat haar een behoorlijk antwoord te geven. Tenslotte lachte ze zelf maar schuchter mee. Haar vader maakte een eind aan de malle situatie door Jan vast mee te tronen naar de grote tent. De mannen die de algemene diensten moesten vervullen, legden juist de laatste hand aan alles. De banken waren op hun plaats gezet, het hokje voor de kassa stond er en de dieren werden in een afzonderlijke ruimte gebracht, achter in de tent. Circus Bandomi was klaar om zijn gasten te ontvangen. |
HOOFDSTUK IVDe belangstelling viel niet tegen. De directeur had opzettelijk niet alle banken aan laten rukken, anders zouden er wellicht te grote ruimten overblijven op de zitplaatsen, maar het bleek nu dat hij op te weinig publiek had gerekend. In allerijl werden er uit een van de wagens nog wat zitplaatsen bij gehaald. Jan weerde zich geducht. Het deed hem werkelijk plezier om te zien met hoeveel enthousiasme signor Bandomi de mensenmassa zag binnen komen. Natuurlijk was dat voor een groot deel omdat er daardoor meer geld in het laadje kwam, maar toch kon Jan aan hem zien dat hij weer dacht aan de dagen van weleer toen hij iedere avond zo'n volle tent had. En ook zijn ondergeschikten leken met meer plezier te werken naarmate de mensen een plaatsje zochten onder de ruime overkapping. De woorden van signor Bandomi, die middag tijdens de rondgang door het dorp, leken volledig doel te hebben getroffen. Maar ook nu nog trachtte hij met zijn overredende stem om voorbijgangers naar binnen te lokken, mensen die uit nieuwsgierigheid voor de ingang bleven staan, doch blijkbaar niet direct van zins waren om naar binnen te gaan. Dan sloeg één der mannen binnen op een grote gong ten teken dat het tijdstip der aanvang genaderd was. Onmiddellijk staakte signor Bandomi zijn redevoering, waar hij aan bezig was. Maar als Jan gedacht had dat hij nu voor die avond wel zou zwijgen, had hij het toch mis. Toen het zeil, dat de toegangsdeur vormde, naar beneden was gezakt, ging hij midden in de piste staan. Onmiddellijk was het stil onder het publiek. "Hooggeëerd publiek!" begon signor Bandomi. "Thans is het moment gekomen waarop wij onze belofte in zullen lossen, U een prettige avond te bezorgen, waarin de lach en de bewondering voor het gebodene hier in de piste hoogtij zullen vieren. De eerste in de rij van medewerkers is mijn dochter, ik mag wel zeggen, mijn geliefde dochter Silvano Bandomi. Zij zal optreden met de in zijn kunsten nooit geëvenaarde zeeleeuw Tobi, die U verstomd zal doen staan door zijn jongleerkunst met de bal." Huppelend kwam vervolgens Silvano naar het midden van de tent. Achter haar aan kwam de glimmende zeeleeuw behendig aanschuifelen over de ongelijke grond. Met zijn zwemvliezen werkte hij zich over de verhoging rondom de middencirkel. Het publiek applaudiseerde al bij voorbaat en Silvano dankte buigend. Dan wierp zij een grote bal op, die Tobi behendig opving met zijn spitse snuit. Ondanks de reserve waarmee hij naar de woorden van de circusdirecteur had geluisterd toen die zijn toespraken had gehouden, moest Jan toegeven dat het werkelijk knap was, wat de kleine Silvano het beest liet presteren. Hij zat geheel vooraan op een van de beste plaatsen die er waren. Tijdens het nummer kwam Silvano's vader naast hem zitten en keek vol trots naar zijn dochter. Jan had nu wel wat waarderende woorden willen laten horen, maar hij kreeg er geen kans voor. Alle belangstelling van signor Bandomi ging uit naar wat er voor hem gebeurde en hij scheen geheel te zijn vergeten wie er naast hem zat. Pas toen het nummer afgelopen was, keerde hij tot de werkelijkheid terug. "Dat was een goed nummer, niet waar?" vroeg hij en Jan knikte enthousiast. Daarna sprong de heer Bandomi al weer bedrijvig naar voren om het volgende optreden aan te kondigen. De beurt was aan de twee jongens, die zich zelf begeleidden bij het zingen van wat afgezaagde cowboyliedjes. Het applaus was maar matig, hoewel de knapen erg hun best deden om het het publiek naar de zin te maken. Nog maar net waren ze verdwenen toen Silvano Bandomi de piste weer betrad, met aan haar hand één van de paarden. Vol bewondering zat Jan toe te kijken hoe dat fijne poppetje met het grootst mogelijke gemak haar wil opdrong aan het grote paard. Eerst liet ze hem verschillende kunstjes doen en daarna gaf ze een nummertje hogeschoolrijden ten beste dat een daverend applaus tot gevolg had. Het moest gezegd worden dat signor Bandomi, met de betrekkelijk bescheiden middelen die hem ten dienste stonden, van de avond maakte, wat er van te maken viel. Het programma werd vlot afgewerkt. Nauwelijks was het paard, aan de teugel begeleid door zijn berijdster, weer verdwenen of daar kwam de clown aangehuppeld in een allerzotst pak. Het publiek ging er eens even recht voor zitten, bereid tot een gulle lach. Signor Bandomi zelf assisteerde bij het optreden van Alfonso door hem allerlei dingen te vragen, die Alfonso volgens het beproefde recept natuurlijk allemaal verkeerd beantwoordde. De clown trok daarbij zo'n ongelukkig gezicht, dat Jan bijna medelijden met hem kreeg. Af en toe leek het alsof Signor Bandomi werkelijk kwaad was op zijn ondergeschikte, zo goed speelde hij zijn rol. "Alfonso, ik wil van jou weten wat het voor een dag is vandaag," begon signor Bandomi. "Het is geen dag, het is avond!" antwoordde Alfonso. "Ja, maar als het nu eens dag zou zijn, wat zou het dan zijn vandaag?" vroeg de ander. "Het zou een mooie dag zijn," antwoordde de clown. Terwijl zijn meester probeerde hem een klap te geven, maakte hij zich uit de voeten met allerlei gekke bokkesprongen. Het publiek genoot hoorbaar. "En waarom is het dan een mooie dag?" begon signor Bandomi weer. "Omdat ik U zo heerlijk voor de gek mag houden. U wordt daar kwaad om en probeert mij te pakken, maar gelukt U toch niet. En daarom is het zo'n prachtige avond....o nee, een prachtige dag, bedoel ik." "Alfonso, je bent een ezel," gaf signor Bandomi te kennen. "Ha ha, een ezel!" lachte de clown en zijn geschminkte gezicht vertrok tot een grote, brede grijns. "Ik geloof dat U zelf een ezel bent, want U laat zich door een ezel te pakken nemen." "Man, je bent gek, er is hier helemaal geen ezel!" "Er zijn hier twee ezels, de een ben ik en de ander gaat U ondersteboven gooien." Op dat moment kwam inderdaad het ezeltje binnen. Hij zette zich wijdbeens achter de directeur, een gevoelige klap met zijn hoofd tegen de benen van meneer Bandomi, en het volgende ogenblik lag die in het zand te spartelen. En dat vormde tevens de inleiding tot het volgende nummer. Nadat signor Bandomi zich uit de voeten had gemaakt, pakte Alfonso de ezel bij de kop. "Mijn directeur is voorlopig niet aan het spreken te krijgen," verklaarde hij doodleuk, "en daarom neem ik zijn taak maar even over. Ik nodig iedereen uit om te proberen, langer dan drie minuten op deze ezel te blijven zitten. Indien dat aan een van U gelukt, krijgt hij van mij onmiddellijk de somma van tien gulden." "Ik, ik," werd er van verschillende kanten geroepen. Even later stond er een grote, gespierde kerel