| www.peterjager.net | e-mail: peter(at)peterjager.net |
| De Roel Jager bibliotheek |
| Els voor het voetlicht door Marjan van Hoef (Roel Jager) geschreven circa 1960 uitgebracht door uitgeverij Joachimsthal
Hoofdstuk I |
HOOFDSTUK I"Ik wou, dat ze maar eens wat rustiger werd," zuchtte mevrouw De Roode voor de zoveelste keer. "Over een paar jaar zijn de wilde haren er wel een beetje uit," troostte haar man. "Trouwens, ik heb liever dat ze zo is, dan dat ze de hele dag in een hoekje zit kniezen!" "Jij haalt altijd meteen de twee uitersten door elkaar! Ik zie het ook liever zo, maar tussen die uitgelaten buien van haar en dat in een hoekje zitten, waar jij het over hebt, liggen nog zoveel mogelijkheden," zei zijn vrouw een beetje verwijtend. Het onderwerp van hun gesprek trok zich van dit alles niets aan. Ze had werkelijk een mooie stem, Els de Roode. Daar waren haar ouders het ook wel roerend over eens. De wijze waarop ze die gebruikte vormde echter vaak de aanleiding tot de meningsverschillen tussen vader en moeder. Vader zag wel mogelijkheden in de stem van zijn oudste dochter voor de toekomst. Al was hij nuchter genoeg om te begrijpen, dat het niet mee zou vallen een behoorlijke plaats te veroveren in het selecte wereldje van topzangeressen! Moeder hield niet van al dat onzekere en daarbij vond ze het een weinig prettige gedachte, dat haar Els zich zou moeten bewegen tussen andere artisten. In het algemeen waren dat een stelletje losbollen, die buiten het metier weinig andere liefhebberijen hadden dan vrolijke avondjes. En al beweerde vader honderd keer, dat er ook heus serieuze mensen onder waren, die een privé-leven leidden, zoals ieder normaal mens, het stuitte allemaal af op wat vader haar vooroordelen noemde. Nu was het vooroordeel van moeder wel enigszins te verklaren. Ze was groot gebracht in de provincie, terwijl haar ouders zelfs voor provinciale begrippen al erg stijf waren. Het was, dat vader voor het bedrijf waar hij voor hun trouwen werkte, eens enige maanden in haar geboorteplaats geplaatst werd, anders was ze waarschijnlijk van die stijfheid nooit afgekomen. Maar meneer De Roode was een vlot, sportief type, die het sterk conservatieve er al spoedig een beetje uithaalde. En nu ze in Amsterdam woonden, al sinds hun huwelijk, had ze zich langzamerhand aangepast bij de begrippen van haar man over wat wel en wat niet door de beugel kon. Slechts af en toe botsten hun meningen nog wel eens en dat was vooral het geval waar het de opvoeding van de kinderen betrof. Er was bijvoorbeeld heel wat over te doen geweest eer Hans, de oudste zoon des huizes, toestemming had gekregen om een opleiding voor boordwerktuigkundige bij de K.L.M. te mogen volgen. Nu was ze er wel mee verzoend en zelfs wel een beetje trots als haar jongen, knap in zijn mooie uniform, thuis kwam. Maar wat die Els af en toe in haar hoofd haalde, dat wou er bij haar voorlopig niet in. Concertzangeres wou ze worden, had ze gezegd! In plaats van een kantooropleiding te volgen, tot haar drieëntwintigste of nog langer te blijven werken en daarna te trouwen, liep ze de hele dag te praten over liederen van Schubert, Hugo Wolf en andere componisten van naam. Idealen van een jong ding die nog niet wist, wat er in het leven te koop was, noemde mevrouw De Roode het. Bovendien scheen zo'n kind er nog geen begrip van te hebben, hoeveel een gedegen opleiding wel kostte! Ze hadden het heus niet slecht thuis, maar zoiets moest wel een kapitaal vragen aan lesgeld. Voorlopig hadden ze er nog niet te veel zorg over, Els was pas vijftien, een leuk, sportief meisje om te zien en populair bij haar vriendinnen, die ze legio bezat. Ook haar gedrag thuis liet niets te wensen over. Als ze 's avonds niet te veel huiswerk had van de H.B.S. behoefde moeder meestal geen hand uit te steken naar de afwas. "U blijft lekker in de luie stoel zitten, mams," zei ze altijd lachend. "Als ik eenmaal op het podium sta, kan ik het niet meer voor u doen, dus u moet er nu nog van profiteren. Later mag u heus alles alleen doen!" Moeder liet het zich maar glimlachend aanleunen. Ze was de laatste jaren aan het sukkelen geraakt na een zware operatie en al mopperde ze dan wel eens op haar "robbedoes", ze was toch dankbaar dat haar enige dochter zoveel begrip toonde voor haar steeds terugkerende vermoeidheid.
"Kind toch!" schrok mevrouw De Roode. "Dadelijk valt de hele boel aan scherven!" Laat dat de pret niet bederven!" rijmde haar dochter terwijl ze met bravoure de hele boel veilig op de tafel deed belanden. Moeder deed er verder het zwijgen maar toe. Als Els van die uitgelaten buien had, viel er niet met haar te praten en kon je haar maar beter laten gaan. "Zo, nu nog even een kopje thee zetten en da ga ik naar mijn kamer om m'n huiswerk af te maken," zei Els, nadat ze alles op zijn plaats had gezet. Glimlachend keek vader naar zijn vrouw, die haar hoofd zat te schudden, maar toch ook niet na kon laten terug te lachen. Uit de keuken klonk luidkeels: "O sole mio....!" na korte tijd gemengd met de hoge fluittoon van het kokende water. Weinig minuten later zat het drietal gezellig achter een kop thee, Els genietend in één der grote clubs gedoken. "Zo, nog even mijn thee opdrinken; dat heb ik toch echt wel een beetje verdiend," zei ze. "En dan wacht weer de arbeid der slaven." "Wat heb je voor werk?" vroeg haar vader belangstellend. "Wiskunde, bâh," antwoordde zijn dochter met een gezicht alsof ze iets heel vies in haar mond proefde. "Ik snap niet hoe zo'n leuke leraar als Galesloot een zo beroerd vak als wiskunde kan kiezen," vervolgde ze. "Ho, ho, niet zo oneerbiedig over je leraren," zei vader kwasi bestraffend. "Pff," deed zijn dochter. "Ik zeg toch niets kwaad van ze? Maar De Boer is een droogpruim met een hoofd voor wiskunde, Van Waveren is vreselijk eigenwijs en weet het allemaal zo goed bij Natuurkunde; Boeveen had naar Frankrijk moeten verhuizen, om daar zijn liefde voor Frans bot te vieren en over de leraar voor nat his zal ik helemaal maar niet spreken. Dan heb je nog...." "Kind, schei uit!" riep moeder. "Wat is nu weer nat his?" "Natuurlijke historie," wist vader. "Maar ik hoor het al, kwaadspreken doe je niet, je hebt alleen een hekel aan de school, is het niet?" Er kwam een diepe denkrimpel in het voorhoofd van Els, alsof dat een vraag was waar ze eens diep over na moest denken. Had ze werkelijk een hekel aan school? "Och," zei ze aarzelend en nu volkomen ernstig, "een hekel aan school heb ik eigenlijk niet. Maar ik vind het allemaal zo volslagen zinloos, wat ze me daar in het hoofd proberen te stampen. Ik geloof best, dat ze het allemaal goed met me voor hebben, maar ik zie er het nut niet zo van in." "Maar wat wil jij dan eigenlijk, lieve kind?" vroeg vader. "Zou je nu werkelijk geheel onvoorbereid, zonder enige basis voor je verdere ontwikkeling het leven in willen gaan?" "Als ik een zangstudie krijg heb ik al die nonsens over 2b in het kwadraat, keer enz. niet nodig," zei Els, en er kwam nu een beetje koppige trek op haar gezichtje, dat anders altijd zo vriendelijk en bereid tot lachen stond. "Laten we een ogenblikje aannemen, dat het ooit zo ver komt dat je gaat zingen," zei vader rustig. "Ben je dan van plan om alleen Nederlandse liederen te zingen? Met alle respect voor de kunst en kunde van de Nederlandse componisten, geloof ik niet, dat je repertoire dan erg uitgebreid zal zijn op dat gebied. En als je je dus bezig wilt houden met andere dingen, buitenlandse dus uiteraard, zul je toch op zijn minst genomen die taal moeten kunnen begrijpen. Dan wil ik het nog niet eens hebben over vloeiend spreken! Ik heb niet zoveel verstand van kunst, daar wil ik best voor uit komen, maar het lijkt me uitgesloten, dat je er je hele gevoel in kunt leggen, wanneer je niet eens begrijpt wat je eigenlijk zingt!" Even was het stil in de kamer. Moeder knikte eens instemmend, maar Els scheen nog lang niet van plan om zich gewonnen te geven. "Dan zou ik aan een studie van de moderne talen ook voldoende hebben," zei ze toen. "Nu moet ik me dagelijks vermoeien met allerlei dingen, die ik over drie jaar totaal vergeten ben." "Toegegeven," zei vader. "Er zijn heus wel dingen die je nu niet direct nodig hebt voor de uitoefening van je beroep. Maar jij neemt het blijkbaar als vaststaand aan, dat je zult slagen in die richting. Mocht dat nu eens niet het geval zijn, wat doe je dan?" "Dan neem ik dienst bij de Milva," zei Els, ineens weer grinnikend en met spotlichtjes in haar ogen. Moeder haalde bij dat antwoord wanhopig haar schouders op, terwijl vader moeite had, zijn lachen in te houden. Maar als zijn dochter gedacht had zich er met een kwinkslag van af te kunnen maken, zat ze er deze keer toch naast. "Nee, nu moet je je er niet met een grapje van af proberen te maken," zei vader, toen hij de lachspieren weer in bedwang had. "Je sprak daarnet over nonsens en dat woord zou ik nu ook van toepassing willen brengen op een dergelijk dwaze opmerking. Ik neem tenminste aan, dat je opmerking niet serieus bedoeld is." "Natuurlijk niet," lachte Els. "Maar ik ben er werkelijk van overtuigd dat ik slaag, dus dat is nog niet in me opgekomen." "Dan wordt het langzamerhand toch wel de hoogste tijd, dat je daar rekening mee houdt. Duizenden hebben gedacht zoals jij, neem dat nu aan van je vader, die het goed met je voor heeft. En duizenden zijn teleurgesteld, doordat ze hun verwachtingen te hoog hadden gespannen." "Hè paps, wat doet u nu zwaarwichtig. U hebt toch wel vertrouwen in me?" "Vertrouwen heb ik zeker in je. Maar ik wil je wel waarschuwen voor het al te grote optimisme, waar jullie op deze leeftijd in zo ruime mate over beschikken." "Als ik ook wat mag zeggen," mengde moeder zich nu in het gesprek, "er zijn nog meer dingen waar je rekening mee hebt te houden. Je schijnt te vergeten, dat je je zult moeten bewegen onder mensen met een behoorlijke ontwikkeling. Je zou wel een grandioos slecht figuur slaan, als je de onderwerpen van gesprek niet kunt volgen door gebrekkige opleiding." Els zei niets meer, maar in haar borrelde het. O, kon ze toch maar eens met iemand praten, die dat soort dingen net zo aanvoelde als zijzelf! Hoe vaak hadden ze zo al met zijn drieën gezeten. En hoe vaak was het gesprek op deze wijze geëindigd. "Nou, dan ga ik maar eens naar mijn kamer," zei ze, tegen haar wil een beetje bruusk. Ze was blij, toen ze de stilte van haar gezellig ingerichte kamertje voelde. Op het kleine schrijfbureautje bij het raam lagen haar boeken. Met tegenzin ging ze zitten en het duurde lang voordat ze aan haar huiswerk begon. De stof boeide haar niet in het minst. Ze voelde wel, dat er veel waars school in de woorden van haar ouders, maar dat was nu juist datgene, dat haar zo mateloos irriteerde. Nog twee jaar zou ze moeten vossen, wilde ze haar eindexamen met goed gevolg kunnen doen... "Zo, dat is gebeurd," zei ze. "Mag ik nu nog even een plaatje draaien?" "Nog even dan, omdat je zo hard hebt gewerkt," zei moeder hartelijk. Gehurkt zat Els voor de kast met grammofoonplaten. Na zorgvuldig zoeken haalde ze de prachtige plaat er uit: "What is life to be without you," gezongen door de alt Kathleen Ferriër. Even later werd de kamer gevuld met de prachtige, glaszuivere tonen en als in vervoering zat Els te luisteren. Ook vader en moeder vergaten hun bezigheden. Moeder liet het haakwerkje, waar ze aan bezig was, in haar schoot rusten en vader zorgde er zorgvuldig voor dat zijn krant zonder storend geknisper in de lectuurbak terecht kwam. Zo te kunnen zingen, dat was een gave, voor slechts zeer weinigen weggelegd. "Dat was heel mooi," zei vader, nadat het laatste accoord wegstierf. "Wat een stem, hè?" zei Els, toen ze tot de werkelijkheid was teruggekeerd. "Nu nog even de andere kant en dan ga ik naar mijn bed." Heel secuur legde Els de plaat weer op zijn plaatsje en met een vluchtige nachtzoen zei ze haar ouders welterusten. Maar het duurde lang die avond, eer ze de slaap kon vatten. In het donker starend, dacht ze nog eens na over het gesprek van die avond. Vader en moeder waren er niet beslist tegen, dat ze eventueel zou gaan zingen. Maar aanmoedigen zouden ze het zeer zeker niet, dus zou ze zelf de grote stoot moeten geven. Vader had gemakkelijk praten met zijn opmerking dat ze nog jong was. Natuurlijk, hij had gelijk. Maar was dit nu juist niet de beste leeftijd, om je er alvast een beetje op voor te bereiden? Als ze twintig was, hoefde ze er niet meer aan te beginnen, daarvoor duurde zo'n zangstudie veel te lang. Eer ze dan werkelijk een hoog niveau in de kunst had bereikt, liep ze tegen de dertig, aangenomen tenminste, dat ze voor die tijd niet getrouwd was. Zo filosofeerde Els in het wilde weg en goochelde met jaren alsof het weken waren. Als ze eens.... Maar nee, dat durfde ze vast niet. Af en toe las je wel eens iets van amateurs, die voor het publiek een kans kregen en waarbij sommige deelnemers dan plotseling een zekere bekendheid verwierven. Tot nu toe had ze het vaak vreselijk gevonden als een dergelijk programma uitgezonden werd door de radio. Vaak waren er dilettanten bij, waarvan je je afvroeg hoe ze een kans hadden gekregen door te dringen tot de microfoon. Maar nu bezag ze alles in een ander daglicht. Dat ze nog nooit eerder op het idee was gekomen! De vraag was alleen waar en bij wie ze zich zou moeten vervoegen. Enfin daar kwam ze ook wel achter. Ze zou, als het even mogelijk was, wel zorgen dat moeder er niet achter kwam, want die zou bepaald wel met de nodige bezwaren komen. Als ze nu maar durfde! |
HOOFDSTUK IIMet een vaartje schoof Els haar fiets in de box. Zo, dat zat er weer op voor vandaag. Brr, wat was die meneer Galesloot vandaag vervelend geweest. Enfin, vanavond mocht ze de hele school uit haar gedachten zetten. Huiswerk had ze niet mee gekregen. En vader had toegezegd zijn belofte in te zullen lossen, die hij indertijd eens had gedaan. Met zijn drieën en Ans Koster zouden ze naar de eerste voorstelling in de bioscoop gaan. In één van de grote cinema's draaide een film over het leven van Frederik Chopin. Het verhaal zou misschien weinig om het lijf hebben, maar de muziek, die er in voor kwam, moest prachtig zijn. Vader was een verwoed postzegelverzamelaar en bovendien hield hij veel van een spelletje schaak. Die twee dingen waren voldoende om bijna al zijn vrije tijd in beslag te nemen. De vader van Ans Koster had ook zijn hart verpand aan het edele schaakspel en enige keren per week zaten die twee met ingespannen gezichten te turen op het bord. Meestal wisselden de bezoeken zich af en trok de hele familie voor de gezelligheid maar mee. Zodoende was er in de loop van de jaren een hechte vriendschapsband ontstaan tussen de twee families, die schuin tegenover elkaar woonden. Ans was enig kind, van gelijke leeftijd als Els en zo vormde het geen enkel probleem om elkaar regelmatig te bezoeken. De moeders zaten dan te praten over de buurt, roddelen noemde Els het altijd, de vaders zaten te schaken en de beide meisjes wisselden veelal hun ervaringen uit over school. Ans zat in de tweede klas van het gymnasium. "Zo robbedoes!" begroette mevrouw De Roode haar dochter, toen zij met een verhit gezicht van het snelle fietsen de keuken binnenstapte. Een stevige pakkerd vormde de begroeting van haar dochter. "Je hebt je nog al gehaast, zo te zien," vervolgde moeder. "Op het vooruitzicht van de fijne avond," zei Els glunderend. "Mag ik mijn nieuwe jurk aan?" "Van mij wel hoor. Als je er maar zuinig op bent en vooral geen wilde dingen doet." "Doet u dan die donkerblauwe japon aan, mam; die staat u zo chic. Doet u het, ja?" "Ho, ho, rustig een beetje aan," lachte moeder. "Voorlopig moet ik eerst aan mijn eten denken en dat doe ik liefst niet in mijn allerbeste kleren." "Ik zeg toch niet, dat u zich meteen moet verkleden! Maar als u nu straks die japon aan doet, vader zijn donkere costuum en ik mijn nieuwe jurk, dan slaan we echt een goed figuur," ratelde Els. "Een goed figuur tegenover wie?" vroeg moeder verbaasd. "Tegenover het andere publiek natuurlijk!" zei Els een beetje ongeduldig. Hè, dat dat nu niet direct tot moeder doordrong. "O juist ja," glimlachte moeder. "Ik dacht eigenlijk dat jij niet zo veel om al die dingen gaf." "Nou ja, het is tenslotte voor het eerst, dat we met z'n allen 's avonds uit gaan. U vindt het toch zeker ook wel leuk?" "O ja," antwoordde moeder opgewekt, "ik stel me er ook heel veel van voor!" Moeder liet haar maar begaan, Els was handig genoeg om zelf haar gang te kunnen gaan. Kwiek werkte ze met de pannespons het ergste vuil weg. Vervolgens boende ze met de vaatkwast de laatste restjes weg: afspoelen onder de hete geyser en klaar was Kees. Vervolgens dekte ze alvast de tafel en daarna dook ze nog even op haar lievelingsplaatsje, de divan in het hoekje bij de haard. Ze had een prachtig boek bemachtigd in de uitleenbibliotheek om de hoek en ieder half uurtje, dat ze vrij kon maken, dook ze er weer in. Alleen jammer dat die vrije halve uurtjes zo schaars waren. Dat wil zeggen, vrije tijd had ze genoeg, maar de moeilijkheid was dat ze zoveel liefhebberijen had, dat ze nog steeds tijd te kort kwam. In de zomer fietste ze graag; dan was ze lid van een hockeyclub, ze luisterde graag naar muziek en buiten dat alles om mocht ze nog graag wat "rommelen" in het huishouden, zoals ze het zelf noemde. Verder had ze natuurlijk het regelmatig terugkerende huiswerk, zodat er van lezen echt niet veel meer kwam. Ze was zo verdiept in haar boek dat ze drie kwartier lang alles om haar heen vergat. Haar plan, zich nog voor het eten te verkleden, schoot er bijna helemaal bij in en ze schrok pas op toen ze hoorde hoe vader zijn vrouw begroette. Half zes al! Met een vaartje rende ze naar boven om alsnog haar nieuwe jurk aan te doen. Juist toen moeder met de schalen binnen kwam, stapte ze de huiskamer weer binnen. Haar gedachten nog bij het boek, luisterde ze met een half oor naar de verhalen, die vader vertelde van zijn werk. Het scheen erg druk te zijn en ze had er pas al haar aandacht bij toen het woord "overwerk" viel. "U hoeft toch vanavond niet?" vroeg ze verschrikt. "Eigenlijk wel," plaagde vader. "Maar ik trof toevallig mijn chef in een goede bui en die heeft toen zijn hand eens over het hart gehaald en me voor vanavond vrijaf gegeven. Ik was anders bang, dat ik de grootste last met je zou krijgen!" "Nou, dat had u inderdaad!" kaatste Els terug. "Belofte maakt schuld, dat heeft u zeker wel eens gehoord!" "Dat was precies wat ik ook dacht," lachte vader. "Maar laten we nu dan maar vlug af-eten, want de voorstelling begint, geloof ik, al om kwart over zeven." "Ja, en je moet je nog verkleden ook," zei moeder; maar vader protesteerde: "Wat, zie ik er zo niet netjes uit?" "Hè toe pa, trek uw blauwe costuum nu aan," bedelde zijn dochter. "Het is nog al weer om nu je beste kleren aan te trekken, het regent pijpestelen!" "Trek jij nu je beste spulletjes maar aan," besliste moeder. "We gaan tenslotte met de tram en zo ver hoef je dus niet te lopen." "Basta!" vulde Els aan. "Ja, tegen twee vrouwen kan ik niet op," zuchtte vader met een martelaarsgezicht. "Goed, ik zal me dan wel weer opofferen. Maar als de boel uit de plooi raakt hoef je niet op me te mopperen, dat begrijp je zeker wel. Ik neem geen enkele verantwoording voor de gevolgen van jullie eigenzinnigheid!" Een vriendschappelijke tik van zijn dochter op zijn schouder was zijn beloning en vervolgens maakten ze vlug voort. Ans