www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Drie jonge speurders
door Roel Jager
geschreven circa 1958
uitgebracht door uitgeverij Herman Troukens

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X
Hoofdstuk XI
Hoofdstuk XII


 

HOOFDSTUK I

Het was om uit je vel te springen! Zo dichtbij als het ideaal de laatste dagen had geleken, zo ver was het nu weer verwijderd. Ze hadden zich er blij om gemaakt, de drie vrienden. En dat allemaal de schuld van de een of andere ambtenaar die het zo nodig vond dat de vader van Kees de Jong, die politieagent was, overgeplaatst werd naar Utrecht.

Een maand of drie geleden was het begonnen. Het was een mooie nazomerse dag in de herfstvacantie toen ze met zijn vieren een visboot hadden gehuurd op de jachtwerf "de Otter". Nog vaak spraken de jongens over de enorme karper die Joop Bas had gevangen en de nog grotere, die Kees de Jong had verspeeld. Het was 'n fantastische dag geweest en die avond opperde Krijn Stoffels het voorstel om zelf gezamenlijk te sparen voor een visboot. Maar de anderen lachten hem uit. Voor twee gulden huurde je een hele dag een prima boot bij de "de Otter". Wat zouden ze zich dan druk maken? Maar toen ze een paar weken later weer eens op de werf kwamen voor een boot, kregen ze te horen dat alles voor die dag al verhuurd was. Om die reden werd Krijn's idee vanaf die dag met andere gevoelens ontvangen.

"Tja," zei Aart Kuipers aarzelend. "Ik voel er nu toch ook wel wat voor, maar de vraag is: wat gaat dat kosten?"

"Voor een paar honderd gulden heb je een behoorlijke tweedehands," wist Joop.

"Dan krijg je zeker te maken met de ellende van een ander!" veronderstelde Krijn een beetje smalend.

Joop gaf zich wel eens meer een houding alsof hij met alles op de hoogte was en dat viel wel eens verkeerd uit.

Maar nu scheen hij toch werkelijk behoorlijk geïnformeerd te zijn, want hij zei: "Ik was er laatst zelf bij dat Kruiver er een aanbood voor honderdnegentig gulden en die zag er werkelijk nog prima uit."

"Maar heeft hij die nog?" vroeg Kees.

"Dat weet ik niet, maar daar is heel gemakkelijk achter te komen," zei Joop. "Kruiver is achter op de werf, dus wat let ons om het hem meteen te vragen! En mocht deze weg zijn dat weet hij in ieder geval dat hij een volgende keer aan ons moet denken."

"Het is allemaal zo klaar als een klontje," mengde Aart zich in het gesprek. "Maar één ding is me nog niet helemaal duidelijk. Hoe willen jullie tweehonderd gulden bij elkaar krijgen? Je mag gerust weten, dat ik precies de somma van twintig gulden en tachtig cents in mijn spaarpot heb zitten. Als ik zestig weken mijn zakgeld opzij leg kom ik net aan mijn portie, maar dan mag ik er ook verder geen cent afnemen!"

Ja, tegen die redenering viel niet veel in te brengen. Alleen Joop werd wat ruimer bedeeld met zijn zakgeld maar de andere twee ontvingen precies evenveel als Aart. En ook de inhoud van de diverse spaarpotten liep niet zo ver uiteen.

"En toch ga ik het vragen!" hakte Kees tenslotte de knoop door. "Baat het niet, het schaadt in elk geval ook niet. Wie weet, heeft hij nog iets liggen dat hij wel wat goedkoper weg wil doen."

De eerste stap was genomen. Kruiver had inderdaad nog wel een boot liggen die hij wilde verkopen. Hij was nu nog in de verhuur, zoals hij het uitdrukte, maar over een maand ging hij een nieuwe kopen, om de kwaliteit van zijn boten op een behoorlijk peil te houden.

"Ja ziet U," zei Kees, "het is niet de bedoeling dat we hem al direct kopen, maar als we zo ver zijn willen we natuurlijk graag weten waar we aan toe zijn."

Baas Kruiver keek de jongens eens taxerend aan.

Toen zei hij: "Kom vandaag over een maand maar eens bij me terug. De prijs worden we het wel over eens en dan kun je hem eens bekijken. Ik kan tenslotte niet garanderen dat hij er dan nog net zo uitziet als nu. Je hebt wel eens van die Zondagsruiters die raar schutteren. Het zou de eerste keer niet zijn dat er eentje op de plas wordt aangevaren en dat doet de schuiten natuurlijk geen goed."

Na die woorden greep hij zijn zaag en ging weer door met het werk waar hij aan bezig was.

Dat was het begin.

De boot, waar Kruiver over had gesproken, zag er nog prima uit. Toen de jongens op de afgesproken tijd terug kwamen, wees de baas hen het vaartuig. Het lag schuin op de wal getrokken en toen de stallingbaas even niet bij hen stond, nam Krijn zijn kans waar. Vakkundig stak hij met zijn zakmes diep in het hout van de bodem om te zien of dat wel gaaf was. Het resultaat was blijkbaar bevredigend want met een knipoog stak hij zijn duim omhoog naar zijn vrienden.

Maar toen kwam het lastige punt aan de orde. Hoe kwamen vier jongens van dertien en veertien jaar aan het benodigde bedrag? Kruiver was een heel geschikte baas, maar hij zag er niet direct uit als een filantroop.

"Het enige is, dat we onze ouders er voor spannen," zei Aart. "We zullen gewoon een lening moeten sluiten en het dan geleidelijk van ons zakgeld terug betalen. En misschien kunnen we tussentijds nog eens een karweitje opknappen dat wat oplevert."

Aldus werd besloten.

Joop kwam een dag later al triomfantelijk bij zijn vrienden met de mededeling dat zijn bijdrage verzekerd was. Nog een dag later had ook Kees de zaak voor elkaar, maar Aart en Krijn werden kennelijk niet credietwaardig genoeg geacht door hun ouders en kregen de lening er niet door. En daarmee scheen de zaak voorgoed van de baan te zijn. Er werd niet veel meer over gesproken. Tot op zekere dag, een paar weken later, Kees plotseling met de mededeling komt dat zijn vader het hele ontbrekende bedrag voor wilde schieten. De anderen sprongen bijna een gat in de lucht van blijdschap. Hoe meneer de Jong in zo'n royale bui kwam zou wel altijd een raadsel blijven, maar geen der jongens verdiepte zich er in.

De volgende avond stonden de jongens alweer op het werfje van Kruiver. Maar weer kwam er tegenslag; Kruiver had net twee dagen geleden het bootje verkocht.

"Maar," voegde hij aan zijn woorden toe, "ik weet dat boer Loofman zijn roeiboot wil verkopen. Hij heeft hem mij aangeboden maar ik heb nu boten genoeg. Gaan jullie maar naar hem toe; mijn zegen heb je. Het is een best schuitje, hij moet alleen een verfje hebben."

Een kwartier later stonden de knapen bij boer Loofman op het erf. Ze waren het gauw eens, de prijs lag zelfs nog iets lager dan bij Kruiver.

"Over veertien dagen kunnen jullie hem weg halen," zei de boer. "Ik heb hier op het ogenblik een logé die er nog al eens gebruik van maakt. Maar verder zal er wel niet veel meer mee gevaren worden en dan ligt hij hier toch maar in weer en wind."

Zo scheen dan eindelijk de vervulling van hun wens nabij. En toen kwam Kees plotseling met de fatale boodschap aan dat zijn vader was bevorderd tot brigadier. Fataal in zo ver, dat die promotie tevens overplaatsing met zich mee bracht. Het was begrijpelijk dat het aanbod, het geld voor te schieten, hiermee ook kwam te vervallen.

Zo stond de zaak er voor op die trieste oktoberdag en het was het onderwerp van gesprek. Ze zaten met zijn vieren in de grote timmermanswerkplaats van Joop's vader. Het was er warm en gezellig en onder normale omstandigheden zouden de jongens zich er dan ook best hebben geamuseerd.

Buiten was het guur en koud. De hele dag had het al geregend, zoals trouwens ook de voorgaande dagen. De lucht zat vol jagende, loodkleurige wolken en het scheen of er geen einde aan het nare weer wilde komen. Iedereen verlangde naar het einde van die overvloedige hoeveelheid water, opdat men zich weer eens op straat kon begeven, zonder als een druipnatte spons weer binnen te komen. Maar het bleef regenen, altijd maar door. Als de watervloed even ophield en tegen de grijze lucht de omtrekken van de huizen en de bomen scherp zichtbaar werden kon men in het Noordwesten al weer nieuwe wolken aan zien komen, boordevol gevuld met regen.

De toch al nooit drukke dorpsstraat scheen uitgestorven te zijn. Zij die er liepen, deden dat wel uit bittere noodzaak, maar vrijwillig gaf niemand zich over aan de grillen van het Nederlandse klimaat in oktober.

In de werkplaats was Joop's vader druk bezig met een stel kozijnen. Zwijgend hoorde hij het gesprek van de jongens terloops aan, want zijn werk scheen al zijn aandacht te vragen. Af en toe vroeg hij Joop, hem een stuk gereedschap aan te geven, maar verder hoorden de jongens hem niet. Het was langzamerhand een vertrouwd gezicht voor hen geworden zoals vader Bas handig met zijn gereedschap omging. Rechts in de hoek stond de cirkelzaag, links de lintzaag, waar ze nooit bij mochten komen, en daartussen in het snorrende potkacheltje. De timmerman bemoeide zich zelden met hun gesprekken en ze waren dan ook werkelijk een beetje verbaasd toen hij deze keer afweek van de regel.

Tijdens een pauze in het gesprek zei hij plotseling: "Ik begrijp eerlijk gezegd niet waar jullie nu zo'n drukte over maken!"

En toen hij de niet begrijpende ogen van de jongens zag, vervolgde hij: "Ja, daar staan jullie een beetje van te kijken hè? Maar zo'n visboot lijkt me toch voor een stel jonge gezonde knapen een tamelijk saaie bedoening!"

"Ja, we hadden ook liever meteen een stalen motorboot gekocht," zei Aart en tegen zijn wil klonk zijn stem een beetje sarcastisch.

Maar vader Bas deed net alsof hij het niet merkte en vervolgde rustig: "Mij dunkt dat er bijvoorbeeld in een raceboot veel meer aantrekkelijks zit dan in zo'n logge roeiboot!"

Als de jongens geweten hadden dat de timmerman zijn woorden altijd eerst goed overwoog, zouden zij waarschijnlijk iets heel oneerbiedigs hebben gezegd. Nu stonden ze alleen maar verbluft te kijken zonder direct een verstandig antwoord te kunnen geven. Tenslotte was het Joop die als eerste wat zei.

"Maar dat gaat toch helemaal niet vader!" antwoordde hij. "Als zo'n visboot al zoveel geld kost hoeven we over een raceboot helemaal niet te denken! Bovendien gaan daar toch niet meer als twee mensen in, zodat je altijd moet wisselen. En ik zou echt niet weten, hoe je met zo'n ding om moet gaan."

"Dat laatste bezwaar zal wel meevallen. Ik zie jullie er best voor aan dat je het ding op gang krijgt. Ja, en wat het wisselen betreft, daar zit inderdaad wel iets in natuurlijk. Feitelijk zouden jullie drie boten tegelijk moeten hebben!"

De vier jongens keken hem verbluft aan. De gedachten die in hen omgingen, waren zo duidelijk op de gezichten te lezen dat de timmerman onwillekeurig in de lach schoot.

"Ik geef een kwartje voor jullie gedachten," zei hij. "Maar kijk eens, ik weet natuurlijk best dat jullie geen drie boten tegelijk kunt kopen, nog niet eens één, tenminste geen nieuwe. Maar toevallig weet ik, dat er op de werf bij Dobben een racekano ligt die te koop is. Dat ding hoort toe aan iemand uit Amsterdam, maar die meneer heeft er geen zin meer in. Ik moest er eergisteren een karweitje opknappen en toen vertelde Dobben me er over. Die Amsterdamse meneer is er liefst zo vlug mogelijk van af, opdat hij geen winterstalling hoeft te betalen. Zodoende verwacht ik dat de prijs ook erg mee zal vallen."

"Maar dan zijn we nog lang niet klaar," gaf Aart nu als zijn mening te kennen. "U spreekt over een racekano, dus dat is natuurlijk maar een een-persoons ding."

"Dat is ook het grootste bezwaar, dat heb ik meteen al toegegeven. Maar jullie lijkt me nu niet een stel dat direct ruzie zal krijgen. En dan zou je natuurlijk moeten sparen voor een tweede boot. Hoewel dat niet mee zal vallen, want zo'n raceboot vraagt natuurlijk benzine en diverse andere uitgaven. En anders beginnen jullie met een paar kano's! Die zijn niet zo duur dus dat ligt voor ieder van jullie wel binnen het bereik."

Maar vader Bas had al te veel gesproken over de raceboot die hij te koop wist. De bezwaren die er aankleefden, stapten de jongens in gedachten al spoedig overheen en nu dat idee hen eenmaal te pakken had, liet het ze niet meer los.

"Tja," zei de timmerman, "proberen jullie het dan eens. Alleen verwacht ik natuurlijk niet dat het een gloednieuwe boot is. Er zal wel het een en ander aan opgekalefaterd moeten worden, maar daar hebben jullie de hele winter de tijd voor."

Dat was een kolfje naar de hand van de jongens! Als rechtgeaard timmermanszoon kon Joop al uitstekend overweg met beitel, schaaf en hamer, terwijl Aart en Krijn technisch behoorlijk bij de pinken waren. Met zijn drieën zouden ze dat varkentje wel wassen.

Kees stond er een beetje sip bij. Dat festijn ging net aan zijn neus voorbij door die ellendige verhuizing!

Maar Aart zei troostend: "Dan kan Kees in het voorjaar natuurlijk op zondag onze boot ook wel eens gebruiken. Per saldo hebben we het ook een beetje aan hem te danken dat de zaak zo gelopen is."

"Je praat alsof het allemaal al in kannen en kruiken is," lachte Bas. "Om te beginnen moeten jullie naar Loofman om hem de zaak uit te leggen. En daarna zou ik eerst maar eens gaan kijken op de werf bij Dobben. Misschien valt het jullie wel zo erg tegen dat alle liefhebberij er af is, nog voor je bent begonnen. Bovendien weet ik natuurlijk niet, welke prijs er precies gevraagd wordt."

Dat waren verstandige woorden, waar niet veel tegen in was te brengen.

"Gaat U met ons mee meneer?" vroeg Krijn.

"Nee, dat moeten jullie zelf maar opknappen," zei de timmerman glimlachend. "Jullie bent verstandig genoeg om geen kat in de zak te kopen. Het enige wat ik wil doen is, af en toe kijken of het werk wel marcheert."

"Poeh, dat is nu juist wat we zelf wel kunnen," zei zijn zoon.

"Dat is dan in orde," zei Bas. "En hoepelen jullie nu de werkplaats een poosje uit, dan kan ik opschieten met mijn eigen werk."

Zo kon het gebeuren, dat de vrienden de volgende dag kou en regen trotseerden om eerst naar Loofman te gaan en vervolgens naar de werf van Dobben. Dat was een wandeling van een half uurtje langs de plassen. Gelukkig werd het na een kwartiertje droog. Tussen twee enorme wolken kwam warempel een waterig zonnetje te voorschijn dat weerkaatste in het water. Vol goede moed liepen de jongens verder, terwijl ze zich verdiepten in de wildste fantasieën. Hun enthousiasme luwde echter een beetje toen ze bij Dobben de loods inliepen. De eigenaar was een stuurse kerel, zakenman tot en met. Eerst keek hij de jongens eens bedachtzaam aan om te zien of hij ze wel serieus kon nemen. Dat scheen nog al gunstig uit te vallen, vooral toen Joop vertelde dat zijn vader nog kort geleden op de werf had gewerkt.

"Ja, dat bootje is inderdaad te koop," zei Dobben bedachtzaam. "Maar ik ben bang dat de prijs jullie wel enigszins tegen zal vallen. Ik dacht eigenlijk dat jullie hier maar zo in het wilde weg binnen kwamen vallen, maar loop maar even mee, dan kun je hem bekijken."

Hij ging de jongens voor door de loods waar allerlei verschillende boten op schragen stonden te wachten op zonniger en zachter voorjaarsweer.

"Hebben jullie eigenlijk wel enig idee, wat zo'n boot nieuw kost?" vroeg Dobben.

"We komen niet om een nieuwe!" zei Krijn gevat.

De werfbaas bromde eens wat, maar ging er niet verder op in. Weldra stonden de jongens voor het vaartuigje waar Bas over had gesproken en ze konden hun ogen haast niet geloven.

Het was een laag, slank bootje, overtrokken met lichtbruine lak en voorzien van een buitenboordmotor. De eigenaar scheen er echter een fikse aanvaring mee te hebben gehad want aan één kant was het houtwerk zwaar beschadigd. Practisch alle delen zouden daar opnieuw aangebracht moeten worden, wilde het bootje vaarklaar zijn. Verder waarschuwde Dobben eerlijk, dat ook de motor waarschijnlijk schade had opgelopen en er verschillende nieuwe onderdeeltjes in aangebracht zouden moeten worden. Kennelijk was iemand in volle vaart ergens tegenaan gevaren en vervolgens in de lengte langs dat iets gegaan. Het vermoeden van de jongens werd bevestigd door Dobben.

"Een neefje van de tegenwoordige eigenaar wou ook zo graag eens proberen of hij wel met een raceboot overweg kon," zei hij. "Maar die heeft het geweten. Hij is een eind de plassen opgevaren. Dat ging allemaal goed, maar toen hij hier tussen de steigers door de haven weer in wou varen wist hij in zijn zenuwen niet meer hoe hij het ding tot stilstand moest krijgen. Toen is ie met een fikse vaart langs de kop van de steiger gevaren. Zoals je kunt zien, is dat beton en dat geeft echt niet mee. Daarna heeft het bootje nog een tijdje als een razende liggen tollen in een hoek. De motor sloeg pas af toen de schuit een draai maakte en hij tegen de beschoeiing terecht kwam. De gevolgen zien jullie hier."

"En wat vraagt die meneer er nu voor?" vroeg Aart terzake.

"Daar heeft hij me vrij in gelaten," zei Dobben. "Vertel maar eens wat hij jullie waard is."

"Daarvoor zouden we er eerst eens mee moeten varen," zei Krijn ad rem. "En U heeft zelf al gezegd dat dat onmogelijk is."

Dat was blijkbaar taal die Dobben lag, want zonder verdere omwegen zei hij: "Betalen jullie honderd gulden, dan zal ik hem voor je weg laten slepen naar het dorp."

Veelbetekenend keken de jongens elkaar eens aan. Toen nam Krijn het woord weer. Als een goed zakenman wist hij zowaar nog vijf gulden af te dingen, maar verder ging Dobben beslist niet. En verheugd gingen de vrienden weg met de afspraak dat ze de volgende week zouden komen betalen. Het bedrag dat ze nu nog tekort kwamen, moest op de een of andere wijze voor die tijd bij elkaar te krijgen zijn, want dit mochten ze niet laten lopen.

En het geld kwam bij elkaar! Joop's vader verklaarde zich bereid het voor te schieten.

Illustratie op pagina 1Een week later gingen ze het geld brengen. Terug gingen ze met het motorbootje waarmee Dobben de gehavende raceboot naar de sloot sleepte die naast de werkplaats van vader Bas lag. Het was nog een heel karwei om het ding uit het water te krijgen, want een lier of iets dergelijks hadden de jongens niet tot hun beschikking. Alles moest met handkracht gedaan worden maar met de hulp van Dobben en Bas gelukte het toch het vaartuigje naar binnen te krijgen. Daar werd het op een paar schragen gezet, zodat de jongens er ook van onderen goed bij konden voor de noodzakelijk reparaties.

Vader Bas knikte eens goedkeurend nadat hij de hele boel grondig had geïnspecteerd.

"Dat ziet er niet kwaad uit," zei hij. "Je zult eens zien wat een plezier jullie kunt beleven van dat bootje. Als hij klaar is, mag ik er zeker ook wel eens mee varen?"

Niemand opperde bezwaren.

Dat was trouwens niet eens meer nodig want de timmerman voegde er lachend aan toe: "Ik geloof toch niet dat ik er gebruik van zal maken. Bij mijn leeftijd past een roeibootje...."


 

HOOFDSTUK II

Hadden de vrienden vroeger al vaak in de werkplaats van vader Bas gebivakkeerd, nu waren ze er helemaal niet meer vandaan te slaan. Als één van de moeders wel eens wat lang zat te wachten met haar eten omdat haar zoon niet op kwam dagen, behoefde ze zich nooit af te vragen waar hij was. Ze kon er staat op maken dat hij bezig was aan het troetelkind van de jongens.

Kees was inmiddels verhuisd, maar de drie achterblijvers hadden hem beloofd dat ze hem op de hoogte zouden houden van hun vorderingen.

"Zo, die zit!"

Het was Joop, die deze woorden sprak.

"Zeg Krijn, geef me die lijmpot eens aan als je wilt. Ze heeft nu lang genoeg bij de kachel gestaan en zal langzamerhand wel te hanteren zijn."

"Hier is ze al baas," zei Krijn gedienstig.

"Zo, dan gaan we nu eens kijken of ze houdt. Klem jij die plank tegen de spant aan Aart!"

Met man en macht werd er geduwd om de onwillige plank op zijn plaats te houden door hem vast te schroeven en dit in te smeren met lijm. Natuurlijk moesten ze zorgen dat alles wat metaal was, ver genoeg in het hout gewerkt werd. Daarna moesten de hierdoor ontstane gaten opgevuld worden, teneinde de kans op oxydering zo klein mogelijk te houden. Het waren soms zware karweitjes die ze op te knappen kregen maar alle drie werkten ze met veel plezier. De motor was al helemaal uit elkaar gehaald. Zorgvuldig was alles schoongemaakt, enkele onderdeeltjes vernieuwd en vervolgens was alles weer op zijn plaats gebracht. Als ze al eens met moeilijkheden zaten was daar altijd weer Joop's vader, die hen met raad en daad terzijde stond. Hij had als jongeman altijd op een motorfiets gereden en was dus wel enigszins op de hoogte met het mechaniek.

Nu werd de laatste hand gelegd aan de beschadigde spanten. Daarna moest de hele boel nog in de lak gezet worden, alvorens de boot weer in zijn element terug gebracht zou worden. Met algemene goedkeuring had Aart de boot "Speedy" genoemd. Door eerst het model van de letters in kranten uit te knippen had hij kans gezien het woord zelf op de boeg te schilderen, zodat geen beroeps-lettertekenaar het hem verbeterd zou hebben.

En eindelijk kwam dan de dag waarop de "Speedy" te water werd gelaten. De werkplaats van timmerman Bas stond in de lengte langs een brede sloot, zoals trouwens bijna alle huizen in Vendorp. De bewoners waren er allemaal vertrouwd met het water. Vroeger waren er rondom het dorp uitgestrekte veenderijen, maar in de loop van de jaren was practisch alle turf weg gegraven en had plaats gemaakt voor het water, toen de voorraden uitgeput raakten.

Met behulp van een paar buren werd het vaartuigje behoedzaam in de sloot gebracht. Met een fikse plons hernieuwde de "Speedy" de kennismaking met zijn element om vervolgens sierlijk naar de overkant te schieten. Daarna werd hij aan een touw naar de kant getrokken. Krijn zou de proefvaart verrichten. Hij had het meeste werk verzet aan de motor en kende het ding langzamerhand net zo goed als zijn broekzakken.

Na een paar keer hevig aan het vliegwiel te hebben gezwengeld begon hij te sputteren en langzaam trok de "Speedy" naar het einde der sloot. Voorlopig hield Krijn nog een kalm tempo aan omdat hij bij het varen nog niet zulke hoge snelheden gewend was. Zo voer hij het dorp rond dat als het ware op een eiland lag.

Maar bij het passeren van de brug in de grote weg merkte hij dat niet iedereen zo ingenomen was met hun eigendom.

Hij was net onder de brug door, toen een grote steen op de voorplecht kwam, gevolgd door een regen van aardkluiten. Toen Krijn geschrokken omhoog keek naar de dader van de laffe streek zag hij drie knapen staan, die hem uitdagend aankeken. Hij kende ze wel, trouwens het hele dorp kende elkaar. Over het algemeen konden de bewoners het goed met elkaar vinden maar deze drie vormden de uitzondering die de regel bevestigt. Het waren Sander Willems, Jan Knaapen en Hans Barends. Vooral aan de eerste had iedereen een hekel om zijn achterbakse streken. De andere twee stonden helemaal onder zijn invloed en deden blindelings wat hij zei.

"Waar heb je dat stuk oud roest opgedaan?" vroeg Sander honend. "Ik zou hem maar meteen naar de sloper brengen. Nu vaart hij nog en straks moet je hem misschien laten slepen!"

Bijna was Krijn naar de kant gevaren om het drietal eens behoorlijk de les te lezen maar hij zag er gelukkig bijtijds het nutteloze van in. Tegen de tijd dat hij op de wal was, was het drietal wellicht al aan de haal gegaan, de lafaards. En als ze dat niet deden, wat moest hij dan nog uitrichten tegen drie van die knullen? Hij kon beter wachten tot zich een betere gelegenheid voordeed om ze hun streek betaald te zetten. Voorlopig zou hij eerst de boot maar in veiligheid stellen want de anderen zouden natuurlijk al naar hem uit staan kijken. De schade scheen gelukkig nog al mee te vallen. Alleen de zware kei had een schram in het lakwerk veroorzaakt maar de aarde konden ze zo weg spoelen.

Zwijgend, zonder het nobele drietal nog een blik waardig te keuren, vervolgde Krijn zijn tocht om via de kortste weg de sloot weer te bereiken. Daar stonden Joop en Aart inderdaad al vol spanning naar hem uit te kijken.

Toen hij de hoek van de sloot om voer zagen de twee al dat er iets aan de hand was. Ze hadden verwacht dat Krijn wel zou zwaaien, maar dat was niet het geval. Toen zagen ze ook de rommel op de boot.

"Wedden dat dat het werk is van Sander en zijn kornuiten," zei Aart direct.

Even later kregen ze het verhaal van Krijn te horen, die wit zag van woede.

"Trek het je niet aan," troostte Joop hem. "Vertel liever eens hoe de proefvaart is gegaan buiten dat geval."

"O prima," zei Krijn, al weer wat opgeruimder. "In het begin ging het wat haperend maar toen de motor eenmaal warm was gelopen liep hij zo soepel als een naaimachientje."

Om beurten gingen vervolgens Joop en Aart een stukje de plas op. Voorzichtigheidshalve vermeden ze het water binnen de bebouwde kom nu maar, om niet weer met het afgunstige stel in aanraking te komen.

Ook Aart en Joop waren best tevreden over de prestaties van het bootje. Ze besloten wel, hem zeer zorgvuldig vast te leggen. Er moesten nog enkele kleinigheden aan gebeuren die ze wel konden doen terwijl de boot in het water lag. De kras moest verwijderd worden en hier en daar bleek een boutje of moertje nog wat vaster aangedraaid te moeten worden. Voor die dag had iedereen er echter genoeg van, want het liep al tegen etenstijd. Ze moesten al het werk doen na schooltijd en op de vrije zaterdagmiddagen en die paar uren waren zo om.