op de grond naast de ezel. Jan hield zijn hart al vast. Als er een paar van die mannetjesputters in de tent zaten kon het haast niet anders of het moest signor Bandomi die avond enige keren tien gulden kosten. "Gaat U maar zitten," zei Alfonso onbewogen en niet in het minst onder de indruk van de grote gestalte naast hem. Even later begreep Jan die zelfverzekerdheid. De jonge kerel zat nog geen tien seconden op de rug van de ezel toen die plotseling levendig begon te worden. Eerst had hij de man op zijn rug rustig verdragen, maar toen het hem te zwaar begon te worden liet hij zich volkomen onverwacht vallen. Meteen verloor zijn berijder het evenwicht al en het volgende ogenblik was hij zandruiter. De volgende verging het al niet veel beter. Hij zag nog wel kans om zijn benen aan de grond te krijgen toen Grauw zich liet vallen maar daarmee kon hij toch de zaak niet redden. De ezel had geen touw aan of iets anders om zich aan vast te houden en dat werd de man op zijn rug fataal. Hij probeerde de ezel bij de nek vast te houden, maar die schudde een paar keer heftig met zijn kop en toen de man heel even los liet was het gebeurd. Met een onverwachte beweging richtte Grauw zich weer overeind. Op die beweging rekende zijn berijder blijkbaar totaal niet en met een smak kwam hij in het zand terecht, terwijl de ezel luid balkend door de piste rond holde. Nog een paar gegadigden lieten zich een keer van zijn rug af gooien. Jan volgde het nummer met spanning. Hij was nu toch langzamerhand zelf ook nieuwsgierig geworden of het niet mogelijk was aan de gestelde tijdsduur van drie minuten te voldoen. Toen nummer zes in het zand had moeten bijten sprong hij naar voren. "Aha, mijn vriend Jan wil ook een keer ruitertje spelen," zei Alfonso een beetje spottend. Even leek het Jan, alsof de clown hem boosaardig aan keek door de laag schmink heen, maar het kon ook verbeelding van hem zijn. Tenslotte kende hij de clown pas sinds vanmiddag, dus wat zou die tegen hem kunnen hebben. Hij vergat het trouwens meteen weer.
Toen werd het zelfde kunstje nog eens dunnetjes over gedaan, nu over de andere kant, maar op deze wijze liet Jan zich al niet meer verschalken. Blijkbaar was de ezel even verbaasd over het feit dat deze man nog steeds op zijn rug bleef zitten en daarom probeerde hij het nu anders. Plotseling stormde hij vooruit, in een dolle galop door het kleine kringetje dat de piste vormde. Jan werd door elkaar geschud als een baal vodden. De rug van de ezel was nu niet bepaald zacht te noemen en ieder ogenblik dacht hij op de grond terecht te zullen komen. Maar tot ieders verbazing, en niet in het minst tot die van hem zelf, wist hij de rit te weerstaan zonder brokken te maken. Tijdens dat ritje besefte hij meteen wat de laatste en ergste stunt van Grauw zou zijn. Hij zou natuurlijk plotseling stil blijven staan en hem op die wijze een nederlaag op dringen. Als bij voorbaat zette Jan zich schrap. En het gebeurde precies zoals hij had gedacht. Eensklaps eindigde Grauw zijn renpartij en bleef staan met zijn poten wijdbeens uit elkaar. Op het zelfde moment liet Jan zich in zijn volle gewicht achterover vallen. Even moest hij daarbij de handen los laten van de ezelnek. Maar tot zijn geluk leek het dier een beetje vermoeid te raken. Toen hij bemerkte dat zijn berijder niet van plan was om zich zo maar gewonnen te geven leek hij het verder wel te geloven. Even volhardde hij in zijn houding en toen Jan de eerste schok had opgevangen greep hij direct weer de hals van het dier. Het publiek was enthousiast. Een moment ving Jan een glimp op van Silvano Bandomi en hij zag dat zij het hardste klapte van allemaal. Ze zat op een stoeltje bij de artistenuitgang, naast haar vader. En het handgeklap van die twee maakte dat Jan zich overwinnaar gevoelde van een grootse strijd. In een allerlaatste poging probeerde de ezel het nog eens op zijn beproefde wijze door zich nogmaals te laten vallen maar dat trucje leverde geen enkel effect meer op, Jan had zijn drie minuten vol gemaakt. Signor Bandomi kwam persoonlijk naar voren gelopen om te constateren dat Jan de eerste was die het stoute stukje had volbracht. En weer viel het Jan op dat de clown hem aan keek alsof hij hem het succes beslist niet gunde. Terwijl het publiek nog applaudiseerde voor hem, vroeg hij zich af wat deze man tegen hem kon hebben. Hij had hem toch niets misdaan in de loop van deze middag? Maar direct schudde hij de gedachte aan Alfonso van zich af, wat kon het hem ook eigenlijk schelen! Na het nummer met de ezel kwamen de vrouwelijke acrobaten tonen waartoe ze in staat waren. Het was een werveling van ranke meisjesfiguren, die over de uitgerolde matten rolden en sprongen, hoogstanden maakten op elkaars schouders, aan elkaar hingen in volmaakte balans, om tot slot met zijn zessen een figuur te maken door een toren te maken van menselijke lichamen. Het programma liep langzamerhand naar het einde. Silvano Bandomi kwam nog een keer met alle drie de paarden tegelijk naar voren, de apen vertoonden nog verschillende kunstjes en Alfonso kwam nog een keer aan bod. Jan zat weer vooraan op zijn plaatsje, vlak bij de ronding van de piste naast signor Bandomi en diens dochter. Toen Jan de clown even strak aankeek bemerkte hij dat hij zich niet vergist had, want even, heel even maar beantwoordde Alfonso zijn blik en dat was er een van haat of afgunst, naar het Jan leek. Eerst was Jan van plan om direct naar het hotel te gaan waar hij de nacht door zou brengen, maar hij kon toch niet nalaten om signor Bandomi nog even te vragen naar de reden van Alfonso's boze blikken. "Aha," lachte de circusdirecteur, "is Alfonso weer eens een beetje jaloers?" "Jaloers?" vroeg Jan verwonderd. "Alfonso kan niet goed uitstaan dat ik zo gastvrij ben tegenover mensen die ik mijn vrienden wens te noemen," legde de heer Bandomi uit. "Wij Italianen zijn anders dan mensen van jullie landsaard. Als iemand ons een dienst heeft bewezen, willen wij die graag belonen door onze vriendschap te geven. Slechts Alfonso maakt een uitzondering op deze regel. Hij is een landgenooot van mij, maar ik ben er niet trots op." "Maar waarom ontslaat U hem dan niet?" vroeg Jan. Op hetzelfde moment kreeg hij al een beetje spijt van zijn vraag, want hij zag het gezicht van signor Bandomi enigszins betrekken. "Daar willen wij nog eens over spreken als wij wat meer tijd hebben," zei hij in zijn eigenaardig Nederlands en Jan begreep dat hij niet verder aan moest dringen. HOOFDSTUK VHet was zoals Jan het zich had voorgesteld. Een paar dagen later was hij het hele circus bijna vergeten. Behalve dan de keren dat hij de aanplakbiljetten in de stad zag, waarop de komst van Signor Bandomi en de zijnen werd aangekondigd. Slechts vier dagen zouden ze in het dorp blijven waar Jan de voorstelling had gezien, daarna werd de boel al weer opgebroken en zou de caravaan verder trekken. Hij had thuis niet eens verteld waar hij de avond had doorgebracht. Mocht hij dan zin hebben, dan zou hij nog een keer kunnen gaan. Anders zouden zijn ouders misschien