Koster was waarschijnlijk ook niet laat, want diens vader kwam om vijf uur meestal thuis van zijn werk. Ze waren nog maar net klaar met de vaat, toen er inderdaad al gebeld werd. Even later stond Ans binnen, druipend van de regen. Maar het viel Els direct op, dat ook zij op haar Paasbest was uitgedost en daarom was ze er in stilte dankbaar voor, dat de familie De Roode goed voor de dag zou komen. Al zou niemand van de familie Koster het opzettelijk laten merken, het was nu eenmaal een feit dat ze het financieel heel wat beter hadden dan zij. Meneer Koster was procuratiehouder bij een grote onderneming, terwijl Els' vader het nooit verder had gebracht dan boekhouder op een klein handelskantoor. Het eigenaardige verschijnsel deed zich echter voor, dat laatstgenoemde doorgaans met veel meer plezier naar zijn werk ging dan meneer Koster. Meneer De Roode kon uitstekend overweg met zijn enige en directe chef en wijdde zich met hart en ziel aan de zaak waarvoor hij werkte. En hoewel Els de verhalen nooit zo goed begreep en zich er trouwens ook niet zo voor interesseerde, had ze toch wel eens opgevangen, dat er op het kantoor bij meneer Koster nog al wat wrijvingen waren. Al verschillende keren had hij gezegd, ontslag te zullen nemen, als er geen verandering kwam in de toestand, maar tot nu toe had hij het nog steeds zo ver niet laten komen. Overigens kon Els zich moeilijk voor stellen, dat meneer Koster aanleiding zou zijn tot die meningsverschillen, want hij was altijd even aardig. Door een louter toeval waren de twee families eigenlijk met elkaar in contact gekomen. Het gezin van meneer De Roode woonde al enige jaren in de straat toen het echtpaar Koster daar ook naar toe verhuisde. Ans bleek precies hetzelfde type te zijn als Els, ondernemend en er zelfstandig. Ze woonden er pas enige weken toen de kleine Ans, ze was toen een jaar of zeven, de buurt eens op eigen houtje wilde verkennen. De gevolgen waren gemakkelijk te raden, ze verdwaalde prompt. Een heel eind uit de buurt had ze toen ergens op een hoekje staan huilen en de eerste die dat opviel was toevallig meneer De Roode. Hij ontfermde zich direct over haar en nam haar mee op de tram. Thuis zat haar moeder al in hevige ongerustheid en stond op het punt de politie te bellen. Nadat Ans wat gekalmeerd was had ze verteld van die vriendelijke meneer, die aan de overkant woonde. Het gevolg was, dat haar ouders 's avonds even kwamen bedanken en dat was het begin geworden van een vriendschap, die nu al vele jaren duurde. "Alsjeblieft, hier heb je de vaatdoek, dan mag je binnen even het tafelzeil afnemen," zei Els tegen haar vriendin en meteen stond Ans met het doekje in haar hand. "Laat dat kind toch!" zei moeder. "Ze druipt van de regen!" "Ja, ik had al een tijdje staan wachten, maar er kwam geen eind aan. En ik wou toch graag op tijd zijn," zei Ans verontschuldigend. "Dat valt alleen maar te waarderen," vergoelijkte vader. In recordtempo werd de boel opgeruimd en om precies tien minuten voor zeven stonden ze klaar om op te stappen. Het was gelukkig iets minder gaan regenen nu, maar nog altijd viel er een fijne, miezerige motregen. Glimmend lag het asfalt van de straatweg onder de straatlantaarns en er liep dan ook haast geen mens buiten. Zodra ze echter een hoek om waren geslagen, kwam de drukte en het lawaai van de stad hen al tegemoet. Trams trokken gierend door de bocht, een zware bus reed grommend bij de halte vandaan en een paar jongelui op bromfietsen knetterden met grote snelheid door de hel verlichte winkelstraat. De tram was gezellig druk, vonden Els en Ans. Alleen moeder vond een zitplaatsje doordat een heer galant opstond voor haar. De anderen moesten genoegen nemen met een lus, maar geen van hen vond het erg. "Mag ik effe uw kaartje zien, dames," vroeg de conducteur in onvervalst Amsterdams. "Ik betaal voor de dames, conducteur," zei vader. De meisjes vonden het enig. Vader speelde het spelletje helemaal mee en behandelden ze tegenover de conducteur alsof ze al volwassen waren. Op het Muntplein stapten de familie De Roode en Ans uit het voertuig. Van alle kanten viel het helle neonlicht op hen. Van spanning knepen de beide meisjes elkaar in de arm. Ondanks het nog allesbehalve mooie weer was de Kalverstraat links van hen en de Reguliersbreestraat aan de andere kant ontzaglijk druk. Honderden mensen, die hun vertier die avond in de binnenstad zochten, liepen er schijnbaar doelloos door elkaar. Boven hun hoofden begon juist het carillon van de Munttoren aan zijn melodietje, als wilde het de begeleider zijn van al dat geroezemoes, daar beneden. Doelbewust leidde meneer De Roode hen tussen de drukte door in de richting van de bioscoop. Opzichtig gekleurde reclameplaten lieten er geen twijfel over bestaan, dat ze de krant goed hadden gelezen. Met een plof liet Els zich in de heerlijk verende zitplaats vallen, tenminste, dat wilde ze doen. Ze hield er echter geen rekening mee dat het klapstoeltjes waren zodat ze precies op de rand kwam te zitten. Achter haar werd direct al geprotesteerd, toen ze met een klein gilletje weer ging staan, om vervolgens de stoel in juiste stand te brengen. "Dat gegiechel van die jonge kinderen altijd," hoorde ze een dame op leeftijd mopperen. Een beetje beschaamd ging ze maar gauw zitten om vervolgens muisstil naar het doek te kijken. De een of andere buitenlandse regeringsleider stond hevig gebarend een vergadering toe te spreken en scheen zich vreselijk op te winden, waarom werd Els niet erg duidelijk. Vervolgens kwam een man met een geheel kaal hoofd aan het woord. Toen kon Els toch niet nalaten om haar vriendin aan te stoten. "Vind je het geen leuke krullebol?" vroeg ze fluisterend. Het antwoord van Ans ging verloren in een gesmoord gegiechel en in gedachten zag Els het gegeneerde gezicht van moeder. Maar gelukkig hield die haar mond, om niet nog meer geluid te maken dan de twee meisjes al deden. Daarna kwam er een tekenfilmpje, samengesteld uit allerlei nonsens, maar wel grappig en vervolgens een paar minuten allerlei reclame op het scherm. Gelukkig werden daarbij de lamp opzij in de zaal aan gestoken, zodat de vriendinnen hun aandacht ergens anders bij konden bepalen. De zaal was stampvol en met belangstelling zaten ze om zich heen te kijken naar al die mensen. Toen Els even over haar schouder keek, voelde ze meteen de priemende blik van de dame die gemopperd had op "die jonge kinderen". Het woordje "dame" vond Els eigenlijk niet op zijn plaats, want ofschoon ze er keurig verzorgd uit zag, bijna té keurig, vond Els haar weinig sympathiek. Het viel haar op, dat ze een enorme hoed droeg, die het uitzicht voor de mensen die achter haar zaten bepaald niet gemakkelijk moest maken. Niet lang kregen de meisjes gelegenheid, om zich heen te kijken, want al spoedig doofden de lichten weer. Juist toen de hoofdfilm zou beginnen hoorde Els zeggen: "Ik gaf hem toch aan jou?" Het was dezelfde mevrouw weer. "Welnee, hoe kom je er bij," bromde een mannenstem. "Ssst!" kon Els niet nalaten te zeggen. Zo, dat was 1-0! Het scheen alleen weinig uit te richten, want snibbig zei de dame: "Welnee, je stond er op om hem bij je te steken!" "En jij stond er op om hem te houden," bromde de man, kennelijk haar echtgenoot. "Als je maar weet dat ik hem niet heb," was het antwoord, nu niet meer fluisterend, maar bijna hardop. "Houdt u toch uw mond mevrouw," bemoeide iemand op dezelfde rij zich met het gesprek. "U denkt schijnbaar dat u hier alleen zit!" Dat scheen mevrouw inderdaad te denken. Zonder zich van iemand iets aan te trekken, herhaalde ze: "Ik zou al mijn zakken maar eens nakijken, dan komt hij wel te voorschijn." "Waar zouden ze het toch over hebben?" dacht Els, en ook Ans had haar ogen van de film afgewend en volgde met belangstelling het verloop van het gesprek. De man stond zuchtend op en ging vervolgens in het gangpad naast de banken staan om al zijn zakken na te zoeken. Tastend gleden zijn handen over zijn hele lichaam, blijkbaar zonder resultaat. "Je kunt me nog meer vertellen," zei hij gedecideerd. "Ik heb hem niet en ik weet zeker, dat ik hem niet gehad heb ook!" Vervolgens ging mevrouw hevig in haar handtasje rommelen, blijkbaar zonder dat het iets opleverde. Het werd nu een beetje roerig in de banken achter de familie De Roode en Ans. De scène's van de film gleden over het doek maar niemand scheen zich er op te kunnen concentreren. Iemand riep om een suppoost om de opstandige dame tot de orde te roepen. Inderdaad kwam deze al spoedig aanlopen. "Wat is er aan de hand, mevrouw?" vroeg hij. "Wat er aan de hand is? Ze hebben mijn horloge gestolen, waar ik de vorige maand meer dan honderd gulden voor heb betaald! Is dat niet voldoende?" kefte "mevrouw". "Dat is inderdaad wel erg," moest de suppoost toegeven. "Maar weet u zeker dat hij is gestolen?" "Er blijft niets anders over! Ik weet beslist, dat ik hem nog had, toen ik hier naar binnen ging en nu is hij weg!" "Maar waar had u dat kostbare ding dan?" wilde de ander weten. "Het veiligheidskettinkje was gebroken en toen heb ik het in mijn tasje gestoken." "Daarnet hoorde ik u anders zeggen dat u hem aan uw man had gegeven," flapte Els er uit. Er wordt jou toch niets gevraagd, klein nest!" zei de vrouw nijdig. "Maar ik heb het ook duidelijk gehoord!" viel Ans haar vriendin bij. Van verschillende kanten klonk instemmend gemompel. "Zoekt u nu nog eens rustig, mevrouw," probeerde de ordebewaarder de zaak te sussen. "Man, ik heb gezocht; mijn man heeft al zijn zakken nagekeken en ik heb mijn hele tas ondersteboven gehaald. Ik zeg toch, dat hij gestolen is!" "Dat soort dingen is hier wel eens meer beweerd mevrouw. Doorgaans bleek het dan nog al mee te vallen en kwam het gezochte na goed zoeken wel weer te voorschijn. U stelt op het ogenblik de mensen naast u in een kwaad daglicht, terwijl daar vooralsnog helemaal geen reden toe is. Wat denkt u er van, meneer?" Dat laatste was tegen de echtgenoot, die zich voorlopig buiten schot had gehouden. Blijkbaar kende hij zijn vrouw langzamerhand goed genoeg om te weten dat er met haar toch niet redelijk was te praten. "Tja," zei hij nu aarzelend, kennelijk bang om partij te kiezen. Els kreeg haast een beetje medelijden met hem. Aan de ene kant durfde hij de zaalwachter geen gelijk te geven, terwijl hij van de andere kant waarschijnlijk niet direct zo'n ophef van het geval wilde maken. Nu bemoeide meneer De Roode zich met het geval. "Als u nu eens met de suppoost mee ging op de gang," zei hij. "Daar kunt u dan op uw gemak alles nog eens goed nazoeken. Vindt u niets, dan kunt u nog altijd verdere maatregelen nemen. Ondertussen kan de rest van het publiek dan tenminste genieten van de film, waar iedereen voor heeft betaald." Door de zaal klonk de weemoedige muziek van Chopin en het ging velen kennelijk aan het hart, dat ze daar niet ten volle van konden genieten. "Iedereen kan genieten en de dief kan mijn horloge in veiligheid stellen!" zei mevrouw hatelijk. Ook de suppoost, ervaren als hij was in dit soort dingen, kwam blijkbaar op dat idee. "Als u even op wilt staan, zal ik eens op de grond kijken," zei hij. Na enig stommelen werden de voorste stoelen ontruimd en op zijn knieën kroop de geüniformeerde man over de grond tussen de banken door. Het resultaat was echter nihil. Weldra stond hij weer overeind. "Tja," zei hij op zijn beurt en daarmee kwam de zaak niet veel verder. "Ik sta er op, dat hier politiewerk van gemaakt wordt," zei mevrouw resoluut. "Nee, toch, lieverd!" zei haar man geschrokken. "Laten we eerst nog eens goed kijken en laat mij je tasje nog eens onderzoeken." Op zijn beurt vastberaden, sleurde hij nu het tasje uit de handen van zijn vrouw en begon naarstig te rommelen. De suppoost stond belangstellend toe te kijken, hoe hij vervolgens al de privé-eigendommen in de gang uit stond te stallen en dat waren er heel wat. Poederdoos, lipsticks, twee zakdoeken, een borsteltje, nagelgarnituurtje, enige brieven, het werd allemaal op de grond gelegd, tot groot vermaak van de mensen die het schouwspel van nabij gade konden slaan. De film was totaal vergeten en iedereen keek geamuseerd maar toch met een zekere spanning toe. En juist wilde meneer het, hevig transpirerend, opgeven, toen zijn vrouw plotseling het ding overnam en triomfantelijk uitriep: "Ik weet het! In het zijvakje zit ie natuurlijk!" Het was een enorm grote tas, althans voor een avondje uit en daarom was het dan ook geen wonder, dat meneer het kleinood niet had gevoeld bij zijn onderzoekingen. Maar mevrouw knipte zelfverzekerd een klepje ergens binnenin open en hield vervolgens het horloge in haar hand. Ze keek zo triomfantelijk in het rond, dat elkeen in de buurt begon te lachen. Ondanks het feit dat het mens hen in hoge mate irriteerde, konden ook de beide meisjes hun lachen niet inhouden. De enige die zijn waardigheid volkomen bewaarde, was de suppoost. "Als u dan uw attributen weer bij elkaar wilt zoeken zullen we de zaak maar als afgedaan beschouwen," zei hij. "Maar ik raad u wel aan om voortaan niet zo vlug te zijn met uw beschuldigingen. Dat zou misschien nog wel eens minder prettige gevolgen kunnen hebben." Zijn woorden schenen toch een beetje indruk te maken. Kleintjes ging het echtpaar weer op zijn plaats zitten, nadat de volledige toiletuitrusting van mevrouw weer in de tas was gedeponeerd... En toen kon eindelijk iedereen genieten van de prachtige pianomuziek die de zaal vulde. HOOFDSTUK III"Volgende week wil ik een dagje naar Hilversum," zei mevrouw De Roode tegen haar man. "Het beste lijkt me, dat ik zaterdag maar ga, dan is Jan tenminste 's middags ook thuis. Anders zie ik hem ook niet te vaak en nu Gerda jarig is moet ik er toch beslist eens heen." "Ik was anders graag met je mee gegaan," zei haar man. "Maar je weet dat ik tot over mijn oren in het werk zit op het ogenblik, dus ik moet echt wel verstek laten gaan. Tenzij je het wilt verschuiven naar zondag." "Voor zondag hadden we afgesproken met tante Truus, dat weet je heel goed," zei mevrouw. "Die zou hier 's morgens al vroeg zijn en ik durf haar echt niet af te zeggen. Ze zou diep beledigd zijn!" "Zoals je wilt," zei meneer De Roode. "Het is misschien nog zo gek niet, dan blijf ik 's middags doorwerken om op die wijze mijn achterstand wat in te halen." "En Els dan?" vroeg zijn vrouw. "Die kun je toch niet de hele middag aan haar lot over laten?" Els had het gesprek tot nu toe niet gevolgd, zo verdiept was ze in haar lectuur. Maar toen ze haar naam hoorde noemen, keek ze op. "Wil vader me aan mijn lot over laten?" vroeg ze. "Nou, ik vind het niet erg hoor! Dan ga ik met Ans wel een stuk fietsen. Daar komt anders toch bijna nooit iets van." "En als het slecht weer is?" vroeg moeder. "O, dan zien we wel weer," zei haar dochter luchtig. "Waar gaat U eigenlijk naar toe?" "Tante Gerda is volgende week vrijdag jarig. Om 's avonds met vader te gaan, daar komt op het ogenblik niets van. Die werkt bijna elke avond over en daarom ga ik zaterdag, dan zie ik oom Jan tenminste ook eens." "Gaat U maar gerust hoor, moedertje," lachte Els, "uw dochter zal zich wel redden die dag. Als het weer heel erg tegen valt, blijf ik rustig thuis of ik ga naar de familie Koster." "Bespreek het dan even van te voren," waarschuwde moeder. "Tenslotte weet je niet of die soms ook plannen maken om weg te gaan." Aldus werd besloten, maar voor alle zekerheid sprak moeder er zelf ook nog maar even over, toen Ans met haar ouders weer een avondje kwamen. Natuurlijk was dat in orde zodat moeder met een gerust hart weg kon gaan; haar dochter zou die dag geborgen zijn. Maar het liep een beetje anders dan ze zich hadden voorgesteld. De zaterdag kwam aan. Nadat haar man naar kantoor was en Els naar school, dekte mevrouw De Roode vast de tafel voor die middag. Als Els en eventueel haar man dan thuis zouden komen, hadden ze maar weinig meer te doen en konden ze zo eten. Om half tien vertrok haar trein en haastig maakte mevrouw De Roode voort om toch vooral op tijd te zijn. Tot zo ver verliep alles vlot. De lucht was tamelijk betrokken, zodat er waarschijnlijk niet veel zou komen van de voorgenomen fietstocht van de meisjes. Toen Els, nadat ze haastig thuis had gegeten, die middag aan kwam bij het huis van de familie Koster, bleek daar helemaal niemand thuis te zijn. Op haar herhaalde bellen kreeg ze geen gehoor. Ans woonde met haar ouders op een bovenhuis. Toen ze drie keer had gebeld, verscheen er voor het raam in het benedenhuis een vrouwengezicht en vervolgens werd er open gedaan. "Jij bent zeker het meisje van de overkant?" vroeg de bewoonster. Toen Els bevestigend knikte, vervolgde ze: "De familie Koster heeft een boodschap bij me achter gelaten. De moeder van mevrouw Koster in Den Haag is ernstig ziek en daar moesten ze nu plotseling naar toe." "En Ans dan?" vroeg Els. "Die hebben ze een boodschap op school gestuurd, dat ze naar een oom en tante moet gaan aan de andere kant van de stad. Daar zou ze rechtstreeks naar toe gaan, dus ze komt niet eerst thuis." "O," zei Els een beetje beteuterd. Ze bedankte de buurvrouw van de familie Koster voor de inlichtingen en slenterde de straat in, nog niet besloten wat ze zou doen. Maar plotseling kreeg ze een helder idee. Ze ging gewoon naar Hilversum, moeder achterna! Dat zou me even een verrassing zijn! Het adres vond ze wel ergens thuis. Ze was er trouwens wel eens meer geweest, al zou ze beslist niet meer weten, hoe ze toen gelopen waren in Hilversum. Maar dat kwam natuurlijk wel in orde. Tenslotte had ze een mond gekregen om hem te gebruiken, dus dan vroeg ze in Hilversum de weg wel. Reisgeld had ze in haar spaarpot, dus ook daar maakte ze zich geen zorgen over. Vastbesloten stapte Els naar haar kamertje en kleedde zich snel om. Ze had een lichtblauwe sweater, die ze erg leuk vond. Een paar sportieve schoenen en klaar was Kees. Ze legde de huissleutel op de bekende plaats, waar ook de andere huisgenoten hem wisten te vinden. Zou ze nog een boodschap achter laten bij de buren over het doel van haar reis? Ach, waarvoor ook eigenlijk! Ze kwam toch immers gelijk met moeder terug en die wilde op haar beurt weer thuis zijn voor vader om een uur of vijf naar huis kwam. Ze kon tenslotte best op zich zelf passen en dat zou ze dan nu eens bewijzen! Alsof ze alle dagen naar Hilversum reisde, zo in haar eentje, vroeg ze een retourtje Hilversum. In een overmoedige bui besloot ze plotseling eerste klas te nemen. Dat was natuurlijk erg onverstandig, want ze had kunnen weten, dat moeder tweede klas reisde, zodat ze straks op de terugreis de zotte situatie kreeg dat ze verschillende plaatsbewijzen hadden! De trein was tamelijk vol, maar ze slaagde er toch in nog een hoekplaatsje te bemachtigen. Rustig dwaalden de blikken van Els in het rond, totdat ze plotseling bleven rusten op het gezicht van de man schuin tegenover haar. Er was niets bijzonders aan hem te zien doch de wijze waarop hij vrijmoedig terugblikte naar Els bezorgde haar even een hoogrode kleur. Hij had een vriendelijk, openhartig gezicht maar zijn blik had iets strengs. Even moest Els denken aan één van de leraren op school, die precies zo kon kijken. Het was een heer van middelbare leeftijd. Els schatte hem op een jaar of veertig. Het kwam haar voor of ze hem al eens eerder had ontmoet, maar hoe ze ook haar hersens afpijnigde, ze kon er beslist niet op komen waar dat geweest moest zijn. Onwillekeurig dwaalden haar blikken weer in zijn richting en meteen zaten ze weer