Gelukkig lieten Sander, Hans en Jan die nacht hun bootje met rust. Het speet de jongens dat die drie knapen niet meer naar school gingen, anders hadden ze meteen de volgende dag de welverdiende strafoefening kunnen ondergaan. Alle drie waren dat jaar voor het eerst bij een baas aan het werk. Tenminste dat werd verondersteld! Het gebeurde echter nog al eens dat ze daar helemaal niet verschenen en geen mens wist waar ze op die dagen rond hingen en hoe ze hun tijd zoek brachten.

Direct na schooltijd kwamen Joop en zijn makkers weer naar de sloot om de karweitjes af te maken die nog noodzakelijk waren gebleken. Zo ingespannen waren ze daar mee bezig dat ze niet opmerkten hoe aan het eind van de sloot, bij de plas, een roeiboot in het hoge oeverriet schoof. En nog minder letten ze op de inzittende van de boot. Het was Sander, die eens even poolshoogte kwam nemen omtrent de ligging van de "Speedy". En dat hij dat niet deed met goede bedoelingen, was duidelijk op zijn gezicht af te lezen voor degene, die het kon bekijken. Gelukkig voor hem kon hij even ongemerkt wegkomen als hij aan was komen varen, anders was hij er bepaald niet zonder een flink pak slaag tussenuit gekomen. Toen hij genoeg gezien had, draaide hij de kop van de boot weer in de richting van de plas. Daar aangekomen roeide hij doelbewust in een bepaalde richting. In één der afgesloten gedeelten van de plas duwde hij de boot in het riet en stapte vervolgens op de wal. Haast onzichtbaar verborgen stond daar ergens een oud vervallen zomerhuisje, waar hij naar binnen stapte zonder gezien te worden.

"Zeg, had je niet kunnen fluiten als je er aan komt? Waarvoor hebben we anders dat fluitje afgesproken?"

Zo werd hij begroet door zijn kornuiten die in het huisje zaten. Ze waren verschrikt opgesprongen, maar nu lieten ze zich weer vallen in de oude tuinstoelen waar ze in hadden gezeten. Samen met een wrakke tafel vormden ze het enige meubilair dat zich in het huisje bevond. Alles zat dik onder het stof en de spinnewebben, maar de drie knapen schenen zich hier best op hun gemak te voelen en de rommel bleek hen niet in het minst te deren.

"We dachten al dat je niet meer kwam!" zei Hans. "Was het weer je soms te slecht? Nu hebben wij met zijn tweeën al het werk op moeten knappen. Kijk eens, wel dertig kilo paling hebben we opgehaald! Die vissers zullen morgen wel lelijk op hun neus kijken. Die hebben waarschijnlijk ook op mooi weer gewacht,net als jij, maar nu zijn ze te laat!"

"Houden jullie nu je grote mond eens even!" snauwde Sander terug. "Ik geloof dat ik heel wat belangrijker werk heb verricht dan jullie en heel wat gevaarlijker ook! Jullie konden tenminste rustig je gang gaan, maar ik heb goed uit moeten kijken wilde ik niet gesnapt worden. Als dat gebeurd was had ik hier nu niet zo welgemoed voor jullie gestaan, dat kan ik je verzekeren."

En toen vertelde hij zijn trawanten waar hij het laatste half uur had doorgebracht. Hij dikte het verhaal nog wat aan om vooral maar te doen geloven alsof hij een bijzonder gevaarlijk karwei had opgeknapt. Hij wist het met zo'n overtuigd gezicht te vertellen dat de anderen hem onvoorwaardelijk geloofden. Zelf wist hij heel goed dat het nog al los liep met dat gevaar. Het ergste wat hem had kunnen overkomen was, dat hij een pak slaag had opgelopen voor de laffe streek van de vorige dag.

"Dat zal dan allemaal wel zo zijn," zei Hans, toen hij uitgesproken was. "Maar wat heb je nu eigenlijk bereikt?"

"Ik heb zoveel bereikt, dat ik nu precies de ligplaats van dat bootje weet. Ik kon woord voor woord verstaan wat ze tegen elkaar kletsten! Voorlopig blijft hij daar liggen als het tenminste loopt volgens hun plannen! Maar ik beloof je, dat ze niet lang plezier zullen hebben van dat ding. Mijn bedoeling is om er ook af en toe eens gebruik van te maken."

"Maar heb je daar dan toestemming voor?" vroeg Jan vrij onnozel.

De ander schoot in de lach.

"Welnee druiloor," zei hij. "Maar als je niets vraagt, kan je ook niets geweigerd worden, heb je dat nog nooit gehoord?"

"Wou je hem stelen," vroeg Hans een beetje onthutst, maar Sander zei sussend:

"Nou, stelen hoeft niet direct, maar ik heb toch al gezegd dat ik hem af en toe eens wil lenen! Als ze hem dan terug vragen kun je dat natuurlijk niet weigeren, dat spreekt vanzelf!"

Zijn makkers keken bedenkelijk, maar Sander wist hun bezwaren weg te praten en hen er van te overtuigen dat ze niet het minste risico liepen als ze de zaak maar grondig voorbereidden.

"Naar wat ik er zo terloops van heb gezien, is het een prima bootje, waar we veel plezier van kunnen hebben," zei hij.

De bezwaren die de anderen nog opperden, wist hij allemaal te ontzenuwen en vervolgens begon hij de palingen, die Hans en Jan uit de fuiken hadden gehaald, in een grote zak te doen. Toen hij daarmee klaar was gingen ze met hun drieën op pad. Hun doel was een palingboer die een eind buiten het dorp woonde. Het was een zonderlinge figuur die met niemand in het dorp contact had, behalve met zijn leveranciers die hem dagelijks van zijn levensbehoeften voorzagen. Het was voor iedere dorpeling een raadsel hoe de man aan de kost kwam. Buiten een paar palingfuiken die vlak bij zijn huisje stonden, zag niemand hem ooit vis op halen. Men mompelde wel eens wat over oneerlijke praktijken, die hij er op na zou houden, maar bewijzen kon niemand ooit iets. Maar dat die geruchten in ieder geval gedeeltelijk op waarheid berustten, dat wisten Sander, Jan en Hans het beste.

Toen ze bij het huisje kwamen vroeg Heering, zo heette de man, niet eens wat ze kwamen doen. Hij had alleen aandacht voor de zak die ze meesleepten. Zonder veel woorden te verspillen werd het ding overgedragen, Heering deed een greep in zijn oude portefeuille en daarmee was de transactie afgelopen. Nadat de jongens even schuw naar buiten hadden gekeken, om te zien of ze niet opgemerkt werden, gingen ze weer op pad. Niemand had gezien dat ze bij de heler geweest waren en niemand kon dan ook aantonen dat zij het waren, die het hunne bijdroegen om te voorzien in het levensonderhoud van Heering.

Het was inmiddels al donker geworden en huiverend sloegen ze de weg in naar het dorp. Voorlopig hadden ze weer een paar dagen genoeg geld voor hun behoeften aan sigaretten, voor hun glaasje bier en voor al die dingen, waar een normale jongen van vijftien jaar nog geen belangstelling voor heeft.

De eerste paar dagen zouden ze daarom ook weer gewoon naar hun werk gaan. Het enige moeilijke punt was altijd, steeds weer een ander verzinsel te bedenken tegenover hun baas.

Maar geen nood, mocht het vandaag of morgen spaak lopen bij hun werkgever dan was het niet moeilijk om een andere te vinden. En aan standjes en uitbranders waren ze langzamerhand wel gewend, dus dat deerde hen niet meer!

HOOFDSTUK III

Het was een mooie voorjaarsdag in maart. De winter scheen definitief afscheid te hebben genomen. Wel was het 's nachts nog koud, maar overdag had de zon kracht genoeg om een behaaglijke warmte te verspreiden. Vendorp leek een klein paradijsje midden in het water, de plassen rondom het dorp raakten langzamerhand weer een beetje bevolkt met zeilboten en andere vaartuigen.

Een van de eerste boten die dat voorjaar de plas bevolkten was de "Speedy". Het bootje zag er nu prachtig uit. Het lag laag op het water en heel het ranke model sprak van snelheid. Dat was niet alleen schijn want inderdaad was er ook een behoorlijke snelheid mee te bereiken. Dat ondervond Joop bijna tot zijn schade toen hij de eerste keer in het vaartuigje stapte voor een tochtje. Ondanks de waarschuwingen van de anderen liet hij de motor meteen op volle toeren draaien en lag al op volle snelheid toen hij het eind van de dwarssloot had bereikt. Direct bij het punt waar de sloot uitkwam in de plassen lag een lange landtong, die naar rechts een tamelijk smalle doorvaart open liet. En rechts was de kant welke Joop had uitgekozen om te gaan!

In een wijde boog zwaaide hij door de bocht, veel te ruim. In snelle vaart naderde hij de dam die zich tot ver op de plas uitstrekte. Angstig zag hij de wal dichter en dichter op zich toe komen. Het was een benauwd ogenblikje voor hem toen hij, zo scherp als hij maar durfde, de "Speedy" bijdraaide tussen de vaste wal en de landtong door. Maar het gelukte hem nog juist, rakelings het einde van de landtong te passeren. Ondanks de zelfbeheersing die hij op het kritieke moment had getoond, slaakte hij een zucht van verlichting toen de manoeuvre geslaagd was. Het was overigens een gebeurtenis waar hij niet over sprak met de anderen.......

Maar na een paar dagen oefenen waren de drie vrienden toch zo vertrouwd geraakt met het racebootje dat ze zonder vrees over het meer durfden te racen met een snelheid die de andere gebruikers van de plas de haren ten berge deden rijzen.

De verschillende ouders zagen hun zoons met gemengde gevoelens gaan. Vader Bas was eigenlijk de enige die onverdeeld plezier had in het gedoe van de knapen, al drukte hij ze wel op het hart hun snelheid een beetje te matigen. Maar hij had dan ook maandenlang het gepruts van de jongens gadegeslagen en wist met hoeveel liefde en toewijding ze hadden gewerkt aan hun bootje. Bovendien konden de jongens alle drie zwemmen als ratten, dus gevaar voor hen zelf leverde het niet direct op.

Eén bezwaar was er, waar de drie vrienden niet voldoende rekening mee hadden gehouden, het benzineverbruik. Eerst hadden ze nog, door hun spaarpotten helemaal om te keren en links en rechts nog wat te lenen bij familieleden, een paar blikken benzine kunnen kopen. Maar toen die verbruikt waren en alle hulpbronnen voor financiële steun uitgeput waren, was Leiden in last. Niemand was nog van zins om geld in de benzine te steken en zo zaten ze op een middag broederlijk aan de kant van de sloot te kijken met mismoedige gezichten. Balorig schopte Aart een kluit aarde in het water, terwijl Joop niet beter wist te doen dan een grassprietje in de mond te nemen en daar wat op te kauwen. Krijn bekeek de zaak nog het gunstigste.

"Daar zitten we dan," zei hij. "We zijn alle drie sufferds geweest om er niet aan te denken toen we aan die boot begonnen. Als we de balans nu eens opmaken, hebben we alleen schulden en geen enkele bezitting, behalve dan onze onvolprezen "Speedy". Ergo moeten we op de een of andere wijze aan geld zien te komen. Hoe doen we dat?"

"De "Speedy" verkopen," zei Joop somber.

"Of proberen geld te verdienen," vulde Krijn aan.

"Of de boot weer binnen zetten en hem voorlopig op non-actief zetten," zei Aart.

"Als je maar weet dat ik het vertik om dat ding weer naar binnen te helpen slepen," zei Joop nijdasserig. "Ik heb nog pijn in mijn rug van de vorige keer!"

"Blijven er dus twee mogelijkheden over," zei Krijn rustig. "Kijk eens, we kunnen de zaak beter nuchter bekijken, dan dat we hier met een kwaad gezicht naar het water zitten te kijken. Het feit blijft er hetzelfde om."

"Weet jij aan werk te komen?" vroeg Aart.

"Ik zou het zo niet weten, maar laten we links en rechts eens vragen," zei Krijn. "Het geeft tenslotte niet, wat we doen zolang het maar eerlijk werk is."

"Maar wanneer zou je dat dan willen doen?" vroeg Joop.

"Nou, dat is nogal logisch. Na vier uur en op de vrije woensdag en zaterdagmiddag!" zei Krijn, die nu ook een beetje kriebelig werd.

Totdat het bijna donker was, zaten de jongens zo te praten, zonder nochthans een stap verder te zijn gekomen. Joop kwam nog eens met het voorstel, de boot te verkopen en er drie kano's voor te kopen. De boot was zeker vier keer zoveel waard als toen ze hem kochten en voor die prijs konden ze beslist drie behoorlijke kano's kopen. Maar voorlopig werd zijn voorstel nog weinig enthousiast ontvangen, trouwens het ging hem zelf ook een beetje aan het hart. Tenslotte hadden ze het vaartuigje met zoveel liefde opgeknapt en om nu een ander het plezier er van te laten hebben, zinde ze geen van drieën erg.

Zo lag de "Speedy" een paar dagen ongebruikt in de sloot. Natuurlijk kwamen de jongens nog regelmatig kijken en zochten er allerhande dingetjes aan die nog moesten gebeuren. Maar het ware plezier leverde dat toch niet meer op.

Tussentijds informeerden ze links en rechts of er niet iets te doen was wat geld opbracht, voorlopig zonder resultaat. 's Avonds werd de boot afgedekt met een oud stuk plastic dat Aart op zolder had gevonden. Maar langzamerhand verslapte de animo wat en na een dag of veertien gingen er soms dagen voorbij dat niemand zich de moeite getroostte om eens te kijken naar hun trots.

Toen de familie Bas na een week of drie eens 's morgens aan het ontbijt zat zei vader Bas eensklaps: "Zeg Joop, ik heb vanmiddag een paar mannetjes nodig om een partij hout te lossen van een vrachtauto. Weet jij daar soms raad op?"

Meestal was Joop 's morgens niet zo actief, maar nu sprong hij meteen overeind.

"Natuurlijk weet ik die!" riep hij. "Aart en Krijn zullen graag helpen, dat weet ik zeker!"

"Goed, dat is dan afgesproken," zei de timmerman glimlachend en met een knipoogje naar zijn vrouw. En kwasi-ernstig voegde hij er aan toe: "Dan kunnen we tegelijkertijd de schuld die jullie nog hebben bij me, wat verminderen door het geld dat je verdient meteen aan me terug te betalen."

"Ach nee vader," zei Joop haast smekend. "Die schuld maken we heus wel in orde, dat beloof ik U. Ik heb vorige week al een kwartje van mijn zakgeld betaald. En Krijn en Aart zullen ook iedere week iets terug brengen. U had trouwens beloofd dat we het op die manier mochten aflossen."

"Ach ja, dat is waar ook," zei vader. "Nu, dan zullen we het daar maar op houden. Dus ik reken er op dat ik vanmiddag drie man tot mijn beschikking heb."

"Ik ga direct naar de jongens toe," zei Joop opspringend.

Nog voor schooltijd had hij ze al te pakken en natuurlijk gingen die ermee accoord.

Op de afgesproken tijd stond het drietal op de auto met hout te wachten en even later werkten ze als paarden. De timmerman had een verbouwing aan een winkel onderhanden en daarvoor had hij een grote oplegger met richels, balken en planken aan moeten laten rukken. Dat hout moest door de winkel heen naar een binnenplaatsje gebracht worden. Achter de winkel liep echter nog een lange gang, zodat de knapen het echt niet gemakkelijk hadden. Zo ingespannen waren ze bezig, dat ze geen erg hadden in Sander Willems, die op de fiets langs kwam. Maar die had de jongens wel opgemerkt!

Toen hij de vrachtwagen vol met hout zag, begreep hij dat de vrienden voorlopig nog wel even bezig waren. Nu was zijn grote kans gekomen! Al enige keren had hij op het punt gestaan om 's avonds de "Speedy" weg te nemen, maar hij durfde zich in het donker niet met het vaartuig op het water te begeven. Nu hij wist dat de timmerman en zijn zoon niet thuis waren zou hij de gelegenheid meteen aangrijpen.

Snel bracht hij zijn fiets weg en vervolgens liep hij met een gezicht alsof hij alleen goede voornemens had, in de richting van de timmermanswoning. Honderd meter voor hij daar aangekomen was, sloeg hij een zijweggetje in. Langs een omweggetje, die via een paar vlonders leidde bereikte hij ongemerkt zijn doel. Schichtig om zich heen kijkend maakte hij snel het bootje los. Het stuk plastic gooide hij gemakshalve maar in het water en snel stapte het jeugdige boefje in. Dan greep hij nog een lange stok die op de kant lag en haast geruisloos duwde hij zich vooruit, onzichtbaar door de hoge rietkragen aan weerszijden van de sloot. Alle omstandigheden werkten mee aan zijn slinkse plannetje. De werkplaats van de timmerman stond zeker vijftig meter van de verkeersweg af, zodat daar vandaan niemand hem kon zien tenzij men er speciaal op ging letten. En wie had er erg in dat iemand op klaarlichte dag een boot zou stelen?

Onopgemerkt kwam hij op de plas. Zo geraffineerd was hij dat hij als voorzorg een fles benzine bij zich had gestoken, daar hij wel vermoedde dat de knapen door geldgebrek de boot de laatste tijd niet hadden gebruikt. Op een stil plaatsje onderzocht hij vervolgens de werking van de motor, hij gooide de fles leeg in de tank en weinige minuten later pufte hij weg in de richting van de schuilplaats in het zomerhuisje. Zorgvuldig koos hij een plaatsje voor zijn nieuwe "eigendom", opdat dat zowel van de weg als vanaf de plas volkomen onzichtbaar was. Toen alles naar genoegen was geregeld, keerde hij op zijn gemak naar huis terug, over de weg.

"Dat is gauw gebeurd," zei de timmerman tevreden. "En wat nog meer zegt, de boel ligt ook keurig gesorteerd. Dat scheelt me een stuk als ik morgen ga beginnen! En nu maar gauw naar huis allemaal, want jullie zult wel rammelen van de honger denk ik."

Moe, maar voldaan stonden de drie vrienden te kijken naar de enorme stapel hout. Sjonge, die meneer Hoogendoorn scheen nog al wat van plan te zijn met zijn winkel! Enfin, dat was hun zaak niet. Zij hadden een aardig extra'tje verdiend en dat was tenslotte de hoofdzaak.

Aart en Krijn gingen samen een kant op, terwijl vader Bas en zijn zoon een andere kant uit liepen. Joop nam zich voor om meteen nog even te kijken of de "Speedy" goed vast lag, want er werd zwaar weer verwacht.

"Ik dacht eigenlijk dat jullie aardigheid er een beetje af was," zei vader Bas. "Ik heb je de laatste week niet meer over varen gehoord."

"Ja, maar dat heeft een andere oorzaak; dat weet U trouwens best," zei Joop. "Ik heb zelf al voorgesteld om hem te verkopen en er dan gewone kano's voor terug te kopen, maar het gaat me wel een beetje aan het hart."

"Toch vind ik het nog niet zo'n slecht idee," zei zijn vader na enig nadenken. "Per saldo kunnen jullie dit ding toch niet naar hartelust gebruiken. En of hij gebruikt wordt of niet, als hij buiten ligt, wordt hij er niet mooier op. Van sparen komt toch niet veel omdat jullie voorlopig al je zakgeld haast nodig hebt om de nodige benzine te kopen voor een weekend varen. Over drie motorboten behoef je dus helemaal niet te denken."

"En als er tussentijds misschien weer eens iemand gaat verhuizen, zoals met Kees het geval was, geeft dat ook al weer aanleiding tot moeilijkheden," voegde Joop er verstandig aan toe.

Zo pratend kwamen ze thuis aan, waar moeder al zat te wachten met het eten. Joop at als een wolf en na het eten voelde hij zozeer de vermoeienissen van die dag, dat hij meteen in een stoel dook om wat te lezen. Prompt sukkelde hij er bij in slaap, daardoor de hele raceboot vergetend. Pas toen hij op het punt stond om naar bed te gaan dacht hij nog even aan zijn voornemen. Het was inmiddels echter gaan stormen en hij huiverde al bij de gedachte, nu nog naar buiten te moeten.

De voorjaarsstorm bracht een fikse afkoeling met zich mee maar Joop merkte er niets van. Hij sliep de slaap der rechtvaardigen. De volgende morgen dacht hij meteen aan de "Speedy". Direct na de ochtendboterham ging hij naar buiten. Groot was zijn schrik toen hij de boot niet op zijn vaste plaats zag liggen. Zie je wel, daar had je het al!

Had hij nu toch maar even gekeken gisteravond! De boot was natuurlijk los geslagen en afgedreven. Hij keek de sloot af in de richting van de plas maar er was niets te zien.

Dan zou hij dus helemaal afgedreven moeten zijn naar de plassen. Maar dat kon toch haast niet! Het vaartuigje zou op zijn minst ergens in het riet hebben moeten blijven steken want de afstand naar het eind van de sloot bedroeg op zijn minst tachtig meter.

Op een holletje ging Joop weer naar binnen om de Jobstijding aan zijn ouders te vertellen.

"Afgedreven naar de plas?" zei zijn vader ongelovig. "Dat kan niet! De wind heeft naar deze kant gestaan. Als hij dus losgeslagen was, had hij hier naast het huis moeten liggen en was hij vanzelf vastgelopen tegen de weg."

"Dan is hij dus gestolen!" riep Joop. "Maar wie zou dat gedaan hebben? Er zat trouwens niet eens benzine in!"

"Dat kan ik je zo één twee drie ook niet vertellen," zei de timmerman. "Maar we zullen eerst nog eens kijken. Misschien heeft de een of ander een misselijke grap uitgehaald en hem ergens vastgelegd in de struiken om ons aan het schrikken te maken."

"Nou, dat is hem dan goed gelukt," bromde Joop.

Samen met zijn vader toog hij weer naar buiten om zich nog eens goed te overtuigen, maar de "Speedy" was onvindbaar. Ook in de sloot die het erf van de familie Bas aan de andere kant begrensde lag hij niet. Tenslotte liepen ze zo ver mogelijk in de richting van de plassen maar al hun zoeken bleef tevergeefs. Het stond dus wel vast; de "Speedy" moest gestolen zijn.

Joop maakte zichzelf de heftigste verwijten dat hij de vorige avond niet even gekeken had, maar vader zei troostend: "Dit had je toch niet kunnen voorkomen of je zou er de hele nacht moeten zitten!"

"Ja, maar nu weet ik niet eens wanneer het gebeurd is," verweet Joop zichzelf.

"Gistermorgen lag hij er nog," zei zijn vader, "toen ben ik in de werkplaats geweest en heb ik hem nog gezien."

"Maar wat moet ik zeggen tegen de anderen?" vroeg Joop zich af. "Moet ik maar gewoon zeggen dat hij weg is?"

"Tja, dat lijkt me de enige weg," zei vader glimlachend, ondanks het weinig prettige van de situatie. "En verder zullen we er meteen aangifte van doen bij de politie. Het moet al vreemd lopen, wil jullie boot niet binnen een paar dagen terug zijn. Het is tenslotte geen voorwerp dat je maar even in je binnenzak stopt."

Ondanks die hoopvolle woorden ging Joop met lood in de schoenen naar school om zijn vrienden op het schoolplein het fatale nieuws te vertellen. De reacties vielen gelukkig nogal mee. Aart noch Krijn scheen er over te denken, hem enig verwijt te maken.

"Als je zeker weet dat hij weg is, zullen we er direct politiewerk van maken," zei Krijn zakelijk.

"Maar ik begrijp niet wie de brutaliteit voor dat staaltje heeft gehad," zei Aart.

"Zou het soms......" begon Joop aarzelend, maar toen de anderen hem vragend aankeken zei hij: "Ach nee, het is zo maar een idee van me, ik zal het wel mis hebben."

"Jij denkt aan Sander en zijn kornuiten," zei Krijn. "En ik zie ze er ook best voor aan, maar laten we er ons maar niet in verdiepen. Dat zal de politie wel voor ons doen."

Tussen twaalf en twee gingen ze naar het politiebureau om aangifte te doen.

Hun korte verhaal werd genoteerd en toen hij klaar was vroeg de dienstdoende politieman: "Hebben jullie soms vermoedens in een bepaalde richting?"

Even keken de jongens elkaar aan, toen zei Krijn: "Nee meneer, ik zou niemand weten die ons die streek geleverd kan hebben."

"Dan zullen we het proberen uit te zoeken," zei de man der wet. "Zodra ik iets meer weet, horen jullie er nog wel van. Mocht je bepaalde aanwijzingen hebben dan houden jullie ons natuurlijk op de hoogte."

De jongens knikten. Na de vage toezegging dat er zo spoedig mogelijk werk van gemaakt zou worden, verlieten ze de politiepost.

Er volgden spannende dagen. Iedere keer dat een van de drie een politieman langs het huis zag gaan keken ze hoopvol uit of hij misschien een boodschap voor hen had. Maar de tijd verstreek, zonder dat ze van die kant iets wijzer werden.

Zelf informeerden ze links en rechts en op een woensdagmiddag fietsten ze zelfs rond de plassen in de hoop dat iemand hen iets kon vertellen over de verdwenen boot. Iedereen in het dorp was al op de hoogte van de gemene streek die men de jongens geleverd had en van alle kanten kregen ze de toezegging dat er voor hen uitgekeken zou worden.

Maar de dagen werden weken en de tijd verstreek, zonder dat ze iets hoorden wat hen enige hoop kon geven.

De "Speedy" was weg en bleef weg en langzamerhand verzoenden de knapen zich met de gedachte dat ze de boot, waaraan ze zoveel zorg hadden besteed, kwijt waren.

HOOFDSTUK IV

"Geef me nog eens een stukje deeg van je," zei Joop tegen Krijn, "ik schei uit met die wormen, dat lukt me toch niet vandaag."

Zonder antwoord te geven reikte Krijn hem het gevraagde toe, onder de hand gespannen naar zijn dobber kijkend. Even later haalde hij met een ruk zijn snoer op. Een klein witvisje verscheen spartelend boven water, maar voor Krijn kans had gezien hem binnen te halen was hij alweer terug gevallen in zijn element.

Het was zaterdagmiddag. De jongens hadden een boot mogen lenen van een buurman en zaten op een van hun geliefkoosde plekjes te vissen. Maar het wilde niet vandaag. Langer dan een uur hadden ze geduldig naar hun dobbers zitten turen maar het enig resultaat was tot nu toe, dat Aart een nietig klein baarsje naar boven had gehaald. Sportief was het beestje meteen weer in vrijheid gesteld. Verder leverde hun geduld niet het minste op.

"Ik heb nog geen bewijsje gehad," zei Joop mismoedig, waarmee hij te kennen wilde geven dat alle eventueel aanwezige vis zijn aas totaal had genegeerd.

"Laten we dan een ander plekje opzoeken," zei Aart. "Ik ben hier ook wel uitgekeken voor vandaag. Ga je mee Krijn?"

"Ssst," was diens enige antwoord.

"Tjoep," deed zijn dobber en nog eens en nog eens.

Maar als ervaren visser liet Krijn nog even doorbijten. Een paar keren wipte zijn vistuig op en neer, maar de beslissende hap bleef uit. Even later lag het kurken voorwerp weer roerloos op het water.

"Ik ga mee," zei Krijn, opstaand uit zijn gebukte houding en zijn vistuig binnen halend. "Laten we naar de "Blauwe Hoek" gaan," stelde hij voor. "Er zijn daar plaatsen waar ik nog nooit geweest ben. Hier is het toch niets gedaan vandaag."