opmerken dat het toch een beetje vervelend moest zijn om twee keer hetzelfde programma te gaan zien. Nu trok de voorstelling hem ook niet zo zeer, dan wel het feit dat hij de kennismaking met de directeur en zijn dochter weer zou kunnen hernieuwen. De slecht getekende portretten van Alfonso bedierven het vooruitzicht wel enigszins, maar anderzijds was hij toch wel nieuwsgierig om het verhaal te horen dat signor Bandomi die avond had verzwegen omdat hij niet rustig kon praten. De ochtend na de voorstelling had hij niemand meer gesproken van de circusmensen. Die gingen 's avonds laat naar bed en stonden 's morgens laat weer op, dat bracht nu eenmaal hun beroep met zich mee. Vader Terborg liet die dagen veel aan zijn zoon over. Met zijn been wilde het nog niet erg vlotten en in het begin van de daarop volgende week moest Jan nogmaals in zijn eentje met de auto er op uit om de klanten te bezoeken. Deze keer verliep zijn reis zonder enig oponthoud. Hij maakte een goede beurt door een misverstand bij een van de moeilijkste klanten uit de weg te ruimen en dat deed hem zich bijna geheel verzoenen met het vooruitzicht dat hij binnen niet al te lange tijd dit beroep definitief het zijne zou moeten noemen. Zo verstreken de dagen zonder schokkende gebeurtenissen. Door een gril van het toeval kwam Jan de stoet van signor Bandomi weer tegen terwijl deze onderweg was naar zijn woonplaats. Signor Bandomi bleek een scherpe opmerkingsgave te bezitten. Ofschoon er honderden auto's reden zoals die van de firma Terborg, herkende hij Jan al op een afstand. Hevig toeterend beduidde hij hem dat hij moest stoppen. Verheugd schudde hij hem de hand en ook Silvano stapte even uit om hem te begroeten. Veel tijd had Jan echter niet, er stond ergens een winkelier te wachten op verschillende dingen die hij bij zich had en daarom verontschuldigde hij zich al spoedig. Terwijl hij verder reed zag hij nog een gezicht. Het keek hem donker aan zonder hem te groeten door het zijraampje van de cabine waarin hij zat.... Een beetje geërgerd trapte Jan het gaspedaal in. Signor Bandomi had hem de belofte afgeperst dat hij hem die avond op zou komen zoeken. Hij had totaal geen vrienden in dit gedeelte van het land, naar hij beweerde en daarom vond hij het zo prettig hier althans één bekende te hebben waar hij eens kon spreken over dingen, die niet direct betrekking hadden op het circusleven. Even kwam de gedachte in Jan op om de uitnodiging af te slaan. De bewijzen van vriendelijkheid waarmee de directeur hem overlaadde, deden hem echter bezwijken. Trouwens in zijn hart verheugde hij zich er een beetje op, al wilde hij het zich zelf dan ook niet bekennen..... Nu moest hij het verhaal thuis wel vertellen. Om onder een voorwendsel weg te gaan had hij een hekel aan en dus kwam hij met het verhaal voor de dag. Eerst keken zijn ouders wel een beetje verbaasd, maar ze opperden gelukkig geen bezwaren. In zijn beste plunje gestoken, zo wandelde Jan die avond naar het circus. Als een oude bekende begroette hij de artisten en drukte ze allemaal hartelijk de hand. Slechts Alfonso hield zich een beetje achteraf, zodat Jan niet in de gelegenheid kwam om hem te begroeten. Maar dat speet hem niet in het minst. "Ga zitten, ga zitten," zei signor Bandomi hartelijk, nadat hij, onder de afgunstige blikken van de clown de wagen was binnen gegaan. "Het is jammer, we hebben al gegeten, anders had je mee aan kunnen schuiven. We hadden heerlijke bananen als desert, nietwaar Silvano?" Het meisje knikte lachend en Jan begreep dat ze zelf wel wist dat het met haar capaciteiten als huisvrouw niet best was gesteld. "Heb je de andere mensen al begroet?" stapte signor Bandomi over op een ander onderwerp. Jan knikte. "Behalve Alfonso," zei hij. "Die scheen er geen prijs op te stellen dat ik hem de hand drukte." Het gezicht van de circusdirecteur betrok een beetje. "Ja," zei hij, en voor het eerst merkte Jan op dat hij soms ook moeite had om uit zijn woorden te komen. "Alfonso is één van mijn oudste medewerkers, maar niet één van de prettigste. Er is een tijd geweest dat hij altijd op de stoel zat waarop jij op het ogenblik hebt plaats genomen. Toen beschouwden wij hem als onze beste vriend. Helaas bleek Alfonso niet de vriendschap waardig, die wij hem zo graag hadden gegeven. Die vriendschap van ons was gebaseerd op het feit dat hij eens het leven van Silvano heeft gered, toen ze een trap van een paard dreigde te krijgen. Ze zou vermorzeld zijn als hij haar niet tijdig opzij had getrokken. Dat heeft hem doen denken dat hij zekere rechten op Silvano heeft. Maar ik kan mijn dochter toch niet tegen haar wil gaan uithuwelijken? Later heeft hij me bestolen en dat betekende het einde van onze vriendschap. En sedert die tijd is hij vreselijk jaloers als hij ziet dat wij vrienden op bezoek hebben. Ik handhaaf hem dan ook slechts uit dankbaarheid en omdat hij een uitstekende kracht is." Nu begreep Jan de situatie beter. Waarschijnlijk hoopte de clown nog steeds dat de situatie eens zou veranderen en hij eenmaal in de gratie zou komen bij Silvano. Hij zag Jan als een concurrent, een medegegadigde. In stilte moest Jan even lachen... Het werd een gezellig uurtje, toen dat verhaal eenmaal was afgelopen. Jan moest nu ook vertellen uit zijn leven en hoe hij zijn tijd door bracht. Signor Bandomi bleek niet alleen een gezellige prater te zijn, hij kon ook goed luisteren. Jan voelde intuïtief dat het hem werkelijk interesseerde wat hij vertelde. Toen hij uitgesproken was zei de circusdirecteur impulsief: "Als je dit werk niet bevalt, waarom hou je er dan niet mee op?" "Maar ik heb helemaal niet gezegd dat het me niet bevalt," antwoordde Jan een beetje verbaasd. "Dat klonk door je woorden heen," lachte signor Bandomi. "Luister eens goed naar me. Je hoeft niet direct te beslissen op mijn voorstel, maar overweeg het eens. Als je er iets voor voelt, kun je bij me komen werken. Ja, kijk me niet weer verbaasd aan, ik meen wat ik zeg." "Maar U kent me pas een week!" riep Jan uit. "Voor Bandomi is een week meer dan genoeg om iemand goed te leren kennen," zei de ander. Onwillekeurig moest Jan even denken aan Alfonso, de clown. Bij die gelegenheid had signor Bandomi het toch kennelijk niet helemaal goed geraden, toen hij in hem een goede vriend verwachtte! Maar hij wilde de circusdirecteur niet beledigen en daarom vroeg hij: "Maar wat zou ik dan bij U moeten doen?" "Ik heb gezien dat je met dieren om weet te gaan," zei Bandomi langzaam. "Ik ben het laatste jaar erg zuinig geweest, en als ik nog een paar goede weken heb, wil ik mijn stal uitbreiden. Circus Bandomi moet weer worden wat het vroeger was, een bekende naam! Ik zal het me kunnen permitteren om er nog wat paarden bij te nemen, en misschien dat ik daarna nog weer eens over roofdieren kan gaan denken. Maar daar zal dan nog wel enige tijd over heen gaan. Alleen, ik kan het niet allemaal meer aan in mijn eentje. Vroeger was het Alfonso die me raad gaf als ik die nodig had. Of die raad wel altijd goed is geweest betwijfel ik achteraf. Als jij