vast, want alsof de man voelde dat ze keek, ging zijn ogen direct weer naar haar toe. Ze stonden nu een beetje spottend, die ogen, alsof hij innerlijk pret had om haar verwarring. "Ik ga naar buiten zitten kijken!" nam Els zich voor. Ze was een beetje nijdig op zichzelf, omdat het nu al voor de tweede keer was, dat ze haar ogen had moeten afwenden. Gelukkig, het waren maar drie stations, die ze mee moest rijden. En misschien stapt hij in Weesp wel uit. Met een vaartje denderden ze nu al over de brug boven het Amsterdam-Rijnkanaal en weldra zagen ze Weesp liggen, naar het scheen zo tussen de weilanden neergesmeten. Snel keek Els naar de "Regenboog" zoals ze de man voor zich zelf al gedoopt had. Hij had namelijk een lichte streep haar tussen het donkere van de rest, die vanaf zijn voorhoofd naar achteren liep. Haar hoop, dat hij hier wellicht uit zou stappen werd echter al direct de bodem ingeslagen, want de ander nam er nog eens zijn gemak van en stak zelfs een sigaar op, die hij uit een zilveren sigarenkoker te voorschijn haalde. In snelle vaart denderde de trein voort in de richting Hilversum. De palen van het electriciteitsnet flitsten als razenden langs het coupéraampje. Een paar minuten later minderen ze alweer vaart, Bussum lag vlak voor hen. Nu maakte de man tegenover haar toch langzamerhand aanstalten om op te stappen. Hij trok heel bedaard zijn regenjas aan en Els dacht al, dat hij zijn bestemming bereikt had. Maar weer zat ze er naast want de ander nam er nog eens zijn gemak van en bekeek met aandacht zijn sigaar. Na een kort oponthoud lieten ze Bussum alweer achter zich liggen en Els maakte zich gereed om uit te stappen. Met knarsende remmen stond de trein even later stil aan het perron in Hilversum en meteen begon Els in de richting van de uitgang te lopen. Op het perron blikte ze onbewust nog even achterom, maar keek met een hoogrode kleur direct weer voor zich. Het leek wel als of er opzet in het spel was, want nog geen meter achter haar zag ze weer het hoofd met de lichte streep haar. Haar schrik werd nog groter, toen ze even later een prettige stem naast zich hoorde zeggen: "Ik heb net zo het idee, dat we dezelfde kant uit moeten, juffrouw. Willen we samen oplopen?" En toen Els een beetje verward keek vervolgde hij: "Laat ik me even voorstellen, ik ben Theo van Balen en ik moet vanmiddag de opnamen voor het amateurprogramma van de radio leiden. En mijn gevoel zegt me dat u één van de candidaten bent, klopt dat?" "Nee, dat klopt niet," zei Els een beetje snibbig. Wat wilde die man eigenlijk van haar? Dan realiseerde ze zich pas wat hij gezegd had. Theo van Balen! Maar dat was een naam met een heel bekende klank! Ach ja, je was hier natuurlijk in de radiostad. "O, neemt u me dan niet kwalijk," zei de heer Van Balen, op zijn beurt een beetje beteuterd kijkend. Hij had zijn opmerking met de beste bedoelingen gemaakt en daar werd hij me door dat jonge ding afgesnauwd, alsof hij de eerste de beste kwajongen was! Met een kort knikje wilde hij doorlopen en hij was ten hoogste verbaasd toen "dat jonge ding" ineens op een heel andere toon zei: "Meneer...meneer Van Balen zegt u?" "Ja, dat zei ik inderdaad," zei de aangesprokene kort, maar niet onvriendelijk. "O, neemt u me niet kwalijk," zei Els op haar beurt. Ze hakkelde een beetje van opwinding. Hoe vaak had ze al niet gedroomd van een kans voor de radio. En nu wilde het domme toeval, dat ze hier een van de meeste bekende programmaleiders van Nederland ontmoette. Maar het ergste was, dat ze hem direct had afgeblaft, bij de eerste opmerking, die hij gemaakt had. Dat moest ze meteen proberen te herstellen! Gelukkig, meneer Van Balen scheen haar toon van daarnet wel te kunnen billijken. Tenslotte was het ook inderdaad niet alledaags voor een jong meisje om aangesproken te worden door een wildvreemde man. "Er is niets om je kwalijk te nemen, beste kind," zei hij weinig vormelijk. "Mijn gevoel heeft me deze keer eens in de steek gelaten, dat is alles. Doorgaans heb ik het wel bij het rechte einde met mijn veronderstellingen, maar deze keer zat ik er nu eens finaal naast. En dat jij daarom zo reageerde, is heel begrijpelijk." "Ja, ziet u," zei Els, en ze voelde dat ze een hoogrode kleur kreeg. "Ik heb me inderdaad niet op gegeven voor dat programma, maar ik zou er wel heel erg graag aan mee willen doen!" Zonder na te denken had ze de woorden er uit geflapt, het doel van haar reis totaal vergetend. Dit was de beste kans van haar leven, iets wat wellicht nooit weer terug zou komen. "Ja, maar dat gaat toch echt niet meer voor vandaag," zei de heer Van Balen lachend. "Het programma van vanmiddag wordt pas woensdag uitgezonden, maar het is geheel getimed. We zijn natuurlijk aan een bepaalde tijd gebonden, dat begrijp je wel. Bovendien zou je toch eerst eens een proef van je kunnen moeten afleggen. Als we iedereen maar op de microfoon los zouden laten, die dat graag wil, zou het een gekke boel worden. Wat voor een instrument bespeel je eigenlijk?" "Ik zing," zei Els, en ze vond haar woorden maar armzalig klinken. Ze zong. Ja, iedereen zong wel eens! De ander scheen haar antwoord echter helemaal niet gek te vinden. Ze stonden nog steeds op het perron en Els vond plotseling de situatie erg gek. Maar meneer Van Balen scheen wel vreemdere dingen mee te hebben gemaakt. "Laten we eens beginnen met naar de uitgang te gaan," stelde hij voor. "En dan mag ik nu zeker nog wel eens vragen, waar je naar toe moet?" Els noemde het adres. "O, dat komt goed uit," zei de ander. "Dat is een heel eind in de richting van de studio. Dan moet je me onderweg maar eens op je gemak vertellen, wat je zoal zingt en of je misschien al enige opleiding hebt gehad." Samen liepen ze door de tourniquets, waar hun kaartjes werden ingenomen. "Zo, nu kunnen we ons gesprek voortzetten," zei de heer Van Balen. "Vertel me maar eens, wat voor liedjes zing je bij voorkeur?" "Liedjes zing ik alleen als ik de afwas sta te doen," zei Els en de ander schoot even in de lach bij dat gevatte antwoord. "Maar als ik wel eens zing op avonden van de school, zing ik het liefst klassieke liederen," ging Els onverstoorbaar door. "Zo zo, je grijpt wel hoog," zei meneer Van Balen en zijn gezicht werd nu weer ernstiger. Om haar een beetje te testen vroeg hij: "Noem eens een paar bekende componisten wil je?" Weer bloosde Els even, maar deze keer had dat een andere reden. Ze begreep heel goed de bedoeling van deze vraag. Meneer Van Balen dacht misschien, dat ze maar wat fantaseerde en daarom noemde ze vlotweg vijf bekende namen. "Hoe staan je ouders tegenover die aspiraties van jou?" vroeg de heer Van Balen. In het kort vertelde Els over de reacties van haar vader en moeder, wanneer ze er weer eens over begon. De ander knikte begrijpend bij haar verhaal. "Je hebt verstandige ouders," zei hij toen. "Een behoorlijke scholing is tenslotte de basis voor elk beroep. Je kunt natuurlijk later nog wel wat bij studeren, maar voor een serieuze zangstudie komt al heel wat kijken, dat kan ik je wel verzekeren. Later komt daar dus niet zo veel meer van en daarom is het beter, dat je eerst zorgt voor een goede ondergrond, alvorens je verder gaat. Aangenomen tenminste, dat het werkelijk ernst is met je plannen en daar twijfel ik niet aan. Evengoed kun je natuurlijk trachten, je stem al zo veel mogelijk te scholen, maar voorlopig heb je daar nog wel tijd mee." Een beetje teleurgesteld liep Els naast hem verder. Dat was nu wel het laatste, wat ze had verwacht! Het was precies hetzelfde betoog als waar haar ouders altijd mee aan kwamen! Eerst de H.B.S. doorlopen en dan zullen we wel verder zien.... De ander zag wel aan haar gezicht, dat zijn antwoord haar niet erg beviel en daarom vervolgde hij vergoelijkend: "Je had waarschijnlijk van mij een heel andere mening verwacht, is het niet? Maar heus meisje, heel veel ondernemende en talentvolle jongeren hebben hun toekomst verknoeid, doordat ze de zaak wilden forceren. Volg jij voorlopig de raad van je ouders en van mij nu op en als je dan voldoende talent hebt, verzeker ik je, dat je meer bereikt, dan wanneer je overijld te werk gaat." "U zult wel gelijk hebben," zei Els. Ze wist anders niet te zeggen op het moment. Meneer Van Balen zei het allemaal wel aardig, maar wat had ze er aan? En koppig bedacht ze, dat ze dan wel zonder zijn hulp eens een brief zou schrijven om te mogen optreden in de eerst volgende radiouitzending voor amateurs. "Een kwartje voor je gedachten," zei haar metgezel vrolijk. "Ik durf er een lief ding onder te verwedden, dat je je op het ogenblik voorneemt om een brief naar de omroep te sturen." De koppige trek op het gezicht van Els maakte plaats voor verbazing. Die man moest wel een mensenkenner zijn, om dat te kunnen raden! Maar ze kreeg niet eens gelegenheid om antwoord te geven. "Jij zult je doel wel bereiken, daar ben ik van overtuigd," zei de heer Van Balen, nu weer ernstig. "Weet je wat, hier heb je mijn kaartje. Doe vooral geen overhaaste dingen, maar als je nu beslist door wilt zetten met je plannetje, wil ik je daar graag bij helpen." Hij haalde zijn visitekaartje uit zijn portefeuille en overhandigde het haar. Theo van Balen Dat was alles wat er op stond, maar zelden was Els zo blij geweest met zo'n klein stukje papier als nu. Een warm gevoel van dankbaarheid doorstroomde haar. Al mocht dit gesprek dan niet direct resultaat opleveren, zoals ze eerst had gehoopt, ze begreep, dat de man die ze zo toevallig had leren kennen haar zeker zou helpen, als dat nodig mocht blijken. "Dank u wel, meneer Van Balen," zei ze en toen wist ze niet anders te doen, dan een zijstraat in te slaan. Ze realiseerde zich helemaal niet, dat ze de weg hier niet wist. Meneer Van Balen keek haar even verbaasd na, toen ging hij ook zijns weegs. Eigenaardig kind was dat, maar in elk geval een meisje met karakter! Hij nam zich voor om zijn belofte na te komen. Mocht ze ooit bij hem komen, dan zou hij haar beslist verder helpen, mits ze talent had tenminste! Intussen liep Els een beetje doelloos door de voor haar vreemde stad. Ze moest eerst even het vreemde gesprek van daarnet verwerken, al wist ze achteraf niet helemaal meer, wat ze ervan moest denken. Wat kon ze nu verder eigenlijk? Voor de vierde keer bekeek ze nog eens het kaartje, dat ze los in haar zak had gestopt. En plotseling kreeg ze een ingeving; ze ging naar de studio! Wat ze er precies moest doen, was haar zelf nog niet recht duidelijk, maar ze vertrouwde op haar goede gesternte, dat haar nog nooit in de steek had gelaten. Ze keek op haar horloge. Het was net half drie geweest. Voor een uur of vier, half vijf zou moeder toch vast niet uit Hilversum gaan, dus ze had nog minstens anderhalf uur de tijd. De eerste voorbijganger, die ze tegenkwam, vroeg ze de kortste weg. Het bleek, dat ze hoogstens vijf minuten lopen van de studio verwijderd was en onmiddellijk zette ze er een flinke pas in, om op tijd te zijn voor de opnamen begonnen. Na nog een keer vragen stond ze weldra voor de hoge studiogebouwen met zijn prachtige gazons en even aarzelde ze toch nog. Toen, alsof het de gewoonste zaak ter wereld was, liep ze naar de ingang. Een portier ving haar op en vroeg waar ze naar toe ging. "Naar de opnamen voor het programma door amateurs," zei Els onvervaard. "Mag ik even uw uitnodiging zien?" vroeg de portier. Waar ze het zo snel vandaan haalde, wist Els later niet meer te vertellen. Ze was nooit sterk geweest in het jokken. Onder geen beding wilde ze zich echter nu nog laten afschepen. Zonder blikken of blozen zei ze: "Ik heb een mondelinge afspraak met meneer Van Balen, dat ik om kwart voor drie hier zou zijn. Ik heb hier wel zijn kaartje bij me, dat hij me bij die gelegenheid gaf. Dat was voldoende, zei hij." Het gezicht van de geüniformeerde portier vertrok geen spier, toen hij vroeg: "U vindt het toch niet erg dat ik me even in verbinding stel met de heer Van Balen?" "Mag ik meneer Van Balen even aan het toestel?" hoorde ze hem zeggen. "O, wenst niet gestoord te worden.... Tja, dan wordt het moeilijk.....Ja..... Ik dank u wel." Met een klap kwam de hoorn weer op het toestel terecht, terwijl de portier zich even achter zijn oren krabde. "Tja, neemt u me niet kwalijk," zei hij. "Maar ik heb de instructie, dat ik niemand in de studio toe mag laten zonder brief van de programmaleiding, ziet u." "Maar meneer Van Balen is toch de programmaleider," wierp Els tegen. De portier glimlachte even. "Er zijn hier meer programmaleiders," zei hij toen. "Maar inderdaad is het zo, dat meneer Van Balen hier wel een belangrijke functie heeft. Ik zou zeggen, gaat u uw gang maar. Wacht, ik zal u even wijzen waar u moet zijn." Door een lange gang liep hij voor Els uit. "Neemt u me mijn houding van daarnet maar niet kwalijk," begon hij weer, "maar alle andere deelnemers zijn al binnen ziet u en daarom was het natuurlijk wel een beetje vreemd, toen u daarna binnen kwam." Els gaf maar geen antwoord meer. Als de man voor haar de ware toedracht van de zaak zou weten, zou hij haar waarschijnlijk op het ogenblik wel anders te woord hebben gestaan! Hoe het verder moest, wist ze zelf nog niet, dat liet ze nu helemaal maar afhangen van de omstandigheden. Hier en daar zag ze een groot bord met de woorden: "Stilte-Opname". Een wonderlijk wereldje was het hier! Achter die deuren waren op dit moment bekende radiosterren en prominente musici bezig met hun uitzending. En zij, Els de Roode, bewoog zich hier, alsof ze volkomen thuis was in dat wereldje! Ze hoopte alleen maar, dat de portier haar niet helemaal op de bestemde plaats zou brengen. Liever ging ze in haar eentje, dan voelde ze zich meer op haar gemak in de zotte situatie, waar ze zich zelf in had gewerkt. Het geluk was, wat dat betrof, met haar. Nadat ze enige hoeken waren omgeslagen, zei de portier: "Als u deze gang uit loopt, klopt u aan de laatste deur rechts. Ik moet u echter wel adviseren, te wachten tot u binnen wordt geroepen. Daar binnen wordt namelijk het programma opgenomen en ik weet natuurlijk niet precies hoe ze daar mee staan." Els knikte ten teken dat ze het begrepen had. Met kloppend hart liep ze verder, terwijl de portier zich omkeerde en weer naar zijn vertrek terug ging. Daar stond ze nu. Even bekroop haar de lust, als nog alles op te biechten en rechtsomkeert te maken. Maar dan zette ze de tanden op elkaar, ze schudde haar blonde krullen heen en weer en trok de stoute schoenen aan. Een volle minuut stond ze te wachten, nadat ze had geklopt, alvorens er open werd gedaan door Theo van Balen hoogst persoonlijk. Bijna was Els in lachen uitgebarsten, zo verbaasd keek hij toen hij haar zag staan. Maar het lachen verging haar meteen weer, want de verbazing maakte plaats voor de uitdrukking van strengheid die Els in de trein al was opgevallen. "Wat kom jij hier doen?" vroeg hij een beetje overbodig, althans naar de mening van Els. Ze kreeg echter niet eens gelegenheid om antwoord te geven, want mocht ze gedacht hebben, direct voor de microfoon te kunnen zingen, dan werd die verwachting nu wel radicaal de bodem ingeslagen. "Je begrijpt zeker wel, dat je bezoek hier niet er gelegen komt hè! Het is, dat ik vanmiddag iemand bij me heb, die de mensen bezig houdt, anders was er waarschijnlijk niet eens open gedaan." Hij zei het op een toon, die volkomen in overeenstemming was met de uitdrukking op zijn gezicht. Maar toch....! Vergiste Els zich of zag ze werkelijk een vrolijke twinkeling in zijn ogen? "Ik had er ook helemaal niet op gerekend dat ik zo ver zou komen," antwoordde Els. "Maar ik schijn het geluk erg op mijn hand te hebben gehad. Maar mag ik niet even binnen kijken bij de opnamen?" "Vooruit dan maar, doorzetster," gaf Van Balen zich gewonnen. "Maar denk er wel aan, dat je je heel rustig houdt, anders sta je zo weer buiten." Els knikte woordeloos. Achter Theo van Balen stapte ze naar binnen.Ze viel meteen midden in het programma. Achter in de studiozaal stonden drie jongens het een of andere cowboyliedje te zingen. Els vond het een vreselijke melodie maar ze zei niets en ging, zonder een woord te zeggen, zitten op het stoeltje dat haar werd aangewezen. Ze ving even een vragende blik op van de omroepster voor Van Balen. Die wuifde alleen maar even met zijn hand ten teken, dat ze gewoon door kon gaan. In een groepje zaten nog een stel candidaten te wachten op hun beurt, bijna allemaal gewapend met een gitaar terwijl Els ook een accordeon opmerkte. Ze waren allemaal op hun Paasbest uitgedost en de meesten deden erg zenuwachtig, vond Els. Het drietal was klaar met zijn nummer en de omroepster kondigde aan: "Nu kunt u luisteren naar de accordeonist John Langkemper uit Gouda. Hij zal voor u spelen "Circus Renz". Even later klonken de vlugge tonen door het zaaltje en met bewondering keek Els naar de als razend op en neer gaande handen van de jongeman. Hij scheen zijn zenuwen geheel te zijn vergeten, nu hem de kans geboden werd zijn best te doen en er ging een applaus op toen de laatste tonen klonken. Vervolgens kwam er een nummer dat Els nog meer interesseerde; een meisje van een jaar of achttien zou gaan zingen. Theo van Balen bracht haar naar de microfoon. Hij gaf haar nog een vertrouwelijk knipoogje en dat maakte Els om de een of andere reden een beetje kwaad, al zag ze er direct het onbillijke van in. Het "Vilja-lied" werd aangekondigd en Els haalde onwillekeurig even haar schouders op. Ze vond het een oud, afgezaagd ding, dat van weinig fantasie getuigde voor de zangeres in de dop. Achter een vleugel die vlak bij de microfoon stond opgesteld, nam nu een pianist plaats. Hij sloeg een paar accoorden aan en het volgende ogenblik werd het Els volkomen duidelijk, waarom men hier niet een directe uitzending van maakte. Veel te vroeg viel het meisje in en de pianist stopte onmiddellijk. Zoiets kon je natuurlijk niet hebben bij de uitzending voor de radio! Opnieuw zette de pianist in, maar de zangeres scheen helemaal van de kook te zijn door de mislukking van de eerste keer. Weer zette ze te vroeg in en weer stopte de pianist direct toen hij merkte dat het verkeerd ging. Nu kwam Theo van Balen in actie. Hij ging even naast het meisje staan, om haar wat op haar gemak te stellen, want het kind stond op het punt om in huilen uit te barsten. Els had werkelijk een beetje met haar te doen. Misschien had ze zich er ontzaglijk veel van voor gesteld, slapeloze nachten gehad! En nu ze eenmaal voor de microfoon stond, lukte het niet. Voor de derde keer klonken de tonen van de piano door de zaal, maar het was niet meer nodig, het meisje durfde niet meer. Met een hoogrode kleur en op van de zenuwen stapte ze terug naar haar plaatsje. Bijna was Els naar haar toe gestapt, om haar te troosten, maar ze bedacht zich nog net op tijd. Dan zou ze er natuurlijk direct uit gestuurd worden. Onwillekeurig keek ze even naar Theo van Balen, om te zien hoe deze het geval zou oplossen. En plotseling ging er een schok door haar heen. Ze zag hoe Van Balen ook naar haar keek met een vragende blik. Dat kon niet misverstaan worden, hij gaf haar een kans! Met een paar snelle stappen stond ze achter de microfoon. Iedereen keek stom verbaasd naar haar. De omroepster wilde blijkbaar wat zeggen. Ze stond op een papier te kijken, waarschijnlijk een lijst van de optredenden van die middag. Maar Van Balen beheerste de situatie volkomen. Op de meest rustige toon ter wereld kondigde hij aan: "Nu zal Els de Roode uit Amsterdam voor u zingen het "Vilja-lied" met