www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
De winnende race
door Roel Jager
geschreven circa 1957
uitgebracht door uitgeverij Joachimsthal

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X


 

HOOFDSTUK I

Zuchtend stond Frits Hiddes op. Hij was het beu! Door met gekruiste armen onder zijn oksels te slaan, probeerde hij wat warmer te worden. Maar dat bekwam hem slecht want het volgende ogenblik lag hij languit op het ijs doordat zijn benen onder hem uit gleden. Eem beetje potsierlijk staken ze in de lucht, zijn gloednieuwe schaatsen fonkelend in het zonlicht. Het was geen wonder dat Frits zo mismoedig was en soms zelfs opstandig. De onmacht, stevig op zijn schaatsen te staan, hinderde hem vreselijk als knaap van veertien jaar. Voor de zoveelste keer krabbelde hij overeind en wreef met een pijnlijk gezicht over zijn zitvlak. En voor de zoveelste keer ook nam hij zich voor, er nu mee uit te scheiden, zijn schaatsen voorgoed op te bergen en de Kerstvacantie verder binnenshuis door te brengen. Hij zou het immers toch nooit leren! Op ieder terrein waar lenigheid of lichaamskracht bij te pas kwam moest hij het afleggen tegen andere jongens van zijn leeftijd.

Honderden keren was hij al getroost met de opmerking, dat het zijn schuld niet was. Maar wat schoot hij daar mee op? Intussen waren al zijn vrienden hem een stuk vooruit met elke sport.

Ja, het was moeilijk. Vijf jaar geleden waren de rollen precies omgekeerd. Toen was hij in alles haantje de voorste, zowel op school als daarbuiten. Dat was hem juist noodlottig geworden. Want toen hij eens samen met een paar vriendjes, Karel Helmer en Hans Verschore, in een afgelegen boomgaard zich te goed hadden gedaan aam het fruit van boer Talsma, was het afschuwelijke gebeurd. Juist terwijl hij in een boom zat en de overrijpe peren naar beneden gooide, kwam de knecht van Talsma aangelopen. Karel en Hans namen meteen de benen, onmiddellijk nagezeten door de knecht. Hans werd direct gegrepen nog voor hij vijftig meter weg was. Zonder veel omslag werd hij onder de arm genomen. Met de tegenspartelende jongen kwam de knecht vervolgens terug om Frits op te vangen als die naar beneden mocht komen. Die had gedacht dat hij ruimschoots de tijd had, nu de boer achter de andere twee aan was gegaan. Overmoedig nam hij op zijn gemak nog een paar peren en stak die brutaalweg tussen zijn bloes. Maar juist toen hij daar mee klaar was, aanvaardde zijn belager de terugtocht. Tijd om naar beneden te komen langs de gewone weg, gunde hij zich nu niet meer. Vertrouwend op zijn goede gesternte dat hem nog nooit in de steek had gelaten, waagde hij de sprong van ruim twee meter hoogte. Een gebroken been en een fikse hoofdwond waren het gevolg.

Ach ja, zo was het begonnen!

"Een kwestie van een paar maanden," zei de dokter.

Maar die wist toen nog niets van de complicaties, die zich later voor deden. Langer dan een jaar werd het! En toen hij daarna, tegen de raad van de dokter in, voortijdig naar buiten ging, bezorgde hij zich een dubbele longontsteking. Sindsdien was er steeds weer iets anders. Geen ernstige ziekten meer weliswaar, maar fit gevoelde hij zich bijna nooit, en de dokter bleef een regelmatige bezoeker.

Gelukkig, het laatste half jaar was er een kentering gekomen. Een kuur van zes weken in een herstellingsoord gaf een ferme stoot in de goede richting. En de laatste tijd voelde hij zich weer in staat om bergen te verzetten. Maar het logische gevolg was, dat hij in veel dingen achterop was geraakt bij de jongens van zijn leeftijd. Het leren was nog het ergste niet. De onderwijzers op school zorgden wel dat hij niet te veel achterop kwam en Frits had een helder verstand mee gekregen bij zijn geboorte. Maar wat ze hem niet bij konden brengen, dat waren lichamelijke oefeningen. En als rechtgeaarde Hollandse jongen vond Frits dat minstens even belangrijk.