er iets voor zou voelen, zou ik je geheel in het circusvak op kunnen leiden, van de grond af. Je zou de leiding kunnen krijgen over de dieren; als je het in je hebt, en dat geloof ik stellig, zou je over enige jaren zelf de dieren kunnen presenteren. En wie weet, maar dat is voorlopig toekomstmuziek, zou je ook kunnen leren omgaan met de roofdieren!" Het duizelde Jan allemaal een beetje. Signor Bandomi mocht dan een allerhartelijkste man zijn, op dit moment twijfelde Jan even of hij hem wel volkomen serieus moest nemen. Hij had zelf wel eens verlangd naar iets anders, maar signor Bandomi opperde de dingen zo gemakkelijk alsof het over de aankoop van een nieuwe fiets ging! Het gezicht van de man tegenover hem stond echter volkomen ernstig toen hij de woorden herhaalde waarmee hij zijn voorstel was begonnen. "Overdenk de zaak nog maar eens rustig," zei hij. "We blijven hier een week, misschien zelfs twee als de zaak loopt en ik toestemming krijg van de autoriteiten. We spreken elkaar nog wel in die tijd, naar ik hoop." "Ik zal het eens bepraten met mijn ouders," zei Jan een beetje onzeker. "Ik ben er van overtuigd dat die wel veel bezwaren zullen hebben en zelf weet ik ook echt niet of ik er wel goed aan zal doen." "Ik spreek met je ouders als het nodig is," bood signor Bandomi aan. "Ik kom morgenavond weer bij U," zei Jan een beetje ontwijkend. Hij ging die avond niet kijken naar de voorstelling, tot teleurstelling van de directeur. Maar op zijn herhaald aandringen gaf Jan te kennen dat hij nog een paar dingen moest bespreken met zijn vader. Dat was gedeeltelijk waar, al behoefde het niet speciaal die zelfde avond te gebeuren. Vader Terborg sprak bijna nergens anders over dan zijn zaak, en dus ging er bijna geen avond voorbij dat vader en zoon niet verschillende opmerkingen maakten over hun werk. Maar Jan moest eerst naar buiten. Hij begreep achteraf wel dat signor Bandomi beslist ernstig was geweest toen hij zijn voorstel deed, en diens woorden hadden niet nagelaten een beetje indruk op hem te maken. Dolgraag zou hij het aanbod direct aannemen, maar zo eenvoudig was de kwestie immers niet. Hij moest het eerst eens rustig verwerken. Die avond sprak hij er thuis nog niet over. Een beetje stilletjes zat hij in een stoel te lezen, steeds op het punt staande om te beginnen. De vragen en opmerkingen van zijn ouders beantwoordde hij maar nauwelijks. Maar zijn besluit nam steeds vastere vormen aan, hij ging mee met signor Bandomi en de zijnen! Tenslotte kon hij het eerst eens een paar maanden aan kijken; mocht het hem niet bevallen, dan kon hij nog altijd terug. Hij was nog jong en dit was een prachtige gelegenheid om iets meer van de wereld te zien! De volgende dag kwam de grote verrassing. Terwijl ze koffie zaten te drinken in de huiskamer zei vader plotseling: "Jan zou er eigenlijk eens een poosje uit moeten hier." Moeder liet van schrik bijna haar kopje uit de handen vallen. "Jan er uit?" vroeg ze verbaasd. "Hoe bedoel je dat?" "Hij zou eens onder andere mensen moeten komen, om wat nieuwe indrukken op te doen," zei vader langzaam. "Ik geloof dat we ons te veel houden bij het oude. De laatste weken heb ik er eens over nagedacht. Op de wijze, zoals we nu werken, bereiken we een bepaalde hoogte en dan is het afgelopen. Zo was het ook, toen ik die kruidenierswinkel eenmaal op poten had gezet." "Maar wat wil je dan?" vroeg moeder, nog steeds niet van haar verbazing bekomen. "We hebben toch ons brood hier?" Haar man gaf geen antwoord. Een beetje afwachtend keek hij naar zijn zoon, alsof hij van hem het antwoord verwachtte. Al had hij het nooit laten merken, het was de oude heer Terborg wel eens eerder opgevallen dat zijn jongen erg weinig voelde voor het beroep van zijn vader. In de tijd die achter hem lag, tijdens zijn gedwongen werkloosheid had hij meer en meer gemerkt dat Jan zich nooit voor de volle honderd procent zou geven aan dit werk. En nu wilde hij dan wel eens de mening horen van hem zelf. Was moeder verbaasd door de woorden van haar man, Jan was het zo mogelijk nog meer. Was dit zijn vader, die hier sprak? De keiharde zakenman die een eigen bedrijf had opgebouwd door hard sparen en een juist inzicht? Maar lang behoefde hij niet te denken. Moeder viel van de ene verrassing in de andere toen hij vertelde welk voorstel hem was gedaan. Het werd een lang gesprek dat Jan met zijn ouders had en oom Willem, die wachtte op aanwijzingen over het werk, stond die middag een hele tijd werkeloos rond te kijken. Maar het einde was voorlopig, dat signor Bandomi uitgenodigd werd om die avond een visite af te leggen bij de familie Terborg. Het was het beste bewijs dat niemand in het gezin nog veel begrip had voor het circusleven, want natuurlijk moest de circusdirecteur bij de voorstelling zijn. Daarom werd het bezoek bepaald op de volgende morgen. De resultaten waren verbluffend. Hadden vader en moeder Terborg aanvankelijk erg veel bezwaar gemaakt tegen het voorgenomen plan, de kennismaking met signor Bandomi bracht hen tot andere gedachten. Jan zou mee gaan en dat niet alleen; hij zou in een behoorlijk uitgerust circus komen. Vader Terborg werd enthousiast gemaakt en zegde toe dat hij de uitbreiding van de stallen zou financieren. Er zouden, natuurlijk ook met een geldelijke bijdrage van de circusdirecteur zelf, verschillende dieren aangekocht worden. Het was Jan, alsof hij in een droom leefde, de daarop volgende weken. Maar langzamerhand wende hij aan de gedachte, dat er een andere wereld voor hem open zou gaan. Een wereld, geheel verschillend aan die, waarin hij tot nu toe had geleefd. HOOFDSTUK VIHet ging goed met circus Bandomi. Eigenlijk was het nu "Bandomi & Co.", maar wijselijk had men de naam niet veranderd. Signor Bandomi was vrolijker en welsprekender dan ooit tevoren. Ook zijn droom was werkelijkheid geworden, hij kon weer optreden voor een talrijker publiek. De provincieplaatsjes werden vermeden, er werden voorstellingen gegeven in de grote steden, kortom, er werd weer gesproken over Circus Bandomi, met een grote hoofdletter. Jan kon uitstekend overweg met de directeur. Vader Terborg had uitdrukkelijk verklaard dat zijn zoon voorlopig geheel ondergeschikt zou blijven aan signor Bandomi en dat was zeer verstandig gezien van hem. De jonge knaap was uiteraard totaal onervaren in dit aparte vak, en al was de verstandhouding goed, Jan had soms wel eens een eigenwijze bui, waarin hij dacht, alles beter te weten dan de zo veel meer ervaren signor Bandomi. Die luisterde altijd belangstellend toe als Jan met het een of andere voorstel kwam. Soms knikte hij instemmend, maar het gebeurde ook heel vaak dat hij met veel tact Jan tot andere gedachten moest brengen. Later zag Jan dan meestal wel in dat hij het bij het verkeerde eind had. Over één ding konden ze het maar niet eens worden. De verhouding tussen Jan en Alfonso, de clown, was vanaf de eerste dag dat hij zijn intrek nam in het circus, al gespannen. Jan vermeed het zoveel mogelijk, ontmoetingen te hebben met de clown, maar soms kon het wel eens niet