begeleiding van onze pianist Ton de Ruyter." Verwonderd keek ook de pianist even naar haar, zoals ze daar stond in haar sportieve kleding. Maar dan zette hij een gezicht, alsof het hem tenslotte niet aan ging, wie hij begeleidde en weer begon hij te spelen. Het was voor de eerste keer van haar leven, dat Els het lied voor publiek zong. Ze had het nooit anders gezongen, dan wanneer ze voor moeder af stond te wassen in de keuken. En dan maakte ze er meestal nog een draak van, met lange uithalen in de hoge noten, zodat moeder of vader haar wel eens tot een beetje stilte maanden. En als iemand haar ooit had verteld, dat ze met dat lied haar radiodebuut nog eens zou maken, had ze hem vierkant uitgelachen. Maar nu stond ze daar en ze moest wel zingen, of ze wou of niet. En ze zong! Ze kenden de woorden feilloos, zo vaak had ze het al gehoord. In haar frisse stem trachtte ze al het vuur te leggen, dat ze op kon brengen. Tijdens een korte adempauze keek ze even in de richting van Theo van Balen, maar op diens gezicht viel niets af te lezen. Met een aandachtig gezicht stond hij te luisteren, maar er viel geen goed- of afkeuring te zien in de manier, waarop hij naar haar keek. De pianist was een meester op zijn instrument. Els ging het lied bijna mooi vinden, zo feilloos begeleidde hij haar, zich volkomen aanpassend bij haar volume, soms een klein beetje regelend, waar het het tempo betrof. Zijn gezicht, dat aanvankelijk verveeld had gestaan, werd meer geïnspireerd, naarmate het lied vorderde en toen het uit was, stond hij zo waar op, om het applaus in te zetten. Ook Theo van Balen klapte hartelijk mee en dolgelukkig stapte Els weer naar haar stoel terug. Het was gelukt! Hier, in deze omgeving, voelde ze wel dat haar stem nog veel miste, maar tenslotte was het ook een volkomen onverwacht optreden! Hoewel ze zich in stilte graag wilde bekennen, dat het misschien anders gegaan was, wanneer ze zich van te voren had moeten prepareren op haar nummer. Wellicht was ze dan ook over haar toeren heen geweest, zoals haar ongelukkige voorgangster. Geen moment was ze nu werkelijk bang geweest voor haar eigen prestatie om de eenvoudige reden, dat ze dat inderdaad niet had verwacht. Voor ze het wist, stond Els weer buiten voor het studiogebouw. Nu pas bedacht ze weer, waarvoor ze eigenlijk naar Hilversum gekomen was. Sinds ze zich had voorgenomen om door te dringen tot Theo van Balen had ze geen moment meer gedacht aan de tijd. Verschrikt keek ze op haar horloge; het was kwart voor vier! Nu moest ze als een haas maken, dat ze bij tante Gerda kwam, voordat moeder ongerust werd, wanneer ze haar straks niet thuis trof bij haar aankomst in Amsterdam. Weer vroeg ze de weg aan een voorbijganger. Gelukkig, de heer Van Balen bleek gelijk te hebben gehad, toen hij eerder op de middag had gezegd, dat hij dicht bij haar in de buurt moest zijn. Weldra stond ze voor de deur van het huis van haar oom en tante. In de huiskamer zat moeder haar stomverbaasd aan te kijken, toen ze binnen kwam vallen. In geuren en kleuren vertelde Els natuurlijk de hele geschiedenis en dat deed de verbazing nog toenemen. Eerst keek moeder wel een beetje ongelovig, toen ze het relaas aanhoorde. Over het gesprek, dat Els op het perron had gehad, zat ze met haar hoofd te schudden. Maar toen de andere aanwezigen in de kamer begonnen te lachen om haar ondernemingsgeest, moest ze zich toch ook gewonnen geven, al herhaalde ze nog wel tien keer: "Kind, kind, waar haal je het vandaan!" HOOFDSTUK IVNog nooit had Els zo nauwlettend in het programmablad voor de radio gekeken, als de daarop volgende week. Want het gekke was, dat ze eigenlijk niet eens precies wist, wanneer haar stem te horen zou zijn. Achteraf meende ze zich wel te herinneren, dat Theo van Balen het haar had verteld tijdens hun eerste ontmoeting, maar toen was het niet eens zo tot haar doorgedrongen, zo was ze in de war geweest, toen ze hoorde met wie ze sprak. "Woensdagavond 19 uur; Amateurs zetten hun beste beentje voor" stond er. Lang zou het geduld van haar familie dus niet op de proef gesteld worden. Want al had Els er met niemand over gesproken, moeder had niet na kunnen laten de diverse familieleden op de hoogte te stellen met het optreden van haar dochter. Al was ze er in het begin niet direct zo enthousiast over geweest, achteraf bewonderde ze toch wel de durf en het doorzettingsvermogen van haar Els. De familie Koster zou die avond vroeg komen om Els' radio-optreden te beluisteren, waar ze zelf bij was. Nu, de verwachtingen werden niet beschaamd. Iedereen was trots op haar toen haar zuivere stem uit de luidspreker kwam, behalve zij zelf. Was zij dat, die met een beetje harde stem daar in de microfoon stond te schallen? Brr, wat een schoolse, schelle stem had ze. Daar moest nog wel het een en ander aan bijgeschaafd worden, dat voelde ze zelf het beste! Als om haar eigen stem te vergeten zette ze een grammofoonplaat op de pick-up. De anderen schoten in de lach toen ze haar ontevreden gezichtje zagen. "Je bent blijkbaar niet erg tevreden over je eigen prestatie," zei vader. Els gaf geen antwoord. Ze kon toch moeilijk toegeven dat het haar inderdaad erg tegen viel? De anderen schenen het alleen maar erg leuk te vinden, dat ze haar stem over de radio hoorden en het leek wel, alsof ze het alleen maar als een goed geslaagde grap beschouwden. Het "waarom" leek wel niet tot hen door te dringen. Maar ze zou ze laten merken, dat het helemaal niet als een grapje was bedoeld. Toen de familie Koster afscheid had genomen die avond, begon ze zelf weer over het onderwerp. "Ik geloof nu wel, dat u inderdaad gelijk had met wat u zei over het naar school gaan," begon ze zonder enige inleiding. Haar ouders keken haar even verwonderd aan. Vader was de eerste, die begreep waar ze het over had. "Dat vind ik fijn," zei hij hartelijk en moeder knikte instemmend. "We willen natuurlijk dolgraag, dat onze dochter succes zal hebben," vervolgde vader. "Eerlijk gezegd heb ik wel eens gedacht over een mogelijkheid om nu al vast je studie direct in die richting te kunnen brengen, maar ik zou echt niet weten op welke wijze dat zou moeten gebeuren. Moeder noch ik zijn muzikaal genoeg om je daadwerkelijk te helpen.Het enige zou zijn dat je 's avonds les neemt, maar ik vrees, dat dat onze financiële draagkracht te boven zal gaan." Els knikte. "Dat zou ik ook dolgraag willen," zei ze zacht, "maar ik was ook al bang, dat het daarop af zou stuiten." "Tja," zei vader. "Zo is het," zei moeder. "Dan ga ik nu maar naar mijn kamer," zei Els en daarmee was het gesprek afgebroken. Maar die avond kon ze de slaap niet vatten. Allerlei gedachten warrelden door haar hoofd. Onbewust was ze weer een beetje teleurgesteld over de houding van haar ouders, toen ze het onderwerp deze keer uit zich zelf had aangesneden. Tot nu toe waren het altijd vader en moeder geweest die over het naar school gaan begonnen. En onbewust had ze eigenlijk verwacht, dat die er een andere mening op na zouden gaan houden nu ze uit zich zelf toe gaf, dat een behoorlijke schoolopleiding noodzakelijk was. Wat had dat korte gesprekje nu eigenlijk voor zin gehad? Voor zanglessen was niet direct geld, had vader gezegd. Maar, als ze dat nu zelf eens probeerde te verdienen? Eensklaps zat Els rechtop in haar bed. Dat ze niet eerder op dat idee was gekomen! Het moest toch mogelijk zijn om op één of andere wijze aan het geld te komen voor één of twee lessen per week? De volgende maand werd ze zestien. Het moest al gek lopen, wilde er voor een meisje van die leeftijd geen werk zijn, dat haar voldoende vrije tijd liet om naar school te gaan en een avondje per week vrij te maken voor zangles. In haar jeugdig optimisme vergat Els helemaal, dat ze vaak al handen vol werk had om haar huiswerk klaar te krijgen. Haar leuze was altijd geweest: "Waar een wil is, is een weg." Maar op dat moment besefte ze nog niet helemaal, dat dat toch ergens begrensd was. Morgen zou ze meteen beginnen de krant er op na te slaan en alle advertenties door te neuzen. Natuurlijk zou ze er voorlopig met niemand over spreken. Als ze ergens aangenomen werd, was daar nog altijd tijd genoeg voor. Het feit, dat ze eindelijk een besluit had genomen, bezorgde Els rust en langzamerhand dommelde ze in slaap. Met tegenzin ging ze die dag naar school. Voor het eerst ergerde ze zich een beetje aan de lofuitingen van haar klasgenoten over haar zangprestaties. Na een avondje van de school had ze het altijd wel leuk gevonden maar nu deed het haar niets. Zelfs verschillende leraren begonnen er over en het enige voordeel, dat Els er in zag was, dat ze die dag een potje kon breken bij hen. Toen ze die avond thuis kwam, nam ze direct de krant mee naar haar kamertje en ploos zorgvuldig de advertenties na. De meeste hadden betrekking op personeel voor hele dagen, waar ze natuurlijk niets aan had. Dan waren er nog een paar waarin thuiswerksters werden gevraagd voor naaiwerk, terwijl er ook een firma mensen vroeg voor het monteren van schemerlampjes. Maar wat Els zocht, zag ze er niet bij, bijvoorbeeld het schrijven van adressen of ander eenvoudig administratiewerk. Nog niet in het minst terneergeslagen bracht ze de krant weer naar beneden; morgen zou ze direct weer kijken. "Hans was hier nog vanmiddag," zei haar moeder toen ze gezellig met zijn tweeën in de keuken aan het rommelen waren. "Hij was net terug van een vlucht uit Zuid-Amerika en kwam nu even gedag zeggen." Hans was sinds kort getrouwd en woonde met zijn vrouw in Badhoevedorp, onder Schiphol. Veel kwam hij niet meer bij zijn ouders, maar als hij onverwacht wel eens binnen kwam stappen was het weerzien altijd allerhartelijkst. Uit alle werelddelen had hij nu langzamerhand al souvenirs meegebracht voor de familie, die moeder altijd een goed plaatsje toe bedacht. "Hè," viel Els meteen in, "wanneer gaan we nu eens met zijn drietjes een dag naar Hans en Miek toe? Dat heeft u ze al minstens een maand lang toegezegd." "Ja, daar begon Hans zelf vanmiddag ook al over." gaf moeder toe. "En ik beloof je dan ook, dat we dat binnenkort een keertje doen." "Weet je wat, ik fiets van de week eens naar Miek toe," besloot Els plotseling. Moeder maakte geen bezwaar. Els en Miek mochten elkaar erg graag en Miek was werkelijk een oudere zuster geworden voor de zoveel jongere Els. Ze was stewardess geweest bij de K.L.M. en daar had het tweetal elkaar leren kennen, Hans en zij. In die tijd was Els al verschillende keren op Schiphol geweest, wanneer haar schoonzusje gronddienst had. Ze had er zelf ook wel eens over gedacht om later stewardess te worden, maar later was ze er toch op terug gekomen. Ze had begrepen, dat er naast de aantrekkelijke kanten die dat beroep bood, toch ook veel nadelen aan verbonden waren. Trouwens, hoe oud was ze toen nog pas! Nu zou ze van de week eens een babbeltje proberen te maken met Miek over haar plannen. Die was zoveel jonger dan moeder en begreep haar wellicht beter. En wie weet, misschien wist zij wel een oplossing te geven voor haar problemen! "Dus jij hebt werkelijk plannen om door te zetten in die richting," zei Miek peinzend. Ze zaten gezellig met zijn tweetjes in de serre van het knusse huis in Badhoevedorp. Boven hen ronkte juist een enorm vliegtuig over en even wachtte Els met het geven van een antwoord. Ze had het verhaal over de ontmoeting met Theo van Balen verteld en haar schoonzusje had het verhaal geamuseerd gevolgd. Maar daarna was ze ernstig geworden en had met belangstelling geluisterd, toen Els haar plannen ontvouwde. Toen het geronk van de luchtreus was bedaard, antwoordde Els een beetje heftig: "Ja, ik wil zeker doorzetten, alleen weet ik nog niet hoe ik dat precies moet doen." "Eigenlijk zou je een betrekking moeten zien te krijgen bij een zangleraar," zei Miek volkomen onverwacht. Even keek Els haar stomverbaasd aan. "Een betrekking bij een zangleraar?" herhaalde ze langzaam. "Ja, is dat zo gek? Nou ja, het mag voor mijn part ook een lerares zijn, als hij of zij maar genegen is om je verder te helpen, want daar is het tenslotte toch om begonnen." "Kind, je bent fantastisch!" riep Els opspringend. "Dat ik zelf niet eerder op dat idee ben gekomen!" "Ho, ho, zo eenvoudig is het nu ook weer niet." lachte Miek. "Het idee alleen is niet voldoende. Het moet tenslotte ook uitvoerbaar zijn. De zangleraren liggen nu eenmaal niet zo maar opgescheept in ons kleine landje. En bovendien, je schijnt je nog niet te realiseren, wat voor konsekwenties dat allemaal met zich mee zou brengen. In de eerste plaats zouden vader en moeder er mee accoord moeten gaan. Tenzij er iemand heel dicht in de buurt woont, die je wil helpen, zou je helemaal het huis uit moeten. En dat lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijker dan het is, dat verzeker ik je." "Ja," moest Els toegeven, "dat zal wel zo zijn." Ze was natuurlijk weer erg voorbarig geweest door maar meteen te denken, dat de oplossing nu voor het grijpen lag. Die fout had ze vele malen gemaakt in haar leven en ze zou hem waarschijnlijk nog wel meer begaan. "Maar," vervolgde Miek een beetje geheimzinnig, "heel misschien kan ik je wel helpen. Vergeet vooral de toevoeging "heel misschien" niet, want ik beloof je niets pertinent, daarvoor heb ik zelf te weinig zekerheid." Bijna was Els weer opgesprongen, maar ze bedacht zich nog net bijtijds. "Vertel eens Miek," drong ze aan. "Wel, mijn ouders gaan veel om met mevrouw Ten Brink, je weet wel, de bekende zangpaedagoge. Dat is een alleenstaande dame op leeftijd. Ze is nooit getrouwd geweest, maar houdt veel van jonge mensen. Ik weet toevallig, dat ze jaren lang heeft gesukkeld met personeel. Die hadden het allemaal veel te gemakkelijk bij haar. Controle op het werk was er nooit en op het huishoudgeld evenmin." "Maar ik kan daar toch geen hele dag zijn," wierp Els tegen. "Als je me even uit wilt laten spreken, hoop ik je de zaak duidelijk te kunnen maken," zei haar schoonzusje. "Door haar beroep is mevrouw Ten Brink vrij weinig thuis. De meeste avonden eet ze dan ook in de stad of bij kennissen. Iemand voor hele dagen heeft ze dan ook eigenlijk niet nodig. Alleen voor haar werk moet ze natuurlijk thuis zijn, maar ik weet dat ze de meeste lessen buitenshuis geeft. Het is dus duidelijk, dat er bij haar nooit veel is te doen. En dat is nu juist één van de redenen, waar steeds misbruik van gemaakt is door het personeel." "Maar nu snap ik nog altijd niet, wat je mij daar in dat huis wilt laten doen," zei Els een beetje ongeduldig. Miek glimlachte maar eens. Onverstoorbaar ging ze verder: "Tot voor een paar jaar geleden woonde mevrouw Ten Brink samen met een vriendin, maar deze is toen gestorven. Daar heeft ze erg onder geleden. En naar wat ik er van heb begrepen, zoekt ze nu een huisgenote, waar ze de weinige keren, dat ze thuis is, nog eens een beetje aanspraak aan heeft en die verder nog een paar kleinigheden in het huishouden wil doen." Els moest het eerst even verwerken. Het kwam allemaal zo onverwacht, dat het haar een beetje duizelde. Toen Miek daar straks met het idee was aangekomen, in betrekking te gaan bij een zanglerares, had ze zich nog niet direct gerealiseerd, wat daar aan vast zou zitten, maar nu drong de omvang van het plan eigenlijk pas langzaam tot haar door. "Ik moet er eerst nog eens over na denken," zei ze na een paar minuten. "Dat is tenminste verstandige taal," zei Miek glimlachend. "En bespreek het ook eens met vader en moeder, om hun mening er over te horen." Dat beloofde Els. "Goed, dan ga ik nu eerst eens een kopje thee inschenken. Ik heb warempel dorst gekregen van al dat praten," zei Miek, opstaand en naar binnen lopend. Gezellig babbelend zat het tweetal wat later van de thee te genieten, uitkijkend naar de met veel fantasie aangelegde tuin, die bij het huis hoorde. Nu bracht Miek het gesprek weer terug op het uitgangspunt. "Laten we voorlopig zo afspreken, dat jij er over spreekt met vader en moeder. In die tijd zal ik er achter zien te komen, hoe mevrouw Ten Brink zelf er tegenover staat," zei ze. "Graag," zei Els dankbaar. "En dan ga ik er nu langzamerhand maar weer eens van door. Ik heb beloofd het niet al te laat te zullen maken." De twee schoonzusjes namen hartelijk afscheid van elkaar en daarna pakte Els haar karretje weer. Het was een mooie dag. Er scheen een heerlijke lentezonnetje en daarom besloot Els niet de kortste weg te nemen via Sloten, maar door het Amsterdamse Bos te rijden over de drukke verkeersweg langs Schiphol. In de lucht was het een komen en gaan van vliegtuigen, maar dat geluid was Els langzamerhand al zo vertrouwd geworden, dat ze er bijna geen erg meer in had. Op de akkers langs de weg heerste grote bedrijvigheid. Els werd er haast een beetje lyrisch door gestemd. De combinatie van de techniek zo dicht in de buurt van Schiphol en de bedrijvigheid van de boeren rondom boeide haar. Het gedicht van Weremeüs Buning kwam haar in gedachten en voor zich zelf zat ze het te declameren, terwijl ze rustig voortpeddelde over het fietspad naast de grote weg. "Ik zag op het verlaten land Er was op het ogenblik niemand die zaaide, maar ze vond de gedachtengang zelf nog al logisch. Zo in gedachten verdiept naderde ze het viaduct onder de Haagseweg. Vanuit de richting Amsterdam naderde een kleine personenwagen die kennelijk van plan was links af te zwenken in de zelfde richting als Els fietste. Achter het stuur zat een bejaarde dame, die blijkbaar erg gehaast was. "Zeker een passagier afhalen op Schiphol," dacht Els. Onwillekeurig hield ze even in, want ofschoon ze op een voorrangsweg reed, riskeerde ze toch liever geen botsing. De vrouwelijke bestuurder scheen haar nu ook op te merken, want op haar beurt minderde ze sterk vaart om Els voorrang te geven. Allebei stonden ze nu bijna stil, toen wilde Els doorrijden. Maar hoe het kwam en bij wie nu eigenlijk de schuld lag was achteraf moeilijk meer te zeggen. Een feit was in ieder geval dat ook de personenauto weer snelheid vermeerderde. "Boem," zei de fiets van Els, precies tegen het spatbord van de auto en het volgende ogenblik lag ze met fiets en al op het betegelde pad. Gelukkig bezeerde ze zich niet erg, alleen een paar kleine ontvellingen door haar kousen heen, die een groot gat vertoonden. Weg waren de dichterlijke gedachten van Els! Met een sprongetje stond ze weer overeind, klaar om een paar weinig vriendelijke woorden te richten tot de chauffeuse. Deze was echter direct uitgestapt, nog voor Els kans had gezien, weer naast haar fiets te staan. Het was een al grijzende dame en Els slikte al direct haar onvriendelijke woorden in, toen ze haar vroeg: "Heb je je bezeerd?" "Het had erger gekund," zei Els nu maar. "Alleen mijn kousen zijn grondig vernield maar daar is over heen te komen." "Maar kind, je hele been is ontveld!" riep de dame op verschrikte toon. "Wacht, ik zal even kijken of ik pleisters bij me heb." Waar ze zo snel vandaan kwamen was een raadsel maar direct had zich al een kleine volksoploop verzameld. En dat was nu juist iets, waar Els niet erg op was gesteld, tenminste niet om daar het middelpunt van te zijn. "Ach, doet U maar geen moeite," zei ze haastig en het volgende ogenblik zat ze weer op haar fiets en baande zich een weg door de omstanders. Die paar wondjes zou ze straks thuis wel nakijken, liever dan voor die gapende gemeente daar op de weg. Haar fiets was gelukkig niet beschadigd en in snel tempo fietste ze in de richting van de stad. Moeder schrok wel