"Dat is wel een heel stuk uit de buurt," zei Aart met een bedenkelijk gezicht. "Maar goed, vooruit dan maar. Het is nog vroeg dus we hebben alle tijd. Ik wil het daar ook wel eens proberen. Vader beweert altijd dat je daar veel betere plaatsjes hebt dan hier."

"Het is hier veel te druk," zei Joop deskundig. "Bij de "Blauwe Hoek" komt haast nooit iemand. Iedereen blijft hier vooraan plakken."

Met forse slagen roeiden ze dwars over de uitgestrekte plas in de richting van hun doel. Het was een geheel door riet omzoomd gedeelte van het meer dat maar één toegang had vanaf het grootste deel der plas. Hieruit was ook te verklaren waarom het er altijd zo stil was. Als men niet goed bekend was op de Vendorpse plassen, was men die toegang voorbij gevaren alvorens men er erg in had. Hoe het aan zijn naam kwam, wist niemand te vertellen. Sommigen schreven het toe aan het feit dat er vroeger een groot huis had gestaan, midden in het water en alleen bereikbaar via een paar lange steigers. Het had toebehoord aan een rijke zonderling. Maar het huis was door onverklaarbare oorzaak uitgebrand in een donkere winternacht. Ondanks al het water in de buurt was de brandweer niet bij machte het vuur bijtijds te doven doordat het zo moeilijk te bereiken was. Het vuur vond er gretig voedsel in het geheel uit hout opgetrokken huis en was na die tijd nooit weer herbouwd.

Nog staken er enkele half verkoolde en verrotte palen boven water uit. Ook de steigers waren langzamerhand in bouwvallige staat komen te verkeren en het geheel maakte een triestige indruk. De helblauwe kleur, waarin het huis vroeger geschilderd was geweest, werd door de bewoners van Vendorp aangewezen als de reden waarom het gedeelte "de Blauwe Hoek" genoemd werd, een naam die was gebleven. Op sombere dagen was het er bepaald onheilspellend, maar op deze zonnige dag geleek het een lustoord als men niet teveel lette op de trieste overblijfselen van het eens zo mooie buitenhuis.

De jongens legden de boot vast aan een der palen die er nog vrij stevig uit zag.

"Zo, hier ga ik het eens proberen met de werphengel," zei Aart. "Je loopt hier tenminste niet de kans dat je snoer verward raakt in de waterplanten."

Een beetje jaloers keken de andere twee naar het gloednieuwe bezit van hun vriend dat hij had gekregen voor zijn laatste verjaardag. Met een grote zwaai belandde het lokvisje een eind verder in het water, waarop Aart rustig de molen begon op te draaien. Blikkerend in het zonlicht verscheen het stukje metaal even later weer aan de oppervlakte maar de vis liet vooralsnog verstek gaan. Inmiddels hadden ook Joop en Krijn hun hengel weer vangstklaar gemaakt en een hele tijd hoorde je niets anders dan af en toe het hoog opspattende water als Aart met kracht het snoer van zich af had geslingerd.

Krijn was de eerste die het stilzwijgen verbrak. Dat was na een kwartiertje, toen hij een fikse baars boven water haalde en hem met een triomfantelijk gezicht aan zijn makkers toonde. Dat gaf moed en hoopvol stelden ook de andere twee pogingen in het werk om zijn voorbeeld te kunnen volgen.

Maar de tijd verstreek zonder dat de baars gezelschap kreeg. Aart gooide vasthoudend zijn kunstvisje in allerlei richtingen zonder voorhands enig succes te boeken met zijn nieuwe aanwinst. Juist toen hij er over begon te denken, zijn werphengel weer op te bergen en het te proberen op de klassieke manier, gebeurde het. Hij had het ding tot bijna in een hoge rietkraag gemikt en voor de zoveelste keer begon hij rustig de lijn in te halen. Maar direct toen hij begon te draaien merkte hij dat het niet zo vlot ging als andere keren. Eerst kon hij niet erg geloven dat het deze keer raak was, maar al spoedig bemerkte hij anders. Slechts heel langzaam vorderde het draaien van de molen en herhaaldelijk werd het helemaal onderbroken door forse rukken van de ongetwijfeld enorme vis.

De anderen hadden hun eigen hengel binnen boord gelegd en keken gespannen toe naar het gevecht dat nu begon. De vis scheen geenszins van plan te zijn zich zonder verweer te laten verschalken. Hoe dichter hij bij de boot kwam, hoe heftiger het spartelen werd. Het topje van de werphengel stond rond als een hoepel en het ragdunne snoertje was snaarstrak gespannen. Maar de nylonlijn was blijkbaar wel berekend op dergelijke zwaargewichten. Heel langzaam won Aart terrein. Nog een meter of vijf was het beest nu verwijderd van de boot. Af en toe konden de knapen al een glimp opvangen van de kanjer. Maar plotseling moest Aart zich schrap zetten doordat hij bijna zijn evenwicht verloor. Met een geweldige sprong kwam daar een aartsvaderlijke karper een eind boven water uit springen. Bijna was Aart overboord geslagen maar hij kon zich nog op het laatste ogenblik vastgrijpen, terwijl hij de hengel stevig vast hield. In een flits van een seconde was de karper echter verdwenen, de hele lijn met zich mee slepend. In het bootje heerste grote verwarring. Aart zat een beetje verwezen te kijken; Krijn en Joop hielden met hem stevig, bijna krampachtig, de hengel vast.

Op dat kritieke moment nam Krijn de leiding in handen. Snel maakte hij de boot los, terwijl de twee anderen de vis in bedwang hielden, die in een wijde boog rondzwom. De logge visboot werd gewoon meegesleept door de geweldenaar, terwijl Krijn nu langzaam de katrol stond op te draaien. Steeds kleiner en kleiner werd de afstand weer, totdat plotseling de vis weer een sprong boven water maakte als om hetzelfde spelletje van daarnet nog een keer te spelen. Maar deze keer had hij minder succes. In de eerste plaats was Krijn bedacht op zijn capriolen en in de tweede plaats lag de boot nu los, zodat die mee kon geven. Bijna ademloos volgden de anderen het schouwspel. Eerst was Aart een beetje in zijn wiek geschoten, toen Krijn hem resoluut de hengel uit de handen nam, maar nu dacht hij er niet meer over die weer over te nemen ook al stond hij bijna te dansen van spanning. Er kwam nu echter een andere factor in het spel: het hoge riet. Zo ver had de karper de boot al van zijn plaats getrokken, dat ze steeds dichter bij de oever kwamen waar de hoge rietpluimen opschoten. Als de vis daar tussen kwam was de strijd waarschijnlijk wel in zijn voordeel beslist want het was onmogelijk van daar het snoer nog op te rollen. Dichter en dichter naderden ze........

En toen gebeurde het ongelooflijke. Plotseling, ze waren nu de rietkraag tot op een afstand van een paar meter genaderd, liet Krijn de hengel uit zijn handen glippen en het gekke was, dat hij totaal geen pogingen deed om hem nog te redden!

"Wat doe je nu!" riep Aart. "Daar gaat mijn nieuwe hengel!"

Maar het deed Krijn blijkbaar niets want nadat hij even als verstomd in het riet had staan kijken riep hij opgewonden: "Kijk daar eens, daar in het riet!"

Ondanks hun consternatie over het verdwijnen van de vis met de nieuwe werphengel keken de jongens toch in de aangewezen richting. En toen begrepen ze de opgewonden stemming van Krijn beter. Daar, goed verborgen in het riet, lag een motorbootje heel zachtjes te schommelen. En al konden ze de omtrekken nog niet duidelijk onderscheiden, toch twijfelde niemand van hen. Dat was de "Speedy" die daar zo heimelijk was verscholen!

Niemand bekommerde zich nog om karper en hengel. Met een paar slagen roeide Aart de boot het riet in. Ruisend bogen de planten opzij en nu onderscheidden ze het duidelijk, het was inderdaad hun eigendom. De naam was er afgekrabd en met een lik verf ruw overschilderd. Het hele vaartuigje zag er trouwens een beetje haveloos uit, maar er kon geen sprake zijn van een misverstand.

Het was niet verwonderlijk dat het bootje niet eerder was opgemerkt. Het was heel geraffineerd tussen het riet geschoven, haast zonder dat er een stengeltje door geknakt was. Het was dan ook louter toeval dat de blikken van Krijn in de richting van het riet waren gegaan. Met een dun touwtje lag de "Speedy" vastgebonden aan de takken van een overhangende wilgenstruik. Een steviger bevestiging was hier niet nodig; zo'n rustig plekje hadden de dieven uitgezocht om hun buit te verbergen.

Nu viel het oog van de jongens ook op het oude huisje, dat Sander en zijn vrienden ingericht hadden als hun hoofdkwartier. Vanaf de plas zowel als van de weg moest het wel volkomen onzichtbaar zijn, zo goed lag het verscholen tussen het hoge riet, althans gedurende de zomer. En wie haalde het in zijn hoofd om in de winter een bezoek te brengen aan "de Blauwe Hoek"? Eerst bepaalden de jongens al hun aandacht bij hun racebootje. De romp had hier en daar een fikse schram opgelopen en de lak zag er dan ook weinig fraai uit. Maar aan de motor scheen gelukkig niets te mankeren. Aart was direct over gestapt, waarna ze de boot uit het riet manoeuvreerden. Na slechts één vergeefse poging begon de "Speedy" geweldig te sputteren en met een korte boog draaide Aart in het rond om te demonstreren dat er, wat dat betrof, geen onherstelbare schade was aangericht.

"Toch leuk van die dieven om er tenminste wat benzine voor ons in te doen," zei Krijn, nadat ze over de eerste verbazing heen waren gekomen.

"Maar wie zou ons dat nu geleverd hebben?" vroeg Joop zich af. Toen viel zijn oog plotseling op het zomerhuisje dat iets verder landinwaarts stond.

"Laten we daar eens gaan kijken," zei hij, er op wijzend. "Ik heb zo het idee dat we daar nog wel meer zullen vinden waar we verbaasd over staan."

"Ik wil er best voor uitkomen dat ik het een beetje luguber vind," zei Krijn. "Maar vooruit, laten we eens gaan kijken."

Zwijgend liepen ze naar het huisje dat daar in volslagen eenzaamheid stond. Waarschijnlijk had het toebehoord aan de vroegere bewoner van het buitenhuis, waarvan de schamele resten nog op het water te zien waren. Door een ruitje konden de jongens naar binnen kijken, maar er was geen levend wezen te zien. Toch een beetje omzichtig en op alles bedacht opende Aart het scheefgezakte deurtje. Wat ze echter ook verwacht mochten hebben, er was niets te zien. Een paar oude stoelen en een dito tafel vormden het enige interieur. De grond was bezaaid met sigarettenpeuken. Maar mocht er al sprake zijn van een dievenbende, die hier zijn hoofdkwartier had gevestigd, dan hadden ze het in elk geval niet gebruikt als opslagplaats voor hun gestolen waren.

Eensklaps bukte Krijn zich echter om iets op te rapen.

"Kijk eens wat ik hier vind!" riep hij.

Inderdaad bleek de briefkaart, die hij vond, een duidelijke aanwijzing te zijn in de richting waar de dieven gezocht moesten worden. De geadresseerde was namelijk Sander Willems, Dorpsstraat 27, Vendorp.

"Zie je wel, precies wat ik dacht," zei Aart. "Het is allemaal het werk geweest van hem en zijn kornuiten."

"Hans en Jan zie ik er nog niet direct voor aan," protesteerde Krijn. "Maar die Sander is er niet te goed voor."

Even waren ze alle drie stil. Naar de politie gaan? Dat betekende onherroepelijk dat Sander Willems opgepakt zou worden en misschien wel naar de gevangenis moest of op zijn minst naar een opvoedingsgesticht gestuurd zou worden. En al had hij dat ruimschoots verdiend, toch schrokken de vrienden daar een beetje voor terug.

Tenslotte zei Joop aarzelend: "Als we eens met hem gingen praten? Ik wil het niet graag voor mijn verantwoording nemen dat ik hem de gevangenis heb ingewerkt."

"Per saldo hebben wij onze boot terug," zei Krijn instemmend. "Toen we merkten dat hij weg was lag het natuurlijk voor de hand dat we de politie er in mengden, maar wat kan het ons nu verder nog schelen?"

"Maar met die knullen praten doe ik niet!" zei Aart een beetje heftig.

"Dan zullen we het anders doen," stelde Krijn voor. "We schrijven hem een brief waarin we vertellen dat we alles weten. En dan dreigen we hem, meteen naar de politie te gaan als we weer iets merken van zijn praktijken. Voortaan zal hij ons dan wel met rust laten."

"En wat zeggen we dan tegen de politie?" vroeg Aart. "Al denken wij er nu zo over; het is nog maar de vraag of de politie daarmee accoord gaat."

"O we zeggen gewoon dat we de boot ergens hebben zien drijven en hem toen opgepikt hebben," zei Krijn. "Daar is tenslotte niets aan gelogen."

" 't Is wel fraai," bromde Aart. "Tenslotte moeten wij dus gaan liegen om dat stelletje. En dat kost me nog mijn werphengel ook."

"Het is een leugentje om bestwil moet je maar denken," zei Joop. "Het feit dat je je hengel kwijt bent, verander je nu toch niet meer."

Stilzwijgend werd het voorstel van Krijn aangenomen.

Het was langzamerhand al vrij laat geworden en het werd tijd dat ze terug keerden naar Vendorp. Besloten werd dat Aart de "Speedy" zou besturen en hij de visboot met zijn beide vrienden op sleeptouw zou nemen. Ze hadden geluk. In de "Speedy" lag een stuk touw, achtergelaten door de jeugdige dieven, dat nu goede diensten kon bewijzen. Na wat geharrewar was de zaak klaar om weg te varen. Aart sloeg de motor aan en eerst met rukken, later regelmatiger, trok de "Speedy" dapper de zware boot achter zich aan.

Illustratie op pagina 44In de al schemerig wordende avond puften ze zo dwars over de plassen in de richting van het dorp. Ongewild hadden de dieven hen een goede dienst bewezen door te zorgen dat er voldoende benzine in de tank zat.

"Nu hebben we onze boot terug," zei Krijn tegen Joop. "Maar wil je wel geloven dat het me niet eens veel meer doet? Het is tenslotte toch maar een saaie bedoening. Om beurten kun je een paar keer de plassen over racen en dan ga je terug om af te lossen. Tenminste, als je geld hebt om benzine te kopen!"

"Precies mijn idee," zei Joop. "Ik heb het al eerder gezegd, voor mijn part verkopen we hem."

"Als we de "Speedy" weer netjes opknappen brengt hij een behoorlijke prijs op," overdacht Krijn. "Met zijn drieën afzonderlijk in een kano lijkt me toch leuker dan alleen in een motorbootje."

Aart vond het helemaal niet gek, toen ze wat later met het voorstel bij hem kwamen en voelde er meteen veel voor, al speet het hem natuurlijk wel een beetje dat ze dan eventueel een vaartuigje zonder motor zouden krijgen.

Ze stonden de boot vast te leggen op zijn oude, vertrouwde plaatsje. Terwijl ze daar mee bezig waren, kwam vader Bas naar buiten. Het laat zich denken dat hij verbaasd opkeek toen hij de jongens bezig zag. Ook moeder werd direct deelgenoot gemaakt in de vreugde, maar op haar scheen het niet zo veel indruk te maken. Al verschillende keren had zij bezwaar gemaakt tegen wat zijn noemde "het gejakker met dat ding".

Ze was dan ook veel verheugder over de boodschap dat de "Speedy" te koop zou zijn voor de meestbiedende! Vader Bas zou zich belasten met de verkoop, om een zo hoog mogelijke prijs te bedingen. Bovendien had hij hier en daar nog al wat relaties, zodat het voor hem niet zo moeilijk zou zijn het schuitje aan de man te brengen, dan voor drie jonge knapen van nog geen vijftien jaar.

Diezelfde avond stelden de jongens in het geheim nog een brief op aan Sander Willems, die er niet om loog. Ze hadden zich er maar niet meer in verdiept of hij het alleen geweest was die de diefstal had bedreven. In ieder geval zou hij er alles van af weten, zodat de bedoeling van de brief niet mis te verstaan was voor hem.

Of hij het gewenste effect zou hebben was natuurlijk een andere kwestie!

HOOFDSTUK V

Broederlijk lagen de drie kano's te wiegelen op de lichte golfslag van de Vendorpse plassen. Verheerlijkt keken drie paar jongensogen naar de ranke vaartuigjes. Het mochten dan geen motorbootjes zijn, ze zouden hier toch ongetwijfeld meer plezier hebben dan van één raceboot.

Een paar dagen geleden was vader Bas er in geslaagd de "Speedy" van de hand te doen en gisteren waren de nieuwe eigendommen van de jongens gebracht. De timmerman had de vaartuigen nog een laatste beurt gegeven en vandaag hadden ze "proefgevaren". Met de ervaring die ze al hadden, was dat geen moeilijke opgave, hoewel de overgang in het begin toch wel erg groot was. Tjonge, wat lagen die dingetjes rank op het water. Maar gaandeweg werd dat beter en na een half uurtje voelden ze zich volkomen thuis in hun nieuwe bezittingen, al wiebelden ze af en toe nog wel eens vervaarlijk. Dat eerste half uur hadden ze doorgebracht in de sloot. Toen werd hun de ruimte daar al te klein en nu lagen ze dan vooraan op de plas. Aart stelde meteen voor om een wedstrijd te organiseren maar de andere twee voelden daar weinig voor en paddelden als dollemannen in het rond. Glanzend van de nieuwe verf wachtten de kano's als het ware op het maken van flinke tochten. Het weer leende zich daar uitstekend voor. Een heel zacht briesje deed het water van de plas zacht rimpelen en het was een genot om met de lichte bootjes als op vleugels over het water weg te wieken.

Toen ze hun roes wat uitgeraasd hadden zochten ze naar een doel voor hun eerste kanotocht.

"Ik heb een voorstel," zei Krijn. "Voelen jullie er iets voor om eens bij de ruïne te gaan kijken?"

"Ja, dat is een idee!" riep Aart en Joop voegde er krijgshaftig aan toe: "Dan gaan we de burcht stormenderhand innemen! Over het water kun je er gemakkelijk komen."

Het was een vervallen kasteel waar de jongens over spraken. Het stond ergens aan de oever van het meer. Op donkere winteravonden zouden de jongens zich er liever niet hebben gewaagd, maar op een zonnige zomerdag leek het wel een aantrekkelijke onderneming. Niemand wist wanneer het voor het laatst bewoond was geweest. Dat moest wellicht honderden jaren geleden zijn. Ook niemand had zich in al die tijd blijkbaar iets aan de ruïne gelegen laten liggen, althans, hij was nooit weer opgeknapt. Dat kwam misschien ook wel door de verhalen, die de ronde deden over kasteelheren, die in vroeger jaren de burcht hadden bewoond. Jaartallen werden er nooit genoemd maar het scheen wel vast te staan dat er in de late middeleeuwen een soort roofridder had gewoond die het erg bont had gemaakt. Naar men zei, had hij de omgeving op een dusdanige wijze getyranniseerd dat zijn naam nog na eeuwen met een zekere vrees werd uitgesproken.

Daarnaast deden er dan nog verhalen de ronde over onderaardse gewelven die ingericht waren tot martelkamers, compleet met geselwerktuigen en wat dies meer zij. Niemand wist van al die dingen echter het rechte, daar het kasteel slechts moeilijk te bereiken was. Het stond een klein stukje van de straatweg en werd omringd door een echte slotgracht. Was men die over, dan stond men voor een hoge vestingmuur, die in vroeger jaren welhaast onoverkomelijke moeilijkheden moest hebben geschapen voor eventuele belegeraars. Bovenop de muur waren nog duizenden glasscherven aangebracht die het voor ondernemende knapen onmogelijk maakten er overheen te klimmen.

Welke hindernissen de weg over het water op zou leveren wisten de jongens nog niet, maar dat was nu juist het aantrekkelijke in de onderneming. Snel paddelden ze voorwaarts en na een half uurtje naderden ze hun doel al. Nu ze zo dicht bij kwamen werden ze toch onwillekeurig een beetje kalmer. Onderweg hadden ze allemaal veel praats maar naarmate ze vorderden, werden de gesprekspauzen steeds langer.

Uitgestrekte rietvelden vormden als het ware een natuurlijke bescherming rondom de achterzijde van het kasteel. Maar zo onneembaar als die barrière er uitzag, was ze in werkelijkheid niet. Met hun smalle kano's kwamen de vrienden er vrij gemakkelijk doorheen en weldra lagen de steenmassa's van de vervallen ruïne voor hen. De muur die aan de voorkant te zien was, liep helemaal door rondom de veste en op het eerste gezicht leek het alsof hier hun expeditie al afgelopen was.

Toen ze echter even rondkeken viel hun oog op een klein deurtje dat aangebracht was boven een sloot, een soort waterpoortje. Het bleek niet op slot te zijn maar het kostte wel enige moeite om het open te krijgen. De scharnieren waren zwaar verroest en pas na stevig duwen slaagden de jongens er in, binnen te dringen.

Achter elkaar schoven ze vervolgens hun kano's naar binnen. Nieuwsgierig keken ze in het rond. De sloot eindigde bij een vervallen aanlegsteiger. Blijkbaar had het terrein rondom de ruïne ook al eens dienst gedaan als onderkomen van een watersportvereniging. Een vervallen botenhuis wees daar op, maar het verkeerde in een dusdanige staat van verwaarlozing dat een verblijf daar binnen levensgevaarlijk moest zijn. Iets meer naar achteren lag de eigenlijke ruïne, het doel van hun tocht. De hele omgeving sprak hier van rust. Aan alles was te zien dat er in geen jaren mensen geweest waren. Het enige onderdeel van het kasteel dat er nog vrij solide uitzag, was een klein torentje. Blijkbaar behoorde het bij wat vroeger een kapel was geweest.

De eerste gang van de jongens was natuurlijk daar een kijkje te nemen. Langs een smalle wenteltrap klommen ze naar boven. Bovenin, even voor de schuine punt begon, was een klein balkonnetje aangebracht. Het bood plaats aan hun drieën, maar veel ruimte bleef er toen ook niet meer over. Wat ze van daar uit zagen, deed hen even stil zijn. Aan hun voeten strekten zich de plassen uit, hier en daar onderbroken door kleine eilandjes, uitgestrekte rietvelden en verderop door de lange stroken tussen welke het veen was afgegraven. In de verte bewoog zich een zeilbootje voort op het zachte Westenwindje, de zeilen bijna slap hangend aan de mast. Zo moest in vroeger jaren de kasteelheer gestaan hebben, uitkijkend over alles, wat hij zijn eigendom mocht noemen. Meer naar links lag Vendorp, bijna midden in al dat water.

"Laat ons naar beneden gaan," zei Joop, toen ze zo een paar minuten hadden gestaan.

Hij deed het zonder opzet, maar zijn stem klonk alsof hij de klok een paar honderd jaar terug had gezet en zich de heerser voelde over alles wat ze daar zagen. Aart en Krijn waren ook een beetje onder de indruk, zodat ze er geen van beiden iets op hadden te zeggen. Voorzichtig stommelden ze naar beneden langs de smalle trap om de boel eens verder te verkennen.

"Kijk daar eens jongens!" riep Aart plotseling. "Een boomgaard! En alles hangt vol!"

Hij bleek gelijk te hebben. Achter het oude botenhuis stonden zeker een stuk of twintig vruchtbomen, waarvan de takken bijna krom hingen onder de zware last die ze te dragen hadden. Toen ze pas binnen waren gekomen hadden de jongens dat over het hoofd gezien, maar bij nauwkeuriger verkenning van de omtrek viel plotseling het oog van Aart op de rijke fruitvoorraad.

"Van wie zouden die zijn?" vroeg Krijn, doelend op de bomen.

"Van niemand natuurlijk! Die kersen hangen gewoon op ons te wachten om geplukt te worden."

"Er is hier vast in een hele tijd niemand geweest," meende ook Joop. "Als wij ons er niet over ontfermen hangt dat fruit hier over een paar weken te verrotten."

Meteen was hij al bezig om zich te goed te doen en de beide anderen volgden zijn voorbeeld.

Toen ze werkelijk niet meer konden zei Joop: "Ziezo jongens, de rest laten we hangen voor een volgende keer. We moesten hier in de zomer ons hoofdkwartier vestigen, vinden jullie ook niet?"

"Volgende week zaterdag kun je me hier weer vinden, dat staat wel vast," zei Aart. "Allemensen, wat is dat lekker!"

"Dat is afgesproken, ik ben je man," zei Krijn. "Maar laten we nu naar huis gaan. Als we te laat zijn gaan ze natuurlijk vragen waar we uitgehangen hebben. En we moeten deze ontdekking vooral onder ons drieën houden. Als er meer jongens de lucht van krijgen, is het gauw afgelopen met ons alleenrecht op de oogst."

Zo werd besloten en vijf minuten later werd de terugtocht aanvaard. De kano's lagen rustig te dobberen op de plaats waar de vrienden ze achter hadden gelaten. Nadat ze de hindernissen van het riet voor de tweede keer hadden overwonnen ging het full-speed terug naar het dorp.

Doordat ze tamelijk laat waren, werd aan alle drie gevraagd waar ze vandaan kwamen maar gelukkig werd hen het vuur niet zo na aan de schenen gelegd dat ze hun hele geheim prijs moesten geven. Alleen Aart had het er nog even moeilijk mee. Hij vertelde doorgaans al zijn belevenissen aan zijn twee jaar jongere broer Koos. Juist doordat die merkte dat Aart een beetje geheimzinnig deed, bleef hij aandringen. Het eind van het liedje was een fikse ruzie tussen de broers waar hun vader een eind aan moest maken. Maar Aart kon tevreden zijn: hij had niet meer losgelaten dan hij kwijt wilde!

HOOFDSTUK VI

De zaterdag daarop trokken de drie jongens er direct na schooltijd op uit om zo ruim mogelijk over hun tijd te kunnen beschikken. Het weer hield zich uitstekend. Al een paar weken had de zon overdag de aarde met haar koesterende stralen verwarmd en alles in een feestelijke tooi gestoken. Nu zouden ze dan de boel eens wat nauwkeuriger verkennen al zouden ze natuurlijk de boomgaard bepaald niet verwaarlozen.

"Ik ben nieuwsgierig of er nog meer verrassingen voor de dag komen," zei Joop.

"Van het hoofdgebouw is anders niet veel meer over, dus het is me een raadsel wat je daar denkt te ontdekken," gaf Krijn als zijn mening te kennen.

"Dat kan wel eens meevallen! We hebben de vorige week eigenlijk helemaal niet verder gekeken en zijn meteen als wolven op dat fruit aangevallen. Je hebt best kans dat er onder de grond meer intact is dan daarboven."

"Ik stel me er ook echt niet veel van voor," zei Aart. "En het belangrijkste hebben we in ieder geval al gezien."

"Voor jou is natuurlijk eten het belangrijkste," lachte Joop. "Maar goed, als jullie geen zin hebben ga ik wel alleen op onderzoek uit."

De andere twee gaven geen antwoord doordat Aart al een paar keer achterom had gekeken en Krijn hem vroeg: "Wat zie jij daar toch steeds?"

"Kijken jullie ook eens," zei Aart. "Daar bij dat eilandje daar links, vaart een roeiboot, zien jullie die?"

En toen zijn vrienden bevestigend antwoordden vervolgde hij: "Ik zou me al sterk moeten vergissen als dat onze vrienden niet zijn."

"Onze vrienden?" vroeg Krijn verbaasd.

"Ik bedoel Sander, Hans en Jan," verduidelijkte Aart.