Nu was hij dan op deze vriesheldere decemberdag bezig, zichzelf de kunst van het schaatsen bij te brengen. In zijn eentje; want voor geen goud zou hij de hulp van anderen aanvaarden. Hij voelde er niets voor, zich belachelijk te maken, of, nog erger, zich het misplaatste medelijden van de buitenwereld op zijn hals te halen.

Op dat slootje, een heel stuk buiten het dorp, vocht Frits tegen zijn onwillige spieren. Maar o, wat was het moeilijk! En toch zou hij het leren, koste wat het kost! Met een verbeten gezicht krabbelde hij weer overeind en sloeg zijn benen uit. Links, rechts, links, rechts, links....Boem!! Daar gingen het rechter en het linker been tegelijk en even zag Frits sterretjes doordat hij met zijn achterhoofd op het ijs terecht kwam. Weer bekroop hem de neiging, toch naar huis te gaan en zijn schaatsen weg te leggen. Desnoods zei hij, dat hij niets om dat hele schaatsenrijden gaf. Vooruit, hij zou het nog één keer proberen en als het dan niet lukte, stopte hij er direct mee!

Illustratie op pagina 1Voorzichtiger nu, en onzeker wiebelend slaagde hij er warempel in, meer dan tien slagen te doen. Toen greep hij zich ijlings vast aan een oude knotwilg, die zijn takken blijkbaar speciaal voor hem over de sloot had uitgestrekt. Dat gaf moed. Even haalde Frits diep adem voor een volgende poging. Twaalf slagen telde hij nu, alvorens hij onzacht met het ijs in aanraking kwam.

Zie je wel, precies wat vader ook had gezegd! Eerst maar kalm aan doen. Tot nu toe was hij maar steeds doldriest begonnen te slaan, maar dit ging beter.

Vergeten was plotseling de kou, vergeten ook zijn voornemens naar huis te gaan. Langzaam aan werden zijn streken zekerder, gedurfder en daardoor langer. Nog bonkte hij af en toe met een harde smak neer, maar nu ontmoedigde het hem niet meer. Hij voelde, dat hij de slag te pakken kreeg. Toen Frits tegen zonsondergang naar huis terug keerde, was hij meer dan tevreden over zichzelf. Neuriënd stapte hij voort over de stijfbevroren landweg die naar het dorp voerde, de schaatsen over de schouders bungelend. Eerst was het even vreemd, gewoon op zijn benen te staan, maar dat wende als spoedig. Alleen zou hem morgen wel een fikse spierpijn te wachten staan, dat wist hij vooruit. Achter in zijn kuiten en zijn bovenbenen begon het nu al een beetje te trekken.

Tien minuten later stond hij voor de deur van het ouderlijk huis met een razende trek in eten.

De ouders van Frits hadden een eigen huisje, midden in het dorp. Zijn vader was schoenmaker, een beroep waar Frits een vreselijke hekel aan had. Waarschijnlijk kwam dat door de vele keren dat hij opgeknapt was met een boodschap. Vaak moest hij het reparatiewerk bij de klanten thuis bezorgen. En het was niet dat Frits niets voor zijn vader wilde doen. De mensen, die hun spulletjes thuis gebracht wilden hebben, waren echter veelal niet de beste klanten. Dikwijls kwam het voor dat er chicanes gemaakt werden of er was toevallig geen kleingeld in huis om de rekening te voldoen. Gebeurde dat in het dorp, dan was het nog niet zo erg, maar die haalden zelf meestal hun gerepareerde schoenen wel weer op. Nee, in de regel betekende zo'n boodschap een fietstocht van zo'n twintig minuten, langs slechte of helemaal niet verharde wegen.

Met een zwaai gooide Frits de keukendeur open en stapte naar binnen. Goedkeurend snoof hij eens. Hmm, dat rook best! In de keuken hing zwaar de onmiskenbare geur van vers gebakken pannekoeken. Binnen in de huiskamer werd met servies gerammeld. En het leek Frits, alsof het niet alleen het servies was, dat hij hoorde, maar ook zijn maag.