even toen ze thuis kwam, maar gelukkig viel ze Els er niet lastig om. Ze was wel wat gewend van haar dochter! HOOFDSTUK VEerst hadden zowel vader als moeder haar bevreemd aan gekeken. "Heb je het thuis niet naar je zin, dat je er helemaal uit wilt?" vroeg vader. "Dat weet U wel beter," zei Els. Deze keer gaf moeder de doorslag. "Luister eens, lieve kind," zei ze ernstig. "Als het inderdaad begonnen is om je toekomst zullen vader noch ik je een stro breed in de weg leggen. Het enige voorbehoud, dat ik zou willen maken is, dat wij, je vader en ik, ook eerst eens kennis maken met degene waar je eventueel bij in huis zou willen gaan." Dat kon Els gelukkig wel begrijpen en daarna waren er niet veel woorden meer aan verspild. Wat Els niet wist was, dat haar ouders er zelf later nog wel over spraken, toen ze alleen waren. "Daar komt toch niets van," merkte vader op. "Wie begint er nu aan om een jong meisje zoals Els in huis te halen en haar daarnaast nog lessen op de koop toe te geven." En moeder bekende, dat dat ook de reden was, waarom ze zo toeschietelijk geweest was. Ze wist wel, dat, wanneer Els eenmaal iets in haar hoofd had, ze dat door probeerde te drijven. Maar deze keer had haar dochter er toch niet zelf de hand in en lag het veeleer aan omstandigheden, die ze niet kon beïnvloeden. Els, onwetend van de gedachten, die haar ouders over de zaak hadden, voelde zich intussen een stuk opgelucht. Ziezo, de eerste hindernis was overwonnen! Voorlopig was nu het wachten op een berichtje van Miek. Het was alleen vervelend dat het allemaal over zo veel schijven moest lopen, waardoor ze zich maar moest bepalen tot geduldig afwachten of iedereen mee werkte. Daar was in de eerste plaats natuurlijk Miek, die haar ouders er voor moest spannen. Vervolgens lag het er maar aan, hoe die de zaak voorlegden aan mevrouw ten Brink en dan, last but not least, had die natuurlijk zelf de belangrijkste stem in te brengen. Een week ging voorbij, zonder dat ze iets hoorde. Nog een week kwam er bij zonder dat er taal of teken kwam uit Badhoevedorp. En juist nam ze zich voor de eerstvolgende zaterdag weer eens op haar fiets te stappen, toen vader, het was donderdag geworden, met een boodschap thuis kwam, dat Miek had gebeld. Terwijl hij het zei, gingen zijn blikken veelbetekenend naar moeder en Els dacht, dat ze die even zag schrikken. Maar ze verdiepte zich er niet verder in. Veel meer interesseerde haar de vraag, wat Miek te vertellen zou hebben. Vader beweerde, dat hij nergens iets van af wist en dus zat er niets anders op dan haar geduld nog maar even op de proef te stellen. Die vrijdag en de zaterdagmorgen, die er op volgde, maakte ze op school vele slechte beurten, zo moeilijk kon ze haar aandacht bij haar werk bepalen. Als een verlossing klonk de bel van twaalf uur. Ze kreeg een berg huiswerk mee naar huis, maar ze was beslist niet van plan om daar direct 's middags al aan te beginnen. Nauwelijks had ze gegeten of ze haalde haar fiets uit de box en trapte weer in de richting Badhoevedorp. Met verwarde haren en een hoogrode kleur kwam ze daar aan in de verwachting dat ze Miek alleen thuis zou treffen. Doch dat kwam anders uit. Er scheen bezoek te zijn. Voor de stoep stond een klein personenautootje. Even bond Els een beetje in, het wagentje kwam haar bekend voor! Een beetje nauwkeuriger keek ze naar het rechterspatbord en ja, dat vertoonde een beetje lakschade. Er zat een klein krasje op: dat wees op een aanrijding. Met kloppend hart ging Els naar binnen. Haar vermoeden bleek maar al te waar! Miek had drie mensen op visite, haar ouders, die Els wel eens meer had ontmoet natuurlijk en verder zat er een mevrouw met grijs haar boven een sympathiek gezicht. "Nee maar," zei de oude dame opstaand toen Els binnen kwam, "ik geloof dat wij elkaar al eens eerder hebben ontmoet, is het niet?" "Dat geloof ik ook," moest Els toegeven. "U is toch niet, U kunt toch niet..." "Ik ben mevrouw ten Brink," zei de ander glimlachend. "En jij kunt niemand anders zijn, dan Els de Roode waar ik wel over heb gehoord!" Had Els al een rode kleur voor ze binnen stapte, nu leek ze wel een pioenroos en ze wist niet anders te doen, dan maar wat stamelende woorden uit te brengen. Die mevrouw ten Brink moest wel een rare indruk van haar hebben gekregen bij hun eerste ontmoeting. Dat het ook uitgesproken haar auto moest zijn, die daar zo snel uit Amsterdam kwam rijden. Zie je wel, altijd achtervolgde haar de pech! De opzet van haar plannen was altijd wel goed, maar steeds weer kwam ze voor de meest vreemde situaties te staan. Het overige drietal had inmiddels een beetje verbaasd zitten kijken naar mevrouw ten Brink en Els. Maar de eerste maakte de zaak al spoedig duidelijk en toen werd er hartelijk om gelachen. "Ze was zo snel verdwenen, dat ik niet eens gelegenheid kreeg mijn verontschuldigingen aan te bieden. En van het verbinden van haar knie wou ze blijkbaar helemaal niets weten. Ik moet daar niet erg snugger hebben staan kijken met dat stuk verband in mijn hand, terwijl de patiënt al was gevlogen," zei mevrouw ten Brink vrolijk. Er viel een pak van Els' hart. Gelukkig, mevrouw ten Brink scheen gevoel voor humor te hebben en het geval niet al te zwaar op te nemen. Een beetje schutterig begroette ze nu de ouders van Miek en haar schoonzusje zelf. Ze wist zich toch met haar houding nog niet goed raad en ze verweet Miek in stilte, dat die haar totaal niet had voorbereid op wat haar deze middag stond te wachten. Van dat ongelukje kon ze natuurlijk niets weten, maar op zijn minst had ze toch kunnen vertellen, wie ze hier vanmiddag zou ontmoeten. Voorlopig werd er over koetjes en kalfjes gepraat, maar intussen nam Els de dame tegenover haar zo goed mogelijk op. Haar stem sprak al van muzikaal gevoel, beschaafd en gearticuleerd. Ze had een fijn besneden gezicht, een paar levendige ogen, die met belangstelling rond keken en slanke, mooie handen. Haar kleding scheen haar niet zo veel te interesseren. Els vond, dat ze er maar tamelijk slordig bij zat, haar maatschappelijke positie in aanmerking genomen. Maar de indruk van haar kleding ging geheel te niet bij haar verschijning zelf. Bij de botsing op de drukke verkeersweg had Els zich niet de tijd gegund om daar verder enige aandacht aan te schenken, maar nu voelde ze pas welk een voornaamheid er uit ging van haar persoonlijkheid. Een paar keer kruisten hun blikken elkaar. Dan glimlachte de kunstenares met een onmerkbaar knipoogje en Els voelde zich op die momenten een sterk bevoorrecht wezen. Het zelfbeklag van daarnet was nu geheel verdwenen bij haar. Wat drommel, ze had over gebrek aan geluk toch eigenlijk echt niet te klagen! Mevrouw ten Brink had net zo goed een oude zuurpruim kunnen zijn, die haar onhebbelijk optreden van twee weken geleden heel anders had uitgelegd, dan nu het geval was. Dus bij die dame zou ze in huis komen, als alles verliep, zoals ze het zich had voorgesteld. Zou ze er uit zichzelf over beginnen of zou ze wachten tot zij, Els dus, het gesprek in die richting stuurde? Voorlopig werd er alleen nog gesproken over de mooie woning, die Miek en Hans hier hadden, over de kennis, die mevrouw Ten Brink van Schiphol had afgehaald en over verschillende kunstavonden in het Concertgebouw. Het leek Els wel, alsof ze ergens op zaten te wachten, maar ze kon er niet achter komen, wat of wie dat dan wel mocht zijn. En zelf waakte ze er angstvallig voor, het gesprek op haar toekomst te brengen. Tenslotte was Miek hier zo'n beetje tussenpersoon; dus ze vond het meer op haar weg liggen. Maar dan begreep ze plotseling waar het wachten eigenlijk op was. Op de weg zag ze namelijk haar ouders aan komen wandelen. Blijkbaar was iedereen al op de hoogte van hun komst, behalve zij zelf, want niemand toonde zich verbaasd. De heer en mevrouw Reining, Mieks' ouders, begonnen nu wel aanstalten te maken om naar huis te gaan. Kennelijk wilden ze het gesprek over Els' toekomst niet storen met hun aanwezigheid en vonden ze hun taak hiermee afgedaan. Zo, dus dat was het! Er zouden vanmiddag dus meteen spijkers met koppen geslagen worden, begreep Els, want anders zou dit niet allemaal zo gearrangeerd zijn. Na de gebruikelijke kennismaking en de begroeting tussen de ouders van Miek en Els nam het echtpaar Reining inderdaad afscheid. Mevrouw Ten Brink bood nog aan ze met de auto naar huis te brengen, maar daar wilden ze geen van beiden iets van weten. Toen ze weg waren en allen weer met een kopje thee voor zich zaten, kwam het gesprek al spoedig weer op gang. Mevrouw Ten Brink en Els' moeder zaten weldra te praten, alsof ze elkaar al jaren kenden. Els was met diepe bewondering vervuld voor de veelzijdigheid van deze vrouw. Het beste was ze natuurlijk in haar element zodra het gesprek op muzikaal terrein kwam, maar ook over allerlei andere onderwerpen wist ze mee te praten met het gemak, een vrouw van de wereld eigen. Toen, eigenlijk zonder enige inleiding, kwam het gesprek op de stoute plannen van Els. Eerst kwam het verhaal nog eens op tafel over haar ontmoeting in de trein en later in Hilversum, waar mevrouw Ten Brink smakelijk om moest lachen. "Ja," zei moeder een beetje trots, "durf en fantasie heeft ze genoeg. Ze is alleen wel eens een beetje, hoe moet ik het zeggen, een beetje onbesuisd zou ik het haast willen noemen." "Dat is het geluk van een mooie jeugd," zei mevrouw Ten Brink vergoelijkend. "In elk geval heeft ze zelf het bewijs geleverd, een serieuze inslag te hebben. Dan is het per saldo beter, dat ze nu nog wat van het leven geniet." Een dankbare blik van Els was haar beloning voor die woorden. "Daarom zou ik het zo voor willen stellen. Als je ouders er mee accoord gaan, kom jij eens per week een avondje bij me, om samen te proberen iets van je stem te maken. De enige vergoeding, die ik daar voor vraag is, dat jij me, liefst samen met je ouders, eens een avondje gezelschap komt houden. Ik ben maar een eenzame vrouw, die wel eens behoefte heeft aan wat vertrouwelijke omgang met goede vrienden. We spreken af, dat jij gewoon naar school blijft gaan en daar flink je best doet. Dat is een voorwaarde, die ik er uitdrukkelijk aan verbind en ik neem aan, dat iedereen daar wel mee in kan stemmen." Het overweldigde Els allemaal een beetje. Deze fijne gevoelige vrouw vroeg als enige vergoeding een beetje gezelschap, meer niet! Over lesgeld sprak ze niet. Els had geen idee wat normaal een avond privé-les bij iemand met haar reputatie kostte, maar ze wist wel, dat mevrouw Ten Brink verschillende zangeressen had "afgeleverd" die nu een wereldnaam hadden. Nu wist ze niet anders te doen, dan naar mevrouw Ten Brink te lopen en haar een ferme zoen op beide wangen te geven. "Al goed, al goed," zei deze en de anderen zagen, hoe ze even vol schoot bij die spontaniteit. "Maar houd er rekening mee, dat het hard werken is. Alleen, als er werkelijk aanleg is en je bereid bent je voor de volle honderd procent te geven, kunnen we samen wat bereiken." Afgesproken werd nog, dat Els donderdagsavonds om klokslag acht uur bij haar zou zijn en daarna kwam het gesprek weer op neutrale dingen. Mevrouw Ten Brink vertelde allerlei anecdotes uit haar omgang met verschillende bekende figuren, die moeder af en toe het hoofd even deden schudden. In stilte vergeleek ze haar eigen rustige leventje met dat van de vrouw naast haar en dan benijdde ze haar niet. Veel moois moest deze grijzende vrouw in haar leven meegemaakt hebben, maar de gezellige sfeer van een normaal huisgezin had ze eigenlijk nooit gekend. En dat ze dat zelf als een gemis voelde, bleek overduidelijk uit haar woorden, waarmee ze haar aanbod had gedaan. Vurig hoopte moeder in stilte, dat het haar enige dochter anders zou vergaan. Maar Els scheen daar voorlopig nog geen erg in te hebben. Ze hing aan de lippen van de vertelster, die overigens ook belangstellend luisterde, als een ander aan het woord was. Als moeder vertelde over de tijd, dat Hans en Els nog kleine kinderen waren, hing ze bijna gretig aan haar mond. Zelf was ze enig kind geweest met een gemakkelijke jeugd, geheel vrij van financiële zorgen. Misschien was dat wel de reden, waarom ze altijd een beetje eigenzinnig was geweest. Haar ouders hadden zich de toekomst heel anders voor gesteld. De jonge Ingrid ten Brink zou een universitaire opleiding krijgen, om zich later ergens als arts te vestigen. Maar het lot had anders beslist. Inplaats van naar de universiteit te gaan, kwam ze terecht op het conservatorium, aanvankelijk meer als tijdverdrijf, dan wel, omdat ze werkelijk plannen had, in de muziek verder te gaan. Ze bespeelde verschillende instrumenten op een voortreffelijke wijze; terwijl vooral orgel en piano haar voorkeur hadden. Later werd ze meer getrokken door de muzikale prestaties van het menselijke stemgeluid. Het vreemde was, dat ze zelf nog nooit op het podium had gestaan. "Dat vergde te veel van mijn zenuwgestel," bekende ze een beetje pijnlijk glimlachend. Haar muzikale prestaties in het openbaar hadden zich nooit verder uitgestrekt, dan een optreden voor liefdadige doeleinden. Zo was het trouwens ook nog nooit nodig geweest zich te laten betalen. Haar maandelijkse toelage stond vast, daar zorgde haar vader wel voor, die eigenaar was van een grote textielfabriek. Maar plotseling veranderden de omstandigheden. Het bloeiende bedrijf had enige gevoelige klappen moeten incasseren en daarna ging het snel bergafwaarts. De grootte van de toelagen verminderde geleidelijk en toen begon het pas door te dringen tot de jonge Ingrid, die toen eigenlijk al niet zo jong meer was, dat ze zelf zou moeten aanpakken. "En het resultaat is geweest, dat ik langzamerhand zelf lessen ben gaan geven," besloot ze haar verhaal. "En hoe is het afgelopen met de fabriek van Uw vader?" vroeg meneer De Roode belangstellend. "O, die rendeert nu weer goed," zei mevrouw Ten Brink achteloos. "Ik geloof zelfs, dat ik er nog wat aandelen van heb, die vader me na heeft gelaten. Het is alleen jammer, dat hij het zelf niet meer heeft mogen beleven." De visite werd opgebroken, maar mevrouw Ten Brink stond er op, dat ze eerst het echtpaar De Roode naar huis zou brengen. Els zou dan later komen op de fiets. "Maar denk er om, de kruising bij het viaduct over de Haagseweg is altijd erg druk!" zei mevrouw Ten Brink nog even plagend..... |
HOOFDSTUK VIEr brak een drukke tijd aan voor Els. Als ze gedacht had, dat ze de zanglessen er zo en-passant wel even tussendoor kon doen, vergiste ze zich schromelijk. Want mocht mevrouw Ten Brink een toegevende, vriendelijke dame zijn buiten haar werk, als lerares was ze lang niet gemakkelijk, dat merkte Els al spoedig. En het vervelende vond ze nog wel, dat er van zingen niet eens zo veel kwam, gedurende de eerste periode. Bijna was Els een beetje beledigd geworden, toen ze de eerste avond een soort test had afgelegd, waarbij ze een lied naar vrije keus had mogen zingen. Maar verder dan de helft van het lied kwam ze niet. Toen stopte mevrouw Ten Brink ontsteld de vingers in haar oren en kneep de ogen dicht, om vooral te demonstreren hoe verschrikkelijk lelijk ze het wel vond. Daardoor was Els werkelijk een beetje gepikeerd. Natuurlijk wist ze zelf wel, dat ze lang geen volmaakte stem had, maar dit vond ze toch wel een beetje overdreven. Maar mevrouw Ten Brink legde haar uit, hoe ontstellend veel fouten er kleefden aan de stem van haar pupil. Die eerste avond deed ze bijna niets anders, dan steeds weer een paar regels uit het lied te herhalen terwijl het uur, dat nog overbleef, werd besteed aan muziektheorie. En zo bleef het de eerste weken. Eerst liet de leermeesteres een tijdlang "darren" zoals Els het in zich zelf weinig damesachtig uitdrukte, om vervolgens over te gaan op de voorgeschiedenis van het lied, de tijd waarin het gemaakt was en de invloeden die daardoor veelal uitgeoefend waren op de componist. Het duurde lang, eer Els het eerste prijzende woord te horen kreeg over haar vorderingen. Af en toe was ze het werkelijk meer dan beu, de eeuwige kritiek op haar uitspraak van verschillende woorden, de lange uithalen, die ze volgens mevrouw Ten Brink maakte en de naar haar mening zinloze praatjes over de componist. En de weken verstreken, het werden maanden. Els blokte als een bezetene voor haar eindexamen, dat voor de deur stond. Niet dat ze zo gebrand was op het behalen van haar diploma, maar in dat opzicht voelde ze, dat ze niet mocht falen. Ze had haar woord gegeven, dat haar werk op school niet zou hoeven te lijden onder haar zangstudie en bovendien voelde ze het ook nog als een persoonlijke eer. "Je ziet er slecht uit, kindje," zei mevrouw De Roode eens tegen haar, nadat ze een hele avond op haar kamertje had zitten werken. "Ik ben echt bang, dat het een beetje te veel voor je wordt." Bezorgd keek ze naar het bleke gezichtje, dat een beetje weggetrokken stond. "Ze moet er nodig eens een poosje uit," vond ook vader. "Wat zouden jullie er van zeggen, als we er met zijn drietjes een weekje op uit trokken, wanneer onze Els is geslaagd?" "Als ik geslaagd ben," zei Els een beetje moedeloos. "Nu, als het daarvan af gaat hangen, geloof ik niet dat er veel van komt." "Nou, nou, niet zo pessimistisch," troostte moeder. "Tenslotte heb je nog bijna vier weken de tijd." "En als je het haalt, beloof ik jullie een prachtig uitstapje," zei vader nog eens. "Waar gaan we dan naar toe?" vroeg Els nieuwsgierig. "Dat is voorlopig mijn geheim," plaagde vader. "Maar ik verzeker je, dat het de moeite waard is, om er je best voor te doen." "Me dunkt anders, dat het daar niet aan ligt," nam moeder het voor Els op. "En misschien, heel misschien, heb ik dan nog een kleine verrassing in petto," zei vader, zonder op de woorden van zijn vrouw te letten, naar het scheen. "Je maakt me razend nieuwsgierig, man," zei moeder, maar vader glimlachte alleen maar eens geheimzinnig. Ook Els brandde van verlangen om te weten, wat vader nu eigenlijk van plan was, maar die bleek beslist niet van plan om zich uit te laten horen. En dus zat er voor Els niet veel anders op, dan zich met nieuwe energie op haar werk te werpen. De omgang met de familie Koster verslapte er een beetje door. Ook Ans zat trouwens voor haar eindexamen, dus evenals bij Els thuis heerste daar de nodige spanning over de uitslag. Ans leerde al niet zo heel gemakkelijk, in tegenstelling tot Els. Het verschil tussen die twee was echter, dat Ans zich altijd voor de volle honderd procent kon geven en al haar aandacht bepaalde bij het werk, waar ze mee bezig was. Bij Els ging het meer bij vlagen. Ze moest het vaak eerst flink op haar heupen hebben, wilde ze een hele avond of middag haar best kunnen doen. Had ze het eenmaal te pakken, dan werkte ze ook als een razende door en was er bijna niets wat haar af kon leiden. De keren, dat de beide meisjes met elkaar spraken, kwam het gesprek steevast weer op de komende weken en de climax, die daar op moest volgen. Ook mevrouw Ten Brink begreep, dat de spanning Els langzamerhand een beetje te veel werd. Een week of drie voor het examen zei ze daarom op een avond: "Zo, en na vanavond neem je eerst maar eens je rust, wat onze lessen betreft. Tenslotte kun je maar één ding goed doen, en je schoolstudie is voor het ogenblik belangrijker dan het andere." In haar hart was Els het wel met haar eens, maar toch protesteerde ze nog even. "Ik kan het gemakkelijk volhouden," zei ze dapper. "Ja, dat zie ik aan je gezicht," zei mevrouw Ten Brink droog. "Ik geloof, dat je eens wat