"En wat zou dat dan?" vroeg Joop. "Dat stel zal wel zo wijs zijn om een beetje uit onze buurt te blijven, denk ik."

"Dat geloof ik nu juist niet. Toen we straks de plassen op kwamen zag ik ze ook al in de buurt rondscharrelen."

"Bedoel je dat ze ons achtervolgen?" vroeg Krijn.

"Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar je zult me toe moeten geven dat het wel een beetje verdacht lijkt," vond Aart. "Jij verwacht wel dat ze uit de buurt zullen blijven, maar reken er wel op dat het een brutaal stelletje is."

"Als ze het ons lastig maken, gaan we toch zeker naar de politie," zei Joop. "Eén kik over dat geval met de "Speedy" en we hebben voorlopig geen last meer van ze."

"Daar kunnen we niets meer van bewijzen," zei Aart nuchter. "Bovendien sla je dan een gek figuur. Eerst hebben we het voor doen komen alsof we de boot bij toeval ergens hebben opgepikt en nu zouden we dus met een ander verhaal moeten komen. Dat is wel vreemd, vind je niet?"

"En wat denk je dan dat ze nu van plan zijn?"

"Dat weet ik net zo min als jij. Maar ik voel er weinig voor om rechtstreeks naar het kasteel te gaan, zolang dat drietal ons in het vizier heeft."

"Dat is mijn idee ook, zei Krijn. "De vraag is alleen hoe we van ze af komen!"

"We zullen het nog even aanzien," stelde Aart voor. "Waar we nu zijn, kunnen ze nog niet weten waar we precies naar toe gaan. We varen om dat stukje land heen en leggen aan bij de andere kant. Vanaf het land kunnen we ongezien bekijken waar ze naar toe gaan. Daarna zullen we wel verder zien wat we doen."

Dat was niet zo'n slecht idee en het werd meteen ten uitvoer gelegd. Zonder verder nog om te kijken, paddelden de jongens naar de afgesproken plaats. De kano's werden tegen de wal opgetrokken en als sluipschutters kropen de jongens vervolgens door het hoge riet. Duidelijk konden ze vanuit hun hoge schuilplaats zien, hoe de roeiboot rechtstreeks in hun richting naderde. Toen hij dichter bij kwam konden ze ook duidelijk de gestalten onderscheiden die er in zaten. Het vermoeden van Aart bleek inderdaad op waarheid te berusten. Jan Knaapen en Hans Barends trokken uit alle macht aan de riemen terwijl Sander Willems breeduit op het achterbankje zat. Toen Joop het stelletje zag, werd hem de drift haast te machtig. Als de anderen hem niet overreed hadden, had hij het bepaald op een vechtpartij aan laten komen. Maar gelukkig konden Krijn en Aart hem er van terug houden.

"Laat ze maar gaan," zei Krijn fluisterend. "Kom op, dan halen we vlug de kano's nog wat hoger op de wal, opdat ze die niet te zien krijgen."

Het drietal was nu zo dicht genaderd dat ze hun stemmen konden horen, al konden ze de woorden nog niet verstaan. Snel kropen de bespieders door het riet terug en zo geruisloos mogelijk deden ze wat Krijn had voorgesteld. Het landje was juist breed genoeg om een behoorlijke schuilplaats te bieden aan de drie vaartuigjes en even later klommen ze weer tegen de hoogte van het dijkje op en lieten zich vallen op hun uitkijkposten. Op een afstand van hoogstens vijftig meter zagen ze van daaruit de roeiboot langs varen. Ze konden nu duidelijk verstaan wat er gezegd werd en al spoedig bleek dat er inderdaad over hen werd gesproken.

"Als we om die landtong heen zijn moeten we ze weer kunnen zien," hoorden ze Sander zeggen.

De andere twee gaven geen antwoord. Ze hadden er een fiks gangetje in en hadden blijkbaar hun adem daarvoor hard nodig.

Weinig tijd later hadden ze de punt bereikt en daar lieten de twee roeiers even de spanen rusten. Ze waren nu op een afstand van niet meer dan vijfentwintig meter van de drie jongens gekomen.

Het water droeg hun stemmen duidelijk over en ze hoorden Sander zeggen: "Verdraaid, nu zie ik ze niet meer! Daar hebben we ons voor in het zweet geroeid!"

"Jij hebt er nog al veel aan gedaan!" zei Hans Barends schamper, maar Sander reageerde er niet op.

Ze lagen nu stil en keken naar alle kanten uit.

"En toch moeten ze hier beslist langs gekomen zijn," hernam Sander. "Wat zullen we nu doen?"

"Weet ik veel," zei Jan Knaapen. "Dat laat ik graag aan jou over. Het hele idee is tenslotte van jou uit gegaan en omdat er zo nodig doorgezet moest worden, zweet ik nu uit al mijn poriën."

"Je hebt anders nog niet genoeg gezweet blijkbaar," snauwde Sander. "Als we hier een paar minuten eerder geweest waren hadden we dat stelletje nog wel gezien."

"O, we hebben niet hard genoeg gewerkt naar de zin van meneer," viel Hans Barends uit. "Dat had je dan wel eens wat eerder mogen bedenken, dan had je zelf de handen uit de mouwen kunnen steken. Jij hebt je bepaald niet moe gemaakt in de rol van gezagvoerder."

Het antwoord van Sander ging verloren in een gebrom waaruit niets viel op te maken. Wel scheen hij zich de opmerking een beetje aan te trekken, want na het gemompel viel er een zwijgen in.

De vrienden in het riet lagen zich inmiddels te verkneuteren van pret. Als het edele drietal eens wist hoe dicht ze in de buurt waren! Daar hadden ze hun achtervolgers even een prachtige poets gebakken!

"Nu ben ik toch werkelijk nieuwsgierig waarom ze ons eigenlijk achterna zitten," fluisterde Joop, die zijn driftbui van daarnet totaal vergeten was.

De andere twee knikten zwijgend, bang dat ze hun schuilplaats zouden verraden.

Maar alsof Sander de vraag had gehoord en hem nu wilde beantwoorden, zei hij: "Maar wacht maar, we komen er wel achter, waar dat stel hun vrije zaterdagmiddag door brengt! Ik weet zeker dat ze de vorige week ook deze kant uit gingen. Ik had toen geen zin om ze in mijn eentje achterna te gaan. Maar ze zijn 's avonds pas laat terug gekomen. Vistuig hadden ze niet bij zich en je gaat met een kano niet op familiebezoek, zeker niet op zaterdagmiddag. Die hebben bepaald iets gevonden waar je meer dan een enkele zaterdag plezier van hebt. En aangezien wij hier op de plassen oudere rechten hebben dan zij, vind ik dat ze ons op zijn minst deelgenoot moeten maken in dat geheim."

Na die uitspraak was het weer even stil in de roeiboot als zat ieder voor zich te overleggen wat hun nu te doen stond. Krijn, Aart en Joop lagen in spanning af te wachten of er nog meer besproken zou worden. Ofschoon ze alle drie een hekel hadden aan de rol van luistervink, vonden ze dat ze voor deze keer wel eens een uitzondering mochten maken.

Misschien konden ze hun vijanden op een dwaalspoor brengen over het doel van hun tocht op het water en dan was het de moeite van luisteren zeker waard. Als het drietal hun ideale "Hoofdkwartier" leerde kennen was het er met de rust spoedig gedaan en was de aardigheid er af. Bovendien zou de kersenoogst dan waarschijnlijk ook nog hun neus voorbij gaan. En al hadden zij er dan ook eigenlijk geen recht op, ze gunden het toch zeker niet aan de drie daar in de roeiboot.

Nu nam Hans Barends het woord.

"Laten we nu maar terug gaan," zei hij. "Ik voel er niets voor om hier te blijven wachten totdat we een ons wegen. En als je die drie hun rust helemaal niet gunt en per sé wilt weten waar ze naar toe gaan, gaan we hier desnoods volgende week op de uitkijk liggen op die landtong. Hoewel ik de hele geschiedenis al beu ben!"

Op het land, waar Hans de volgende week dacht te gaan zitten, werd veelbetekenend geknipoogd. Ziezo, daar waren ze tenminste wat wijzer geworden. Het was om te brullen van het lachen, deze vreemde situatie! Maar ze zouden hier volgende week niet gezien worden, dat stond wel vast.

Jan en Sander schenen in te stemmen met het plan van hun makker, want er werd niet meer over gesproken. De roeiboot werd gedraaid en in heel wat langzamer tempo dan ze gekomen waren, werd de terugtocht aanvaard. Sander Willems zat nu alleen aan de riemen.

Maar op het land konden de jongens hem nog horen zeggen: "Straks nemen jullie het weer een poosje over hoor!"

Toen ze ver genoeg uit de buurt waren lieten Krijn, Aart en Joop zich weer naar beneden zakken en stapten in hun kano's.

"Ziezo, nu weten we tenminste waar het dat stel om te doen is," zei Joop.

"Alsof jij het geweest bent, die voorstelde ze af te luisteren," lachte Krijn.

"Nou ja, ik maakte me zo nijdig op die lui," zei Joop verontschuldigend.

"Daar schiet je niets mee op," zei Aart wijsgerig. "We zijn nu tenminste iets wijzer geworden."

"Maar wat doen wij nu?" vroeg Joop. "Ik voel er achteraf ook weinig voor om die drie knullen te laten merken waar we naar toe gaan."

"We gaan gewoon een andere kant uit, de volgende week," stelde Krijn voor. "Dat vaart natuurlijk wel een stuk om, maar dan weten we in elk geval zeker dat ze ons niet zien. Als ze een paar keer voor niets geroeid hebben is de aardigheid er gauw genoeg af."

Aldus werd besloten en met een fiks vaartje stevenden ze nu rechtstreeks op hun doel af. Het geval had hen meer dan een half uur gekost, zodat ze op moesten schieten, wilde hun tocht die middag de moeite nog lonen. Gelukkig hadden ze nu veel minder moeite met de rietvelden doordat ze precies het zelfde gangetje volgden als de eerste keer. En ook de muur leverde nu geen enkele moeilijkheid meer op.

Zonder oponthoud stevenden ze meteen op het deurtje af en weldra lag het verlaten terrein weer voor hen. Ze deden zich eerst eens flink te goed aan de kersen.

Toen ze niet meer durfden uit vrees misselijk te worden, stond Joop er op direct zijn plan uit te voeren. De anderen wilden nu toch ook wel eens zien of er nog meer te zien was in de oude, vervallen burcht en daarom trokken ze op verkenning uit.

Bij nadere beschouwing bleek dat verval overigens nog al mee te vallen, precies zoals Joop had voorspeld. De bijna metersdikke muren hadden de tand des tijds veelal behoorlijk weten te doorstaan, al waren er dan ook hele gedeelten weg geslagen of omver gehaald. Een dak was er niet meer, behalve in het kapelletje waar de jongens vorige week al waren geweest. De enige ontdekking die ze voorlopig deden, was een gang die naar beneden leidde, vanuit één der zijvleugels van het gebouw. Onmiddellijk maakten ze aanstalten om naar beneden te gaan.

In het begin lagen de treden vol met stenen die de doorgang schenen te willen belemmeren, maar meer naar beneden bleek alles nog vrij gaaf te zijn. Ze durfden echter niet al te ver te lopen daar het natuurlijk steeds donkerder werd naarmate ze dieper afdaalden. Een lantaarn of lucifers hadden ze niet bij zich, zodat het risico, ergens tegen aan te lopen, te groot was.

"Ik ben nu toch ook nieuwsgierig waar die gang op uit komt," zei Krijn.

Zijn stem klonk een beetje gedempt. Want al waren ze geen van drieën bang uitgevallen, de hele sfeer hier was zo onwezenlijk dat het ze toch een beetje benauwde. Maar natuurlijk wilde geen van drieën daar voor uit komen. Het beloofde nu immers pas spannend te worden!

"Volgende week zal ik een lantaarn meenemen," beloofde Joop. "Zo kunnen we niets beginnen. Ook al lukt het ons om door te lopen, dan kunnen we toch nog niets onderscheiden. Het is hier aardedonker!"

"En nu zijn we pas een meter of vijftien van de ingang," vulde Aart aan.

Voorzichtig, om niet te struikelen over de grote brokken steen, aanvaardden ze de terugtocht, een beetje onder de indruk van de middeleeuwse sfeer, die hier heerste. Met een beetje fantasie verwachtte je zo de zware tred van een geharnaste ridder achter je aan te horen komen.

Al spoedig zochten de knapen de kano's op en weldra dobberden ze weer op de ruimte van de plassen. Het was alsof er een druk van hen af was gevallen nu ze de gezonde lucht inademden boven het water. Het deed de tongen weer los komen en breedvoerig werd er besproken, hoe ze de volgende week zouden trachten te ontkomen aan de achtervolging van Sander, Jan en Hans. Want ondanks de benauwende atmosfeer wilden ze nu toch verder gaan met hun onderzoekingen!


 

HOOFDSTUK VII

De week daarop was het regenachtig weer. De plassen rond Vendorp hadden totaal niets aantrekkelijks meer en naar de kano's werd dan ook niet omgekeken. Het leek bijna niet te geloven dat ze de vorige week nog met zoveel enthousiasme naar het kasteel waren gegaan. Uit een grijsgrauwe hemel drensde de regen neer en iedereen verfoeide het grillige, onberekenbare Hollandse klimaat. Alles voelde klam aan, de landweggetjes aan de buitenkant van het dorp waren herschapen in even zovele modderpoelen en alleen zij die er nodig uit moesten, kwamen buiten.

Maar dan, het was inmiddels vrijdag geworden, klaarde de lucht op. 's Morgens leek het er nog niet op dat het een zonnig weekeinde zou worden maar in de namiddag kwamen er in het Westen lichte plekken in de lucht. Aarzelend probeerden de eerste zonnestralen door te dringen naar de aarde en al spoedig daarna moesten de zwaarbeladen wolken het veld ruimen. Op slag kreeg alles een ander aanzien. De postbode kwam fluitend de kleine bruggetjes over om zijn brieven af te geven; Henk, het knechtje van slager Bos, zong het hoogste lied en maakte halsbrekende toeren op zijn zware transportfiets met de grote mand voorop.

En Aart, Krijn en Joop stompten elkaar veelbetekenend tegen de schouders. Om half twee zouden ze elkaar ontmoeten met de respectievelijke kano's vooraan bij de plas, even buiten het dorp. Precies op tijd kwamen ze alledrie aanpeddelen onder hevig krijgsgeschreeuw en elkaar begroetend alsof ze in geen maanden samen op stap waren geweest.

Zoals afgesproken was, gingen ze deze keer niet via de kortste weg maar hielden ze eerst een hele tijd de oever van het meer. Het was wel een heel eind om, maar het risico dat ze het nobele drietal zouden ontmoeten werd er tenminste aanmerkelijk door verkleind.

Inderdaad slaagden ze er in, ongezien het uitgestrekte rietveld te bereiken dat de ruïne van de plassen scheidde. Langs de bekende weg waren ze in een ommezien doorgedrongen tot binnen de muren van de veste.

De vaartuigjes werden vastgelegd bij het botenhuis en daarna trokken ze, gewapend met de zaklantaarn die Joop had meegebracht, op onderzoek uit naar de onderaardse gewelven van het kasteel.

Illustratie op pagina 92Iets minder aarzelend dan de vorige keer daalden ze de stenen trap af die de toegang vormde. Het spaarzame licht van de batterijlantaarn dwaalde langs de wanden. Aan de ingang van de trap was het nog enigszins glibberig door de vele regen die de afgelopen dagen was gevallen. Maar na een tree of tien was daar niets meer van te merken. Wel hingen er druppels water aan de muren maar dat was waarschijnlijk grondwater, dat door de poreuze muur heen drong. Ondanks de overmoedige stemming waarin ze aan hun verkenningstocht waren begonnen, werden de jongens toch weer een beetje stil naarmate ze dieper afzakten in de onbekende duisternis. Doodstil was het er, een beklemmende stilte, die haast tastbaar was. De trap voerde hen vrij diep onder de aarde en kwam toen uit in een brede gang. De wanden bestonden uit gewone bakstenen, die er stuk voor stuk nog vrij gaaf uitzagen. Alleen het cement tussen de stenen, of wat het dan ook mocht zijn, was verweerd en hing hier en daar los tussen de voegen. Maar verder zag het er uit alsof het hele geval er niet langer stond dan vijftig jaar, terwijl dat minstens het tienvoudige moest zijn. De tred van de jongens werd steeds langzamer.

Waar zouden ze tenslotte terecht komen? Vlak naast elkaar liepen ze op het laatst voetje voor voetje verder. Toen ze een meter of tien in de gang hadden gelopen, splitste deze zich in tweeën. Schuin naar links en rechts zette hij zich voort maar tevergeefs zochten de jongens in één van beide richtingen naar een lichtpuntje, dat op het eind kon wijzen. Vermoedelijk hadden deze gangen in vroeger jaren dienst gedaan als vluchtgang, in geval van belegering en de kans was groot dat ze ergens boven de grond uitkwamen, buiten de muren van het kasteel.

Besluiteloos stonden ze gedrieën bij de tweesprong. Tenslotte was het Krijn die het initiatief nam. Hij liet het lot beslissen door een cent op te gooien, die hij uit zijn broekzak opviste. Het geldstukje wees uit, dat ze naar links zouden gaan. Door het spreken schrok een rat kennelijk op uit zijn rust en schoot verschrikt voor hun voeten langs, de duisternis in. Behoedzaam stapten de knapen de linker gang in.

Plotseling stonden ze alle drie tegelijk stil. Met strakke gezichten luisterden ze. Ergens van achter uit de gang klonk duidelijk gekreun! Het klonk haast luguber in deze omstandigheden. Er moest daar iemand zijn! Bijna een volle minuut stonden ze elkaar in het halfduister verwezen aan te kijken, aarzelend wat te doen.

Nu nam Aart resoluut de leiding.

"Kom op," zei hij en tegelijkertijd rukte hij Joop de zaklantaarn uit de handen.

Meteen liep hij vastbesloten in de richting vanwaar het menselijke steunen kwam en de anderen volgden hem. Bij iedere stap die ze deden werd het gesteun nu duidelijker hoorbaar. Daar ergens in de duisternins verkeerde iemand in nood! Wellicht was hij gewond, in elk geval scheen hij volslagen hulpeloos te zijn. Aart had alle aarzeling van zich af gezet en liep zo snel als de duisternis dat toeliet. Het leek wel alsof wandelingen in onderaardse gangen zijn dagelijkse bezigheid waren en zoekend liet hij het licht van de zaklantaarn langs de wanden spelen. Plotseling maakte de gang een scherpe bocht en toen ze die gepasseerd waren, viel het schijnsel op een menselijke gestalte die op de grond lag.

Het was een man van middelbare leeftijd, gekleed in een donkerblauw costuum. Waarschijnlijk was hij bewusteloos, hij richtte zich tenminste niet op toen de jongens naderden, noch gaf hij op andere wijze blijk dat hij iets van hun komst had gemerkt.

Besluiteloos stonden de jongens te kijken. Op zoiets hadden ze nu helemaal niet gerekend! Op ratten, vleermuizen en ander gedierte waren ze bedacht; zelfs hadden ze al met de gedachte gespeeld dat ze ergens een geheime bergplaats van het een of ander zouden ontdekken. Nu zagen ze zich plotseling voor dit probleem gesteld, want een probleem was het! Wat de man scheelde konden ze niet bekijken, maar in ieder geval moest er iets gebeuren. Het beste zou zijn, dat ze er een dokter bij haalden, maar waar die zo gauw vandaan te halen?

"Ik ga wel hulp halen," zei Krijn, "blijven jullie hier?"

De anderen stemden er mee in, maar eerst moesten ze samen naar buiten, wilde niet een van hen in het aardedonker achterblijven. Snel liepen ze terug en eenmaal buiten gekomen maakte Krijn zich zo snel mogelijk uit de voeten, Joop en Aart daalden weer af, hoewel het hen zelf niet erg duidelijk was, wat ze daar eigenlijk moesten doen.

"Wie zou het toch kunnen zijn?" vroeg Aart, terwijl ze de trap afdaalden.

"Ik heb er geen idee van," zei Joop. "In ieder geval lijkt het me geen misdadiger, daarvoor is hij veel te netjes gekleed."

"Daar is anders niet veel van te zeggen. Ik heb wel eens gelezen dat de meeste misdadigers juist altijd tot in de puntjes gekleed zijn."

"Zou je denken dat....." begon Joop, maar Aart haalde zijn schouders op.

"We zullen maar afwachten," zei hij. "Ook als dat wel zo zou zijn, kun je zo iemand toch maar niet aan zijn lot overlaten."

De man over wie ze het hadden was inmiddels opgehouden met zijn gekreun. Wel lag er nog een uitdrukking van pijn op zijn gezicht. Zwijgend gingen de jongens tegen de muur aan staan, niet wetende wat anders uit te richten. Aart stelde nog voor om te trachten hem naar boven te slepen, maar Joop merkte heel verstandig op dat ze daar beter mee konden wachten totdat er een dokter bij was. Tenslotte kon de onbekende wel een been hebben gebroken en wie weet wat ze dan bedierven door ondeskundig met hem te gaan slepen.

Zo stonden ze een tijdlang te kijken, allebei in gedachten verdiept. Plotseling, na ongeveer twintig minuten, sloeg de gevallene even zijn ogen op. Tegelijkertijd probeerde hij zich op te richten, maar dat bekwam hem slecht. Hij kwam niet verder dan op zijn ellebogen, toen zakte hij met een kreet van pijn weer achterover. Hij bleek nu echter enigszins bij zijn positieven te geraken. Met een verdwaasde blik keek hij om zich heen. Het licht van de zaklantaarn was het enige wat hij vanuit het donker kon zien, de jongens bevonden zich achter het schijnsel.

Nu kwam Joop echter naar voren en vroeg: "Kunnen we soms iets voor U doen?"

"Mijn been..... erg pijnlijk....." was het enige wat de zieke er voorlopig uit kon brengen.

Ondanks die pijn begon hij toch weer pogingen in het werk te stellen, overeind te komen. Direct kwam Joop naast hem staan en ondersteunde hem zo goed mogelijk. Inderdaad gelukte het, de man in een zittende houding te krijgen en hem met de rug tegen de muur te doen leunen.

"Hè, hè, dat gaat even beter," zei de vreemdeling.

De omstandigheden in aanmerking genomen, sprak hij tamelijk opgewekt.

"Zo, nu gaan we eerst eens even kijken waar mijn zaklantaarn gebleven is. Het schijnt, dat die een stukje verderop terecht is gekomen bij mijn val."

Aart toog op zoek en inderdaad vond hij een paar meter verder de lantaarn.

Nieuwsgierig stonden de jongens de man op te nemen.

Alsof hij hun gedachten raadde begon hij op zeker moment: "Jullie zult je wel afgevraagd hebben wie ik ben en hoe ik hier zo verzeild ben geraakt hè?"

De vrienden wisten niet beter te doen dan maar bevestigend te knikken.

"Mijn naam is Van Doresteyn. Ik ben de eigenaar van deze ruïne, die ik voor een paar maanden terug geërfd heb van een oom van me. En wie zijn jullie?"

In het kort vertelde Joop wie ze waren en hoe ze hier verzeild raakten. Toen hij uitgesproken was, glimlachte de ander, ondanks de pijn die hij had.

"Eigenlijk zijn jullie dus in overtreding, want het is hier altijd verboden terrein geweest. Maar ik ben nu blij dat jullie dit verbod overtreden hebben, want wie weet hoe lang ik hier anders nog had moeten liggen in mijn eentje."

"Wat is er eigenlijk met U gebeurd?" vroeg Aart.

"Ik wilde, net als jullie, eens kijken waar deze gang op uit liep, maar dat is me slecht bekomen. Ik schijn ergens over te zijn gestruikeld en zo ongelukkig terecht te zijn gekomen dat ik mijn been heb gebroken. En ik heb zo het idee dat ik een behoorlijk tijdje buiten Westen heb gelegen."

Het was misschien egoïstisch, maar een van de eerste dingen die de jongens zich realiseerden was het feit dat ze nu de alleenheerschappij over de burcht kwijt waren. Al was dat een beetje onlogisch, ze hadden zich eigenlijk een beetje als de rechthebbenden op dit domein beschouwd en nu kwam die meneer hen even vertellen dat hij de enige en wettige eigenaar was.

"Is die vriend van jullie al lang onderweg naar de dokter?" informeerde meneer Van Doresteyn.

"Ik schat ongeveer een half uur," antwoordde Joop. "En het is ongeveer een half uur naar het dorp, zodat hij over een drie kwartier wel weer hier zal zijn."

Ondanks zijn schijnbare opgewektheid zuchtte de ander even. Blijkbaar had hij flink last van zijn been.

"Hoe lang heeft U hier eigenlijk gelegen?" vroeg Aart.

"Ik heb er geen idee van. Mijn horloge is stil blijven staan, dus het zal wel een behoorlijke tijd geweest zijn dat ik die vermaledijde trap af gestapt ben. En tenslotte ben ik nog niets verder gekomen met mijn onderzoek."

"Wij ook niet," zei Joop.

"Inplaats daarvan zitten we hier nu met zijn drieën te wachten op de komst van een dokter," zei meneer Van Doresteyn in een mislukte poging, grappig te zijn.

Het was inderdaad een niet alledaagse situatie. In het spookachtige, onderaardse gewelf zat daar een nieuwbakken kasteelheer met een gebroken been heel opgewekt te praten met twee jongens die, in strijd met de voorschriften, zijn terrein hadden betreden.

Af en toe ontvielen de heer Van Doresteyn nog wel eens geluiden die er op wezen dat hij behoorlijk pijn had. Maar overigens gedroeg hij zich bepaald niet kleinzerig en wachtte geduldig op deskundige hulp. Die liet gelukkig niet zo lang meer op zich wachten. Omstreeks de door Aart verwachte tijd hoorden ze verder naar voren geluiden die wezen op de komst van mensen.

Meneer Van Doresteyn en de dokter bleken elkaar goed te kennen en de laatste was dan ook niet zo heel verbaasd over het ongewone van het geval. Snel nam hij de noodzakelijke maatregelen en weinig tijd later was meneer Van Doresteyn onderweg naar het ziekenhuis in de dichtstbijzijnde stad. De dokter bood nog aan om de jongens naar huis te brengen, maar die bedankten daarvoor, behalve Krijn. Die was met zijn kano naar het dorp gepaddeld om de dokter te halen en was terug met diens wagen meegereden. Hij zou anders dus moeten lopen, daar de kano's niet op twee personen waren berekend. Aart en Joop stapten ook meteen maar op. De aardigheid van de ontdekkingstocht was er voor vandaag wel af.

"Aardige man, die meneer Van Doresteyn," zei Joop, toen ze weer op de plassen waren gekomen.

"Ja, maar met ons alleenrecht is het nu wel gedaan," zei Aart een beetje mismoedig.

"Dat ben ik nog helemaal niet met je eens," zei Joop optimistisch. "Let maar eens op mijn woorden."

"Wat bedoel je?" vroeg Aart nieuwsgierig.

"Ik geloof nooit dat meneer Van Doresteyn het hierbij zal laten," zei Joop stellig. "En als we het hem netjes vragen, weigert hij ons vast de toegang tot het kasteel niet."

"Daar zou ik me maar niet te veel van voorstellen. Meneer Van Doresteyn is ons over een paar dagen natuurlijk al weer vergeten!"