anders. Alfonso scheen zich diep gegriefd te voelen, nu hij helemaal had afgedaan als vertrouweling van zijn meester, en niemand anders dan Jan kon daar de dupe van worden. In het begin trok Jan het zich niet zoveel aan. Hij kende nu de voorgeschiedenis en begreep de beweegredenen van Bandomi, om zijn oudste medewerker te handhaven. Maar langzamerhand werd de houding van Alfonso openlijk brutaal, gemeen soms. Eens gebeurde het, zogenaamd per ongeluk, dat Jan bij het opzetten van de tent bijna een van de enorme steunpalen op zich kreeg. Al was het eigenlijk niet meer nodig, de meeste mannelijke artisten hielpen nog steeds bij het opbouwen en afbreken van de tent. En toen het onomstotelijk vast stond dat Alfonso hier de enige schuldige was, stond het besluit van Jan vast. Tien minuten later was hij bij signor Bandomi om melding te maken van het gebeurde. "Het gaat zo niet langer, meneer Bandomi," viel hij met de deur in huis. "Wat is er aan hand, dat je zo opgewonden bent?" vroeg signor Bandomi. "Die vent, die Alfonso," barstte Jan los. "Een haar had het gescheeld of ik had hier niet meer voor U gestaan." In het kort vertelde hij wat er was gebeurd. Een beetje ongelovig keek signor Bandomi zijn jonge vertrouweling aan. "Dat kan ik me niet voorstellen," zei hij langzaam. "Dat Alfonso niet geheel betrouwbaar is, weten we nu, maar om jou te laten verongelukken?" "Die vent moet er uit!" gooide Jan zijn woorden door de wagen heen. "Laten we het nog even aanzien Jan," zei de circusdirecteur. "Vergeet niet dat hij het leven van mijn dochter eens heeft gered! Als ik hem hier ontsla, komt hij nergens anders meer aan de slag, en dat kan ik niet verantwoorden tegenover mijn geweten." "U zult het ook niet kunnen verantwoorden tegenover Uw geweten als hij mij heeft laten verongelukken," zei Jan hard. "Maar dit verzeker ik U, als ik nog eens iets dergelijks merk, geef ik hem eigenhandig een pak slaag, waar hij van rilt." Met een beetje ontzag in zijn blik keek de kleine man naar de atletisch gebouwde knaap. "Dat zij je gegund," zei hij glimlachend. "Maar beheers je een beetje en doe geen ondoordachte dingen jongen. Een goede verstandhouding in een circus is meer waard dan een goed nummer." Jan antwoordde niet meer. Signor Bandomi had gemakkelijk praten. Die zat al bijna dertig jaar in dit vak en hij dwong door zijn optreden en zijn onbestreden inzicht in alle zaken respect af, zodat niemand het in zijn hoofd zou halen om hem tegen te spreken, laat staan hem dwars te zitten. Maar hij moest zich nog maar een plaatsje zien te veroveren en die Alfonso scheen bepaald niet van zins te zijn, om daaraan mee te werken. En al liet Jan zich echt niet voor staan op zijn bevoorrechte positie ten aanzien van de directeur, hij was toch stellig niet van plan zich ongerechtvaardigd te laten dwarsbomen. Al een paar keren had hij er een zinspeling op gemaakt dat de clown niet te vertrouwen was, en het op hem had gemunt, maar steeds had signor Bandomi het opgenomen voor Alfonso. Ze zouden die avond hun eerste voorstelling geven in een middelgrote stad, ergens in het Westen van het land. Alles was in gereedheid gebracht. Grote aanplakbiljetten kondigden het optreden van het circus aan en uitgebreid werd er melding gemaakt van de nieuwste aanwinsten van signor Bandomi. De dompteur Larssen zou optreden met twee leeuwen en een tijger in één kooi, verder was er het hogeschoolrijden van Silvano Bandomi en sinds kort mocht het circus zich weer verheugen in het bezit van een olifant. Ook de oude nummers waren overigens gehandhaafd. Nog steeds werd er een bedrag van tien gulden uitgeloofd voor de man die het presteerde om langer dan drie minuten op de rug van de ezel te blijven zitten. De aanplakbiljetten en advertenties in de dagbladen misten hun uitwerking niet. Langzamerhand stroomde de grote tent vol. Alle beschikbare zitplaatsen werden tegenwoordig direct geplaatst en veelal kwam men daar nog aan te kort. Jan stond nog wat te praten met de dompteur, die pas sinds een paar weken aan de troep verbonden was. De dieren, waar hij mee optrad, waren overingens oude bekende voor hem. Ze waren gekocht van een buitenlands circus waar de zaken de laatste tijd niet zo beste floreerden en Larssen, een jonge man van een jaar of dertig was gelijktijdig met hen mee gekomen. Jan mocht hem graag en de sympathie was blijkbaar wederkerig. De dompteur sprak een stuk of drie talen door elkaar heen. Van oorsprong was hij een Deen, maar het grootste deel van zijn leven had hij in het buitenland door gebracht en overal had hij iets van de taal opgestoken, doch net niet voldoende om het vlot te spreken. Aldus ontstond een mengelmoes van Deens, Duits en Engels door elkaar. Ze konden zich echter best verstaanbaar maken tegenover elkaar. Dompteur Larssen was een kundig vakman. Hij was al opgetreden in verschillende circussen. In een ding was hij echter onverbeterlijk, hij was onvergeeflijk slordig en nonchalant. Lachend vertelde hij zelf eens dat hij ergens zijn speciale kledij had laten slingeren, een soort uniform waarin hij altijd in de kooi verscheen. Nergens was het te vinden en tenslotte was hij maar gewoon in zijn burgerkleren opgetreden. Niemand had er aanstoot aan genomen, behalve natuurlijk zijn directeur die hem na afloop van de voorstelling een fikse uitbrander had gegeven. Hartelijk lachend stonden de twee jonge mannen bij de kooien van de dieren. In het begin was Jan eerst even bang geweest voor de roofdieren, al had hij het niet laten merken, maar nu bewoog hij zich betrekkelijk dicht in hun buurt als het nodig was. Als ze hem zagen komen, meestal in gezelschap van Larssen, begonnen de dieren al tegen hun tralies te dringen, wachtend op het voedsel. Gekleed in het uniform van een gewone stalknecht ging Jan even later nieuriënd naar de tent om te assisteren bij het neer leggen van de kleden voor de vrouwelijke acrobaten, het opzetten van de hulpstukken van het zeeleeuwnummer van Silvano Bandomi en al de werkzaamheden, noodzakelijk voor een vlot verloop van de voorstelling. Even later zette de muziek van het sinds kort geëngageerde orkestje in met een schetterende mars. Daarna betrad signor Bandomi zelf een kleine verhoging om zijn traditionele welkomstrede te houden. Jan vond het een beetje zotte vertoning, maar het publiek scheen het doorgaans wel op prijs te stellen dat ze door de directeur zelf werden verwelkomd. En signor Bandomi was een vaardig spreker, die altijd weer geestig wist te improviseren en wiens redevoeringen steeds verschillend waren. "Hooggeëerd publiek!" begon hij. "Als directeur van dit circus wil ik niet nalaten U welkom te heten op deze avond, waarin U weer in zo grote getale bent gekomen. Wij, mijn medewerkers en ik, we zullen ons best doen om U een onvergetelijke avond te bezorgen, een avond waar U nog eens over na praat. Ik wil het zeer kort houden, U allen bent niet gekomen om naar een redevoering te luisteren. En daarom kondig ik U direct het eerste nummer aan, het optreden van mijn dochter Silvano Bandomi met haar volbloed