meer in de spiegel moet kijken, dan neem je je woorden vanzelf terug." "O, dat beetje kleur komt er van zelf weer op," deed Els nog een laatste poging. Mevrouw Ten Brink bleek echter niet te vermurwen. "De eerste maand zie ik je hier niet weer binnen," zei ze resoluut en Els begreep, dat er niets meer aan viel te veranderen. Het examen zelf viel erg mee. Met een gerust hart ging ze na afloop naar huis in de stellige overtuiging, dat ze practisch al het werk goed had gemaakt. En enige weken later had ze definitieve zekerheid, ze was glansrijk geslaagd! Er heerste grote vreugde in het huis van de familie De Roode, toen de uitslag bekend was. En nog diezelfde avond belegde vader een kleine vergadering. Tot Els' grote verrassing was mevrouw Ten Brink daarbij ook van de partij. Die had gezorgd voor een grote bos rozen, vergezeld van één der lievelingsplaten van Els. Nu wilde ze persoonlijk nog even feliciteren, zei ze. Maar haar komst bleek nog een ander doel te hebben, want eindelijk kwam vader dan ook voor de dag met zijn plannetje, waarbij mevrouw Ten Brink direct was betrokken. Had vader eerst gesproken over een uitstapje voor hun drieën, nu bleek dat ook Els' leermeesteres mee zou gaan. Tien dagen zouden ze naar Zwitserland gaan. Alles was al in kannen en kruiken, het hotel was besproken, dus ze hadden alleen nog maar hun spullen te pakken en op de trein te stappen. Verrukt vloog Els haar vader om de hals en zoende hem aan alle kanten. "Vader, je bent een schat," riep ze wel tien keer en daarna kregen moeder en mevrouw Ten Brink een beurt. "Ja, ik wist er ook niets van hoor," weerde moeder af. "Ik ben zelf met stomheid geslagen!" "Nee," lachte vader, "dat is nu eens een plannetje dat wij samen hebben uitgebroed, mevrouw Ten Brink en ik." "En als ik nu was gezakt?" vroeg Els ondeugend. "Ik wist zeker, dat je niet zou zakken," lachte vader. "Als jij eenmaal iets in je hoofd hebt, is er geloof ik, geen macht ter wereld, die je tegen kan houden." Els was gewoon door het dolle heen over die onverwachte verrassing. Ze was in haar leven nog nooit verder geweest dan Maastricht met een reisje van school, maar nu zou ze dan voor het eerst haar vleugels uitslaan naar het buitenland. En niet zo maar met een reisvereniging, maar helemaal op eigen gelegenheid! Mevrouw Ten Brink zat het allemaal glimlachend aan te zien. Zelf was ze al tientallen keren in Zwitserland geweest, maar ze had zich er ook nog nooit zo veel van voorgesteld als deze keer, nu de omstandigheden waaronder ze ging, zo hemelsbreed verschilden bij die, welke ze gewend was. Moeder besloot, meteen de volgende dag aan de nodige voorbereidingen te beginnen, want er moest natuurlijk nog een heleboel georganiseerd worden, wilde alles zonder haperen verlopen. En zo gebeurde het, dat wil zeggen, zo zou alles gebeurd zijn, als er niets tussen was gekomen. Alles was al bijna in orde gemaakt. Een paar dagen van te voren had moeder alles klaar staan, wat er meegenomen moest worden, toen er iets gebeurde, dat alles in de war stuurde. Toen moeder een paar dagen voor de reis aan zou vangen, boodschappen wilde doen in de straat, stak ze zonder op of om te kijken over. En waar ze Els honderden keren voor had gewaarschuwd, gebeurde haar nu zelf. Met daverend geweld knetterde een jeugdige bromfietsberijder door de doorgaans stille straat. Toen de knaap was genaderd tot op een afstand van een meter of tien, keek mevrouw De Roode eigenlijk pas op. In haar verwarring wilde ze juist een paar passen terug doen en dat werd haar noodlottig. De jeugdige berijder was van plan achter haar langs te rijden, in de veronderstelling dat ze gewoon door zou lopen. Met een flinke hoofdwond lag mevrouw De Roode even later op straat. Ook de bromfiets lag, met zijn berijder er naast, op de weg, maar de jongen scheen er goed te zijn af gekomen. In allerijl krabbelde hij overeind en in de verwarring, die er ontstond, maakte hij zich snel uit de voeten, geschrokken als hij was, toen hij de hevig bloedende dame op straat zag liggen. Van alle kanten kwam er direct hulp opdagen en iemand belde direct om een dokter. Weldra gierde er een ambulanceauto de straat in en enige minuten nadat het ongeluk was gebeurd, was mevrouw De Roode al onderweg naar het ziekenhuis. Haar boodschappentas bleef verlaten op de weg liggen, totdat mevrouw Koster zich er over ontfermde en hem maar naar binnen nam. Els was niet thuis, toen zich dat alles afspeelde. Met Ans, die inmiddels ook geslaagd was voor haar examen, trok ze er bijna alle dagen op de fiets op uit om alvast te genieten van een welverdiende ontspanning. Ook nu reden de meisjes ergens buiten de stad, druk pratend over hun vacantieplannen en zich niet bewust van wat er inmiddels was gebeurd. Pas een uur later kwamen ze welgemoed aanrijden. Mevrouw Koster zat al uit te kijken en ving de beide meisjes op. Voorzichtig vertelde ze Els wat er gebeurd was, die hevig schrok, toen ze het verhaal hoorde. "Moeder is toch niet..." begon ze, maar mevrouw Koster viel haar in de rede. "Welnee," zei ze, "er is niets ernstigs aan de hand. Je moeder heeft waarschijnlijk een hersenschudding opgelopen, dus over een paar weken is ze weer de oude." Het was vreemd, en Els kon zich er wel om het hoofd slaan, zo egoïstisch vond ze het van zichzelf, maar een van de eerste gedachten, die haar door het hoofd gingen was: "Hoe moet dat nu met de vacantie?" Maar ze vroeg verder niets, alleen waar moeder naar toe was gebracht en of vader er al van af wist. Toen ze hoorde, dat die al op de hoogte was gesteld, pakte ze meteen haar fiets en het volgende ogenblik was ze al weer op weg. O, als het toch maar niet erger was dan mevrouw Koster het had voorgesteld, vroeg ze zichzelf steeds weer af. Maar het bleek gelukkig nog al mee te vallen. In het ziekenhuis werd ze meteen toegelaten bij moeder en dat beschouwde ze zelf als een gunstig teken. Een beetje witjes lag mevrouw De Roode tussen de smetteloze ziekenhuislakens, een flink verband om haar hoofd. Ondanks de nare omstandigheden moest Els warempel even lachen, toen ze begrepen had, dat alles niet zo erg was, als ze eerst had gevreesd. Moeder, die altijd zo bedrijvig was, als ze tenminste niet oververmoeid was, had hier weinig in te brengen. In opdracht van de dokter moest ze volkomen stil liggen en dat deed ze dan ook. Vader was er ook. Hij was ook hevig geschrokken, want het viel Els op dat hij nog bleker zag, dan moeder zelf. Die scheen de zaak nog al gemoedelijk op te nemen. "Zo, hier wordt me tenminste al het werk uit handen genomen," zei ze in een mislukte poging om grappig te zijn. Zwijgend zat het drietal verder bij elkaar, ieder verdiept in zijn eigen gedachten. Tenslotte was het weer moeder, die de stilte verbrak. "Dat dat nu juist vlak voor de vacantie moest gebeuren," zei ze. "Nu stuur ik het hele programma in de war door mijn onvoorzichtigheid!" "Dat is het ergste niet," zei vader, tegen zijn gewoonte in een beetje korzelig. "Als jij niet kunt gaan, blijf ik vanzelfsprekend ook thuis." "En Els dan?" sprak moeder zacht tegen. "O, natuurlijk ga ik ook niet," zei Els haastig. Maar zowel vader als moeder zagen aan haar gezicht wel hoezeer het haar speet, dat het reisje, waar ze zich zo op had verheugd, nu niet door zou kunnen gaan. "Jij gaat wel," besliste moeder na een korte pauze. "Het reisgeld is al betaald. Voor ons schiet het er dit jaar misschien wel bij in, omdat vader zijn vacantie al had besproken op kantoor. Maar de dokter heeft gezegd, dat er geen enkel gevaar is voor me en daarom zie ik geen reden, waarom jij niet weg zou gaan. Je hebt er tenslotte hard voor gewerkt. Ik zal aan mevrouw Ten Brink vragen of die samen met jou wil gaan. We kunnen van haar ook moeilijk verlangen, dat zij thuis blijft, omdat ik zulke domme dingen doe." Een zuster kwam zeggen, dat vader en Els nu weg moesten gaan. Moeder mocht zich nog niet te veel vermoeien en een beetje bedrukt verliet het tweetal de ziekenzaal. "Het is misschien nog niet zo gek, wanneer jij inderdaad weg gaat zonder ons," zei vader, toen ze hun huis al naderden. "Hier kun je toch weinig doen en ik ben er van overtuigd, dat jullie je met zijn tweeën ook wel zult weten te vermaken." Na een telefonische afspraak te hebben gemaakt, gingen vader en dochter 's avonds naar mevrouw Ten Brink, die langzamerhand een van hun meest intieme kennissen was geworden en met wie ze over al hun moeilijkheden konden spreken. Toen vader het plan van hem en moeder had uiteengezet, knikte ze instemmend. "Misschien is het wel beter," zei ze bedachtzaam. "Ik had er, eerlijk gezegd, ook helemaal op gerekend met mijn afspraken. Dan moeten wij ons met zijn tweeën maar zien te vermaken, Elsje." Els zou toch naar Zwitserland gaan! HOOFDSTUK VIILieve ouders, Hierbij dan mijn eerste en waarschijnlijk enige brief, die ik jullie schrijf vanuit Lauterbrunnen. Het is schandelijk, maar ik krijg echt niet veel tijd om veel te schrijven, vandaar dat jullie nog niets anders van me hebt gezien dan prentbriefkaarten. We zitten hier in een heel klein dorpshotelletje, vanwaar we in de verte de Jungfrau kunnen zien. Het is een machtig gezicht en ik geniet er alle dagen volop van. Trouwens, de hele omgeving is hier prachtig. We zitten hier op de grens van het Berner Oberland, waar de Jungfrau het middelpunt zo'n beetje van vormt. Het is hier tamelijk druk met vacantiegangers op het ogenblik en je hoort hier alle talen door elkaar, Engels, Duits, Frans en dan zijn er ook nog al wat Nederlanders. Ik had gedacht, dat ik nog zou kunnen skieën, maar dat is op een teleurstelling uitgelopen, want er ligt hier geen sneeuw meer. Daarvoor moet je veel te hoog klimmen op het ogenblik en de hellingen daarboven zijn natuurlijk te steil. Misschien is het wel goed, dat ik niet in de gelegenheid ben om het te proberen op de lange latten, want tenslotte heb ik dat nog nooit gedaan. En moeder zou waarschijnlijk geen gerust ogenblik hebben, als ze wist, dat haar "wildebras" in Zwitserland probeerde die kunst onder de knie te krijgen. De eigenares van het hotel hier is alleraardigst. Ik heb al hele gesprekken met haar gevoerd. Ze spreekt natuurlijk Frans en ook Duits en daardoor leer ik beide talen nu een beetje in praktijk te brengen. Wat de mensen wel eens beweren, als zouden alle Zwitsers de hele dag lopen te jodelen, is beslist niet waar. Ik geloof, dat dat hetzelfde verhaal is als wat de buitenlanders te slikken krijgen over Holland. De mevrouw van het hotel keek me stomverbaasd aan, toen ik haar vertelde, dat heus niet alle Nederlanders op klompen rondlopen en ik moest mevrouw Ten Brink er bij halen, om haar te overtuigen van mijn woorden. Mevrouw Ten Brink is overigens heel erg lief voor me. We trekken de hele dag samen op, alleen vanmorgen was ze een beetje boos op me, omdat ik haar toen uitlachte. Ze klaagt namelijk veel over kou. Toen ik haar om een uur of negen van haar kamer af wilde halen, was ze nog niet eens opgestaan en pas nadat ik twee keer had geklopt, deed ze de deur open. En toen zag ik voor het eerst, dat ze een slaapmuts en slaapsokken aan had. Daar moest ik toen zo hartelijk om lachen, dat ze er een beetje door in haar wiek geschoten raakte. Maar gelukkig is ze het nu inmiddels weer vergeten en we hebben er vandaag verder niet meer over gesproken. Vanavond gaan we naar een toneelvoorstelling in Interlaken, dat hier dicht in de buurt ligt, op een afstand van hoogstens vijftien kilometer. En heel misschien gaan we de laatste avond van ons verblijf in Zwitserland nog naar Bern, naar de opera. Maar dat is echt nog niet helemaal zeker. Ik heb nog steeds niet gevraagd hoe het met moeder gaat, iets wat ik nu graag goed wil maken. U hebt wel een erg onhartelijke dochter, die alleen maar over zich zelf zit te schrijven! Maar het vervelende van vragen in een brief is, dat ze toch niet direct beantwoord worden en daardoor lijken ze altijd een beetje zinloos. In gedachten hoor ik moeder al zeggen, dat ik dat woord niet zo veel moet gebruiken en dat ik de dingen wel eens wat al te nuchter zie. Wees maar niet boos op me, lieve mam, Uw dochter meent het zo kwaad niet! En als mijn woorden u toch nog niet bevallen, mag u me volgende week als ik weer thuis ben, eens flink straf geven. Ik laat het hierbij, mijn nieuws is uitgeput. Mevrouw Ten Brink laat u ook hartelijk groeten en spoedige beterschap toewensen. En dat doet natuurlijk ook (met een heleboel zoenen) Ziezo, dat stond er. Tevreden las Els het epistel nog eens over, alvorens ze de brief in een enveloppe sloot en die dicht plakte. Ze zou hem nu nog even posten, alvorens de brievenbus gelicht werd, dan hadden vader en moeder hem overmorgen thuis. Ze kon hem natuurlijk vanavond ook posten in Interlaken, misschien was er van daar uit nog een snellere verbinding met Holland. Aldus besloten stopte Els de brief in haar jaszak en daarna ging ze zich gereed maken voor het uitstapje van die avond. Ze trok de beste spulletjes aan, die ze bij zich had en mevrouw Ten Brink keek goedkeurend naar haar, toen ze zich even later bij haar kwam presenteren. Els kon uitstekend overweg met de kok en had gedaan gekregen, dat ze wat eerder konden dineren, dan de andere gasten, om bijtijds op te kunnen stappen. De afstand naar Interlaken was wel niet zo ver, maar de verbinding er naar toe was slecht. Dank zij de voorzorgsmaatregel van het vroege diner kwam het tweetal echter bijtijds in de stad aan en konden ze op hun gemak naar het theater wandelen. Juist wilden ze daar naar binnen gaan, toen Els zich opeens de brief in haar jaszak herinnerde. Die was ze bijna vergeten en op die wijze ging het voordeel van het posten in de zo veel grotere stad helemaal verloren. Aan een voorbijganger vroeg ze de dichtstbijzijnde brievenbus. Het bleek, dat ze dan de straat weer in moest, waar ze juist vandaan waren gekomen. Daar ergens op een van de hoeken moest dat nuttige apparaat te vinden zijn. Met mevrouw Ten Brink sprak Els af, dat die op haar zou wachten in de hal van het theater, waar ze alvast plaatsen zou nemen. Op een holletje keerde Els terug op haar schreden, scherp uitkijkend naar een brievenbus. Maar dat scheen tegen te vallen, want voorlopig zag ze niets, dat daar op leek. "Misschien kunt u me zeggen, waar ik een brievenbus kan vinden?" vroeg ze in haar beste school-Duits aan de eerste voetganger die haar passeerde. De man mompelde wat, maar scheen haar niet van dienst te kunnen zijn. Zonder een antwoord te geven liep hij verder. "Wat een vlegel," mopperde Els in zich zelf en direct probeerde ze het bij een tweede voorbijganger. Die begon haar omstandig uit te leggen, dat er hier in de allernaaste omgeving geen brievenbus te vinden was en dat ze daarvoor nog minstens tweehonderd meter moest lopen. "Tweemaal rechtsom," maakte Els op uit zijn verhaal en in arren moede begon ze maar weer te lopen. Ze liet mevrouw Ten Brink wel wat lang op zich wachten, maar tenslotte kon zij daar toch ook niets aan doen. Als ze vanavond de brief voor haar ouders weer mee terug nam moest ze hem morgen posten in Lauterbrunnen en kwamen er nog twee dagen bij, alvorens hij in Amsterdam werd bezorgd. Maar waar mocht nu die vermaledijde brievenbus toch wel staan? Het was om tureluurs van te worden. Op goed geluk sloeg Els weer een hoek om en ze slaakte een zucht van verlichting, toen ze een huis of tien verder inderdaad de bus van de Zwitserse posterijen zag staan.
Maar het was de verkeerde straat, die Els ingeslagen was. Dat bemerkte ze al spoedig. Ze was, ondanks het feit dat ze op de heenweg twee keer iemand had gevraagd, stellig niet langer onderweg geweest dan een minuut of vijf en nu was er na tien minuten nog niets, wat haar bekend voor kwam en waar ze enig houvast aan had. En het allerergste was nog, dat ze niemand naar de weg kon vragen om de eenvoudige reden, dat ze niet wist waar ze naar toe moest. Mevrouw Ten Brink had alles verzorgd per telefoon. Wel had Els éénmaal de naam van het theater gehoord, maar ze had er verder niet op gelet en van een straatnaam wist ze helemaal niets af. Els scheen nu in een volksbuurt terecht te zijn gekomen, te oordelen althans naar de vrij sobere bouwtrant. Een half uur en langer liep ze maar door op goed geluk en het huilen stond haar langzamerhand nader dan het lachen. Tenslotte gunde ze zich zelf even rust door op een bank neer te vallen. Zo zat ze daar in een vreemde stad een beetje zielig ineen gedoken en niet wetend wat te doen. Het werd langzamerhand tamelijk koud in de bijna donkere avond en Els begreep, dat er toch iets moest gebeuren. Maar het werd steeds lastiger om iets te ondernemen, want had ze op het eerste deel van haar dwaaltocht mensen genoeg gezien, hier werd het steeds stiller. Maar dan zag ze op een afstand iemand naderen in uniform, mogelijk een politieman. Nu kwam het er maar op aan, hem duidelijk te maken wat er aan de hand was. Ze haalde alle conversatie-Duits bij elkaar om hem aan het verstand te brengen, met wat voor een verschrikkelijk probleem ze te kampen had, maar de ander scheen het niet te begrijpen. Vriendelijk lachend haalde hij zijn schouders op ten teken, dat hij haar graag terwille zou zijn, als hij maar wist, wat er van hem verlangd werd. Wanhopig pijnigde Els haar hersens af om het goede woord te vinden. Wat was nu ook weer "verdwaald" in het Duits? "Ich bin eine Holländische," probeerde ze tenslotte. De politiebeambte grijnsde breed. "Ah Holland, ein schönes Land," zei hij. "Ich bin mit Ferien," begon Els weer. "Wie lange?" wilde de ander weten. Els zuchtte eens. Wat deed dat er nu toe? Maar ze mocht de man der wet in geen geval tegen zich innemen en daarom antwoordde ze, zo vriendelijk als haar humeur het toe liet op dit moment: "Zehn Tage." "Ich gehe vierzehn Tage mit meiner Frau nach Zürich," vertelde de man opgewekt. "Ah, aber das ist wunderbar," leefde Els mee. Ze begon plezier te krijgen in het gesprek, maar begreep, dat ze op deze wijze niet veel verder kwam. "Ich musz zu meiner Freundin," zei ze. "Ah, und wo wohnt deine Freundin?" "In Amsterdam," antwoordde Els. De ander keek haar eens even aan, alsof hij zich begon af te vragen of dat Hollandse meisje hem in de maling stond te nemen. Maar Els keek hem zo trouwhartig aan, dat die verdenking hem blijkbaar direct daarna weer ongegrond voor kwam. "Gehen Sie noch heute Abend?", vroeg hij beleefdheidshalve. Ondanks het weinige prettige van de situatie moest Els even lachen. Het was werkelijk komisch! Ze vroeg zich af wat die man langzamerhand wel van haar moest denken. Het moest wel een gekke indruk maken, dat hij hier aangesproken werd door een meisje, dat met vacantie in Zwitserland was en hem vertelde dat ze naar haar vriendin ging die in Amsterdam woonde! Ze had maar niet eens geprobeerd, uit te leggen in welke verhouding ze eigenlijk stond tot mevrouw Ten Brink, dat maakte alles nog maar ingewikkelder. Trouwens, de geüniformeerde man scheen er langzamerhand over te denken maar door te lopen, toen hij zag dat Els in zich zelf stond te lachen. Heinrich Bellwinkel voelde er niets voor zich uit te laten lachen door een meisje, dat nog niet lang van school af kon zijn! Maar Els klampte zich, figuurlijk tenminste, aan hem vast. Ze had wel begrepen, dat deze man niet bepaald intelligent was maar tenslotte had ze haar vertrouwen in hem gesteld, omdat hij van de politie moest zijn. "Meine Freundin ist im Theater und ich wollte auch dahin," probeerde ze het nog eens. Maar nu begreep Heinrich er