Maar meneer Van Doresteyn was de jongens niet vergeten! Dat bleek na een paar dagen, toen ze alle drie afzonderlijk een brief kregen, waarin ze nogmaals hartelijk werden bedankt voor de hulp die ze hadden geboden. Verder liet de heer Van Doresteyn weten, dat hij het uitstekend maakte, al zou het nog wel even duren alvorens hij weer uit het ziekenhuis ontslagen werd. Hij nodigde ze nu echter alvast uit hem op te komen zoeken zodra hij weer thuis was. Dan konden ze meteen eens praten over een klein geschenk waarmee hij de jongens een plezier hoopte te doen. Nu hadden ze dan nog even rustig de tijd om er over na te denken wat ze graag wilden hebben.

Nu, daar behoefden ze niet lang over na te denken. Als meneer Van Doresteyn hen toestemming wilde geven, zijn terrein te betreden, waren zij allang tevreden.

"Als we die toestemming krijgen, vraag ik mijn ouders of ik daar de vacantie door mag brengen," stelde Krijn voor. "Voelen jullie daar ook iets voor? We kunnen van daar uit tochtjes maken over de plassen. We kunnen vissen, we kunnen luieren zoveel als we maar willen en bovendien hebben we dan alle tijd om onze onderbroken tocht daar beneden voort te zetten."

Dat plan werd met instemming begroet. Ze spraken er over alsof de hele zaak al in kannen en kruiken was en opperden allerlei plannen voor de voorgenomen kampeerpartij.

De toestemming van meneer Van Doresteyn betwijfelden ze al lang niet meer. De vraag was alleen nog of hun ouders er wel mee accoord gingen dat hun respectievelijke zoons er voor enige weken op eigen houtje tussen uit trokken.

Voorlopig werd echter afgesproken, dat ze niet eerder zouden vragen voor dat ze de definitieve toezegging van de nieuwe slotvoogd hadden. Dan zouden ze wel verder zien!

HOOFDSTUK VIII

Keurig uitgedost stonden de drie vrienden een week later klaar om op bezoek te gaan bij de heer Van Doresteyn. Hij had hen het adres opgegeven in de brieven. Het was een deftige villawijk aan de andere kant van het meer. Op de fiets was het minstens drie kwartier daar de weg zich met vele bochten langs de oever van het meer slingerde. Het liefst waren ze dan ook per kano gegaan maar daar waren de ouders eenstemmig zeer beslist tegen. Ze moesten zich tot in de puntjes kleden met keurig gepoetste schoenen, gestreken overhemden en netjes gekamde haren. En de vrees van verschillende moeders leek niet ongegrond toen ze de verwachting uit spraken dat een en ander in de kano's wel een beetje uit de plooi zou raken.

Dus zat er niets anders op dan als brave jongens, zoals ze het zelf uitdrukten, op de fiets te stappen en de tocht te aanvaarden. Over het doel van hun tocht waren ze overigens enthousiast genoeg. Eenstemmig waren ze van oordeel dat meneer Van Doresteyn een fijne man was en bovenal iemand van zijn woord. Vrolijk stapten ze op hun fietsen en een paar minuten later lag het dorp achter hen en reden ze langs de kant van het meer.

Even voor ze de werf van Kruiver passeerden zagen ze, vlak onder de oever een roeiboot met drie bekenden: Sander, Hans en Jan. Het drietal scheen de jongens op de weg niet in de gaten te hebben, ze keken althans niet op of om. Blijkbaar hadden ze weer eens onenigheid. Er werd tenminste hevig met de armen gezwaaid en ook werd er behoorlijk bij geschreeuwd.

"Laat ze gaan," zei Krijn, toen Aart de aandacht van stelletje op het water wilde trekken.

"Ze schijnen weer eens met zijn tweeën tegen Sander te keer te gaan," meende Joop.

"Dat komt wel meer voor de laatste tijd," zei Aart. "De streken van Sander schijnen soms de goedkeuring van zijn vrienden zelfs niet meer te kunnen krijgen."

"Hans en Jan zijn niet kwaad," zei Krijn. "Maar het is altijd weer die Sander die ze aanstookt tot allerlei malle dingen. Als ze maar onder zijn invloed uit wisten te komen zouden ze vast een heel stuk veranderen."

"Daar schijnen ze dan al hard mee bezig te zijn," lachte Aart. "Tjonge, wat gaat dat stel te keer; ik kan ze nog steeds horen."

"Dat geval met de "Speedy" pleit anders niet voor hen," vond Joop. "Het mag dan misschien zo zijn dat Sander hem weg heeft genomen, maar in elk geval hebben zij er toch ook stellig van geweten."

"Dat is zo," moest Krijn toegeven. "En ze zeggen wel eens dat wanneer iemand een keer heeft gestolen, hij altijd een dief blijft, maar daar ben ik het nu juist niet mee eens. Die knullen hebben al jaren een slechte naam en worden door iedereen met de nek aangekeken. Dat maakt juist dat ze van kwaad tot erger vervallen zijn."

"Ze doen maar wat ze niet laten kunnen," maakte Aart een eind aan het gesprek. "Ik geloof niet, dat het mijn vrienden ooit zullen worden en daar heb ik ook niet de minste behoefte aan tot nu toe."

Zwijgend fietsten ze nu verder in de richting van hun doel. Het vreemde was echter dat, naarmate ze dichter bij kwamen, het tempo steeds zakte. Aanvankelijk waren ze alle drie erg ingenomen geweest met de uitnodiging maar nu ze zo vlak voor het bezoek zaten, had dat plotseling veel van zijn aantrekkelijks verloren. Ze vroegen zich eensklaps allemaal af wat ze eigenlijk moesten bepraten met hun gastheer. Niemand uitte het tot nu toe, maar ze begrepen elkaar wel zonder dat er over gesproken werd. Een paar honderd meter voor ze de villa hadden bereikt, stapte Aart van zijn fiets af en de anderen volgden zijn voorbeeld.

"Wat moeten we daar eigenlijk in 's hemelsnaam doen?" vroeg Aart. "Als je het nog eens goed bekijkt zijn we net gek dat we ons daar een hele middag laten opsluiten. Straks zitten we opgeprikt, met een kopje thee en een koekje binnen."

En met afschuw keek hij naar zijn glimmende schoenen. Het lag zo dik op zijn gezicht, dat de andere twee onwillekeurig in de lach schoten.

"Ik was er achteraf toch ook maar liever op uit getrokken," gaf Joop toe. "Maar we hebben nu A gezegd dus we zullen wel door moeten zetten tot het bittere einde. Vooruit, daar gaat ie weer."

Hij sprong manhaftig op zijn fiets en zijn vrienden wisten ook niet beter te doen dan maar weer op de pedalen te gaan staan. Het zou toch al te dwaas zijn als ze nu weer rechtsomkeert maakten en van het bezoek af zagen.

Een paar minuten later stapten ze al af voor het hek van een prachtige grote villa; het huis van de familie Van Doresteyn. Vol ontzag keken ze naar het luxueuze huis. Een grindpad, zo breed als een weg, voerde naar een garage naast het huis. De villa zowel als de garage waren afgedekt met een zwaar rieten dak, dat het geheel nog groter deed schijnen dan het in werkelijkheid was. Lang konden de jongens echter niet blijven staan. Voor een zijraam zagen ze plotseling het gezicht verschijnen van hun gastheer, die hen vrolijk toezwaaide. Dat bracht hen iets op hun gemak.

Ze plaatsten hun karretjes tegen het hek en toch nog met een beetje schroom openden ze het hek, dat de afscheiding met de weg vormde. Nog voor ze op het grindpad stonden, werd de voordeur al geopend en verscheen in de opening een jonge vrouw. Kennelijk was ze al op de hoogte met de komst van de jongens. Ze begroette ze tenminste als gewaardeerde gasten en dat maakte, dat de vrienden zich steeds meer op hun gemak gingen voelen.

"Kom binnen jongelui," zei ze, nog voor de jongens gelegenheid hadden gekregen, zich voor te stellen.

Er was hun echter op het hart gedrukt zich toch vooral netjes te gedragen en daarom zei Joop als een echte heer: "Mogen we ons eerst even voorstellen? Dit zijn....."

Verder kwam hij niet, want vlak achter hem begonnen Aart en Krijn ook te dringen om zich zelf bekend te maken. Wat drommel, daar hadden ze Joop toch niet voor nodig? Dat konden ze zelf best doen! Het gevolg was, dat Joop een stukje vooruit werd geduwd en daardoor over de drempel struikelde. Even later lag hij languit in de grote hal, terwijl het dienstmeisje er schaterend bij stond te kijken.

Toen Joop met een hoogrode kleur overeind scharrelde en nijdige blikken wierp naar zijn makkers, waaide ze alle formaliteiten verder weg met de woorden: "Al goed jongens ik weet al precies wie jullie zijn. En ik ben Marja, het dienstmeisje van de familie Van Doresteyn."

Vanuit de zijkamer klonk nu de stem van de gastheer, die riep: "Wat staan jullie toch te doen? Laat de jongens binnenkomen Marja."

Even later stonden de jongens bij hem in de kamer terwijl Joop nijdige blikken wierp in de richting van zijn beide vrienden, die hem zo'n modderfiguur hadden doen slaan. Gelukkig deed meneer Van Doresteyn het ijs al spoedig breken. Hij lag op een rustbank voor het raam, vanwaar hij een goed uitzicht had op de weg en de directe omgeving. Zijn rechterbeen was stijf in het gips verpakt. Ondanks de gewijzigde omstandigheden moesten de knapen direct denken aan hun eerste ontmoeting, in de gang van het kasteel.

Blijkbaar raadde de ander hun gedachten want lachend zei hij: "Zo we zitten hier tenminste wat gezelliger als tijdens de vorige keer vinden jullie ook niet? Vertel eens, hebben jullie de onderzoekingstocht nog voortgezet?"

"Nee meneer, we hebben er nog geen gelegenheid voor gehad," antwoordde Krijn. En diplomatiek liet hij er meteen op volgen: "Maar als U het goed vindt, zullen we graag volgende week zaterdag onze speurtocht voortzetten."

"Ach ja, dat is waar ook, jullie kunnen natuurlijk practisch alleen op zaterdag en eventueel op woensdag," zei de heer Van Doresteyn. En lachend ging hij verder: "Ik heb zo het idee dat jullie vanmiddag ook liever waren gegaan dan hier op ziekenbezoek te gaan, is het niet zo?"

"O nee meneer," haastte Aart zich te zeggen voor hun drieën.

Maar de ander scheen toch een beetje aan zijn woorden te twijfelen, want hij viel hem in de rede met de woorden: "Ik had ook eigenlijk wijzer moeten zijn. Jongens van jullie leeftijd zitten natuurlijk liever op het water, dat is begrijpelijk. Enfin, je bent hier nu eenmaal, dus aan mij de taak om jullie het gemis van buitenlucht een beetje te doen vergeten en je zo aangenaam mogelijk bezig te houden."

"Wanneer bent U thuis gekomen meneer," vroeg Krijn zonder enige overgang, om het gesprek in een andere richting te sturen.

Zijn poging was goed bedoeld maar het kwam er een beetje potsierlijk uit na de verontschuldigende woorden van de ander.

Ondanks zichzelf moest die dan ook wel even glimlachen, maar hij antwoordde: "Eergisteren. De dokter was er wel op tegen, maar ik hield het daar niet langer uit. Het is toch een kwestie van rust en dat kan ik thuis net zo goed doen als in het ziekenhuis. Hier heb ik tenminste al mijn vrienden bij de hand."

En toen de jongens hem op hun beurt een beetje bevreemd aankeken, vervolgde hij: "Mijn vrienden staan daar, in die kast."

Hij wees op een enorme boekenkast die bijna een hele wand van de kamer besloeg en welke van onder tot boven geheel gevuld was.

"De helft van mijn leven heb ik doorgebracht met lezen en de andere helft met reizen," zei hun gastheer.

"Vertelt U eens wat over die reizen meneer," vroeg Joop gretig.

"Dat wil ik best eens doen," zei meneer Van Doresteyn. "Maar eerst wil ik het over iets anders hebben. Jullie hebben van mij nog een kleine beloning te goed. Ik neem aan dat je daar onder elkaar al eens over gesproken hebt, dus kom er maar eens mee voor de dag en vertel waar ik jullie een plezier mee kan doen."

De jongens keken elkaar eens aan. Tenslotte nam Krijn het woord.

"Ja, ziet U...." begon hij, "we wilden graag....."

"Nu, wat wilden jullie graag?" drong meneer Van Doresteyn aan. "Kom er maar eens mee voor de draad."

"We wilden graag een week of veertien dagen op het terrein bij het kasteel kamperen als U dat goed vindt," gooide Krijn er haastig uit.

De ander keek de jongens stuk voor stuk verbaasd aan.

"Is dat alles wat jullie te vragen hebben?" vroeg hij toen. "Maar dat spreekt natuurlijk vanzelf! Ik had gedacht dat er iets heel anders uit de bus zou komen, zo'n hoogrode kleur kreeg Krijn. De ruïne beschouwen jullie voorlopig maar zo'n beetje als je eigendom want de eerste weken kom ik er zelf toch niet. Als je maar goed uitkijkt bij eventuele onderzoekingen onder de grond. Daar liggen nog wel eens obstakels waarover je kunt vallen en één gebroken been is al meer dan genoeg. Maar nu verwacht ik dat je eens wat anders bedenkt."

"Tja, verder zou ik echt niets weten," zei Krijn en zowel Joop als Aart voegde er aan toe: "Ik ook niet."

"Dat is dan niet veel," zei de heer Van Doresteyn. "Maar wat zouden jullie denken van een kampeeruitrusting? Dat lijkt me wel nuttig als je inderdaad van plan bent die kampeerpartij door te zetten. Er zal toch gekookt moeten worden; je zult toch een behoorlijke slaapplaats moeten hebben en al dat soort dingen meer."

Drie paar jongensogen bewezen dat hij precies raak had geschoten. Zelf hadden ze er eigenlijk nog niet zo over nagedacht, maar het idee van meneer Van Doresteyn bewees dat hij zelf in zijn jonge jaren zoiets wel eens meer bij de hand had gehad.

Toen hun weldoener de verheugde gezichten zag, nam hij zich voor, te zorgen dat alles piekfijn in orde zou komen. Hij had schik in het drietal dat zelf met zo'n bescheiden verlangen op de proppen was gekomen. Alle drie tegelijk probeerden ze nu hun dank onder woorden te brengen, maar dat gelukte ze geen van drieën erg best. Hun gastheer praatte er echter direct overheen.

"Al goed," zei hij. "Wachten jullie met bedanken maar even tot je je presentje in ontvangst hebt genomen. Ik ben in elk geval al blij dat die zaak is opgelost. En nu moest Aart eens gaan kijken of Marja niet iets te drinken heeft voor ons. Hier aan het eind van de gang is de keuken Aart. Doe je best en zie dat je wat te pakken krijgt. Ik heb een reuze dorst gekregen van al dat praten."

Veel zin had Aart er niet in, in zo'n groot en vreemd huis naar de keuken te moeten zoeken, maar hij begreep wel dat er niet veel anders op zou zitten dan aan het verzoek te voldoen. Gelukkig kwam het dienstmeisje hem al in de gang tegemoet met een blad vol lekkernijen.

Mevrouw Van Doresteyn kwam wat later ook bij hen zitten en die had er nog meer slag van dan haar man, het ijs te doen breken.

De gastheer begon nu te vertellen van zijn reizen en zo werd het een enorm gezellige middag. Voor ze er erg in hadden, was het tijd om naar huis te gaan. Ze moesten echter op handslag beloven dat ze nog eens spoedig terug zouden komen, wat ze graag deden.

"Dat behoeft dan niet speciaal op zaterdagmiddag," zei de heer Van Doresteyn. "Ik begrijp dat jullie dan wel andere dingen aan je hoofd hebt dan theevisites. En bovendien heb je op het ogenblik nog de functies van slotvoogd er bij gekregen. Dat brengt heel wat besognes met zich mee, dat kan ik je verzekeren."

"We zullen het goed doen, daar kunt U van op aan," zei Joop.

"Ik twijfel niet aan jullie goede zorgen," zei de ander glimlachend.

En toen was het dan toch echt tijd om gaan. Na een heel hartelijk afscheid en de herhaalde belofte dat ze spoedig nog eens kwamen, zochten ze hun karretjes weer op. Terwijl ze al op de weg reden, zagen ze nog de zwaaiende arm van meneer Van Doresteyn voor het raam.

Onderweg kwamen de reacties los. Eenstemmig waren ze van oordeel dat het een reuze leuke middag was geweest en dat ze het zeker niet bij die ene middag zouden laten.

En over veertien dagen begon de grote vacantie!

HOOFDSTUK IX

De heer Van Doresteyn hield woord met zijn belofte over de kampeeruitrusting. En hoe! Voor letterlijk alles had hij gezorgd. Er waren ruim voldoende dekens, er was een royale tent, een primus om de maaltijden te bereiden, luchtbedden, kortom, aan alles was gedacht. En hoewel de ouders van Aart eerst wel bedenkingen hadden geopperd verdwenen die toen ze de solide spulletjes zagen waar de jongens over konden beschikken. Als ze nu voldoende mondvoorraad mee namen, konden ze practisch nergens last mee krijgen.

Vooral de slaapgelegenheid werd door de respectievelijke ouders als zeer belangrijk gezien. Maar nu ook dat bezwaar grondig was opgelost stond niets een heerlijke vacantie meer in de weg. Zelfs het weer werkte mee, althans de eerste paar dagen. Voor het transport van alle spullen huurden ze een roeiboot. Daar werd alles in geladen, terwijl de kano's op sleeptouw werden genomen. En uitgeleide gedaan door de ouders begonnen de knapen aan hun onderneming.

Maar niet alleen de ouders sloegen het vertrek van de jongens gade. Toen ze pas een paar honderd meter waren gevorderd, zagen de jongens dat ze gevolgd werden door Sander, Hans en Jan. En nu was er geen ontkomen meer aan! Niemand voelde er iets voor om, belast en beladen als ze waren, een omweg te maken voor hun vijanden. Integendeel, op voorstel van Joop wachtten ze hen juist op.

Eerst maakte het drietal geen aanstalten het contact op te nemen. Maar toen ze tot op gehoorsafstand genaderd waren, riep Aart hen. Pas toen kwamen ze naast hen roeien.

"Zo knaapjes, dat ziet er goed uit," zei Sander sarcastisch. "Waar gaat de reis naar toe? Of is dat soms een geheim!"

"Tot nu toe was dat inderdaad een geheim," zei Krijn bedaard. "Maar we hebben jullie al een paar keer voor niets laten roeien door ons tijdig te verbergen. Daarom willen we nu jullie nieuwsgierigheid wel bevredigen. We gaan twee weken kamperen op het terrein bij het kasteel, dus als jullie ons in die tijd nodig hebben weet je waar je ons kunt vinden."

Op beide boten was het even stil. Toen nam Aart het woord.

"Misschien vinden jullie het wel prettig van deze gelegenheid gebruik te maken om je verontschuldiging aan te bieden voor het wegnemen van onze boot. We hebben er toen geen werk van willen maken, maar als we tijdens onze vacantie iets zouden missen, weten we in elk geval in welke richting we moeten zoeken. Dat zou dan de politie en ons een heleboel tijd besparen."

De openhartige woorden van de jongens schenen wel een beetje indruk te maken op de inzittenden van de andere boot. Niemand had tenminste direct een antwoord klaar. Zelfs Sander niet, en die was anders doorgaans niet op zijn mondje gevallen. Hans en Jan schenen trouwens helemaal niet van plan zich in het gesprek te mengen want tot nu toe had geen van beiden zich in het gesprek gemengd.

"Ik begrijp trouwens toch niet wat jullie tegen ons hebben en waarom je ons steeds achterna zit," zei Krijn nog. "Jullie schijnt ons op alle mogelijke manieren dwars te willen zitten terwijl we jullie toch nooit een strobreed in de weg hebben gelegd."

Het leek er veel op alsof Hans en Jan een instemmend geluid lieten horen, maar Sander overstemde hen door luid te zeggen: "Dat misselijke, brave gedoe van jullie kunnen we niet uitstaan als je het dan zo graag wilt weten! De jongens bouwen zoet een bootje, dat hen ontstolen wordt! En dan kopen ze later kano's en die gaan ze dan ook weer zoet opkalefateren! En in de vacantie gaan ze braaf veertien dagen kamperen op het kasteel! Wedden dat jullie eerst zoete broodjes gebakken hebben met de eigenaar! Als je nu geen toestemming had gehad was er ook met geen woord over gerept. Daarom vertel je het nu zo eerlijk!"

Het was duidelijk genoeg dat het allemaal afgunst was van Sander, want zijn redenering leek natuurlijk nergens op. Daarom deden de vrienden er wijselijk het zwijgen maar toe. Zelfs Joop hield zijn mond en die was nog al eens geneigd om van zich af te bijten. Maar tegen een dergelijke redenering was toch niets in te brengen, dat voelden ze allemaal wel.

Tenslotte zei Krijn, uiterlijk heel rustig, hoewel hij inwendig kookte van drift: "Als dat al je argumenten zijn zullen we er maar niet verder over praten. Zodra je wat verstandiger wordt, kom je maar eens aan, dan gaan we wel verder met ons gesprek."

Daarop pakte hij de riemen en verder ging het weer. Hij had echter nog geen twintig slagen gedaan toen er iets gebeurde dat hun plannen voorlopig in de war stuurde.

"Ik verdraai het langer naar jouw pijpen te dansen. Ik ga terug!" hoorden ze Hans Barends roepen.

"Nou, dan smeer je hem maar!" zei Sander grof. "Kom op Jan, dan gaan wij ze achterna!"

Maar Jan scheen er evenmin iets voor te voelen de tocht voort te zetten en trok één lijn met Hans. Hoe het precies kwam en wie er het eerst begon, wist niemand te vertellen, maar plotseling ontstond er een hevige worsteling in de boot. Het vaartuig schommelde hevig en dreigde om te slaan als de jongens wat erg te keer gingen. De strijd ging voornamelijk tussen Sander en Hans. Blijkbaar kwam daar ook een zekere dosis angst bij voor het omslaan van de roeiboot. Een paar keer hoorden de vrienden hem roepen dat ze op moesten houden, maar geen van beiden trok zich iets aan van zijn woorden.

"Dat loopt verkeerd af, wat ik je brom," zei Joop. "Die twee gaan te keer als dollemannen."

"Laten we maar vast omkeren," zei Krijn. "Als er dan wat gebeurt, kunnen we ze tenminste meteen opvissen. Kijk die boot eens wiebelen!"

"Scheiden jullie toch uit!" bemoeide ook Aart er zich nu mee. "Als je met alle geweld wilt vechten wacht dan tenminste eerst tot je vast grond onder de voeten hebt!"

Maar het tweetal hoorde blijkbaar niets of wilde niets horen. Lustig mepten ze op elkaar in. Plotseling zagen ze hoe Sander zijn "vriend" tegen de bodem van de boot had gedrukt. Hij sloeg hem in het wilde weg, waar hij maar kon raken. Maar nu werd het Jan toch blijkbaar ook te bar en op zijn beurt besprong hij Sander weer. Dat deed de laatste het laatste restje voorzichtigheid uit het oog verliezen. Hij was veel groter en forser dan de andere twee en woedend draaide hij zich om, teneinde zijn belager van zich af te werpen. Het onvermijdelijke gebeurde. Door de grote kracht waarmee Sander zich op zijn tegenstander wierp kwam de boot zo scheef te hangen dat hij water schepte!

IJlings liet het tweetal zich in een reflexbeweging naar de andere kant vallen, maar het gevolg was dat ze nu daar water maakten. Het volgende ogenblik rolden ze in paniekstemming over elkaar heen. De gevolgen waren noodlottig. Een paar seconden later lagen ze allemaal te water, terwijl de roeiboot zich zacht schommelende naar de bodem van het meer liet zakken, een meter of vijftien beneden hen.

De angst die Jan had getoond bij het begin der vechtpartij was nu duidelijk verklaarbaar. Aan zijn bewegingen was namelijk wel te zien dat hij niet kon zwemmen. Hans deed nog een poging hem te pakken te krijgen, maar moest het al direct opgeven doordat hij een grote slok water naar binnen kreeg. Hoestend en proestend bewoog hij zich nu in de richting van de andere roeiboot. Sander had zich van het lot der andere twee helemaal niets aangetrokken en was onmiddellijk in die richting gezwommen.

"Eerst naar Jan, die kan niet zwemmen!" riep Joop tegen Krijn, die aan de riemen zat.

Dat was echter vlugger gezegd dan gedaan, want doordat Sander inmiddels achter aan de boot was gaan hangen was de toch al logge boot nu helemaal moeilijk te hanteren. Daar kwam nog bij dat de drie kano's hevig schommelend een eindje achter de boot lagen.

"Laat los lafaard!" riep Aart woedend tegen Sander. "Denk liever eerst aan een ander die zich alleen niet kan redden!"

Maar Sander scheen in het geheel niet onder de indruk te zijn van die woorden. Het enige, waartoe hij bereid bleek was zich af te laten zakken naar een van de kano's, maar aanstalten om Jan te helpen, maakte hij niet.

Diens toestand was inmiddels hachelijk geworden. Gehinderd als hij ook nog werd door zijn kleren, scheen hij zijn gespartel niet lang meer vol te kunnen houden. Eerst had hij als een wanhopige om hulp geschreeuwd maar al spoedig begaven zijn krachten hem. Hans had zich evenals Sander vastgegrepen aan een der kano's maar toen hij zag hoe kritiek het er uitzag voor Jan, wilde hij een tweede poging wagen, hem te redden. Op de zwaar beladen roeiboot had ook Aart gezien dat het manoeuvreren te lang ging duren en dat ze Jan zo niet op tijd bereikten. Hij bedacht zich geen seconde meer. In een oogwenk had hij zijn bovenkleren en schoenen uitgetrokken en nam een duik in het water. Toen Hans zag dat er van de andere kant hulp geboden werd, trok hij zich wijselijk weer terug. Gekleed als hij was, zou hij toch niet veel hebben uitgericht.

Twee seconden later had Aart de drenkeling bereikt. Dat wilde echter nog niet zeggen, dat nu alle gevaar geweken was. Een drenkeling die niet kan zwemmen, doet soms onverstandige dingen en Jan maakte daarop geen uitzondering. Zodra hij voelde dat Aart hem te pakken had, klemde hij zich wanhopig aan hem vast.

"Laat me los!" schreeuwde Aart, "zo verdrinken we samen!"

Op zijn beurt probeerde hij alles om los te komen uit de greep van de ander, maar in zijn angst dacht die er niet over om los te laten. Het was een benauwde situatie daar op de diepe plas. Twee jongens zaten in de volgepakte roeiboot, terwijl Sander en Hans zich aan de kano's vast hielden. Joop en Krijn stelden inmiddels verwoede pogingen in het werk het tweetal worstelende jongens te bereiken en gelukkig slaagden ze daar juist bijtijds in. Hans bleek begrip te hebben voor de situatie. Hij zwom naar de roeiboot en ging er aan hangen om een tegenwicht te vormen toen Joop en Krijn van de andere kant de twee drenkelingen omhoog trachtten te hijsen. Ook Sander zag blijkbaar in dat hij zich op die wijze verdienstelijk kon maken en kwam naast hem hangen. Er was nu werkelijk sprake van twee drenkelingen, daar Aart het zo beslist niet lang vol zou kunnen houden. Na veel moeite en geharrewar slaagden Joop en Krijn er tenslotte in de jongens in de boot te krijgen. De situatie was daarmee echter nog verre van ideaal al was het gevaar dan ook voorlopig geweken. Het was een gedrang in de roeiboot van jewelste. Maar het ergste was nog dat Jan een fikse hoeveelheid water naar binnen had gekregen. Nu hij zich eenmaal in veiligheid wist, zat hij volslagen willoos op de bodem, hevig benauwd en krijtwit.