merrie's in haar hogeschoolnummer. Ik verzoek U vriendelijk haar welwillend te ontvangen!" In gestrekte draf kwamen de paarden binnen, direct hun rondjes makend langs de rand van de piste. Toen ze achter elkaar enige ronden hadden gelopen huppelde Silvano de piste in. Ze lokte al meteen een hartelijk applaus uit door haar verschijning dat direct bedaarde toen het kleine figuurtje de hand omhoog hief en zich tussen de paarden begaf. Een korte knal met haar kleine rijzweep was voldoende om de merrie's tot stilstand te brengen. Dan gaf ze een kort sein naar de orkestleider, de muziek zette in en op een walsmelodie van Strauss dansten de dieren, aangemoedigd door Silvano, door de tamelijk kleine ruimte, zonder ook maar één misstap te maken. Het publiek was er direct in, dat was aan alles te merken. De onvervalste circussfeer liet niet na om iedereen in de juiste stemming te brengen en klaterend klonk dan ook het applaus toen het nummer was afgelopen. Weer klonk even later een korte knal van de zweep. Op de tonen van een pittige mars galoppeerden de paarden weer in het rond. Een tweede knal, en direct maakten de dieren tegelijk rechtsomkeert om hun galop voort te zetten in omgekeerde richting. Nu liet Silvano haar zweep met steeds kortere tussenpozen zwiepen en even zo vele keren wendden de dieren zich. Het was een klassiek nummer en er was niets verrassends in, maar toch wist iedereen het te waarderen. Vooral de kenners van paarden genoten van het fraaie schouwspel dat de prachtig verzorgde en afgerichte paarden boden onder leiding van hun charmante meesteres. "Genoeg!" riep Silvano plotseling en tegelijk bleven de dieren stil staan. Een suikerklontje was hun beloning voor het optreden. Daarna stuurde Silvano de paarden weer terug naar de stallen, op één na. En toen verrichtte ze weer het stukje, dat Jan altijd met een grandioze bewondering vervulde. Rechtop staande op het ongezadelde paard begon Silvano in het rond te draven, zich schijnbaar met het grootste gemak in evenwicht houdend, ook al werd de snelheid steeds hoger opgevoerd. Met gespreide armen stond het meisje op de brede paardenrug die haar droeg als een veertje. Een kort sein van signor Bandomi en langzamerhand verminderde het dier zijn snelheid om tenslotte stil te staan midden in de piste. Daar dankte Silvano, nog steeds op de rug staande, buigend voor het klaterende handgeklap dat over haar heen viel. Het paardennummer was hiermee voorlopig afgelopen. Nog maar net was het dier verdwenen of daar kwam Alfonso met een massa dwaze buitelingen de ruimte binnen hollen. Ondanks de antipathie, die Jan tegen hem was gaan voelen, moest hij altijd weer toegeven dat Alfonso een meester was in zijn vak, een van de oude garde die zijn beroep nog serieus opvatte, voor zo ver men in dit beroep over serieus kon spreken. Voor iedereen in de tent moest het wel lijken alsof hij zijn werk louter en alleen voor zijn plezier deed, al begrepen de meeste mensen wel dat hier een maanden-, wellicht jarenlange training voor kwam kijken, alvorens men een dergelijke graad van perfectie had bereikt. Sinds er een orkest was verbonden aan het circus, gebruikte Alfonso tijdens zijn nummer ook een oud muziekinstrument, een gitaar zonder snaren. Als hij, na allerlei onzin te hebben uitgekraamd, dat instrument voor de dag haalde om er zogenaamd op te gaan spelen verwachtte elkeen dat er tonen van gitaarmuziek gebracht zouden worden. Niemand kon op zijn plaats zien dat het instrument niet eens meer snaren bezat. En op het moment dat Alfonso dan zijn hand naar het muziekinstrument liet gaan, barstte plotseling in de orkestbak een trompet los in een hevig gejammer, dat door merg en been ging. Het effect was altijd weer daverend. De hele zaal, zelfs zij die wisten wat er kwam, schrok op het horen van die droefgeestige toon. Zo ging dat nog enige keren, totdat signor Bandomi het zogenaamd welletjes vond en er een einde aan maakte door het gesprek met de clown aan te knopen dat Jan nu al zoveel keren had gehoord dat hij het langzamerhand wel dromen kon. In die periode werd het traliewerk opgebouwd, noodzakelijk voor de bescherming van het publiek tegen onrustige buien van de roofdieren. Behendig werden de stalen rekken overeind gezet onder het deskundige toezicht van de circusdirecteur zelf. Alles sloot in elkaar en in tien minuten zou het karwei gebeurd zijn. Het stalen tunneltje, via welke de dieren de piste in werden gedreven volgde in luttele minuten. Op dat moment werd signor Bandomi geroepen, er waren moeilijkheden achter in de ruimten waar de artisten zich verkleedden en hun toebereidselen maakten voor hun optreden. Het scheen nog al ernstig te zijn en daarom begaf hij zich met bekwame spoed buiten de grote tent. Aan Jan droeg hij op om zich verder met het toezicht te belasten. Veel had dat eigenlijk niet om het lijf, de knechts die de stalen ramen overeind moesten zetten, hadden dit werk nu al zo vaak gedaan dat men het eigenlijk gerust aan hen over kon laten. Maar Jan kweet zich toch van zijn taak en hielp zelfs nog mee om alles zo snel mogelijk te doen verlopen. Terwijl hij zo bezig was, ving hij even een glimp op van Alfonso. De clown liep nog rond in zijn malle costuum, duidelijk zichtbaar voor het publiek. Nu was dat iets wat signor Bandomi niet duldde. Hij had zo zijn eigenaardigheden, de kleine circusdirecteur en een daarvan was dat hij niet toe wilde staan dat de artisten zich in het tenue waarin ze op moesten treden of dat reeds hadden gedaan, zich aan het publiek vertoonden, buiten de tijd om waarin hun nummer werd vertoond. "Je weet toch dat signor Bandomi dat liever niet heeft Alfonso?" kon Jan niet nalaten zachtjes tegen de clown te zeggen. "Dat zal hij me dan zelf wel zeggen," beet de clown terug, en even was Jan een beetje angstig voor de blik die hem met het geschminkte gezicht werd toe geworpen. Maar direct daarop snauwde hij terug: "Dat heeft hij je al vaak genoeg gezegd, dacht ik." Het leek er veel op alsof Alfonso hem een klap wilde geven. Doch dan scheen hij zich te bedenken en wendde zich af met een onheilspellende blik in de ogen. De pauze was afgelopen, het publiek dat even een verzetje had genomen, nam zijn plaatsen weer in. De muziek zette in en iedereen wachtte op het eerste nummer na de pauze, het optreden van dompteur Larssen met zijn roofdieren. Daar kwam hij, een levend toonbeeld van kracht in zijn deze keer keurig verzorgde uniform. Door het loophekje werden vervolgens twee leeuwen en de tijger binnen de ruimte gelaten. Dan opende Larssen het kleine traliedeurtje in de grote kooi en het volgende ogenblik stond hij als de onbetwiste meester tussen zijn dieren. Onbetwist ja, zolang de dieren zich tenminste hun veel grotere lichaamskracht niet bewust waren... Als ooit hun natuurdriften los mochten komen, zou het enige en laatste redmiddel voor Larssen zijn de kleine revolver die zijn directeur droeg. Te goed wist deze dat ieder roofdier door vaak onverklaarbare redenen plotseling zijn ware aard kan tonen. Dan bestond het risico dat de