"Ha, ik zal hem raken!" beloofde hij zich zelf.

Op dat moment ging de kamerdeur open en trad zijn moeder de keuken binnen.

"Zo jongen, ga jij hem raken?" lachtte ze. "Nu, er is op je gerekend hoor! Maar vertel eerst eens waar je zo laat vandaan komt! Er is niemand die je de laatste uren heeft gezien."

"Geschaatst, dat ziet U toch," zei Frits vrolijk.

"Ja, dat zie ik zeker, maar wáár heb je geschaatst?"

"O, ergens in de polder," wuifde Frits vaag alle verdere vragen weg.

Moeder vroeg maar niets meer. Ze kende haar zoon goed genoeg om te weten dat hij nu toch niets meer los zou laten. Aan zijn gezicht zag ze in ieder geval, dat hij zich best had geamuseerd en dat was tenslotte het belangrijkste.

Ze gunde het hem best, vooral omdat hij de laatste jaren toch al zoveel te kort was gekomen. Als hij behoefte had iets te vertellen, kwam hij er vanzelf wel mee voor de dag. Dat kwam gelukkig ook nog vaak genoeg voor!

Ook vader kwam binnen. Hij deed zijn schootsvel af en ging zijn handen wassen onder de kraan.

"Zo jongen, heb je goede vorderingen gemaakt?" informeerde hij belangstellend.

Vader was zelf in zijn jonge jaren een goede sportman geweest en dus erg geïnteresseerd in de verrichtingen van zijn oudste. Hij was zelfs eigenlijk de man geweest die Frits het laatste stootje had gegeven. Toen de vorstperiode was begonnen en Frits aarzelend had gesproken over schaatsen was vader er meteen enthousiast op in gegaan. En aangestoken door dat enthousiasme, had Frits van de gelegenheid gebruik gemaakt om het geld los te praten voor een paar nieuwe schaatsen. Je moest tenslotte het ijzer smeden als het heet was! De volgende dag was hij de gelukkige bezitter van een paar Friese doorlopers.

Maar de eerste paar keren dat hij er mee op pad ging, waren uitgelopen op een tegenvaller. Gelukkig vroegen zijn ouders voorlopig niets als ze hun zoon met een mistroostig gezicht binnen zagen komen.

"Nou, en of! Het gaat reuze!" antwoordde Frits.

"Zo, zo, je schijnt nog al tevreden te zijn over jezelf. Als het even kan, ga ik morgenmiddag wel eens met je mee. Ik wil me er nu langzamerhand zelf wel eens van overtuigen en misschien neem ik zelf mijn schaatsen ook wel mee," zei vader. "Ik ben dit jaar nog niet op het ijs geweest!"

"Ja, maar..." stribbelde Frits tegen.

"Wat, ja maar?"

"Ja, ziet U, ik rijd liever nog niet tussen de anderen," zei Frits, en hij kreeg een kleur. "Ik ben vanmiddag in de polder geweest achter de boerderij van Douwes."

"Ooo," zei vader langgerekt. "Je hebt er een flinke wandeling voor over, dat moet ik zeggen. Maar als je liever hebt, dat ik niet mee ga, kun je het gerust zeggen hoor!"

"O nee, dat is het helemaal niet," haastte Frits zich te zeggen. "Maar ik dacht, dat U misschien tegen de wandeling opzag, ziet U."

"Dan word ik zo langzamerhand blijkbaar wel oud," zei vader spottend. "Maar ik moet toch zorgen dat ik niet stijf word, dus ik grijp de gelegenheid graag aan."