Joop had wel eens iets gehoord over kunstmatige ademhaling. Hoe dat precies in zijn werk ging wist hij niet, maar zijn intuïtie gaf hem de juiste handelingen in.

Geholpen door Aart legde hij hem op zijn buik neer en begon hem stevig over de rug te wrijven. Het ging weinig zachtzinnig, maar Jan verzette zich niet en het had inderdaad resultaat. Een grote golf water kwam even later uit zijn mond en dat scheen hem op te luchten. Na een paar minuten wrijven was hij in zoverre weer opgeknapt dat zijn gezicht weer een beetje kleur begon te krijgen en hij uit zichzelf weer rechtop kon gaan zitten. Gelukkig was het niet koud, anders was het gevaar voor longontsteking niet denkbeeldig geweest. Als voorzorgsmaatregel werd hem evenwel zijn natte spulletje uitgetrokken en kreeg hij een deken om geslagen.

Ook Sander en Hans kregen een deken uit de kampeeruitrusting aangereikt, nadat ze plaats hadden gevonden in een kano. Het leek wel een verkleedpartij en als de aanleiding er toe niet zo angstig spannend was geweest zouden ze er waarschijnlijk danig om hebben gelachen. Nu was de stemming niet bepaald daverend te noemen. Aart, Joop en Krijn waren nijdig omdat ze eerst hun ongewenste gasten ook nog aan land moesten zetten en vooral omdat ook Aart nog in gevaar was gebracht door het gedrag van het drietal. Als dit geval er niet tussen was gekomen waren ze al een heel stuk op weg geweest naar hun vacantieverblijf. Geheel buiten hun schuld moesten ze nu wel terug varen naar het dorp om die knullen kwijt te raken. Dan moesten er natuurlijk nog droge kleren worden gehaald alvorens ze over straat konden. Alles met elkaar waren ze bijna een paar uur kwijt!

Waar het andere drietal nijdig over was, laat zich gemakkelijk raden, ook al was het allemaal hun eigen schuld. Ze hadden zich belachelijk gemaakt door hun ruzie, ze zouden zich straks belachelijk maken in het dorp en het ergste van alles was nog dat ze de gezonken roeiboot zouden moeten vergoeden aan de verhuurder.

Het enige goede gevolg van de affaire was, dat Hans en Jan zich voornamen om de vriendschap met Sander nu definitief te breken.

Zo kwamen ze het dorp weer binnen varen, Joop en Krijn moeizaam aan de riemen trekkend. Ook Aart zat in de roeiboot, gehuld in een deken, terwijl de andere drie ieder een kano bemanden. Bij de brug, waar het drietal de eerste keer de "Speedy" met kluiten aarde en een steen had bekogeld, werd aangelegd. Het vreemde schouwspel trok natuurlijk direct een heel stel mensen die allemaal hun mening gaven. Maar veel wijzer werd niemand, want het zestal voelde er niets voor, de gehele geschiedenis uit de doeken te doen. De redenen daarvoor waren wel erg verschillend overigens!

"Haal liever droge kleren voor hen!" snauwde Joop tegen Henkie, de slagersjongen, die natuurlijk met zijn neus vooraan stond.

En daar was Henkie toen ook weer niet de kwaadste in. Op zijn fiets trok hij er meteen op uit en een half uur later stond hij hijgend weer voor hen met voor ieder een stel droge kleren. In het huis van de brugwachter kregen de knapen gelegenheid, zich te verkleden. Zonder een woord te zeggen verdwenen ze, blij dat dat halve uur er op zat. Ze hadden het zwaar te verduren gehad! Iedereen wist wel dat ze geen van drieën lieverdjes waren en daarom waren ze dan ook het mikpunt geworden van vele spottende opmerkingen.

"Jullie wordt nog wel bedankt voor het gezellige gesprek!" kon Krijn niet nalaten te roepen.

Pas toen Jan Knapen de klink van de deur in zijn hand had, draaide hij zich even om.

"Nog wel bedankt Aart!" zei hij, terwijl hij met zijn arm zwaaide. Toen stapte hij vlug naar binnen.

"Een raar stelletje," zei Krijn schouderophalend. "Maar kom op jongens, dan gaan we er vandoor. Dat geval heeft ons langzamerhand tijd genoeg gekost."

Gelukkig had Henkie voor Aart geen schone kleren behoeven te halen, anders zouden zijn ouders zich nog ongerust hebben gemaakt. Zijn bovenkleren waren droog gebleven doordat hij ze uit had gedaan voor hij zijn duik nam. Zijn onderkleren had hij later uit gedaan en zo zat hij, alleen gekleed in bloes en short op de achterbank van de roeiboot. Toen ze voor de tweede keer die dag de plassen op voeren, dwongen de andere twee hem, een deken om te slaan. Dankbaar voor de goede bedoelingen van zijn vrienden, onderwierp Aart zich gewillig aan hen.

"Zo jongens, nu geloof ik toch echt dat we voorlopig van die drie geen last meer zullen hebben," zei Joop.

"Terwijl ze nu toch weten waar we naar toe gaan," voegde Krijn er aan toe.

"We moeten nu langzamerhand anders wel opschieten," vond Joop. "Over een paar uur moet de tent overeind staan en dan wil ik ook nog graag wat te eten hebben vanavond."

"We zullen het vanavond maar bij brood laten," vond Krijn. "Morgen kunnen we dan op ons gemak eens zien hoe die primus werkt."

"We zullen ook deze boot nog terug moeten brengen," bedacht Aart.

Afgesproken werd al vast dat Krijn de verzorging van het eten op zich zou nemen. Aart en Joop zouden zich dan met alle verdere werkzaamheden belasten en dus beginnen met de boot terug te brengen, met de kano's weer op sleeptouw voor de terugreis.

"Ik heb me nog nooit zo veel voorgesteld van een vacantie als deze keer," zei Joop. "Reken er op dat ik nu de hele boel eens geducht na ga snuffelen daar! We hebben er twee weken de tijd voor en ik wil nu toch wel eens precies weten waar die gangen naar toe gaan."

"Dan mag je wel twee batterijen als reserve meenemen," lachte Krijn. "Tenslotte weet je nooit hoe lang zo'n onderzoek duurt."

"Daar heb ik al rekening mee gehouden jongetje!" zei Joop triomfantelijk. "In mijn rugzak zitten inderdaad twee batterijen, zodat me, wat dat betreft, niets kan gebeuren."

"Nou, dan ben ik je man. Ik wil nu toch ook wel eens zien waar die gangen naar toe gaan."

Al pratend schoten de jongens hard op naar hun doel. De zon begon al lager te zakken, al was het dan ook nog volop licht. Spiegelglad lag het meer onder hen, zo weinig wind stond er. De hele natuur was trouwens stil. Als de vrienden niet spraken, was er niets anders te horen dan het geplas der riemen. Zeilers waren er op dit gedeelte van de plassen maar weinig, trouwens, het was ook geen weer om te zeilen. Iemand zonder een motor aan zijn boot was wel gedwongen op de plas te overnachten, want de wind bracht hem nergens. Dat was eerder op de dag ook al de oorzaak geweest dat er niemand in de buurt was om te helpen toen Aart in het water sprong om Jan te redden.

Daar zagen ze het kapelletje van het kasteel boven het riet uitsteken. Het was een zwaar karwei met de zwaar beladen roeiboot door te dringen tot de deur in de muur. Roeien was uitgesloten, daar ontbrak aan weerszijden de ruimte voor. De breedte van de "vaargeul" was ternauwernood voldoende voor de breedte van de boot. Tenslotte wisten ze niet beter te doen dan zich aan de rietstengels vooruit te trekken en zo bereikten ze na veel moeite en inspanning dan toch eindelijk hun doel. De boot werd voorlopig naar binnen getrokken en weinig minuten later stonden ze op de kant waarna de boel uitgepakt werd.

Aart was gelukkig weer helemaal opgeknapt. Het tochtje over het water had hem kennelijk goed gedaan en nu toog ook hij meteen aan het werk om alles klaar te krijgen voor de eerste nacht in hun vacantieverblijf. In geval van nood, als ze de tent niet tijdig omhoog hadden kunnen krijgen, konden ze eventueel ook nog slapen in het kapelletje. Maar dat lokte ze geen van drieën aan. Trouwens, ze hadden nu een prachtige tent die direct ingewijd moest worden! Aart en Joop zetten hem handig overeind, terwijl Krijn een duik nam in de voorraad levensmiddelen. Een half uur later zaten ze in het gras voor hun nachtverblijf te eten. Het was echter te laat geworden om voor die dag nog iets te ondernemen. De zon was verdwenen achter de hoge kasteelmuur en een vale schemering hing over de omgeving. Ze waren trouwens ook te moe van alle belevenissen die de eerste vacantiedag met zich mee had gebracht.

Joop maakte er tenslotte het eerste een einde aan door zijn slaapplaats op te zoeken.

Tien minuten daarna sliepen ze alle drie de slaap der rechtvaardigen.

HOOFDSTUK X

Aart was het eerst wakker de volgende morgen. Verwonderd keek hij eens om zich heen. Maar toen hij de hoofden van zijn slapende makkers zag, realiseerde hij zich alles weer. Ze hadden veertien vrije dagen voor de boeg in de meest romantische omgeving die drie jongens zich maar konden denken! Zijn horloge wees zes uur. Het leek hem een prachtige tijd om maar meteen op te staan. Hij stak eerst zijn neus eens buiten de tent om te zien wat voor weer het was. Dat viel bitter tegen. Zo zonnig als het de afgelopen dagen was geweest, zo troosteloos zag de lucht er nu uit. Het leek ieder ogenblik te zullen gaan regenen. Gelukkig was het niet koud. Door de bewegingen van Aart werden de anderen nu ook wakker en de eerste moest lachen om de vreemde gezichten van zijn vrienden, toen ze de ogen opsloegen.

"Wat is het voor weer?" vroeg Joop, nadat ook hij zich bewust was van de omstandigheden.

"Sof," zei Aart bondig. "Het ziet er naar uit dat we de hele dag regen krijgen."

"Als je geen vrolijker dingen weet te vertellen, draai ik me om en ga weer slapen," zei Krijn.

Hij wilde onmiddellijk de daad bij het woord voegen maar kans om in slaap te vallen kreeg hij niet meer.

"Dat had je gedacht jochie," lachte Aart, terwijl hij alle dekens weg trok. "Jij moet zorgen dat er wat te eten komt en wel dadelijk, want ik rammel van de honger. Ik ben thuis gewend dat de boel 's morgens vroeg klaar is!"

"Als je maar niet denkt dat ik je knechtje ben, die op iedere wenk van jou klaar staat," bromde Krijn, die blijkbaar al een beetje spijt had van zijn spontane instemming voor het eten te zullen zorgen.

"Nou ik vind dat je maar een slechte plaatsvervanger bent voor mijn moeder," klaagde Aart.

"Als ik jouw moeder was zou ik beginnen met je een flink pak voor je broek te geven voor je grote mond," ketste Krijn terug.

Illustratie op pagina 85Dat liet Aart natuurlijk niet op zich zitten en even later was het een dolle boel in de tent. Ze rolden als jonge honden over elkaar heen. Maar eindelijk maakte Krijn dan toch aanstalten om voor thee te gaan zorgen. Ze kleedden zich snel aan, wasten zich met buitenwater, dat hier glashelder was en daarna hielpen Joop en Aart hun vriend toch maar even met het klaarmaken van de boterhammen. Het waren wel niet de keurig rechte sneetjes die ze thuis gewend waren maar in elk geval stilde het hun trek en dat was tenslotte het voornaamste.

"Het zal me benieuwen wat er nog is te beleven in die gangen," zei Joop met een onbeschaamd volle mond.

"Schei toch eens uit over die gangen," zei Krijn. "Het enige wat je er vindt zijn ratten en misschien ligt er nog ergens een grote steen waar je over struikelt. Ik voel er eerlijk gezegd niet zo veel voor; liever blijf ik boven de grond. Daar heb ik tenminste frisse lucht."

"En regen," vulde Aart aan. "Kijk eens, het begint te spatten. Ik vind het niet leuk deze keer, maar ik geloof dat ik gelijk krijg met mijn voorspelling. Dat wordt een regentje voor de hele dag. Dan is het idee van Joop misschien toch zo gek nog niet. Voor vissen of andere dingen lijkt me dit weer niet zo geschikt."

"Nou, ik vind het best," zei Krijn.

Ze spoelden de kroezen om met water uit de mandflessen die ze mee hadden gebracht. Daarna werd de beddenboel opgeruimd en daarmee was alles weer aan kant.

De paar druppels, die Aart had gesignaleerd waren uitgegroeid tot een druilerige motregen. Ze waren daardoor wel gedwongen binnen te blijven of dadelijk aan hun onderzoek te beginnen. Ze zouden daar beneden beslist geen last hebben van het hemelwater. Er werd tot het laatste besloten. Het was een vreemd schouwspel toen ze op een holletje vanwege de regen over het terrein van het kasteel liepen. Er was echter niemand aan wie het contrast op kon vallen; de jeugdige, sportieve knapen die daar voortrenden door de ruïne met zijn historie van eeuwen.

Of toch.....? Als de jongens niet zo'n haast hadden gemaakt zouden ze waarschijnlijk de gestalte van een man hebben opgemerkt, die zich haastig achter de kapel verschool toen hij de knapen in het oog kreeg. De vroege bezoeker moest langs een andere weg naar binnen zijn gekomen dan de jongens anders had hij hen stellig eerder opgemerkt. Nu wachtte hij totdat de jongens hem gepasseerd waren. Toen die, druk pratend in de gang waren afgedaald stond hij nog een tijdje te aarzelen, kennelijk overwegend wat hem nu te doen stond. Tenslotte draaide hij zich om en liep in de richting van muur die het kasteel aan de kant van de straatweg van de buitenwereld afsloot. Daar gooide hij een touwladder omhoog, die na een paar vergeefse pogingen bleef haken achter een paar opgemetselde stenen. Vervolgens klauterde hij snel naar boven.

Toen hij met zijn hoofd boven de muur uit kwam, keek hij angstvallig om zich heen. De kust was blijkbaar veilig. De touwladder werd opgehaald en aan de andere kant van de muur weer naar beneden gegooid. Daarna herhaalde het spelletje van daarnet zich in omgekeerde richting. Snel zakte de geheimzinnige figuur naar beneden. Handig werd de ladder van de stenen afgewipt door middel van een lange stok, die kennelijk voor dit doel was klaar gelegd in het struikgewas dat hier welig tierde. In dat zelfde struikgewas lag een minuscuul roeibootje. Het ding was zo licht dat de man het gemakkelijk op kon tillen en in het water zetten. Met een fikse duw was hij ineens over de gracht, die de muur begrensde. Daar stond, van de weg af onzichtbaar, een kleine bestelauto te wachten. De boot verdween er gemakkelijk in, doordat hij met een enkele handbeweging in elkaar gevouwen kon worden. En weinige munten nadat de man binnen de muur aan zijn klimpartij was begonnen viel alle geheimzinnigheid van hem af en veranderde hij in een doodgewone automobilist. Het enige opvallende was wellicht dat er slechts weinig gebruik gemaakt werd van het smalle straatweggetje dat langs het kasteel leidde. Op deze druilerige zondagmorgen was hij waarschijnlijk het enige verkeer wat hier passeerde.

Onbewust van de nabijheid van anderen waren Joop, Aart en Krijn intussen weer afgedaald onder de begane grond. Het eerste gedeelte van hun verkenningstocht legden ze tamelijk vlot af; ze wisten wel dat hen daar geen verrassingen wachtten. Pas bij de splitsing werd halt gehouden.

"Laten we maar eerst weer naar links gaan om het achterste gedeelte eens te bekijken," besliste Joop.

De anderen opperden geen bezwaren, het bleef hen volmaakt onverschillig. Wat langzamer gingen ze nu vooruit, langs de plaats waar ze de vorige keer meneer Van Doresteyn hadden gevonden. Hier was alles weer vreemd en hoewel Aart en Krijn langzamerhand niet meer geloofden in verrassingen, speurden ook zij zorgvuldig de wanden af. Tenslotte kon je nooit weten of zich niet ergens geheime deuren bevonden die toegang gaven tot even zo geheime bergplaatsen. Maar in het spaarzame licht van de zaklantaarn zagen ze niets anders dan kale muren en een enkele rat die, geschrokken door de vreemde indringers, haastig een goed heenkomen zocht. Het enige wat de jongens voorlopig opviel was, dat de gang steeds smaller werd. Konden ze in het begin ruimschoots naast elkaar lopen, hier ging dat nauwelijks meer. Met gemengde gevoelens stapten ze voetje voor voetje verder. Nieuwsgierig en toch ook wel met een beetje angstige spanning. Per saldo had ook de nieuwbakken kasteelheer het de moeite waard gevonden om eens wat verder te kijken.

Waar toch mocht in 's hemelsnaam die gang uit komen? Nergens was nog een lichtpuntje te ontdekken die er op wees dat ze weer boven aarde kwamen. Plotseling kwam het teleurstellende einde van hun tocht, want eensklaps eindigde de gang. Het einde was afgesloten met zware, recht op staande boomstammen. Meer was er niet te zien. Blijkbaar was het dus inderdaad een gewone vluchtgang geweest die later dicht gemaakt was omdat er toch geen gebruik meer van werd gemaakt en men wellicht last kreeg van het binnendringende water uit de plas.

"Zo, dat hebben we dan gezien," zei Aart nuchter.

"Daar zijn we gauw op uitgekeken," vond ook Krijn. "Nu hoeven we tenminste ook niet meer aan de andere kant te kijken want dat zal wel precies hetzelfde zijn."

Joop zei niets. Voor de zoveelste keer liet hij zijn lantaarn langs de wanden spelen maar er was niets bijzonders aan te ontdekken. Er hing een vieze, duffe grondlucht hier in het uiterste einde van de gang.

"En toch ga ik nu ook nog die andere kant bekijken," verbrak hij tenslotte het stilzwijgen.

De anderen haalden hun schouders op. Wat een eigenwijze knul kon die Joop toch soms zijn! Nou ja, als hij er dan op stond om te gaan wilden ze wel mee lopen als ze hem daar een plezier mee deden. Maar aan hun gezichten was wel te zien dat ze er niet veel bijzonders van verwachtten.

In aanmerkelijk kortere tijd dan ze de heenweg hadden afgelegd, keerden ze terug op hun schreden. Zonder spreken sloegen ze de andere gang in alsof het hun dagelijks werk was, geheime grotten te onderzoeken en ze voor zo'n alledaags geval hun hand niet omdraaiden. De rechtse gang verschilde voorlopig in niets van de andere. Ook hier kale, koude muren, waaruit hier en daar brokken cement waren gevallen. Het enige verschil bestond uit het feit dat hier geen stenen op de grond lagen. Wel was het aantal ratten aanmerkelijk groter.

"Hu, wat een enge beesten," zei Aart.

"Ik vraag me af waar we hier ergens zijn," zei Krijn. "Ik bedoel, wat er hier boven ons is."

"Volgens mij moeten we hier ergens onder het botenhuis zitten," schatte Aart.

"Voelen jullie niets?" onderbrak Joop hen.

"Nou, eerlijk gezegd begin ik het koud te krijgen, als je dat soms bedoelt," antwoordde Aart.

"Dat bedoel ik inderdaad," zei Joop. "Het tocht hier! En dat wil dus zeggen dat we deze keer niet tegen een stel boomstammen op zullen lopen maar dat we nu wel terdege boven de grond uit komen."

"Je hebt gelijk!" riep Krijn verrast en meteen liep hij nog wat sneller.

"Ik zie licht!" vervolgde hij direct daarna.

Hij ging nu een paar meter voor de anderen uit en voorbij de laatste kromming in de gang viel duidelijk licht waar te nemen. Op een afstand van hoogstens vijftig meter zagen de anderen het nu ook. Van boven uit de gang viel daar het daglicht naar binnen. Onmiddellijk versnelden ze hun pas. Plotseling glibberde Joop echter weg en nog maar net kon hij zich staande houden. Iets voorzichtiger stapten ze verder. De grond was hier glad door een modderige substantie maar ten slotte bereikten ze dan toch hun einddoel. Een smal trapje leidde naar boven. Het was aan de zijkant tegen de muur aangebracht, terwijl de gang zelf nog een stukje verder door liep. Daar keken de jongens echter niet naar. Eerst wilden ze zien waar ze terecht kwamen daarboven. Als kippen achter elkaar stapten ze het uitgesleten trapje op. Ze hoorden het ruisen van de regen, maar daarnaast ook het ruisen van hoog opgeschoten riet.

Even later stonden ze gedrieën in de regen met verwonderde ogen om zich heen te kijken. Ze waren terecht gekomen op een klein eilandje midden in het riet dat de vaste wal hier begrensde. Tot nu toe hadden ze het stukje vaste grond nog niet opgemerkt daar het gewoon verscholen lag tussen het oevergewas. Naar een kant was een platgetreden paadje dat zich voortzette tot in het water. Duidelijk was te zien dat er een klein vaargeultje was vrij gemaakt. Hier was dus iemand, of misschien waren er wel meerdere mensen, in de gang geweest, en dat kon nog niet zo lang geleden zijn geweest. Die iemand of anderen waren hen dus al voor geweest met de ontdekking. Dan zagen Aart en Krijn tegelijkertijd iets anders!

Daar, vlak tegen de kant, maar weggeduwd in het riet, lag een visboot. Het flitste meteen door hen heen; zoiets hadden ze al eens eerder meegemaakt indertijd met hun racebootje!

"Sander en zijn kornuiten!" zei Aart. "Die boot is vast van hen!" De andere twee zwegen even.

"Dat geloof ik niet," zei Krijn toen. "Dat stel is hier vast nog nooit geweest. Dan hadden ze er wel over gesproken die keer dat we ze afgeluisterd hebben. Ze hebben er toen met geen woord over gerept en zijn gewoon terug gegaan naar het dorp. Nee, die zijn het vast niet."

Joop knikte, ten teken dat hij het met die redenering volkomen eens was.

"Maar wie is het dan wel?" vroeg Aart.

Krijn haalde zijn schouders op.

"Als ik dat wist had ik het je al verteld," zei hij. "Maar zo erg druk zal ik me daar ook niet om maken. We kunnen tenslotte niet veel zeggen, want zelf zijn we ook de eerste keren zonder toestemming binnen gekomen. En als iemand hier wat rond wil neuzen zal ik de laatste zijn om hem daarvan te weerhouden."

"Jij schijnt het vreemde van de situatie nog niet erg in te zien," zei Aart een beetje scherp. "Als de eigenaar van die boot hier is uitgestapt betekent dat, dat hij op dit moment binnen de muren van het kasteel moet rond scharrelen. En het gekke is dat niemand van ons drieën iets of iemand heeft gezien. Je denkt toch zeker niet dat hij hier zijn boot heeft neergelegd en toen naar de kant is gezwommen? En zeker niet op zondagmorgen om half negen!"

Deze keer moest Krijn zich gewonnen geven. Het betoog van Aart was zo helder als glas en er was geen speld tussen te krijgen. Het was een weinig prettige gedachte dat er op dit moment wellicht iemand op het terrein rondliep, waar nota bene al hun spullen onbeheerd lagen. En het was stellig niet iemand met eerlijke bedoelingen, anders had hij er niet zo'n vreemde tijd voor uitgekozen.

Ze stonden nog steeds in de druilerige regen om zich heen te kijken, maar er was geen levend wezen te zien, behalve wat waterhoentjes en een paar meeuwen die zich van de regen niets aantrokken en krijsend rondzwierden. Op een afstand van veertig meter doemde de muur van het kasteel op, ongenaakbaar naar het scheen. Ineens had de kampeerpartij daar binnen veel van zijn aantrekkelijks verloren. Tot nu toe hadden ze zich steeds een beetje alleenheersers gevoeld, maar dat bleek nu ineens anders uit te vallen.

"Kom mee, dan gaan we weer," zei Joop. "Ik word langzamerhand tot op mijn hemd toe nat en we kunnen hier toch niets doen."

Hij liet zich weer zakken door het gat, dat bijna geheel aan het oog onttrokken werd door de welige begroeiing rondom. Beneden gekomen liet hij zijn lantaarn terloops nog even schijnen in de ruimte voorbij de trap. En wat hij daar zag deed hem een kreet van verwondering slaken. Dwars over de gang was namelijk provisorisch een muurtje gemaakt van ruwe stenen, aarde en planken. Zodoende ontstond, met de drie zijwanden een soort kuip, die gevuld was met water. En de beweging in het water wees duidelijk op de aanwezigheid van een enorme hoeveelheid vis. Toen ze de gang in waren gelopen was hun eerste gang naar boven geweest en hadden ze het bassin over het hoofd gezien.

"Kijk eens wat ik hier vind!" riep Joop opgewonden naar zijn makkers.

De anderen voegden zich nieuwsgierig bij hem. Een ogenblik stonden ze perplex. Toen stroopte Aart zijn mouw op en deed een greep in het water.

"Alle mensen!" zei hij, "dat is allemaal paling! Daar zitten honderden kilogrammen in!"

"Dat zou ik ook denken," zei Joop. "Die zijn er natuurlijk ingestopt door de eigenaar van die boot! Ik weet nu ook waardoor ik daar straks uitgleed. Dat muurtje hier is niet bepaald waterdicht te noemen, kijk maar, het water sijpelt er doorheen."

"Maar ik begrijp niet hoe ze dat water hier in die kuip krijgen," merkte Krijn op. "Daar gaat haast een paar duizend liter in, dus om dat allemaal met emmertjes water aan te sjouwen is een onbegonnen werk."

"Geef die lantaarn eens hier," zei Aart.

Hij nam het ding over van Joop en liet het langs de zoldering boven de kuip spelen.

"Daar zit de oplossing," zei hij toen. "Kijk, daar in de hoek heeft iemand een gat gemaakt en dat gat vervolgens afgedekt met een tegel. Helemaal hermetisch is het niet afgesloten, zie je wel?"

"Dan moeten we dus boven de grond die tegel terug kunnen vinden," constateerde Joop.

Meteen ging hij naar boven, gevolgd door de beide anderen. Het bleek dat Aart het inderdaad bij het rechte eind had. Na enig zoeken vonden ze wat ze zochten. Vlak bij de vaste grond van het eilandje, waar het dus erg ondiep was, lag een gewone trottoirtegel op de bodem. Het ding was zo nodig, gemakkelijk op te tillen daar er zo weinig water boven stond en het moest niet moeilijk zijn het water in de kuip steeds te verversen. Een gedeelte liep vanzelf weg door de poreuze wand aan de kant van de gang. Zo nodig kon men van tijd tot tijd nog een paar emmers extra uitscheppen; het bijvullen was in een paar minuten gebeurd. Even de tegel oplichten en de verse voorraad stroomde in elke gewenste hoeveelheid naar binnen!

Maar welke zonderling was hier aan het werk geweest en met welk doel? Weer verdiepten ze zich in allerhande gissingen, maar niemand wist een oplossing te geven die hen alle drie aannemelijk leek.

"Ik geef het op," zei Krijn tenslotte. "Voorlopig ga ik terug naar de tent, kijken of onze spulletjes er nog liggen."