doordringende blikken en het optreden van de dompteur hun uitwerking misten en de gevolgen zouden niet te overzien zijn. Onrustig draaide de tijger door de kooi heen. De leeuwen hadden hun plaatsen al ingenomen op de houten schavotjes, maar Simba, zo heette de tijger, leek er vanavond de ware lust niet toe te gevoelen. "Simba!" klonk de messcherpe stem van Larssen. Maar de tijger scheen het niet te horen, sluipend ging hij door de kooi, achter zijn plaatsje heen en weer draaiend als een grote kat die op zoek is naar zijn prooi. Een beetje verveeld zaten de leeuwen te wachten op de bevelen van hun meester. Met hautaine blikken keken ze in het rond, alsof de hele zaak hen verder koud liet en ze slechts wachtten tot het de tijger zou believen om ook zijn plicht te doen. Dreigend deed Larssen een paar stappen in de richting van de onwillige tijger en opnieuw klonk zijn snijdende waarschuwing: "Simba, zitten!" Geen moment lieten zijn blikken de tijger los. Met de leeuwen zou hij vanavond geen last hebben, dat wist Larssen. Hij kende zijn pappenheimers door en door. Als de koninklijke dieren zo verveeld deden, hadden ze een beste bui en kon hij met hen doen wat hij wou. Doch Simba vormde wel eens een enkele keer het moeilijke punt in het optreden van de ervaren dompteur. Dan gebruikte hij zijn krachtigste hulpmiddel. Met een luide knal liet hij zijn zweep knallen door de piste en voor dat geluid bleek de tijger ontzag te hebben. Als een beschaamde kwajongen die een pak slaag heeft gehad belandde hij, via een omweggetje, met een lenige sprong op de daar voor hem bestemde plaats. De massa op de zitplaatsen rondom de piste haalde opgelucht adem, doch de man die daar temidden van de dieren der wildernis stond leek totaal niet onder de indruk te zijn. Zonder aarzeling ging hij vlak bij de dieren staan om vervolgens gebiedend zijn zweep omhoog te heffen. Gewillig richtten de beide leeuwen, die Simba aan weerszijden flankeerden, zich op hun achterpoten. Met korte bewegingen maande Larssen de tijger dat hij ook overeind moest komen. Weer leek die onwillig te zijn; dan verhief het prachtig gevormde dier zich met een onwillige grauw omhoog. Het publiek genoot volop. Slechts een enkel realiseerde zich welk een vernedering het voor deze majestueuze dieren moest zijn om hier hun kunstjes te vertonen voor een betalend publiek in een enge ruimte met een diameter van hoogstens een meter of acht. Al waren ze dan alle drie in gevangenschap geboren, hun instinct moest hen wel zeggen dat dit niet de plaats was, waar ze thuis hoorden. De man die daar waarschijnlijk, zo leek het tenminste, het beste van doordrongen was, was Larssen zelf. Mocht hij buiten de kooi soms erg onverschillig zijn, tijdens zijn werk was hij een toonbeeld van concentratie, bedacht op iedere onverwachte beweging van een der dieren. De tijger scheen zich nog steeds niet te hebben verzoend met het idee dat hij, evenals zovele avonden hiervoor, de wil van de mens opgedrongen kreeg. En het moeilijkste nummer wachtte nog. Dadelijk zou hij, terwijl de leeuwen toekeken, door een grote hoepel moeten springen die beplakt was met papier. Een ogenblik dacht Larssen er over om dit staaltje van menselijk geduld en doorzettingsvermogen onvertoond te laten. Doch dan zette hij een verbeten gezicht, vastbesloten om zijn zin door te zetten bij de onwillige tijger. "Avanti!" Het klonk als een snauw. Trillend zat Simba op zijn zitplaats, de oren plat in de nek. Het leek er op alsof hij meer lust gevoelde om de mens daar tegenover hem te bespringen dan aan diens bevel te voldoen. In elkaar gedoken bleef hij op zijn plaatsje. "Simba, avanti!" klonk voor de tweede maal de stem van de meester. Nog een paar staaltjes liet Larssen zien, toen was het afgelopen. Een daverend applaus was zijn beloning. Achterwaarts, de dieren nog steeds in het oog houdend liep hij naar het hekje dat de kooi van het loophek scheidde om het met een snelle beweging open te gooien. Dit was de inleiding tot de gebeurtenis die bijna dramatische gevolgen zou hebben. Gewoonlijk was de volgorde waarin de drie dieren de kooi verlieten zo, dat eerst de twee leeuwen gingen daarna de tijger. Maar had Simba in Larssen zijn meerdere moeten erkennen tegenover de leeuwen scheen hij deze avond een soort gezag te willen doorvoeren. Tegelijk met de eerste leeuw drong hij de opening door. Even een kort gedrang, toen volgde het door niemand voorziene. Op een onverklaarbare wijze, of was het misschien wel te verklaren? Opeens week één der uit verschillende delen samengestelde hekken. Meteen zag Simba zijn kans. Terwijl de leeuwen, gedreven door de gewoonte en de opgelegde discipline rustig doorliepen naar de hokken achter de tent, drong de tijger door de ontstane opening naar buiten. Een paniek brak uit in de tent. De mensen op de voorste banken drongen omhoog om zich in veiligheid te stellen, een betrekkelijke veiligheid overigens. Want sneller dan zij zou de tijger zich desnoods omhoog werken wanneer dat in hem op mocht komen. Voor het ogenblik stond hij echter even met zijn gele ogen te knipperen als moest hij de ontstane situatie eerst verwerken. Dat moment was voldoende voor het circuspersoneel om de situatie te overzien. Tientallen keren waren ze al geïnstrueerd hoe te handelen bij een eventueel ontsnappen der dieren en ieder, die getuige was van de onverwachte verschijning wist dan ook wat hem te doen stond. Slechts enkelen maakten zich uit de voeten. Jan, die het dichtst bij de plek stond waar de tijger doorheen was gekomen, bedacht zich geen ogenblik. Een reusachtig zeil bewees goede diensten. Terwijl hij het aan een kant beet greep volgden nog drie van de stalknechts zijn voorbeeld en trokken bliksemsnel een gordijn op voor de tijger. Er onderdoor zou hij niet kunnen, daarvoor lag het zeil in een te groot pak op de grond. Het zwakke punt was de kanten. Zo snel mogelijk trokken de mannen het zeil om, tegen het traliewerk aan, teneinde de kans op ontsnapping zo klein mogelijk te maken. Alles speelde zich af in luttele seconden. Had Jan niet met veel tegenwoordigheid van geest direct het zeil opgepakt dan zou de situatie er wellicht hachelijk hebben uitgezien, ondanks de paraatheid der circusmedewerkers. Maar nog was de zaak niet geheel gered. Getergd deed Simba een sprong tegen het zeil op. Aan de andere kant stond signor Bandomi met getrokken revolver; gereed om de trekker over te halen wanneer dat nodig mocht blijken. Inmiddels had Larssen echter gelegenheid gekregen om van zijn verrassing te bekomen. Vlug begaf hij zich buiten de kooi om zich vervolgens tussen een kant van het zeil door te wringen, waar de mannen dat tegen de tralies aandrukten met alle beschikbare kracht. Oog in oog stond hij weer met het dier, de zweep in de hand en bereid hem desnoods te gebruiken. Vooralsnog hield hij hem voor zich uit om de tijger terug te dringen naar de opening waar hij was doorgekomen. Zou het dier gehoorzamen? Langzaam liep Larssen verder; voetje voor voetje won hij terrein, want achteruit kroop de tijger langs de