Frits begreep, dat er geen ontkomen meer aan was. Zijn vader begreep natuurlijk heel goed waar de schoen wrong! Nou ja, voor hem behoefde hij zich ook eigenlijk niet te generen. En wie weet waar het al niet goed voor was. Wellicht kon hij er nog iets van opsteken. Want mocht Hiddes aan de meeste sporten niet actief meer deelnemen, het schaatsenrijden kon hij toch niet laten. Als er tochten werden uitgeschreven behoorde hij beslist altijd tot een van de eersten die zich in lieten schrijven. Dit alles in tegenstelling tot moeder Hiddes, die maar het liefst thuis zat. Natuurlijk leefde ze wel mee, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

Frits bedacht opeens, wel eens gehoord te hebben dat die twee elkaar op het ijs ontmoet hadden. Daar moest hij toch het zijne eens van hebben.

Toen hij er over begon, zei moeder lachend: "O, dat is heel gauw verteld, maar toch niet zo vlug dat ik het nog voor het eten doe. Henk zit al die tijd op ons te wachten en de pannekoeken worden koud."

Dat Henk zat te wachten, interesseerde Frits maar matig. Het feit, dat de pannekoeken op tafel stonden, was veel belangrijker. En die romance van de ontmoeting tussen zijn ouders hoorde hij dan direct wel. Bovendien vertrouwde hij Henk voor geen cent. Als die zo stilletjes zat te wachten, moest je helemaal niet vreemd opkijken als hij vast een aanval had ondernomen op de stapel lekkernijen.

Maar Henk scheen zich deze keer werkelijk voorbeeldig te hebben gedragen. Mocht hij er al eentje naar binnen hebben gewerkt, dan had hij dat in elk geval heel handig gecamoufleerd. Even later zaten ze met zijn vieren rond de tafel en in bijzonder snel tempo minderde de stapel nu. Pas na zijn zesde exemplaar vond Frits het tijd worden om weer terug te komen op het verhaal van die kennismaking op het ijs. Ook zijn broer haakte er meteen op in en toen was moeder niet zo goed of ze moest van wal steken.

"Het gebeurde bij een wedstrijd," zei ze.

Uit twee jongens klonken tegelijk ongelovige kreten.

"Wat, U aan een wedstrijd meedoen? Daar geloof ik niets van," riep Henk een beetje oneerbiedig.

"Tut tut, dat heb ik ook helemaal niet gezegd," zei moeder en ze knipoogde eens naar haar man. "Ik ben altijd sterker in huishoudelijke aangelegenheden geweest. Maar daarom kan ik nog wel bewondering hebben voor mensen die op dat gebied meer presteren, ik bedoel dus, op het gebied van de sportbeoefening. En daar heeft je vader indertijd een dankbaar gebruik van gemaakt, als je het mij vraagt."

Van de andere kant van de tafel klonk een vrij onbetamelijk gegrinnik. Over zijn bord heen gaf vader nu op zijn beurt weer een knipoogje aan zijn beide zoons.

"Of durf je soms te beweren dat ik jok!" zei moeder kwasi verontwaardigd.

"Nee nee, hoe kom je daar bij," deed vader geschrokken. "Jij bent er nooit op uit geweest om mij in de luren te leggen, dus zal ik de aanleiding wel hebben gegeven."

"O, ik dacht soms," zei moeder tevreden.

"Ja, maar vertelt U nu eens," riep Henk.

"Och, het had eigenlijk niet veel om het lijf," wilde vader het verhaal afmaken. "Ik deed mee aan een wedstrijd. Toen ik in de laatste rit gewonnen had, stond er iemand op me te wachten aan de eindstreep. Wie dacht je?"

"Moeder," riepen twee jongensstemmen tegelijk.

"Welnee, de voorzitter van de ijsclub," zei vader heel droog.

"Hè, wat flauw," zei Frits.

"Moeder had een kennisje geholpen, die een kraampje had op het ijs," zei vader. "Daar dronk ik toen een kop chocola. En toen ik weg wou lopen, wie kwam me achterna?"

"De voorzitter van de ijsclub," zei Frits.

"Nee, dat was nou juist niet het geval, moeder kwam me achterna!"

"Ja, omdat je niet betaald had," viel zijn vrouw hem in de rede.

"Ja," zei vader, jongensachtig grijnzend. "Wat me bijna nog nooit gebeurd was, gebeurde me toen; ik had mijn portemonnaie vergeten. Maar omdat ik een reuze trek had, heb ik maar vast iets gekocht om het later van mijn geldprijs te betalen."