Hij zei het als een grapje, maar ze voelden alle drie dat er wel degelijk aanleiding bestond om op hun hoede te zijn. Het was in elk geval een onloochenbaar feit dat er iemand was, die de weg wist tot binnen de muren en daar dienden ze toch een beetje rekening mee te houden. Rust zouden ze pas weer hebben als ze wisten wie die geheimzinnige figuur was.

"Laten we eens poolshoogte nemen," stelde Joop voor, terwijl ze terug liepen.

De anderen stemden er mee in. Afgesproken werd dat ze ieder een kant uit zouden lopen, om zo systematisch het hele terrein af te zoeken. Aart nam het gedeelte bij de tent, Krijn zou langs de buitenmuur lopen tussen het struikgewas door, terwijl Joop het middengedeelte, dus de bouwval van het kasteel voor zijn rekening nam. Als echte speurders keken ze zorgvuldig achter iedere struik, elke hoek van de ruïne werd onderzocht en Aart waagde zich in het op instorten staande botenhuis, om het te onderzoeken. Af en toe riepen ze elkaar hun herkenningskreet toe, maar veel wijzer werden ze niet direct. Eensklaps riep Krijn echter zijn vrienden die meteen hun speurtocht staakten en naar hem toe holden.

"Kijk hier, een paar voetstappen!" zei Krijn opgewonden, toen zijn makkers zich bij hem hadden gevoegd.

Inderdaad was op een stukje zand duidelijk de indruk van een mannenvoet te zien, vlak onder de muur. De regen had wel de scherpte er van iets vervaagd, maar onmiskenbaar was te zien dat hier nog niet lang geleden iemand had gelopen. Automatisch keken de jongens naar boven alsof daar de oplossing van het raadsel was te vinden. Hier moest de vreemde indringer naar binnen zijn gekomen, maar hoe? Nergens was een trap te zien of enig ander hulpmiddel om over de muur te klimmen.

"We gaan naar de politie," zei Joop. "Laat die het verder maar uitzoeken."

Maar Krijn scheen nu pas de speurzin goed te pakken te krijgen. Wat drommel, juist nu het er op ging lijken dat ze een spoor te pakken hadden zouden ze de zaak uit handen geven?

"Ben je mal," zei hij dan ook, "laten we zelf dat varkentje proberen te wassen. Trouwens, wat wil je tegen de politie zeggen? Tot nu toe hebben we niets ontdekt dat strafbaar is. Wij vinden alles wel erg geheimzinnig, maar misschien is er totaal niets aan de hand en maken we een boel drukte over iets, dat niets om het lijf heeft."

Ook Aart dacht er zo over en daarom zag Joop van zijn voornemen af. Besloten werd, eerst naar de tent te gaan. Aart had zich al overtuigd dat daar alles ongemoeid was gelaten. Gelukkig was het inmiddels droog geworden en al was het dan ook nog een beetje triestig, ze konden nu tenminste weer buiten zitten. Krijn wist zo waar een kopje koffie te brouwen dat niet eens slecht smaakte. Onbehoorlijk slurpend zaten ze het naar binnen te werken. Het was maar goed dat er niemand van de ouders hun zoon gade kon slaan zoals ze daar met gekruiste benen op de grond zaten. Er werd druk gesproken over de geheimzinnige dingen die ze ontdekt hadden, maar veel verder kwamen ze natuurlijk niet. Joop begon weer over de politie maar Aart en Krijn wezen dat beslist af.

Tenslotte besloten ze gewoon te doen alsof ze niets hadden bemerkt en alleen hun ogen goed de kost te geven. Vervolgens haalden ze de hengels voor de dag om die uit te gooien in de diepe sloot achter de tent. Zo brachten ze de dag door met wisselend succes, want de sloot bleek inderdaad behoorlijk vis te bevatten. En over de voorraad vis die zo dicht bij hen lag opgeslagen werd die dag niet meer gesproken.

HOOFDSTUK XI

Het weer bleef een beetje onbestendig. Was het zondagsavonds opgeklaard; maandag regende het bijna voortdurend en stond er een vrij koude wind. Behalve de noodzakelijke boodschappen en het weg brengen van de gehuurde roeiboot kwamen ze bijna niet weg. Daarom had Joop op zich genomen het botenhuis eens wat op te knappen. Daar zaten ze tenminste betrekkelijk droog. De anderen lieten zich ook niet onbetuigd, en zo kwamen ze ook de regenachtige dagen door, zonder zich te vervelen. Veel gereedschap hadden ze niet bij zich, maar toch voldoende om wat hoog nodige reparaties te kunnen doen. Maar ondanks het feit dat hun werk wel voldoening schonk, waren ze toch alle drie blij toen zaterdagsmorgens al bij het opstaan een heerlijk verwarmd zonnetje de tent binnen viel. Ze waren hier tenslotte niet gekomen om twee weken lang te timmeren! Hun handen jeukten om eens een flink stuk het meer op te wandelen. Met algemene stemmen werd daar dan ook direct toe besloten. Om een uur of negen, nadat ze alles hadden opgeruimd, togen ze op weg. Als voorzorgsmaatregel tegen ongewenste gasten deponeerden ze al hun spullen in het botenhuis. Dat kon wel niet afgesloten worden, maar in elk geval liep het niet zo in het oog wanneer onverhoopt iemand op het terrein zou komen.

Aanvankelijk met een flink vaartje togen ze de plassen op. Het werd een wedstrijd, wie het eerst een bepaald punt had bereikt, die door Joop met een halve lengte werd gewonnen. Daarna deden ze het wat kalmer aan. Ze hadden brood mee genomen en toen hun magen begonnen te knagen, legden ze ergens aan om dat op hun gemak te verorberen. Met opgetrokken knieën zaten ze over het water uit te kijken, ieder in eigen gedachten verdiept. Ze waren betrekkelijk dicht tot aan Vendorp genaderd waar het al tamelijk druk was met plezierboten. Het was prachtig zeilweer en het was dan ook druk met Sharpies, Draken en nog vele andere types boten voeren er door elkaar.

Op een afstand werd eem roeiboot zichtbaar.

Aanvankelijk letten de jongens er niet op, maar eensklaps zei Aart: "Ik kan me vergissen, maar ik geloof stellig dat daar onze vrienden aan komen."

"Onze vrienden?" vroeg Krijn met opgetrokken wenkbrauwen. "Over wie heb je het?"

"Over Sander, Hans en Jan," antwoordde Aart. "Hoewel ik maar twee man zie zitten. Het zou me niets verwonderen als het kamp in tweeën was gesplitst!"

"Dat geval van vorige week zal aan de vriendschap beslist geen goed gedaan hebben," gaf ook Joop als zijn mening te kennen. "En nu je het zegt geloof ik ook dat het Hans en Jan zijn."

"Zullen we ons maar weer verbergen?" zei Krijn.

"Waarom? Ik vind dat zij meer reden hebben om zich te verbergen dan wij," vond Aart. "Dat we op het kasteel bivakkeren weten ze nu wel. Trouwens, ik geloof niet eens dat ze deze richting uit komen. Ze hebben ons schijnbaar nog niet gezien."

Juist op het moment dat Aart die woorden sprak werden ze gelogenstraft want de roeiboot draaide iets bij en kwam nu regelrecht op hen af gevaren.

"Wat zullen we nu hebben?" zei Joop verbaasd. "Daar komt me zowaar dat brutale stel toch weer naar ons toe. Maar dit zeg ik je, als ze ons weer dwars willen zitten wordt het vechten dat verzeker ik je!"

"Dat geloof ik niet," suste Aart. "Als ze met hun drieën geweest waren misschien nog wel, maar Hans en Jan zullen geen ruzie zoeken. We zullen maar eens afwachten wat de heren te vertellen hebben."

Onder een bijna grimmig zwijgen lieten ze het tweetal naderen. Die schenen het nog niet helemaal eens te zijn. Hans zat aan de riemen, maar af en toe liet hij ze even rusten om wat tegen zijn makker te zeggen die achterin zat. Zo naderden ze slechts langzaam. Tenslotte kwamen ze echter zo dicht in de buurt dat het gesprokene hoorbaar moest zijn en toen zwegen ze. Het was een malle vertoning, het drietal knapen dat af zat te wachten wat er ging gebeuren en het dichterbij komende duo, dat steeds langzamer roeide. Eindelijk kwam dan toch het ogenblik dat de boot de oever raakte. En toen gebeurde er iets wonderlijks.

Zonder inleiding of zelfs zonder te groeten stapte Jan Knapen uit de boot naar hun toe.

Voor Aart bleef hij staan en toen begon hij hakkelend: "Ik....ik wilde je nog even bedanken dat je me vorige week uit het water hebt gehaald en ik....ik hoop dat je niet nijdig op me bent."

Die goeie Aart wist zich geen houding te geven, zo overviel hem de situatie. Even dacht hij nog dat hij in de maling werd genomen, maar het gezicht van de ander deed hem al spoedig op die gedachte terug komen.

"O, dat is wel in orde," was alles wat hij wist te zeggen, terwijl hij een kleur kreeg van verlegenheid.

Maar Krijn scheen er anders over te denken.

"Als jullie niet zo mal gedaan hadden, was het allemaal niet nodig geweest," zei hij een beetje bits.

"Daar heb je gelijk in," zei Jan en het viel de jongens op dat zijn woorden er welgemeend uit kwamen. "En ik wilde jullie ook wel zeggen dat je van Hans en mij geen last meer zult hebben."

"O, dan is het goed," bromde Krijn.

"Is de vriendschap met Sander soms afgelopen?" kon Joop niet nalaten te vragen.

"Ja, daar hebben we een streep onder gezet," zei Hans Barends, die nu ook op de wal was gestapt. "Dat is eigenlijk al begonnen toen hij die motorboot van jullie had weg genomen. Je moet echt van ons aannemen dat wij het daar helemaal niet mee eens waren al wilden we het dan niet aangeven bij de politie. We hebben samen wel eens dingen gedaan die eigenlijk niet door de beugel konden, maar dit ging ons net te ver."

"Nou, laten we er dan maar niet verder over praten," zei Aart namens de drie vrienden. "Als Joop en Krijn er tenminste net zo over denken als ik."

"Mij best," zei Krijn een beetje stug en ook Joop sloot zich er bij aan, al ging het dan niet helemaal van harte.

Maar Aart had wel het meeste reden om kwaad te zijn en als hij daar dan zo gemakkelijk overheen kon stappen moesten zij het ook wel doen.

"Hebben jullie een leuke vakantie daar op het kasteel?" waagde Hans te vragen.

Ineens kreeg Joop een heldere gedachte. Misschien wisten die twee iets af van de palingopslagplaats en de verlaten roeiboot in het riet. Voordat iemand gelegenheid kreeg om de vraag van Hans te beantwoorden, vroeg hij het recht op de man af. Maar de verbaasde blikken van Hans en Jan brachten alle drie direct tot de overtuiging dat zij er niets van af wisten.

"Ik ben daar eigenlijk nog nooit geweest," zei Hans. "Wij zaten meestal in de buurt van "de Blauwe Hoek....."

Meteen kreeg hij een kleur en zweeg. Iedereen begreep dat de diefstal van de "Speedy" hem in de gedachten kwam. Maar Aart redde de pijnlijke situatie door er gewoon overheen te praten.

"Het is daar ook wel een afgelegen hoek voor iemand die in Vendorp woont," zei hij. "Maar jullie moeten er eens komen kijken, als je tenminste zin hebt. Het is er verbazend leuk!"

Toen kwamen de tongen een beetje los en werd er gesproken over onderwerpen die hen alle vijf beter lagen.

Hans en Jan luisterden met aandacht naar de verhalen van de andere drie en pas na een uur zei Joop: "Zeg, zullen we nu niet langzamerhand terug gaan naar ons basiskamp?"

"Tjonge, wat gebruik jij dure woorden," spotte Krijn. "Ons basiskamp noemt ie dat!"

"Hoe je het noemt is niet zo belangrijk," zei Aart, "maar Joop heeft gelijk, we moesten maar weer opstappen."

"Nou, dan gaan wij ook maar weer," zei Hans met enige tegenzin. "Ik vind het jammer, maar wij moeten ook naar huis."

Voor hij eigenlijk erg had in hetgeen hij ging zeggen liet Joop zich ontvallen: "Komen jullie morgen bij ons! Als je zegt hoe laat je komt wachten we op jullie buiten het riet om je de kortste weg te wijzen."

Dankbaar namen Jan en Hans dat voorstel aan en toen gingen ze voorlopig ieder huns weegs.

"Het is en blijft een raar stelletje," zei Krijn, "maar toch geloof ik wel dat ze mee vallen."

"Die Sander is natuurlijk altijd de aanstoker geweest," meende Aart. "Die had ze helemaal onder zijn invloed, dat merk je aan alles."

"Ik ben in elk geval blij dat ze er nu dan onderuit zijn," zei Joop. "Dat getreiter en gezanik is nu tenminste afgelopen. Sander is veel te laf om er in zijn eentje mee door te gaan als je het mij vraagt."

Daar was iedereen het wel mee eens en ze namen zich voor om Hans en Jan niet weer aan te vallen over wat er in het verleden was gebeurd. Tenslotte had vooral Jan zijn straf al dubbel en dwars te pakken door de angst waarin hij had gezeten.

Luisterend brachten ze de zaterdagavond door, genietend van de rust die overal heerste en vrij laat zochten ze pas de bedden op.

De eerste week van hun vakantie zat er al op!

HOOFDSTUK XII

De volgende morgen werd Joop als eerste wakker. Het was al vrij laat voor hun doen, waarschijnlijk omdat ze de vorige avond zo lang buiten hadden gezeten. Hij bleef nog heerlijk wat nasoezen, languit op zijn rug liggend. Hè, een beste vacantie hadden ze toch op deze manier. Ze hoefden aan niemand verantwoording af te leggen voor hun doen en laten. Alle ouders schenen er van overtuigd te zijn dat ze best op zichzelf konden passen, want er was nog niemand van hen geweest om te zien hoe de jongens het maakten. Het zou ze trouwens ook niet gemakkelijk vallen de jongens te bereiken! Nu, ze redden zich zelf ook best, vond Joop. Met het eten konden ze best schipperen. Twee keer hadden ze boodschappen gedaan en water ververst van de week. Dat hield wel in dat zij bijna permanent oud brood moesten eten maar geen van de jongens vond dat een bezwaar.

O ja, en vandaag zouden ze bezoek krijgen van Hans en Jan. Vreemd kon het soms toch lopen! Vorige week waren ze nog geslagen vijanden en als iemand toen had gezegd dat ze nog eens vriendschap zouden sluiten, was die waarschijnlijk voor gek verklaard. Enfin, het was zo veel beter voor beide partijen.

Tja, en dan zou hij nu toch zijn neus maar eens buiten de tent steken om naar het weer te kijken. Trouwens, het was ook bijna acht uur dus het was toch wel tijd om meteen op te staan. Vanuit zijn bed kon Joop het zeil opzij duwen als hij op zijn knieën ging zitten. Ha, het was heerlijk weer! Nu al scheen het zonnetje over de ruïne en zijn omgeving. Dat kon weer een heerlijke dag worden! Nog even sloeg Joop een blik in het rond.

Juist wilde hij met veel rumoer zijn beide vrienden wakker maken, toen hem de adem even in de keel bleef steken. Bij de ruïne zag hij iemand lopen! De man kwam van de kant waar ze de vorige week de voetstappen in de aarde hadden gevonden en liep in de richting van de vluchtgang. Waarschijnlijk had hij de tent niet gezien, want die stond op vrij grote afstand schuin achter het botenhuis. Wel keek de man even achter zich, om zich te overtuigen dat hij niet gevolgd werd maar daarna stapte hij zonder aarzelen en blijkbaar volkomen op zijn gemak naar de trap. Het volgende ogenblik was hij uit het gezicht verdwenen. Een ogenblik zat Joop besluiteloos. Wat moest hij doen? De hele geschiedenis met de geheimzinnige opslagplaats voor de paling schoot hem weer in de gedachten. Degene, die daar zo op het vroege uur zo rustig naar beneden afdaalde, wist meer van die affaire. En zuivere koffie was het niet, daar wees alles op. Het volgende ogenblik schudde hij Aart en Krijn wakker.

"Er is een vent de gang in gelopen," fluisterde hij opgewonden, toen de beide jongens hem met knipperende ogen aankeken.

"De gang in gelopen?" vroeg Aart, overeind schietend. "Ben je niet in de war?"

"Daar gaan we achteraan," zei Krijn, ook met een ruk overeind komend. "Ik wil nu wel eens weten wat daar allemaal gebeurt!"

"En wat wil je dan doen?" vroeg Aart.

"Dat zullen we dan wel weer zien," antwoordde Krijn vastbesloten. "Maar als hij niets ongeoorloofds in zijn schild voert vindt hij het ook vast niet erg dat we een kijkje nemen bij hem."

Snel kleedden ze zich aan en drie minuten later spoedden ze zich achter de onbekende aan. Zo weinig mogelijk herrie makend daalde ze af en zo snel ze durfden lopen stapten ze door. Bij de splitsing sloegen ze nu zonder aarzelen rechtsaf en pas bij de kromming in de gang deden ze het wat kalmer aan. Geen geluid verried dat er daar verderop iemand bezig was en een beetje omzichtig nu gingen ze verder. Toen ze het naar binnen vallende licht konden zien, doofde Joop de zaklantaarn.

"Laten we hier even wachten," zei Krijn gedempt. "Misschien is hij op het ogenblik boven."

"Daarom kunnen we nu het beste nog wat door lopen," fluisterde Aart. "Hij kan ons vanuit het daglicht toch niet direct zien."

Op hun tenen slopen ze zo ver door als ze dachten dat ze ongezien konden blijven. Wat de man daar boven aan het rommelen was, werd niet erg duidelijk; ze hoorden niets meer. Minuten lang stonden de knapen te wachten.

"Ik vertik het langer," fluisterde Joop tenslotte. "Ik ga kijken."

En meteen liep hij door, op de voet gevolgd door zijn makkers. Achter in de gang was niemand. Onderaan het trapje bleven ze weer even staan wachten maar toen ze ook daar nog niets hoorden trok Joop de stoute schoenen aan en klom naar boven. Omzichtig keek hij over de rand heen en uitte toen een kreet van teleurstelling. Er was niemand! Een eend vloog kwakend van schrik weg maar dat was dan ook alles. Zou hij zich toch vergist hebben?

Ook Aart en Krijn waren nu naar boven gekomen.

"De boot!" riep Aart, "hij is weg!"

En nu werd het wat duidelijker. In de tijd dat hij zonder het te weten achtervolgd werd, had de onbekende ruimschoots gelegenheid gehad de roeiboot los te maken en weg te varen. Ze namen nog een kijkje bij de kuip en zagen dat de gehele voorraad paling bijna verdwenen was. De man moest er dus die week al meer geweest zijn, zonder dat de jongens daar iets van hadden gemerkt. Joop hakte tenslotte de knoop door.

"Ik ga kijken hoe die vent hier binnen is gekomen," zei hij. "Als hij een ladder heeft gebruikt, moet die er nog staan."

Dat was een goed idee en gezamenlijk ondernamen ze de terugtocht. Joop bleek gelijk te hebben. Op dezelfde plaats waar Krijn de vorige week de voetstappen had ontdekt, vonden ze nu de touwladder. Brutaalweg haakte Joop het ding van de muur en nam het mee naar de tent.

"Zo," zei hij grinnikend, "als meneer er nu op dezelfde wijze uit wil zal hij toch eerst bij ons moeten komen."

Heel rustig ging hij vervolgens voor de tent zitten, wachtend op de dingen die gingen gebeuren.

"We zouden Hans en Jan nog tegemoet varen," schrok Aart ineens op.

Dat was waar ook! Door de geschiedenis in de gang zouden ze warempel de hele afspraak vergeten zijn! Krijn nam op zich de jongens af te halen.

"Maar schiet wel op," drong Joop aan. "Je weet niet hoe je hier straks misschien nog nodig bent!"

"Als hij met de boot het meer is opgeroeid, komt hij toch het eerste half uur niet terug," meende Aart, doelend op de geheimzinnige figuur.

"Dat is zo," moest Joop toegeven, "maar je kunt tenslotte nooit weten!"

Krijn werkte in sneltreinvaart nog een paar boterhammen naar binnen en ging vervolgens op weg. Onderwijl namen Aart en Joop de tijd om zich een beetje op te frissen en vervolgens ook een paar boterhammen te nemen. Toen posteerde ze zich weer voor de tent. Langzaam verstreek de tijd. Af en toe spraken de twee jongens een paar woorden, maar geanimeerd was het gesprek niet te noemen. Daarvoor zaten ze toch allebei te veel in spanning.

Hans en Jan schenen zich niet stipt aan de afgesproken tijd te hebben gehouden want na een half uur was Krijn nog niet terug met de gasten.

"Zullen we nog eens een kijkje nemen in de gang?" stelde Joop voor, maar Aart opperde bezwaren.

"Als Krijn dadelijk terug komt kunnen we beter met zijn drieën of met zijn vijven gaan," zei hij. "Als je met zijn tweeën wellicht zo'n man te lijf moet gaan kun je toch niets beginnen."

Aan het eind van de sloot, vlak buiten de kasteelmuur, klonk op dat ogenblik het geplas van riemen. Ook de gedempte stem van Krijn was nu hoorbaar en weldra zagen ze het drietal door het deurtje naar binnen komen varen. Aart wilde juist opstaan om de anderen tegemoet te gaan toen Joop hem bij zijn arm greep.

"Daar komt ie!" fluisterde hij hees van spanning.

De man stapte inderdaad uit de gang naar boven. Even stond hij onwennig te knipperen tegen het daglicht om vervolgens aanstalten te maken naar de muur te lopen. Toen pas scheen het tot hem door te dringen dat hij niet alleen op het terrein was, want het geluid van de roeispanen was nu tamelijk dicht bij gekomen. Even draaide de gestalte zich in de richting van de jongens, toen keek hij schielijk een andere kant uit, als om niet herkend te worden. Snel liep hij dan in de richting vanwaar hij was gekomen, de touwladder aan de muur.

Nu hield Joop het niet langer uit. Brutaalweg holde hij achter de man aan, die niet omkeek. Aart volgde zijn makker en ook Krijn, Hans en Jan zagen nu wat er aan de hand was. Meteen gooiden ze er nog een schepje bovenop om zo snel mogelijk bij de anderen te komen.

Inmiddels was Joop bij de man gekomen die natuurlijk tevergeefs zijn ladder zocht. Het was een nog vrij jonge kerel om zo te zien. Hij was gekleed in een manchester pak en een paar gummilaarzen. Zodra hij merkte welke poets hem was gebakken deed hij geen moeite meer om zijn gezicht langer te verbergen en wendde zich tot zijn achtervolger.

"Waar heb je dat ding gelaten," beet hij hem toe, doelend op de touwladder.

"Heering!" riep Joop uit, zonder antwoord te geven op diens vraag. "Wat komt U hier doen?"

"Dat gaat jou niets aan kwajongen," snauwde de ander. "Ik vraag je waar die ladder is gebleven!"

Het speelde zich allemaal af in een paar seconden, vraag en antwoord gingen bliksemsnel over elkaar heen.

"In de tent, komt U hem maar halen," zei Joop brutaal.

"Geef op dat ding of je krijgt een klap die je heugen zal," zei Heering.

Meteen wou hij Joop inderdaad een draai om zijn oren geven maar die was daar op bedacht en bukte zich nog juist bijtijds. Op dat moment stond Aart naast hem en die beheerste de situatie volkomen.

"Als ik U was, zou ik me een beetje rustig houden," zei hij.

"Ons tweeën kunt U misschien nog wel baas, maar daar komt nog versterking aan, zoals U misschien al heeft gezien."

Heering scheen snel zijn kansen te overwegen. Hij begreep dat hij inderdaad tegen vijf knapen weinig kans zou hebben en daarom probeerde hij het anders, namelijk door zoete broodjes te bakken.

"Doe niet zo flauw joh en geef me die touwladder terug," zei hij op een heel andere toon dan daarnet.

"Die touwladder kunt U natuurlijk terug krijgen," zei Aart.

"Die is van U, en we waren ook helemaal niet van plan om hem te houden. Maar dan moet U daar iets tegen over stellen door ons te vertellen waarom U hier zo geheimzinnig aan het scharrelen bent."

Die toon bleek de volwassen Heering niet te liggen want hij draaide weer om als een blad aan een boom.

"Daar ben ik jou toch geen verantwoording van schuldig, aap van een jongen," siste hij nijdig.

Nu kwamen Krijn, Hans en Jan naderbij en bij het zien van de laatste twee werd het gezicht van Heering zo mogelijk nog nijdiger en norser.

"Zo," snauwde hij, "oude kennissen, die zelf nooit gedeugd hebben en nu weer op het rechte pad terecht gekomen zijn!"

Met gezichten, waarop gemengde gevoelens stonden te lezen, keken Hans en Jan hem aan. Jan herstelde zich het eerste.

"Ja," zei hij flink, "wij zijn er inderdaad mee opgehouden, met het lichten van palingfuiken. Maar U schijnt er nog steeds mee door te gaan! Nu ik U hier zie, wordt me opeens een heleboel duidelijk!"

"Wat bedoel je," vroeg de ander weinig toeschietelijk.

"We weten alles van die opslagplaats daar beneden," antwoordde Aart inplaats van Jan. "En ik zou U aan willen raden daarmee op te houden, anders maken we er beslist politiewerk van."

Dat bleek de druppel te zijn die de emmer over deed lopen. Met een vertrokken gezicht wilde Heering de jongen, die hem dat maar zo bruut in zijn gezicht zei, in de kraag grijpen om hem een aframmeling te geven. Met een onverwacht snelle beweging kwam hij vooruit, maar toch niet zo onverwacht dat Joop het niet aan had zien komen. als in een flits sprong hij vooruit en Heering kwam niet aan zijn tweede stap toe, want op hetzelfde moment was hij beentje gelicht.

En toen was het hek pas goed van de dam! Langer dan een seconde lag de zwaar gebouwde man niet op de grond. Meteen sprong hij weer overeind om links en rechts klappen uit te delen. Vooral Joop en Aart waren het mikpunt van zijn woede. Weinige van zijn slagen en schoppen waren echter raak want de jongens dansten als katten om hem heen. Als het allemaal geen bloedige ernst was geweest zouden ze er waarschijnlijk op het zelfde moment om gelachen hebben. Voor een buitenstaander moest het een malle vertoning zijn, de wild om zich heen slaande krachtpatser en de als Indianen om hem heen dansende knapen die hem maar weinig kans gaven, werkelijk harde klappen uit te delen. Lang duurde het steekspel echter niet. Eensklaps kreeg Heering Aart toch te pakken en wilde hem een fikse vuistslag geven. Maar direct had hij vier jongens aan zich hangen die zich als klitten vasthielden. Daarna rolde de hele kluwen over de grond. Weldra zaten de knapen boven op hem, maar nog gaf Heering het niet op. Woest met zijn benen in de lucht schoppend trachtte hij zijn tegenstanders van zich af te werpen, maar dat gelukte hem niet meer.

Wel waakten de knapen er angstvallig voor, hem te slaan, maar ze waren vast niet van zins de visstroper zo te laten gaan. En na een worsteling die minutenlang aanhield zag Heering het kansloze van zijn strijd ook in.

"Jullie hebt gewonnen, dekselse kwajongens!" zei hij eindelijk gesmoord. "Maar wat willen jullie nu eigenlijk van me?"