helemaal niets meer van, naar het scheen. Daarnet vertelde dat vreemde meisje, dat die vriendin in Amsterdam was en nu probeerde ze hem weer wijs te maken, dat ze in het theater was! Er sloop een twijfel het hart van Heinrich Bellwinkel binnen. Dat kind zou toch niet weg zijn gelopen uit een inrichting of iets dergelijks? Maar dan moest hij haar naar het politiebureau zien te krijgen! Dan mocht hij dit meisje hier niet alleen laten, vond de brave Heinrich. Het betekende wel een vertraging in zijn programma voor die avond, maar hij kon toch dat jonge meisje hier niet alleen aan haar lot over laten? Had Els geweten wat voor functie Heinrich bekleedde in de maatschappij, had ze hem waarschijnlijk niet met zo veel vertrouwen op het einde van haar dwaaltocht aan gesproken. Want Heinrich was geen politiebeambte maar een nachtwaker, die aan zijn eerste ronde begonnen was. Eerst vond hij het wel een leuke onderbreking van zijn geregeld loopje, maar hij had met zijn vrouw afgesproken, dat hij tegen negen uur een kopje koffie zou komen drinken. Dat was zo een vaste gewoonte geworden in de loop der jaren, althans wanneer hij in deze wijk surveilleerde. En nu zag hij zich plotseling voor deze zonderlinge situatie geplaatst. Vastbesloten zei hij plotseling: "Gehen Sie mit zum Polizeiamt." "Das ist gut," zei Els blij. Hè, hè, daar zou ze misschien meer opschieten. Een beetje verwonderd keek Heinrich haar van opzij aan. Zou hij zich vergissen? Enfin, het zou hem ook een zorg zijn. Hij had in elk geval straks zijn plicht gedaan en de rest moesten ze bij de politie maar uitzoeken. Na een stevige wandeling bereikten ze een minuut of tien later het politiebureau. In rad Duits vertelde de nachtwaker, waar hij dat Hollandse meisje was tegen gekomen en wat hij van haar dacht. Daarna stapte hij vlug de deur weer uit. Ziezo, dat had hij netjes afgewerkt. Nu gauw naar Heidi, zijn vrouw, die natuurlijk de koffie al lang bruin had. Die had er een hekel aan, als haar man op zich liet wachten en dan was ze niet een van de gemakkelijksten! "Sprechen Sie Deutsch, Fräulein?" vroeg inmiddels de ambtenaar van de Zwitserse politie aan Els. "Ein wenig," antwoordde Els. En tot haar grote opluchting vervolgde de man der wet toen in gebroken Nederlands: "Wel, laten we dan proberen elkaar in het Hollands te begrijpen." "Heel graag," zei Els dankbaar. "Vertelt u mij dan maar eens wat er precies aan de hand is. Die nachtwaker heeft me al iets gezegd, maar zijn verhaal is me niet erg duidelijk geworden." "Nachtwaker?" vroeg Els verbaasd. "Ik dacht dat hij ook van de politie was!" "Welnee," lachte de ander. "Zo ver zal onze vriend Heinrich het wel nooit brengen, denk ik, want erg snugger is hij niet!" "Nee, dat dacht ik ook al," zei Els nu weer vrolijk. En weer moest ze even lachen, zo komiek vond ze haar vergissing achteraf. Bondig vertelde ze nu, hoe de vork in de steel zat en hoe het kwam, dat de brave nachtwaker haar daar nu alleen op dat bankje had zien zitten. Toen ze klaar was met haar verhaal, floot de politieman eens bedenkelijk. "De mevrouw, in wiens gezelschap u is, zal dan langzamerhand wel in ongerustheid zitten," veronderstelde hij. "Dat is nu juist wat me het meeste dwars zit," bekende Els. "Maar bovendien heb ik geen geld bij me, dus ik zou niet eens terug kunnen gaan naar Lauterbrunnen!" "Dan zal er niets anders opzitten, dan dat ik alle schouwburgen in de stad opbel om mevrouw Ten Brink te pakken te krijgen," besliste de ander. Juist wilde hij de hoorn van het toestel nemen toen dat begon te rinkelen. "Hallo ja," zei de politieman, de hoorn opnemend. "O, dat is niet meer nodig," hoorde Els hem even later antwoorden. "Nee, nee, dat is echt niet noodzakelijk. Is die mevrouw bij u? Ja, geeft u haar even aan de lijn." Voor de verraste Els wist waar het om ging, kreeg ze plotseling de hoorn van de telefoon in de handen gedrukt. "Hallo ja," hoorde ze aan de andere kant van de lijn een ongeduldige vrouwenstem zeggen en haar hart sprong op, toen ze daarin de stem van mevrouw Ten Brink herkende. "Met Els, mevrouw Ten Brink!" schreeuwde ze bijna. En toen gebruikte mevrouw Ten Brink een uitdrukking, die Els nog nooit van haar had gehoord, zo opgelucht en boos tegelijk was ze blijkbaar. Terwijl de politiemannen vermaakt zaten toe te kijken, vertelde Els in het kort, wat er gebeurd was. En daarna was al het leed vlug geleden. Even later stapte Els in een snelle politieauto, die haar naar het politiebureau bracht waar mevrouw Ten Brink op haar zat te wachten. Daar werden de wederzijdse ervaringen natuurlijk nog eens uitgewisseld. Mevrouw Ten Brink vertelde, hoe ze eerst bijna een half uur had staan wachten om daarna op eigen houtje op onderzoek te gaan. Dat had niets op geleverd en toen was ze maar weer terug gelopen naar de schouwburg, in de hoop, dat Els daar inmiddels was gearriveerd. Zelfs had ze haar naam om laten roepen tijdens een korte pauze tussen twee nummers wat begrijpelijkerwijs geen resultaat opleverde. Tenslotte kwam ze op hetzelfde idee als haar jonge vriendin en nam ze de politie in de arm. Nu alle narigheid achter de rug was, konden ze er allebei gelukkig hartelijk om lachen en vooral Els kreeg het steeds weer een beetje benauwd, als ze dacht aan de goede Heinrich Bellwinkel, die waarschijnlijk nog steeds in de overtuiging was, dat hij een ziek meisje naar het politiebureau had gebracht! HOOFDSTUK VIIIDe vermaarde sopraan Renate di Stefano dankte vriendelijk buigend voor het stormachtige applaus dat haar ten deel viel voor haar prachtige weergave van Schubert's "Die Forelle". Ofschoon ze langzamerhand wel gewend moest zijn aan dergelijke uitbarstingen van geestdrift bij het publiek, konden de mensen op de voorste rijen zien, dat ze ontroerd was door de dankbaarheid van haar toehoorders. Ergens midden in de zaal zat Els als een dolle mee te applaudiseren. Tijdens het zingen had ze ademloos mee zitten luisteren, diep onder de indruk van de prachtige vertolking, waarvan de zangeres hen allen had laten genieten. Zodra de laatste toon was verklonken, stond ze als een van de allereersten op en klapte, zoals ze nog nooit had geklapt. Mevrouw Ten Brink keek haar van opzij eens glimlachend aan. Ze had wel verwacht dat haar beschermeling het programma mooi zou vinden, maar dat ze er zo van onder de indruk zou zijn, nee dat niet. Zelf had ze in de loop der jaren wel meer mooie liederen gehoord, gezongen door wereldberoemde zangeressen en al was ook zij steeds weer getroffen, ze wist haar reacties wat beter te beheersen en toonde haar gevoelens niet zo uitbundig meer. Nadat het handgeklap was verstomd, bleef Renate die Stefano rechtop staan in de voor haar stereotype houding, de handen gekruist voor het lichaam. Vervolgens klonk haar glasheldere stem weer door de zaal met een aria uit "La Bohème" van Puccini en onmiddellijk was het publiek weer doodstil, gevangen in de ban der kunstenares. Sprankelend als een waterval, dan weer heel zacht en heel teer, zo schenen de klanken op iedereen in te werken. Blijkbaar zonder de minste moeite bracht ze de melodie, als was het gesproken woord zonder enige toongeving. Ofschoon Els niet direct een liefhebster was van opera onderging ze toch weer datzelfde gevoel als ze tijdens het eerste nummer gehad had, een gevoel van grenzeloze bewondering en de stellige overtuiging, dat zij zelf nooit een dergelijke prestatie zou kunnen leveren. Welk een feilloze techniek, wat een gevoel voor de inhoud van het lied bezat deze vrouw, die daar stond als een vorstin, die haar onderdanen welwillend laat mee genieten van haar rijkdom. Weer stond de zaal als één man overeind en ook deze keer liet Els zich niet onbetuigd. Ze voelde zich één met het publiek dat een ovatie bracht aan deze geniale zangeres. "Vind je het mooi?" vroeg mevrouw Ten Brink, fluisterend in haar oor. Een beetje verdwaasd keek Els haar aan. Of ze het mooi vond? Wat moest ze nu op zo'n vraag antwoorden? "Het is.... het is overweldigend," zei ze. Anders gebruikte ze nooit van die "dure" woorden, zoals ze het zelf noemde, maar nu wist ze geen andere te vinden. Mevrouw Ten Brink scheen het trouwens ook helemaal niet gek te vinden, dat ze zich zo uitdrukte, want ze reageerde met een vriendelijk knikje en kneep Els eens veelbetekenend in haar arm. Het laatste nummer dat Renate di Stefano zong, was onbekend voor Els, maar desondanks luisterde ze intens mee. Na het optreden van de sopraan volgden drie liederen, gebracht door een tenor, wiens naam Els nog nooit eerder had gehoord. Zijn zang was echter geweldig. Heel anders dan de frèle stem van de sopraan, machtiger, bezeten bijna, vond Els. Hij zong eerst een aria uit "Rigoletto" van Guiseppe Verdi en vervolgens twee liederen, "Adelaïde" van Beethoven en dan weer iets, dat Els onbekend voor kwam. Ook hij oogstte veel applaus van het muziekminnende publiek. En daarna kwam de climax van de avond, het gezamenlijke optreden van sopraan en tenor in een duet. Daar ging de zaal nog eens extra recht voor zitten en in doodse stilte wachtte men tot de begeleidende muziek inzette. Weer was het iets uit een opera en het werd op een zodanige wijze gebracht, dat Els meteen haar vooroordeel tegen die vorm van kunst overboord wierp. De hele schouwburg leek te trillen door het geluid, dat het tweetal voortbracht. Beroerd door allerlei sentimenten en andere emoties, naar het scheen, maar in werkelijkheid volkomen beheerst en iedere noot getimed tot op een honderdste van een seconde uit brengend. Toen het lied uit was, scheen het publiek zich eerst eens te moeten bezinnen, op wat het had gehoord. Doch dan kwam de reactie. Stampend, fluitend en joelend, ieder naar zijn geaardheid, bedankten de mensen voor het gebodene en het duurde minuten alvorens het rumoer enigszins was bedaard. Moe geklapt en voldaan schuifelde Els even later naar de uitgang, mevrouw Ten Brink stevig vasthoudend, om haar vooral niet kwijt te raken. Buiten gekomen haalde ze even diep adem, alsof ze alles nog eens rustig moest verwerken en zwijgend liep ze voort naast haar begeleidster door de donkere straten van Bern. Mevrouw Ten Brink was de eerste, die de stilte tussen het tweetal verbrak. "Dat is dan meteen het besluit van ons reisje Elsje," zei ze. "Heb je het naar je zin gehad?" Een dankbare druk van Els' arm was het enige antwoord. Heel laat in de avond kwamen ze aan in hun hotel. Voor het laatste stuk hadden ze zelfs gebruik moeten maken van een taxi, daar de laatste geregelde verbinding met Lauterbrunnen al lang was vertrokken. Maar mevrouw Ten Brink scheen daar gelukkig wel op te hebben gerekend, want ze sprak met geen woord over de extra onkosten die dat met zich mee bracht. In het hotel lag alles al in diepe rust. Ze hadden echter een sleutel mee gekregen, dus dat leverde geen enkel bezwaar op. Vermoeid dook Els wat later onder de koele lakens van het hotelbed, zich niet eens meer realiserend, dat dit haar laatste nacht al weer was, die ze hier door bracht. Geen minuut, nadat ze in bed was gestapt, sliep ze al de slaap der rechtvaardigen en ze werd pas wakker van het stevige klopje op de deur, waarmee ze de volgende morgen aan de tijd werd herinnerd. Voor de laatste keer zat Els mee aan het hartige Zwitserse ontbijt. De koffers waren de vorige avond al ingepakt, zodat ze zich niet behoefden te haasten om op tijd weg te komen. Mevrouw Ten Brink had er zelfs over gesproken, om die mee te nemen, de vorige avond naar Bern, maar ze was te laat op dat idee gekomen en had het niet durven riskeren, omdat ze niet tijdig een hotel had besproken in de Zwitserse hoofdstad. Dus zouden ze hetzelfde ritje nog eens moeten maken. Had Els op de heen reis volop genoten van het landschap waar ze door kwamen, nu miste ze veel, doordat ze in de trein uren lang zat te slapen en mevrouw Ten Brink liet haar maar begaan. De reis zou nog lang duren, pas 's avonds om half twaalf zouden ze aankomen in Amsterdam. Zelf zat ze ook een hele tijd te dutten in de comfortabele kussens van de Expresse-trein. Slechts bij de stations waren ze allebei weer even klaar wakker, doordat daar de regelmaat van het denderen der trein werd verbroken. Els vroeg zich wel eens af, waar al die mensen toch naar toe mochten gaan. Je zag de meest uiteenlopende types op de perrons lopen, sommigen vreselijk gehaast, anderen op hun gemak, alsof hun al die drukte niet aan ging. Vrouwen in nationale of plaatselijke klederdrachten, heren in keurige maatcostuums, alles bewoog zich door elkaar in een bonte massa. Hoorde je het eerste gedeelte van het traject, in Zwitserland en Duitsland bijna uitsluitend Duits of Frans spreken, langzamerhand was toch te merken dat ze de Nederlandse grens naderden, want geleidelijk kwamen er meer Hollands sprekende passagiers bezit nemen van de compartimenten. Haast met een zucht van verlichting zag Els de Nederlandse douane de trein binnen stappen voor controle op eventueel gesmokkelde waar. Mevrouw Ten Brink, noch zij hadden iets aan te geven. Wel had Els een paar kleinigheden meegenomen voor haar ouders, maar ze vond het zelf de moeite niet waard om daar over te spreken. Klokslag half twaalf rolde de sneltrein het Amsterdamse Centraal Station binnen. Onwennig, met stijve benen stapte Els uit de coupé en zeulend met haar grote reistas liet ze zich mee voeren naar de uitgang onder de verschillende perrons door. Dan stonden ze, allebei een beetje vreemd kijkend op het Stationsplein waar, ondanks het late avonduur, de trams nog met veel geschuur en geraas door de bochten schoven. Niettegenstaande het feit dat ze volop had genoten in het lieflijke Zwitserse dorpje, voelde ze zich toch al spoedig weer thuis in het drukke stadsverkeer van de grote stad, die haar geboorteplaats was. Mevrouw Ten Brink ging eerst nog mee naar huis en daar wachtte hen een grote verrassing. In de gemakkelijkste fauteuil, die er in het huis te vinden was, zat mevrouw De Roode, wachtend op de behouden terugkeer van haar dochter. Nog wat bleekjes, maar blij lachend verwelkomde ze het tweetal. Vader had zowaar de tegenzin, die hij altijd had gekoesterd voor huishoudelijk werk opzij gezet en er voor gezorgd, dat er nog iets pittigs viel te drinken. De meegebrachte cadeautjes werden uitgepakt en bewonderd en vervolgens werd er aanstalten gemaakt om het bed op te zoeken. Mevrouw Ten Brink bleef die nacht bij hen slapen in het logeerbed. Eerst stribbelde ze wel wat tegen, maar tenslotte accepteerde ze het aanbod toch met graagte. Ondanks haar vermoeidheid kon Els de slaap maar slecht vatten. Al de de indrukken van de laatste week stormden nog eens op haar af, maar een dankbaar gevoel overheerste toch. Tenslotte was ze toch maar een geluksvogel dat ze het zo had getroffen met een vriendin als mevrouw Ten Brink; een lieve moeder, die weer thuis was en een vader die zich zo warm interesseerde voor de belevenissen van zijn dochter! En met die gedachte dommelde ze tenslotte in. HOOFDSTUK IXDe vacantie was al weer bijna vergeten. Weken en maanden verliepen, tijdens welke Els hard studeerde en mevrouw Ten Brink aan haar stem schaafde, altijd vol critiek en spaarzaam met haar lof. De enkele keren, dat Els een compliment kreeg, maakten echter veel goed, want Els voelde, dat het dan ook werkelijk gemeend was en geen holle frase. Ze wist trouwens zelf wel, dat ze slechts langzaam vorderingen maakte. Voorlopig miste haar stem nog de volheid, die Els zo was opgevallen en waarvan ze zo onder de indruk was gekomen tijdens het optreden van Renate di Stefano, die keer in Bern. Mevrouw Ten Brink had haar ook wel eens verzekerd, dat dat een kwestie was van tijd. Soms begon Els wel eens aarzelend over een optreden voor de radio, maar tot nu toe wees haar lerares dit nog steeds beslist van de hand. "Eén keer heb je zelf je zin door gedreven," zei ze eens. "Dat was vóór ik je kende en je weet zelf het beste, hoe je reactie daar op was. Bespaar jezelf een teleurstelling en heb nog wat geduld lieve kind." Maar dat was nu juist iets wat Els zo moeilijk op kon brengen. Ze zou wel stormenderhand de wereld willen veroveren en kon de tijd haast niet afwachten voor haar debuut. Ze zaten weer eens in de gezellige huiskamer van mevrouw Ten Brink. Behaaglijk weggedoken in een grote, enigszins antieke clubfauteuil zat Els te luisteren naar de woorden van haar beschermster. Want een beschermster mocht ze haar oudere, wijze vriendin langzamerhamd gerust noemen! Als een kloek waakte ze over haar pupil waar ze zulke grote verwachtingen van had. Al sprak ze daar over nooit te veel met Els, die toch al voortvarend genoeg was, niemand beter dan mevrouw Ten Brink wist, dat er mogelijkheden genoeg staken in dat jonge meisje, dat haar nu een beetje ontevreden zat aan te kijken. "U spreekt altijd maar over geduld," zei Els zuchtend. "Het is hier precies als thuis, daar weten ze ook niets anders te zeggen!" "Maar wat wil jij dan?" vroeg mevrouw Ten Brink, wijs glimlachend om die spring in het veld. Els haalde haar schouders op. Wat ze wilde was duidelijk genoeg, vond ze. Optreden natuurlijk, dat had ze al zo vaak gezegd! "Als ik Theo van Balen op zoek, weet ik zeker dat hij zijn best voor me wil doen," zei ze langzaam en als tegen zichzelf sprekend. De vrouw tegenover haar wachtte even met haar antwoord. Toen zei ze heel nadrukkelijk, maar op een toon die niet mis viel te verstaan: "Lieve kind, ik wil je in geen geval tegen houden, dat weet je langzamerhand wel. Als jij denkt, dat die meneer Van Balen je wil helpen, zal ik je heus niet beletten naar hem toe te gaan. Maar als je nog wat meer wilt bereiken dan een revuesterretje te worden, heb dan nog even geduld. Afgezien nog van het feit, dat ik er heus niet zo zeker van ben, dat meneer Van Balen je helpt, lijkt het me dan toch beter, dat je een serieuze studie niet verder meer voort zet." Geschrokken keek Els op. "Bedoelt u...." zei ze, maar verder kwam ze niet. "Dat bedoel ik inderdaad," zei mevrouw Ten Brink. "Kijk eens Els, we hebben samen wat opgebouwd, dat weet je even goed als ik. Als jij het noodzakelijk vindt om dat af te breken, ga dan je gang, maar ik wil daar niet aan mee werken, dus lijkt het me beter, dat we dan stoppen met onze lessen. Je mag dus zelf kiezen." Verslagen door die onverwachte reactie wachtte Els even met haar antwoord. Ze begreep, dat het mevrouw Ten Brink volledig ernst was met haar woorden en ze wist in haar hart ook, dat ze volkomen gelijk had. Deze vrouw wist oneindig veel meer van de wereld der grote en kleine kunst dan zij. In gedachten verdiept zat mevrouw Ten Brink te wachten op het antwoord, dat voor haar niet twijfelachtig was. Ze had al eens eerder de ongeduldigheid van Els moeten temperen en dat was haar nog altijd gelukt. Nu had ze wat krasser woorden gebruikt en ze wist wel, dat Els daar voor zou buigen. Gelukkig was deze er wel van doordrongen, dat ze alleen het beste met haar voor had. "Als u het beter vindt, zal ik nog wel wat wachten," zei Els eindelijk, een beetje onzeker en schuldbewust keek ze op. "Dan zullen we er niet verder over spreken," zei mevrouw Ten Brink vriendelijk. "Ik weet wel, dat het niet mee valt, om je ongeduld altijd te bedwingen en zeker niet voor zo'n voortvarend meisje als jij bent. Maar heus Els, je hebt nog alle tijd en je zou je zelf beslist geen goede dienst bewijzen door op de tijd vooruit te lopen. Laten we nu maar aan de slag gaan." Eerst zonder veel animo, maar later weer met toenemende geestdrift volgde Els de aanwijzingen weer op.