tralies naar het gat. Signor Bandomi liet de trekker iets losser, de dompteur scheen het te zullen klaar spelen, de tijger gaf zich gewonnen. Een korte draai van het lenige lichaam en het volgende ogenblik bevond hij zich weer achter de veilige tralies van het hekwerk. De spanning, die kort maar hevig was geweest, brak. Nadat Simba uit het gezicht van het publiek was verdwenen, beklom signor Bandomi het kleine spreekgestoelte vanwaar hij gewoon was om het publiek toe te spreken. Hij bood, met een stem die trilde van emotie, zijn veronschuldigingen aan voor het gebeurde en gaf de verzekering dat er direct na afloop van de voorstelling een onderzoek ingesteld zou worden naar de schuldige van deze nalatigheid. Want een nalatigheid was het! Wie de schuldige was, viel voorshands niet uit te maken. Maar signor Bandomi hield woord tegenover het publiek. Direct na afloop van de avond liet hij iedereen bij zich komen die, hetzij direct, hetzij indirect, betrokken was geweest bij de opbouw van het hekwerk. De eerste opmerkingen kreeg Jan te incasseren. Hij was het geweest wie de verantwoordelijkheid voor het nauwkeurig opstellen der tralies was opgedragen. Ofschoon Jan er van overtuigd was dat hij inderdaad alles zorgvuldig had gecontroleerd, zweeg hij en liet de verwijten over zich heen gaan. Hij vroeg zich in stilte af hoe dit alles mogelijk was geweest. Eén voor één werden de mannen ondervraagd. Toen het verhoor was afgelopen, riep signor Bandomi Jan apart. "Je begrijpt wel dat ik hierover moet spreken tegenover de politie," zei hij ernstig. "Dit is een onvergeeflijke fout, die beslist niet getolereerd zal worden." Jan knikte zwijgend. In hem broeide iets, een vaag vermoeden dat hij echter niet uit durfde spreken zonder zekerheid te hebben dat zijn vermoeden op waarheid berustte. "Laat het in ieder geval een les zijn voor de volgende gelegenheden," vervolgde signor Bandomi iets vriendelijker. "Ik zal je er niet boos om aan kijken en tegenover de politie zo gunstig mogelijke verklaringen afleggen over je nauwkeurigheid." Toen Jan de wagen van de directeur verliet, stonden er buiten twee mensen te wachten op hem. Het waren bedienden die hadden geholpen bij de opbouw van het hek, mensen waar Jan uitstekend mee overweg kon en die hem graag mochten. "Hallo lui," begroette Jan hen. "Wat staan jullie hier te kijken? Wachtte je soms op mij?" Een van de mannen keek hem een beetje eigenaardig aan. Zonder enige aanleiding vroeg hij toen: "Is jou niets opgevallen bij het opzetten van het hek vanavond?" Ja, er was Jan wel iets opgevallen, maar hij wilde liever weten wat de bediende op het hart had en daarom zei hij, zo onverschillig: "Nee, wat dan?" "Alfonso heeft een tijdje om ons heen staan te draaien. En keek je aan, alsof hij je wel kon verscheuren," zei de ander veelbetekenend. "En bij het verhoor vanavond was hij er niet," voegde zijn collega er aan toe. "Terwijl de directeur toch had gezegd dat iedereen die in de buurt was geweest bij het opzetten van het loophek bij hem moest komen," hernam de eerste weer. "Jongens," zei Jan vastberaden, "laten we er maar geen doekjes om winden. Ik had dezelfde gedachte als jullie maar ik durfde het niet te zeggen. Ik durf er haast op te zweren dat Alfonso die pen heeft los gemaakt om mij in een kwaad daglicht te stellen. Natuurlijk is het niet zijn bedoeling geweest om Simba er uit te laten komen. Maar ik geloof wel dat hij hoopte dat de zaak ontdekt zou worden en dat had me natuurlijk ook al een flinke uitbrander bezorgd van de baas. Misschien had hij zelf willen helpen bij het afbreken om er dan met hevig misbaar over te spreken. Vanzelfsprekend zou het dan aan meneer Bandomi verteld zijn." "Precies wat wij dachten," bevestigde de eerste bediende. "Ik durf nog meer te zeggen. Toen de hele zaak al in orde was, liep hij weer langs het hek en heeft er aan gezeten met zijn handen. Ik dacht dat hij de boel nog eens ten overvloede controleerde en dus heb ik er niets van gezegd. Maar nu weet ik wel beter." Op dat moment kwam signor Bandomi uit zijn wagen. "Wat is er aan de hand dat jullie hier zo staan?" vroeg hij verwonderd. In het kort vertelde Jan waar ze over spraken en wat het vermoeden was. Terwijl hij sprak, zag hij het gezicht van signor Bandomi betrekken. Toen Jan uitgesproken was bleef hij een tijdlang zwijgend voor zich uit kijken in de donkere avond. Dan was hij plotseling verdwenen, in de richting van de wagen waar hij Alfonso moest vinden. De clown was er inderdaad. Hij stond zich juist af te schminken toen de directeur de deur van de wagen opende. Het was in maanden niet gebeurd dat signor Bandomi een bezoek bij hem had gebracht en volkomen verrast bleef Alfonso hem dan ook aanstaren. Signor Bandomi was de eerste die de stilte verbrak. "Je zit je hier nu af te schminken Alfonso," zei hij, en zijn stem klonk haast droevig. "Het zal de laatste keer zijn, dat begrijp je zeker wel." Mocht hij gedacht hebben dat zijn ondergeschikte verrast zou zijn door zijn optreden, dan vergiste hij zich deerlijk. "Dat is uitstekend," zei hij. En iets in zijn stem maakte signor Bandomi woedend op zich zelf, omdat hij nu pas de ware aard van de clown leerde kennen. Met deze man had hij jaren lang samen gewerkt! Anderen hadden hem de ogen moeten openen voor de ware mentaliteit van de clown. "Hoe bent U er achter gekomen?" vroeg Alfonso laconiek. Maar de directeur gaf geen antwoord meer op zijn vraag. "Morgen kun je geld voor twee weken bij me komen halen," zei hij, zich weer naar buiten begevend. Daarna zocht hij Jan op. Er werd nog een tijd lang gesproken in de wagen van signor Bandomi, terwijl de onvermoeibare Silvano voor de koffie zorgde en Jan extra verwende. Circus Bandomi beleefde triomfen. Een paar dagen hadden ze een terugslag in de belangstelling te incasseren gekregen, maar al spoedig trok het programma weer ongekende aantallen bezoekers. Van de ene naar de andere stad ging het. Toen de tijd die vader Terborg eigenlijk bestemd had als een soort proeftijd, al lang verstreken was, kwam eindelijk eens de definitieve toekomst van Jan ter sprake. Maar diens besluit stond onherroepelijk vast, hij had zijn hart verpand aan het werk waar hij door zo'n toevallige samenloop van omstandigheden toe was gekomen. En voor vader Terborg zat er toen weinig anders op dan zijn zaak te verkopen, wat hij dan ook deed, zij het met een beetje weemoed! Als hij echter wel eens met zijn vrouw kwam kijken naar de voorstellingen waar hun zoon zo'n belangrijk aandeel in kreeg, voelden ze zich toch volkomen verzoend met de bestemming die hun zoon tenslotte had gevonden. En nog groter werd die voldoening toen een jaar of vijf later signor Bandomi het ook een beetje kalmer aan ging doen en de zaak voor het grootste deel overliet aan Jan en Silvano. Die twee konden het reuze goed met elkaar vinden en de tijd leek dan ook niet ver meer dat het circus Bandomi onder leiding kwam te staan van het echtpaar Terborg-Bandomi.... |
| R. Jager, circa 1961 - tekstverwerking door Evanes | © www.peterjager.net 1999-2003 |