"Wij willen alleen maar een verklaring van Uw vreemde gedrag," zei Aart hijgend. "Ik heb U al gezegd dat we er politiewerk van maken als U het ons niet zegt."

"Jullie weten immers alles al!" spartelde Heering tegen.

"Van Hans en Jan weten we dat U een visstroper bent," zei Aart, een beetje bijkomend. "Hoe die daar aan komen, zullen we nu maar in het midden laten. Maar waarom hebt U daar achter in die gang zo'n opslagplaats gemaakt?"

"Dat is nogal logisch," bromde de ander. "Daar zat ook veel paling bij van die fijne vrienden van jullie, die twee knullen en Sander Willems. Maar met de beetjes die zij af en toe brachten, hoefde ik niet naar de stad te gaan, dat loonde de moeite niet. Daarom bracht ik die vis hier zo lang onder."

Maar Aart was nog niet tevreden. Als een rechter ondervroeg hij de ander net zo lang totdat het hele verhaal bij stukjes en beetjes uit diens mond gewrongen was. En langzamerhand werd alles nu duidelijk.

Om zijn "zaak" rendabel te maken verzamelde Heering al sinds jaren de paling die uit de fuiken van de vissers in de buurt gelicht werd, in het bassin aan het eind van de gang. Met zijn bestelwagen, waarvan overigens niemand wist dat hij hem had, reed hij eens per week naar de stad om er zijn waar van de hand te doen. Dat niemand iets van die auto afwist, was niet zo verwonderlijk, want Heering was zeer geraffineerd te werk gegaan. Hij zette hem gewoon ergens aan de kant van de weg neer, nu hier, dan weer daar, maar altijd buiten het dorp. Als hij in het kasteel kwam om het bassin weer aan te vullen met nieuwe voorraad, maakte hij gebruik van de ladder. Moest hij evenwel de kuip leeg halen, ging hij anders te werk. Hij had namelijk gewoon een sleutel laten maken van de poort die het kasteel aan de voorkant afsloot. Van binnen uit deed hij die dan open, bij voorkeur 's avonds of 's nachts. Daarna liet hij de ophaalbrug neer; hij reed met het bestelautootje naar binnen om vervolgens de boel weer af te sluiten. Daarna kon hij rustig aan het werk gaan. Jarenlang was dat spelletje zo goed gegaan, totdat de drie vrienden het in hun hoofd kregen om het terrein bij de ruïne tot hun domein te maken!

Met stijgende verbazing hadden de jongens het verhaal gevolgd. Zo moesten er dus in de loop van een paar jaar dus duizenden kilogrammen paling zijn getransporteerd!

"Zo, nu weten jullie alles," zei Heering tenslotte, "heb je nu je zin?" Ja, nu hadden ze hun zin. Het geheim van de onderaardse gang was opgelost en de ontknoping was verrassend genoeg!

"Maar als ik U een raad mag geven, stopt U er dan mee," zei Aart ernstig. "Meneer Van Doresteyn, dat is de nieuwe eigenaar van het kasteel, heeft plannen om hier de boel een beetje op te knappen en dan moet U toch vandaag of morgen benen maken."

Het klonk een beetje eigenwijs uit de mond van een jongen van veertien jaar, maar Heering scheen hem toch erkentelijk te zijn voor de tip.

"Als jullie nu eens van mijn rug afgingen kunnen we misschien beter praten," zei hij.

"Op voorwaarde dat U niet weer begint te slaan en te trappen," conditionneerde Krijn.

"Ben je gek," bromde Heering. "Het is niet omdat ik jullie zulke lieverdjes vind, maar ik kan toch niet tegen je op, dat is wel gebleken."

Inderdaad gedroeg hij zich rustig, toen de jongens hem los lieten.

"Dus jullie gaan nu niet naar de politie?" vroeg hij, toen hij weer op zijn benen stond.

"Dat heb ik al beloofd en daar gaan de anderen ook vast wel mee accoord," antwoordde Aart. - "Ik heb er alleen de voorwaarde aan verbonden dat U nu ook ophoudt met die stroperij."

"Ik zal het proberen," zei de ander. En onhandig voegde hij er aan toe: "Dan zal ik nu maar eerst de boel beneden op gaan ruimen."

"Willen we soms even helpen?" vroeg Aart.

Ofschoon Heering er niet zo erg mee ingenomen scheen dat de jongens die hem zo dwars gezeten hadden, nu ook nog "zijn domein" betraden, stemde hij er toch in toe.

En zo kon het gebeuren dat ze wat later met zijn zessen, een volwassene en vijf jongens, bezig waren het geval beneden op te breken. Toch wel spijtig keek Heering naar de paling die in vrijheid werd gesteld. Het was een schrale troost voor hem dat de voorraad niet zo groot was. Het was een wonderlijk gezelschap, zoals ze daar met vereende krachten bezig waren. Maar een uur later was alles gebeurd. Krijn nodigde het hele gezelschap warempel op de koffie. Ze moesten wel in twee ploegen drinken doordat het servies niet toereikend was voor zes personen, maar het smaakte desondanks toch best. En daarna ging Heering weg op een heel andere wijze dan hij was gekomen.

"Jullie zijn me toch reuze meegevallen," zei hij, terwijl hij zich omdraaide en vervolgens een beetje eenzaam met zijn touwladder in de handen in de richting van de muur liep.

Voor de laatste keer stak hij de ladder vast op de muur en klauterde handig naar boven. Oudergewoonte keek hij boven de muur even om zich heen en na een armzwaai naar de jongens verdween hij aan de andere kant.

Mild scheen de zomerzon over de Vendorpse plassen waarvan het water met heel kleine rimpeltjes voortkabbelde. Vlak onder het riet zaten de vijf jongens hun geluk te beproeven bij het vissen.

"Ik schei uit met deeg," mopperde Joop. "Geef me eens een worm aan Krijn!"

Met een zwaai kwam het vistuig dicht onder een rietkraag terecht. Een tijdlang werd er niet gesproken door de knapen, zo verdiept waren ze in de aanblik van hun dobbers. Eensklaps ging Joop rechtop zitten. Zijn dobber trok heel langzaam weg onder water. Met een forse ruk haalde hij zijn vistuig naar boven en even later kronkelde een bijna polsdikke paling aan zijn snoer.

Tegelijk schoten ze alle vijf in de lach.

"Die heeft ons niet kunnen vergeten," lachte Joop. "Hij is ons bepaald achterna gezwommen."

"Maar deze keer is hij op een eerlijke wijze binnen gehaald," zei Aart.

"Dan eten we vanavond paling jongens," zei Krijn. "Daar wil ik mijn krachten als kok wel eens op beproeven!"

En zo gebeurde het ook: die avond werd er paling gegeten. Krijn had er werkelijk zijn best op gedaan en de paling smaakte verrukkelijk.

"Hij is zo vet als modder," zei Krijn, "ik heb zelden zo'n prachtige paling gezien, behalve dan in de voorraadschuur bij onze vriend Heering!"

"Wat een geschiedenis eigenlijk met die man, hoe krijgt hij zoiets verzonnen!" meende Joop, "maar hij zal er nu wel zijn bekomst van hebben, die zien we niet meer terug bij ons mooie plekje!"

"Dat moet je niet zeggen, ik ben er nog niet zo zeker van. Ik heb wel eens in detectiveboeken gelezen, dat dergelijke lui behoorlijk brutaal zijn. Over een poosje, als alles weer rustig is en als er geen pottekijkers zijn, begint hij misschien wel weer opnieuw."

"Dat geloof ik niet, Krijn, die zien we nooit meer in die buurt."

Krijn haalde zijn schouders op: "Ik weet het nog zo net niet!"

Verder werd er over deze geschiedenis niet gesproken en zo langzamerhand dachten de jongens er niet meer aan.

Als ze even gelegenheid hadden, trokken zij er op uit: de twee nieuwe vrienden hadden ze laten schieten. Tenslotte vonden ze het toch maar het prettigst met z'n drieën en de twee anderen bleven toch uit zich zelf langzamerhand weg.

De tijd verstreek en zo geleidelijk begon de winter te naderen.

Het was nu dikwijls koud op het water. Vooral als een scherpe noord-oosten wind over de plas blies - maar, daar gaven de jongens niet om. Als het weer het enigszins toeliet, dobberden zij op het wijde water.

Het was in deze tijd, dat er onverwacht een brief kwam van de Heer Van Doresteyn. Tot hun grote verbazing was de brief geadresseerd aan Krijn. Wat kon dat te betekenen hebben?

In de grootste spanning maakten ze de brief open.

Waarde Jongelui,

Jullie zult misschien wel vreemd opkijken, als je deze brief ontvangt.

Maar de kwestie is als volgt. De laatste tijd bereiken mij herhaaldelijk klachten van mijn pachters, dat er uit hun fuiken paling wordt gestolen. Enige van hen meenden ook iemand bezig te zien aan hun netten, maar door de duisternis kon de man ontsnappen. Daar jullie nogal eens op de plas rondvaren, hebben jullie mogelijk iets ontdekt. In ieder geval zou ik zeer gaarne met jullie een onderhoud willen hebben.

Misschien is a.s. zaterdagmiddag een geschikte tijd. Gaarne zie ik dan jullie komst tegemoet,

met de meeste hoogachting
W.J. Van Doresteyn.

Ze keken elkaar enige ogenblikken sprakeloos aan.

"Wel heb je van je leven!" riep Krijn uit. "Zou hij het dan toch wagen?"

"Het lijkt me helemaal niet onmogelijk," zei Joop, "maar hoe bewijzen we dat? We kunnen natuurlijk aan mijnheer Van Doresteyn vertellen, wat wij weten; of zullen we eerst eens met ons drieën op onderzoek uitgaan?"

"We zouden in ieder geval eens kunnen gaan kijken, of hij dezelfde opslagplaats nog gebruikt."

Dit voorstel vonden de jongens nog niet zo gek.

"Misschien is het Heering helemaal niet," meende Aart, "het kan best de een of andere toevallige stroper zijn."

"We zullen zien. Laten we in ieder geval eerst eens even poolshoogte nemen!" zei Joop.

De jongens waren hier natuurlijk dadelijk voor te vinden: dat beloofde een echt avontuur te worden!

Direct na schooltijd, het was op een donderdag, gingen ze op weg. De duisternis begon te vallen, toen ze op de plas kwamen.

Het was eigenlijk wel een beetje griezelig, zo op dat donkere water. Heimelijk begonnen de jongens al een beetje spijt te krijgen van hun onderneming, maar geen van drieën wilde dat voor de anderen bekennen. Zo geruisloos mogelijk voeren ze over het donkere water, alleen hier en daar zagen ze in de verte een flauw lichtje. Het was doodstil om hen heen en dit maakte de tocht nog geheimzinniger. Ieder ogenblik dachten ze iets te zien, maar telkens bleken ze zich vergist te hebben. De duisternis viel nu snel in: de struiken en de bomen aan de kant staken intkzwart af tegen de rossige lucht.

"We konden eigenlijk beter omkeren," fluisterde Krijn, "het is direct helemaal donker en dan is er toch niets te zien."

"Je bent toch niet bang?" vroeg Joop zacht, hoewel hij zich zelf ook niet erg op zijn gemak voelde.

"Bang niet bepaald, maar ik vind, dat het weinig zin heeft en dan, in zo'n duisternis komt er toch niemand, je kunt nu al bijna geen hand meer voor ogen zien."

"Straks komt de maan op," zei Joop zacht, "dan zal het wel beter worden."

Ze waren nu vlak bij de ruïne. De toren stak scherp af tegen de lucht. Ze voeren zo voorzichtig mogelijk dichterbij, om vooral geen lawaai te maken.

Een enkele maal meenden ze in de verte een plons te horen: ze luisterden scherp, maar dan bleef het weer doodstil. De maan kwam nu als een roodkoperen bol boven de horizon. Met een zucht van verlichting zagen ze, dat het nu wat lichter begon te worden.

Plotseling klonk een doordringende schreeuw en ze doken onwillekeurig ineen: het ging door merg en been.

Joop was de eerste, die zich oprichtte: "Een uil," fluisterde hij.

Ze haalden verlicht adem: wat kon zo'n beest je de stuipen op het lijf jagen!

Nu hoorden ze dezelfde schreeuw, verderop de plas.

Gelukkig begon het nu werkelijk wat lichter te worden: ze konden nu vrij goed om zich heen kijken. Voorzichtig voeren ze zo dicht mogelijk naar de oude ruïne. In de donkerte hiervan bleven ze liggen. Alles om hen heen bleef doodstil. Alleen hoorden ze zo nu en dan de roep van de uil, die telkens heel in de verte beantwoord werd. Maar ze waren er nu aan gewend.

Langzaam verstreek de tijd en er gebeurde niets. Een klok liet heel zacht zijn slagen horen: "Een, twee, drie, vier, vijf, zes...."

"Zes uur," bromde Krijn, "het wordt tijd, dat we opbreken, ik geloof niet, dat het veel zin heeft, om nog langer hier te blijven."

Hier waren de anderen het mee eens: het was wel een spannend avontuur, maar toch waren ze blij, dat ze om konden keren. Het bleef toch wel erg griezelig, zo eenzaam op het donkere water.

De maan scheen nu helder en verlichtte stralend het spiegelgladde water. De sterren stonden scherp aan de donkere lucht: het kon die nacht best eens vriezen.

Langzaam voeren ze weg, toen plotseling Krijn een waarschuwend: "Ssssstttt" deed horen.

Ze luisterden gespannen; het was net, alsof ze in de verte riemslagen hoorden.

"Misschien zijn het eenden," zei Joop zacht, "die komen tegen de avond vaak op de plas."

Maar neen, het geluid klonk te gelijkmatig, ze konden zich onmogelijk vergissen: het waren duidelijk riemslagen. Weliswaar nog op grote afstand, maar nu kon je het geluid toch duidelijk onderscheiden, ze hoorden nu ook het gepiep van de riemen, ze waren er nu zeker van: er naderde een roeiboot!

"Wat zullen we doen?" fluisterde Aart.

Krijn haalde onzeker zijn schouders op.

"We weten helemaal niet, wie daar aan komt, misschien is het wel een bootje van een visser of zo, laten we in ieder geval wegvaren, iedereen kan ons zien in de heldere maneschijn."

"Misschien kunnen we het beste een eindje langs de kant varen - als het werkelijk stropers zijn, komen ze misschien naar de toren."

"Je hebt gelijk - we weten helemaal niet, wie er in dat bootje zitten."

"Laten we dan een eindje verderop gaan liggen - in dat donkere struikgewas ziet niemand ons."

Zo gezegd, zo gedaan. Joop gaf de boot een flinke duw en ze dreven zacht naar het donkere struikgewas.

"Hier zijn we veilig!" fluisterde Aart.

Ze wisten zeker, dat niemand hen hier zou bemerken. Het zou trouwens ook helemaal geen zin hebben, om nu de plas op te varen: dan waren ze voor ieder duidelijk te zien. En wie zat er in die boot?

Misschien zaten er wel meer in en wat moesten zij dan beginnen? Met Heering alleen hadden ze het wel klaar gespeeld, maar als er twee of misschien drie mannen in de boot zaten?

Ze begonnen wel een beetje spijt van hun onbezonnen avontuur te krijgen en dan, het begon al laat te worden. Wat zouden hun ouders er wel van denken? Ze zouden zeker ongerust worden.

Bovendien, wat hadden ze eigenlijk met deze hele zaak te maken? Als er inderdaad vis gestolen werd, waarom gaf Mijnheer Van Doresteyn dat niet aan bij de politie?

De boot kwam nu duidelijk dichterbij: ze hoorden het steunen en schuren van de riemen.

"Het is bepaald een oude boot," dacht Krijn hardop. "Hoor je, hoe een geluid hij maakt? Ik geloof nooit, dat het stropers zijn, die zullen heus zo'n lawaai niet maken!"

"Ssssssssttttt, daar.....om de hoek, zie je, de boot!"

Inderdaad, om de bocht zagen ze de boot aankomen, ze hielden zich doodstil; tot hun grote schrik zagen ze, dat de boot rakelings langs hen heen voer en nu zagen ze ook duidelijk dat er twee mannen in zaten. Door de duisternis konden ze evenwel niet zien, wie het waren. De boot legde aan bij de toren en ze zagen duidelijk, dat de beide mannen er uit stapten, ze hielden hun adem in, want de afstand bedroeg nog geen tien meter.

De beide mannen waren zich blijkbaar van geen gevaar bewust.

De voorste was een forse, breedgeschouderde man, de tweede was iets kleiner.

Ze maakten de boot vast en schenen toen iets uit de boot te slepen, maar wát konden ze niet zien. Het scheen nogal een zware vracht te zijn.

Nu droegen ze samen het zware pak en verdwenen in het duister. Er klonk een licht gestommel, toen was het stil.

In de grootste spanning hadden de drie jonge speurders dit alles aangezien. Ze konden niet zeker zeggen, of de grootste van de twee inderdaad Heering was, maar hij geleek er goed op. En wie was de andere man? Zouden ze nu werkelijk weer paling uit de fuiken gestolen hebben? Na een eindeloze tijd kwamen de beide mannen terug. Maar nu zonder hun vracht, ze stapten in de boot en stietten van wal. Ze roeiden, zich blijkbaar van geen enkel gevaar bewust vlak langs de jongens, die hun adem inhielden.

De kleinste van de twee zat aan de riemen en terwijl de boot hen rakelings passeerde, zagen ze, dat de grootste niemand anders was dan hun oude bekende: Heering!

Dus toch!

Het roeien hield op en de boot van de beide mannen dreef zacht in het riet. De kleinste bukte zich en haalde iets te voorschijn.

Er was een geritsel, dat leek op het geluid, dat papier maakt. De boot lag nu maar enige meters van de jongens af.

Een schorre, hese stem klonk: "Ziezo, we hebben wel wat verdiend, wat jij? Ik begin trek te krijgen. Jij ook een boterham, man er zit dik spek op!"

De grote man antwoordde: "Dat is niet gek, ja, ik begin ook trek te krijgen, we hebben al een flink eind geroeid!"

Het was een poosje stil: blijkbaar aten de beide mannen hun boterhammen.

De jongens dorsten zich niet te verroeren en zaten ineen gehurkt op de bodem van de boot.

Nu hoorden ze weer de schorre stem: "Heb je nog weleens iets van die jongens gemerkt, Heering, daar heb je toen nogal last van gehad?"

"Die jongens, och kom, ze zullen wel wijzer zijn, ik heb toen maar een beetje komedie gespeeld, anders hadden ze misschien die hele geschiedenis aan de politie verteld, en dat kunnen we natuurlijk niet hebben, dat voel je wel!"

"Nou, maar ze waren met z'n drieën, ze waren je misschien wel te sterk af. Je maakt mij toch niet wijs, dat jij je door een paar schooljongens op je kop laat zitten?"

"Met z'n drieën? Ze waren met z'n vijven en dan valt het nog niet zo mee, bovendien, ik word ook een dagje ouder, ha, ha; maar, nu heb ik er op gerekend, kijk!"

Heering liet blijkbaar aan de ander iets zien, in het heldere maanlicht konden ze het zien schitteren, nu zagen ze het ineens; een lang, glinsterend mes!

De toestand begon nu gevaarlijk te worden: wat moesten ze tegen een mes beginnen? Ze konden niet anders doen, dan zich doodstil te houden, maar dat viel niet mee en de mannen schenen helemaal geen haast te hebben.

"Je ziet, Marinus, ik heb overal rekening mee gehouden, laat ze nu maar komen, maar ze zullen wel wijzer zijn, hahaha!"

Ook de kleinere man grinnikte: "Ik kan niet anders zeggen, dan dat je de zaak heel verstandig hebt ingepikt, wil je nog een boterham? Fijn dik spek erop!"

Heering lachte, gevleid door deze woorden.

"Je ziet, met Heering kun je zaken doen, hij is van alle markten thuis, hahaha! Maar, Marinus, dit is nog niets, zaterdagavond, dan zul je grappen beleven, hahaha!"

"Heb je nu alles goed in orde? Heb je niets vergeten? En dat dienstmeisje dan?"

"Dat dienstmeisje? O, dat heeft haar vrije avond, je ziet, Heering denkt aan alles! Hij vergeet niets, hahahaha! Jij hebt niets anders te doen, als bij de poort uit te kijken, onder geen voorwaarde ga je daarvandaan, begrepen? En als er onraad is, dan weet je het: de roep van een uil, dan weet Karel, wat er aan het handje is. Dat is alles: snap je?"

"In orde, en wat doen we met Karel?"

"Karel, O, die krijgt een flinke fooi, dan zijn we van hem af, maar kom; we moesten nu maar eens opstappen, het begint koud te worden!"

"Dus om half negen op de afgesproken plaats?"

"In orde."

Tot hun grote opluchting hoorden de jongens, dat de riemen in het water plonsden; en de boot van de beide mannen verdween in het duister. Ze haalden opgelucht adem.

In de verte hoorden ze het trage geplas van de riemen. Dat was het dus! Ze waren er helemaal van ontdaan: een inbraak! En nog wel een inbraak in de villa van de Heer Van Doresteyn!

Ze richtten zich langzaam uit hun vermoeide houding op. Op hetzelfde ogenblik liet de torenklok in de verte zeven zachte slagen horen.

"Zeven uur! We zijn veel te laat thuis, laten we gauw opstappen!"

Zonder lawaai te maken voeren ze de plas over: per slot van rekening kon je nooit weten, waar de twee kerels naar toe geroeid waren: voorzichtigheid was dus wel geboden. Het was over half acht, toen ze eindelijk aan wal stapten. Ze gingen naar het huis van timmerman Bas, die stomverwonderd opkeek, toen hij de jongens eindelijk zag verschijnen.

"Zo, zo, nu ik moet zeggen, beter laat dan nooit, weten jullie wel, hoe laat het al is? We hebben al twee uur geleden gegeten!"

Moeder Bas kwam er ook bij staan: "Dat is me wat, bijna kwart voor acht, waar komen jullie toch vandaan? Is me dat een thuiskomen? Het eten is allang koud en wat hebben jullie ons ongerust gemaakt. Het is geen manier van doen!"

De jongens kregen geen kans een woord te zeggen, natuurlijk hadden ze groot gelijk, ze waren ook veel te laat thuis, maar er waren nu toch wel bijzondere omstandigheden.

"Luister eens, vader en moeder, we zijn veel te laat, maar we konden er echt niets aan doen, heus niet!"

"Wel heb ik ooit! Ze konden er niets aan doen, een goed uur heb ik met eten gewacht en nu is alles koud geworden en dan kunnen ze er nog niets aan doen! Het is schande, schande!"

Ook vader Bas vond het een grote schande, hij trok enige malen bedachtzaam aan zijn pijp: "Het is inderdaad een grote schande, om zo laat in het pikdonker thuis te komen, je moeder heeft groot gelijk en nu wil ik er geen woord meer over horen en nu, een, twee, drie, naar bed! Voor straf krijg je niet eens te eten, mars!"

Dat was wat! En Joop voelde zijn maag knagen, hij bemerkte nu eerst, dat hij rammelde.

Maar nu begon Krijn: "Luistert U eens, natuurlijk zijn we veel te laat thuis, maar, laat mij U alles vertellen....."

"Er is niets te vertellen, ik heb met je praatjes niets te maken!"

De timmerman en zijn vrouw waren werkelijk erg boos en dat was ook te begrijpen.

"Hoort U eens," begon Aart.

Maar ook hij kwam niet veel verder.

"Er is niets te horen, we zijn helemaal niet benieuwd om jullie verhalen te horen en jij, naar boven, mars!"

Krijn en Aart stonden beteuterd voor zich te kijken; ze wisten, dat de timmerman als hij werkelijk kwaad werd, geen gemakkelijk heer was.

Voor ze verder iets konden zeggen, werd de deur met een harde smak dicht geslagen, en daar stonden ze!

"Het is een mooie geschiedenis, en er zal voor ons ook wel wat opzitten, als we thuis komen, het is een prachtig slot van een mooie avond!"

"Maar toch moeten we iets doen, we kunnen dit niet op zijn beloop laten, ik vind, dat we naar de politie moesten gaan, vind jij ook niet?"

Hier was Aart het volkomen mee eens. Ze keerden om en liepen naar het huis van de burgemeester, een klein eindje voorbij het huis van timmerman Bas. Met enige schroom belden ze aan: zwaar klonk het geluid van de bel, ze schrokken er zelf van.

Voor ze het wisten stonden ze in de deftige kamer van de burgemeester, die hen verwonderd en ook een beetje streng aankeek.

"En wat is er van jullie dienst? Het moet wel iets heel bijzonders zijn, lijkt mij, dat jullie me 's avonds om acht uur komen storen. Bovendien heb ik om kwart over acht raadsvergadering - vertel dus wat je op je hart hebt."

Toen hij de beteuterde gezichten van de jongens zag, werd de burgemeester werkelijk boos.

Hij fronste zijn zware wenkbrauwen: "Nu, komt er nog wat?"

En toen vertelde Krijn stotterend, wat ze die avond allemaal beleefd hadden, als hij niet meer uit zijn woorden kon komen hielp Aart hem een handje.

Naarmate het verhaal vorderde, luisterde de burgemeester met toenemende belangstelling.

"Wat zeg je? Een inbraak in de villa van Mijnheer Van Doresteyn? Dat is niet mis, hmmm, hmmm! Dat is een hoogst belangrijke zaak. En, wat moesten jullie eigenlijk op de plas uitvoeren? En dat nog wel in het pikdonker? Nu, vertel eens op!"

Ze vertelden nu het hele verhaal.

"Zo, zo." En na een ogenblik stilte vroeg de burgemeester: "En hebben jullie enig idee, wie die twee andere mannen waren? Je hoorde toch duidelijk de namen Marinus en Karel? Dat kan kloppen. Marinus en Karel, zo, zo! Een ogenblik."

De burgemeester ging de kamer uit, ze hoorden, dat hij in de gang telefoneerde, maar, wat hij zei konden ze niet verstaan.

Enige ogenblikken later kwam de burgemeester terug: hij liep in gedachten de kamer op en neer en toen begon hij te spreken: "Jongens, ik geloof, dat jullie een knap stukje werk hebben geleverd. Je moet weten, maar hier mag je met niemand over spreken, dat wij deze drie schavuiten allang in de gaten hielden, speciaal die Heering..... Ik moet zeggen, dat jullie alle drie een paar ferme jongens zijn, maar, je moet me één ding beloven: spreek hierover met niemand, begrijp je, met niemand, je zult natuurlijk wel begrijpen, waarom? Ik heb zojuist de veldwachter gewaarschuwd, hij is nu op weg naar timmerman Bas, begrijp je? En wat de rest betreft, die nemen wij voor onze rekening, dat zaakje komt heus wel in orde! Er is nog één ding: je moet me beloven, om deze week niet op de plas te komen en je ook niet in verbinding te stellen met mijnheer Van Doresteyn, laat alles maar aan mij over!"

De burgemeester gaf hen de hand: "En, nu, mijn beste speurders, ga nu maar gauw naar huis, het zal daar wel meevallen; de veldwachter zal het ook bij jullie thuis vertellen, ik denk niet, dat je naar bed gestuurd wordt, net zoals Joop Bas," zei hij lachend.

De burgemeester liet ze zelf uit en keek de beide jongens, goedkeurend knikkend na.

Hij streek eens door zijn borstelige kuif en mompelde: "Flinke jongens, die drie, en een stelletje prima speurders!"

EINDE

 
R. Jager, circa 1958 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003