Bij de zangstudie zelf ging het gelukkig ook al heel anders toe, dan in het begin. Tegenwoordig liet de zangpaedagoge haar het lied, waar ze mee bezig was, geheel uitzingen en pas daarna kwam ze met haar critiek. Als Els wel eens in steeds dezelfde fout verviel bij een bepaalde passage, nam mevrouw Ten Brink een bandrecorder, om Els even later zelf te laten horen, waar de fout zat, zodat Els dan haar eigen criticus werd. En ze was voor zich zelf ook echt niet mals in haar oordeel. Het afdraaien van zo'n band overtuigde haar meer dan woorden het konden doen van haar tekortkomingen. Op die momenten kwam haar ijzeren wilskracht, iets te bereiken, haar goed van pas.... Els' eerste optreden kwam voor haar zelf als een volslagen verrassing. Maanden waren al weer verstreken, sinds de keer, dat ze haar ongeduld bijna niet had kunnen bedwingen, toen mevrouw Ten Brink op een woensdagavond bij de familie De Roode binnen stapte. Dat was helemaal niet ongewoon, want ze kondigde haar visite's nooit van tevoren aan, zodat haar komst dan ook in het geheel geen opzien baarde. "Ga zitten, Ingrid," zei mevrouw De Roode, maar mevrouw Ten Brink verklaarde, geen tijd te hebben en hield haar jas aan. Op haar verzoek noemde de ouders van Els haar de laatste tijd bij haar voornaam en niemand vond daar iets vreemds meer in. "Ik kom speciaal voor Els," zei ze. "Zou jij iets voor me wilen doen, meisje?" "Natuurlijk," zei Els spontaan. Ze verwachtte eigenlijk, dat ze een boodschap moest doen of iets van dien aard. Maar met een knipoogje naar de heer en mevrouw De Roode zei mevrouw Ten Brink: "Ik zoek iemand, die volgende week belangeloos wil optreden voor een liefdadig doel. Aanvankelijk zou Thea van der Bos dat doen, maar die is verhinderd, doordat ze twee weken naar Engeland moet in verband met familieomstandigheden. Er bestaat wel een klein kansje, dat ze tijdig terug is, maar dat risico mag ik niet nemen, zodat ik de organisatoren ten stelligste beloofd heb dat ik deze aangelegenheid voor hen zou arrangeren." Met schitterende ogen luisterde Els. Eindelijk zou ze dus toch een kans krijgen om in het openbaar te laten horen wat ze kon! "Dolgraag!" zei ze. Mevrouw De Roode keek haar dochter eens aan. Even kwam er iets van weemoed in haar op. Ze vond het heerlijk voor haar dochter, dat Ingrid ten Brink zich zo veel moeite getroostte om haar Els te helpen. Maar ergens bekroop haar steeds weer het bange gevoel, dat haar kind, want zo zag ze Els nog steeds, het ouderlijk huis helemaal zou ontgroeien. Zou de roem die haar wellicht wachtte, haar niet naar het hoofd stijgen? Ze las wel eens verhalen over eigenzinnige, koppige sterren, die zich bij niemand wensten aan te passen en hoewel Els nog nooit neigingen in die richting had vertoond, waren het vaak de omstandigheden, die een mens zo maakten. En hoogmoedswaanzin zou Els niet krijgen; maar dat ze soms koppig kon zijn, was iets, waar iedereen het wel mee eens was. "Maar ga toch even zitten Ingrid," zei vader. "Jullie zult waarschijnlijk dan toch wel het een en ander moeten bespreken, denk ik zo?" "Ik vrees dat er met Els straks geen land te bezeilen is, wanneer je haar niet meteen alles tot in details verteld," gaf moeder als haar mening te kennen. "Daar heb je misschien wel gelijk in," lachte mevrouw Ten Brink. "Nu, vooruit dan maar. Het is misschien ook wel beter, dat we de zaak direct maar uitstippelen." "Wat moet ik zingen?" wilde Els weten. "Dat mag je voor het eerst nu eens zelf uitkiezen," lachte mevrouw Ten Brink. "O, maar wat moet ik aan doen?" schrok Els meteen er na. "Dat komt wel in orde, maak je daar maar niet bezorgd over," antwoordde moeder. En een beetje verwijtend voegde ze er aan toe: "Je vraagt niet eens waarvóór je eigenlijk moet zingen!" "U hebt gelijk moedertje, ik ben wel erg egoïstisch," bekende Els. Nu vertelde mevrouw Ten Brink de bijzonderheden over de avond. Het werd een avond ten bate van kinderen in allerlei ziekenhuizen, waaraan een keur van kunstenaars mee zou werken. Het optreden van Els zou waarschijnlijk het laatste zijn voor de pauze. Na de pauze kwam dan de beurt aan de artisten in het lichtere genre, waarbij ook veel bekende namen zouden klinken. Opgewonden luisterde Els naar de woorden en ook moeder werd langzamerhand enthousiast. "Dan mag je wel keurig voor de dag komen," zei ze nu zelf. "Wacht, we gaan direct eens kijken, wat we daar aan kunnen doen." Uit de grote hangkast in haar slaapkamer, waar Els nog nooit een blik in had mogen slaan, kwam het te voorschijn, een droom in zacht-blauw..... "Een jurk uit mijn eigen meisjestijd," zei moeder, terwijl ze hem nog eens voor hield. "De laatste keer, dat ik hem heb gedragen, is geweest, toen jij een paar jaar was. Zou jij hem willen dragen kind?" Verrukt keek Els naar de beeldige japon en vervolgens vragend naar haar moeder. Toen pakte ze, o zo voorzichtig, het kledingstuk aan terwijl de ouderen haar glimlachend gade sloegen. "Mag ik hem werkelijk aan?" vroeg Els, nog steeds niet overtuigd. En toen moeder bevestigend knikte nam ze de japon behoedzaam, als een kleinood over de arm om zich meteen te gaan verkleden. Op haar kamertje stond ze zich zelf lang te bekijken in de spiegel om zich te overtuigen dat alles goed zat. De japon had de mode achterhaald. Els had er wel niet veel verstand van, maar met een oogopslag zag ze, dat dit een buitengewoon kostbare jurk moest zijn. Wijd plooide de rok, koninklijk zwierig, om haar frèle figuurtje en Els moest zich beheersen, om niet nu al iets te zingen. Zo vlug als ze durfde, ging ze de trap af en stapte de kamer binnen. "Hoe vindt u dat hij staat?" vroeg ze bijna bedeesd. "Maar kind, het lijkt wel, alsof hij voor je is gemaakt!" riep mevrouw Ten Brink spontaan en ook moeder knikte goedkeurend. Met een paar kleine veranderingen zou de jurk inderdaad precies passend zijn. "Prachtig," zei ze tevreden. Zelfs vader, die altijd beweerde geen verstand te hebben van vrouwenkleren, moest zijn mening geven en die was onverdeeld gunstig. "Zo wil ik wel naar je komen luisteren," zei hij, en dat vatten de drie vrouwen maar op als een bewijs, dat hij het er volkomen mee eens was. "Het zal een drukke avond worden," kwam mevrouw Ten Brink nog eens terug op hun uitgangspunt. "Er zijn verschillende autoriteiten uitgenodigd, die bijna allemaal zullen komen, daar ben ik van overtuigd." "Dus onze Els treedt wel meteen voor een select gezelschap op," grapte vader. "Is u er zelf ook?" vroeg Els ineens een beetje angstig. Ze had wel direct grif toegestemd in het verzoek, maar plotseling bedacht ze, dat ze daar wellicht geheel alleen zou zijn tussen al die kunstenaars van naam en voor het eerst liet haar zelfvertrouwen haar een beetje in de steek. Maar mevrouw Ten Brink troostte haar. "Natuurlijk ben ik er," zei ze. "Ik wil toch zeker getuige zijn van het eerste succes van mijn leerlinge!" Het werd Els warm om het hart, toen ze die bemoedigende woorden hoorde. En stellig nam ze zich voor om de toespeling, die er in verwerkt was, waar te maken. Ze zóú succes hebben! HOOFDSTUK XLangzaam stroomde de grote zaal vol. Heren in smoking, dames in avondtoilet en daar tussen door een enkele suppoost in het uniform van het theater. Het was een feestelijke aanblik en Els genoot. Vooraan, op een van de gereserveerde ereplaatsen zaten haar ouders. Moeder, die altijd wat sceptisch had gestaan tegenover al dat "wereldse" gedoe, keek gelukkig naar haar dochter, die zich, haar leeftijd in aanmerking genomen, zo gemakkelijk wist te bewegen tussen dit elitegezelschap. Samen met mevrouw Ten Brink waren ze hierheen gekomen. Zij had tientallen handen geschud, alvorens ze eindelijk haar plaats naast de heer en mevrouw De Roode had kunnen bereiken. Stilaan verstomde eindelijk het geroezemoes. Een enkele laatkomer zocht nog een plaatsje met veel excuses en gemompel van: "Mag ik even passeren?" Een dikke meneer, de voorzitter van het organiserende comité, dacht Els, beklom het podium en toen was het ineens stil. Hij hield een breedsprakig betoog, aan het eind waarvan hij de geachte aanwezigen een bijzonder prettige avond toewenste. Ondanks het feit, dat ze vrij nerveus was, moest Els even lachen, toen hij het podium weer afdaalde en daarbij bijna struikelde over het trapje. Maar hij wist zich nog net bijtijds te herstellen en belandde zonder ongelukken beneden. De zaal klapte beleefd en Els verdacht iedereen er van blij te zijn, dat hij uitgesproken was. Maar zijn verschijning was gelukkig spoedig vergeten, nadat de eerst optredende was aangekondigd. Stil luisterde het publiek naar de weemoedige muziek van Chopin, die prachtig werd vertolkt. Het deed Els haar eigen optreden vergeten, zo kwam ze onder de bekoring van het pianospel, dat vol door de zaal weerklonk en met een dankbaar applaus werd beloond. Nog één stuk speelde de pianist, om vervolgens plaats te maken voor een harpiste. In vlot tempo werd het programma afgewerkt en de volle zaal genoot. "Dan heb ik nu de eer aan u voor te stellen mejuffrouw Els de Roode," kondigde de programmaleider aan. "Weinigen van u zal deze naam iets zeggen. Ik mag u echter wel verklappen, dat zij een toegewijde leerlinge is van mevrouw Ten Brink. U weet allen, dat iemand uit die school zijn sporen reeds heeft verdiend, nog voor hij of zij voor de eerste keer is opgetreden." Als in een droom luisterde Els naar de vriendelijke woorden. Alle angst, die ze nog gevoeld mocht hebben, was verdwenen, toen ze, volkomen beheerst en geconcentreerd voor het voetlicht trad. Vluchtig moest ze even denken aan die onvergetelijke avond met mevrouw Ten Brink bij het optreden van Renate di Stefano. Dan zette de pianist in. Een kort voorspel daarna viel Els in. Ze had het zich zelf niet gemakkelijk gemaakt, haar debuut moest verrassend zijn, had ze zich zelf voorgenomen. Daarom koos ze een der liederen uit, die ze zelf prachtig vond en die ze de laatste week tientallen keren had gezongen bij mevrouw Ten Brink. "Exultate Jubilate" uit het Motet van Wolfgang Amadeus Mozart. Het publiek, dat over het algemeen erg verwend was en zich van het entree van zo'n jong meisje niet veel voorstelde, ging na de eerste tonen wat rechter zitten. Verschillende leden van het comité, die zich achter de schermen hadden verzet, tegen het optreden van de pupil die mevrouw Ten Brink ter vervanging had uitgekozen voor Thea van der Bos, knipperden eens met hun ogen. Na enige seconden waren ze al overtuigd, dat mevrouw Ten Brink niets teveel had beweerd, toen ze zei, een waardige plaatsvervangster te hebben. Met volledige overgave zong, nee, jubelde het slanke meisje daar voor die volle zaal. Zonder een spoor van angst voor deze vuurproef werkte ze zich, zoals een recensent de volgende dag in een der kranten opmerkte, gedurfd door de moeilijke passages heen, bijna feilloos. Slechts een uiterst geoefend oor, als dat van mevrouw Ten Brink mocht nog een enkele onregelmatigheid opmerken, maar voor een dergelijk fijn muzikaal gehoor werd dat alles vergoed door het frisse, onbevangen geluid, dat het blonde wezentje voort bracht. Ook de begeleidende pianist had aanvankelijk slechts plichtmatig achter zijn instrument plaats genomen. Doch ook hij scheen als betoverd te zijn door een dergelijke muzikaliteit en aan heel zijn manier van spelen was te merken, dat hij zich volkomen gaf om de schoonheid van het lied ten volle tot zijn recht te laten komen. En Els zelf? Als men haar had gevraagd hoe ze zich in deze minuten voelde, zou ze geen antwoord hebben kunnen geven. Het juichende lied alleen was in staat haar stemming uit te drukken. Even, heel even maar, had ze zich een beetje onzeker gevoeld, toen haar blik die van haar leermeesteres kruiste en ze daarin gespannen verwachting zag. Maar direct daarop wist ze het: ze zou mevrouw Ten Brink niet teleurstellen! En ook haar ouders niet, die naast haar zaten op de ereplaatsen, vlak onder het podium, mevrouw De Roode met een gelukkige glimlach om de lippen, vader aandachtig naar zijn dochter opkijkend. Toen het lied uit was, stond Els een paar seconden bewegingloos, als wachtte ze op het oordeel van het publiek. Die paar seconden schenen de toehoorders nodig te hebben om het juiste oordeel te vellen en dat was onmiskenbaar. Een machtige golf van applaus stroomde Els als het ware tegemoet en buigend dankte ze, nog een beetje onwennig dat laaiend enthousiasme over zich heen latende. Eindeloos scheen het handgeklap te duren en de stilte keerde pas terug, toen Els in de richting van de pianist keek, wachtend op diens inleiding voor haar tweede en laatste lied: "The Holy City" van Adams. Het was een groot contrast, dat jeugdige meisje in haar feestelijk gewaad en het lied, dat de oude, heilige stad Jeruzalem bezong. De hele zaal scheen het zo te voelen, maar het was een aantrekkelijk contrast, dat iedereen boeide en als gevangen hield in zijn ban. Krachtig klonken de laatste tonen over de mensenmassa en de reactie was weer overweldigend. En toen Els de zaal in liep om mevrouw Ten Brink ook op het podium te halen, scheen dit anders nog al ingetogen publiek zich slechts met moeite te beheersen. Ook de pianist kreeg zijn aandeel in de hulde; er werden bloemen aangedragen; niemand wist waar ze vandaan kwamen, maar op zeker ogenblik waren ze er. Maar eindelijk liet men Els dan toch met rust. Met de prachtige bos rozen in haar armen daalde ze af naar de zaal om die naar haar moeder te brengen. Deze had zich al lang niet meer kunnen beheersen, haar ogen gingen schuil achter een waas van tranen terwijl ze haar dochter omhelsde. Toen pas voelde ook Els, hoe ze in spanning had verkeerd en een ogenblik draaide alles om haar heen. Maar ze wist zich goed te houden en haar blijde glimlach te bewaren. Tussen vader en moeder in bleef ze het verdere verloop van het programma na de pauze volgen. Pas laat in de avond gingen ze naar huis, in gezelschap van Miek en haar broer Henk, die midden in de zaal een plaatsje hadden gevonden en nu Els geluk wilden wensen met haar succes. Terwijl bij de anderen de tongen pas goed los kwamen, zat Els een beetje wezenloos voor zich uit te kijken en ze was blij, dat ze eindelijk naar bed kon gaan. Ze wist, dat deze avond het begin had ingeluid voor een ander deel van haar leven en dat moest ze alleen verwerken, in de stilte van haar kamertje. De recensies, die de kranten de volgende dag brachten over haar optreden interesseerden haar vreemd genoeg, maar matig. Ze wist voor zich zelf al, dat ze geslaagd was, cum laude. "Een begenadigd talent," schreef een krant. "Een opvallend debuut," moemde een ander dagblad haar optreden, maar het deed Els allemaal niet veel. Ze vroeg zich af, wat ze nu verder zou doen. Mevrouw Ten Brink, haar oude, vertrouwde vriendin gaf het antwoord op al de vragen, die haar bestormden. "Eerst neem je een paar dagen rust en blijft thuis," zei ze beslist. "Binnen een paar dagen zullen er wel mensen komen, die een contract met je af willen sluiten. Die gaan we eens rustig bekijken en we kiezen de aantrekkelijkste er uit." "En mijn lessen dan?" vroeg Els een beetje verbouwereerd. Mevrouw Ten Brink lachte hartelijk. "Lieve kind, hoe heb ik het nu met je?" vroeg ze. "Eerst wilde je met alle geweld je lessen afbreken en nu je straks van alle kanten aanbiedingen zult krijgen, zou je die laten lopen! Bovendien, ik zal je maar eerlijk zeggen, dat je bij mij uitgestudeerd bent. Wat ik je kon leren, heb ik je geleerd. Alléén, als je af en toe nog eens behoefte mocht gevoelen, om een avondje bij me te komen, staat de deur altijd voor je open." "Dat zal ik graag doen, dat weet u wel," zei Els. "Want bij u is een mens nooit uitgeleerd, dat heb ik sinds gisteravond beter begrepen dan ooit." "Dan is je optreden niet alleen een succes, maar ook een les geweest en ik hoop, dat je er altijd zo over zult blijven denken, na ieder optreden," zei mevrouw Ten Brink warm. Ondanks het feit, dat Els de raad van haar lerares trachtte op te volgen, werden het toch vreemde, spannende dagen. Ze wilde zichzelf dwingen, om rust te houden en ze vond zelf ook wel, dat ze dit heus wel had verdiend - maar het viel haar niet mee. Ze was dan voor de eerste maal in het openbaar opgetreden en ze had succes gehad, maar ze kon de gedachte niet van zich afzetten, of dit eerste optreden nu werkelijk gevolgen zou hebben. Er waren immers zoveel zangeressen en hoe meer ze hier over nadacht, des te moeilijker leek het haar toe. Vroeger had ze zich hierover niet druk gemaakt - en dat hoefde ze ook niet te doen - maar nu stond ze dan voor het geval. Ze voelde een vreemde rust, dat het concert achter de rug was, maar tegelijkertijd voelde ze een soort onrust: zou ze iets horen - misschien een aanbieding, om hier of daar nog eens op te treden - of misschien zelfs.... maar hieraan dorst ze eigenlijk niet eens te denken. Ze nam een boek en ging achter in de tuin, op haar geliefkoosde plekje zitten, maar haar gedachten dwaalden telkens af. Ze moest zich zelf dwingen, om haar gedachten bij het boek te houden, maar het wilde niet lukken. Kon ze eigenlijk wel verwachten, dat ze nog ooit iets zou horen in verband met haar eerste optreden, al was dit nog zo'n succes geweest? Was het niet verwaand, te verwachten, dat nu de aanbiedingen haar toe zouden stromen? Als je luisterde aan de radio, hoorde je tientallen zangers en zangeressen - de éne nog mooier, dan de andere - waarom zouden ze juist háár er uit halen, als een soort ontdekking van deze eeuw? Zo zat Els te denken - het boek lag op haar schoot, maar ze zag er geen letter van. Toen het later werd in de middag, kon ze haar ongeduld niet meer bedwingen - hoe laat zou de post komen? Gewoonlijk zo tegen half vijf. Ieder ogenblik dwaalde haar blik naar het hekje aan de straat, bij iedere stap schrok ze op - daar was de post! Het was maar een oud heertje, dat met zijn hondje voorbij kwam. Toen bedacht ze, dat het eigenlijk bespottelijk was, dat ze op een of ander bericht wachtte - had ze hier wel recht op? Het was waar, dat haar optreden geslaagd was, maar hoe kon ze verwachten, dat nu van alle kanten de aanbiedingen toe zouden stromen? Hoe meer ze hier over nadacht, des te onwaarschijnlijker werd alles voor haar: er werd immers zoveel op een of ander avondje gezongen en gespeeld en de kranten waren dan wel zo welwillend, om een goede kritiek te schrijven - maar, had dat iets te betekenen? Nee, zo langzamerhand begon Els in te zien, dat ze pas aan het begin van alles stond - als ze zich zelf vergeleek met Elisabeth Schwarzkopf of Maria Callas - ze moest er niet aan denken: Zij moest nog alles leren - en dan daarbij, wat had ze voor een repertoire? Ze kende natuurlijk heel wat liederen, maar om die op een concert te zingen - dat vereiste nog heel wat anders! Zo nu en dan wanhoopte Els aan alles - natuurlijk kon ze op het gebied van de amusementsmuziek wel iets bereiken, dacht ze bitter. Op dit terrein was ook heel wat te verdienen, dat wist Els maar al te goed - maar - dat nooit! In deze dagen dacht ze vaak aan de woorden van de lerares: "Het is buitengewoon moeilijk om in de kunst iets te bereiken - het is een leven van harde studie - studeren en nog eens studeren - zodra je met je zelf tevreden bent, is het mis! Als iemand talent voor iets heeft, dan brengt dat grote verplichtingen mee. We moeten de kunst dienen uitsluitend om de kunst en niet voor ons zelf, niet om roem te behalen of in korte tijd zoveel mogelijk geld te verdienen. Dat kun je misschien wel op een ander terrein, maar niet in de kunst!" Deze woorden schoten haar opeens te binnen - het was al een hele tijd geleden, dat mevrouw Ten Brink dit tegen haar gezegd had, maar nu moest ze er telkens aan denken. Ze bedacht opeens, hoe waar deze woorden waren. Ze had zich van dit eerste optreden te veel voorgesteld: ze had gedacht: nu ben ik er - er kan mij niets meer gebeuren. Ze behoefde nu maar kalm af te wachten, tot de aanbiedingen van radio, televisie en van impressario's zouden komen - ze behoefde alleen maar uit te zoeken, welke aanbieding het voordeligst was! Maar nu begreep Els, hoe verkeerd ze had gedacht! Al deze gedachten gaven haar tenslotte een grote rust - er bleef niets anders over, dan gewoon verder te werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat! Ze nam haar boek, dat op de grond was gegleden, weer op en las rustig verder. Een enkele dag rust had ze wel verdiend, vond ze..... maar morgen, dan gaan we weer aan de slag met nieuwe moed! En zo gebeurde het ook - Els was zo in haar studie verdiept, dat ze niet eens merkte, dat er op een morgen een brief voor haar in de brievenbus lag. Verwonderd bekeek ze de enveloppe: onder een sierlijk embleem stond: "Radio, Hilversum". Dus toch? En ze had deze gedachte al van zich afgezet - maar het stond er heus! Nerveus maakte ze de brief open: Geachte Mejuffrouw, In verband met uw optreden van enige dagen geleden, hebben wij de eer u uit te nodigen tot het houden van een zangrecital voor onze Omroepvereniging. In het kader van onze programmaindeling hebben wij dit recital gesteld op dinsdag 22 oktober, om half drie des middags. Daar dit een directe uitzending is, verzoeken wij u zich a.s. maandag om twee uur aan ons gebouw te vervoegen voor de eerste repetitie. U kunt dan tevens uw programma opgeven, terwijl door onze vereniging gezorgd wordt voor een begeleider, tenzij u een eigen goede pianist mee zoudt willen brengen. Voor de goede gang van zaken delen wij u tenslotte mede, dat uw honorarium zal bedragen 150 gulden. Met grote belangstelling zien wij uw antwoord tegemoet. Hoogachtend, Els moest deze brief nog eenmaal overlezen. Het was dus werkelijk waar? Optreden voor de radio? Ze had dus toch succes gehad? Naar het honorarium had ze nog niet eens gekeken - maar, nu drong het tot haar door: honderd vijftig gulden! Het was geen kleinigheid - maar het stond er! Els kon wel jubelen van geluk - niet om het geld - maar, omdat ze nu zeker wist, dat haar zingen iets te betekenen had! Ze wist nu, dat ze een kans had, iets te bereiken! Ze holde naar vader en moeder - samen lazen ze de brief. Tot haar lichte verwondering zeiden ze enige ogenblikken niets - en toen zag Els, hoe moeder heimelijk een traan weg pinkte: ook vader scheen onder de indruk. Zwijgend gaf hij zijn dochter de hand..... De volgende dagen vlogen als een droom voorbij. Ze leefde als in een roes. Het bezoek voor de eerste maal aan de studio - de repetities. En nu was het dan dinsdag 22 oktober! Twintig minuten voor half drie! Ieder ogenblik kon het groene lichtje overspringen op rood: het teken, dat de uitzending begon! Els dacht aan vader en moeder, die nu gespannen voor de radio zaten en aan mevrouw Ten Brink, die zeker ook zat te luisteren - misschien veel zenuwachtiger, dan zij zelf! De pianist knikte haar van achter de vleugel vriendelijk toe: hij wist dat er niets kon gebeuren: het moest goed gaan - het kon niet anders! Maar, ook hij keek vol spanning naar het groene lichtje. Wat kunnen een paar minuten toch lang duren - het leek wel een eeuwigheid. Maar, wonderlijk genoeg, Els voelde zich hoe langer hoe rustiger worden, ze zag met een flauwe glimlach, hoe de pianist met trillende hand een vouw maakte in zijn muziekboek voor het omslaan, dus hij ook? dacht ze en ze schudde zacht haar hoofd. Die man speelt toch al jaren voor de radio, en dan toch nog zenuwen? Maar, nu zag ze ook, dat het blad voor haar neus bedenkelijk trilde...... Het licht sprong op rood..... De eerste accoorden van Schuberts Liederencyclus: "Die Schöne Müllerin" weerklonken - en Els dacht nergens meer aan - ze werd helemaal meegesleept door de ritmische inzet van de eerste drie maten - alles om haar heen was vergeten: helder en zuiver, als een kabbelend beekje klonk haar jonge frisse stem: "Das Wandern ist des Müllers Lust, das Wandern!" Ging het goed, ging het slecht? Els heeft het nooit geweten - ze zong en ze zong - het ging allemaal van zelf - het ene lied na het andere. Ze zong met de gehele inzet van haar persoon - en na het eerste lied zag ze de begeleider tevreden knikken, terwijl een bemoedigend glimlachje om zijn lippen speelde.... En zo ging Els op weg naar het geluk - de eerste schrede op de lange, moeilijke, weg was gezet, de weg naar een stralende horizon..... |
| R. Jager, circa 1960 - tekstverwerking door Evanes | © www.peterjager.net 1999-2003 |