"En hoe liep dat af," vroeg Frits geamuseerd.

"Tja, om de slechte indruk uit te wissen, heb ik later wel moeten vragen of ik haar iets aan mocht bieden."

"En dat heb ik toen maar geaccepteerd," eindigde moeder het verhaal. "Hij vroeg het zo vriendelijk, dat ik het haast niet durfde weigeren."

"Maar vanaf die tijd is het toch wel langzamerhand minder geworden met de geldprijzen bij wedstrijden," zei vader een beetje spijtig. "Ik heb toen een paar jaren over geslagen en nu ligt dat gekras op de korte baan me niet zo meer. Je moet wel een erg felle sprint hebben om daarin iets te kunnen bereiken. Dat is wel zwaar werk, maar je kunt tenminste je krachten verdelen, het tempo regelen naar dat van je tegenstanders. Op de korte baan is er eigenlijk meer sprake van een felle krachtsexplosie, die meteen weer uitgedoofd is."

Met belangstelling had vooral Frits naar alles geluisterd. En sterker nog werd zijn voornemen, door de zure appel heen te bijten. Hij was op de goede weg!


 

HOOFDSTUK II

De volgende dag, het was zondag, gingen vader en Frits al vroeg op stap om samen in de polder te rijden. Vader had zijn Friese doorlopers voor de dag gehaald en ze, voordat ze weg gingen, nog eigenhandig geslepen. Met kennersoog keek hij kritisch langs het staal en knikte tenslotte goedkeurend.

"Ze zijn nog best," zei hij goedkeurend. "Ik vind ze toch maar een stuk beter dan die nieuwerwetse Noren waar tegenwoordig iedereen haast van ondersteboven is. Als je hier eenmaal aan gewend bent, wil je niet anders meer."

Frits knikte maar eens. Als vader het zo overtuigd zei, zou het wel zo zijn. Hoewel het toch maar zo was, dat alle grote mannen op de schaats dat "nieuwerwetse model" gebruikten. Maar hij wachtte zich wel, dat hardop te zeggen, zolang hij zelf de ervaring niet had. Het was een fikse wandeling die ze voor de boeg hadden en eensgezind stapten ze voort, de schaatsen over de schouders bungelend. Het was een gezellig gehoor, dat tikken van de metalen delen tegen elkaar. De pijn in zijn spieren was gelukkig achteraf nog al meegevallen en vol goede moed arriveerde hij aan het begin van de sloot. Ook zijn vader scheen er bepaald zin in te hebben, want hij begon zowaar te fluiten toen hij het diep zwarte ijs zag, dat hier nog haast niet bereden was. De meeste dorpelingen reden op het kanaal dat het dorp in tweeën verdeelde en van waar uit men lange tochten kon maken naar de omliggende plaatsen, hetgeen dan ook veelvuldig gedaan werd.

"Ziezo, nu gaan we eens kijken wat je er al van maakt," onderbrak vader zijn gefluit, waarna hij op zijn gemak de schaatsen onderbond.

"Nou, daar moet U zich echt nog niet te veel van voorstellen," zei Frits, bang dat het tegen zou vallen.

"O, dat doe ik ook heus niet. Als jij kans ziet om zonder te vallen honderd meter weg te krabbelen, vind ik je al een hele Piet!"

Gerustgesteld volgde Frits het voorbeeld van zijn vader en even later stonden ze naast elkaar op het ijs. Nu, de training werd meteen stevig aangepakt! Eerst mocht Frits in zijn eentje wat rond scharrelen en kreeg hij alleen maar prijzende woorden te horen. Werkelijk ging het ook al een stuk beter dan de vorige dag. Hij voelde zich al veel zekerder en steviger op zijn benen staan. Slechts één keer viel hij, maar dat kwam nog, doordat hij met zijn schaats tegen een stuk hout kwam dat boven het ijs uitstak. Ontmoedigen deed het hem echter totaal niet meer! Direct stond hij weer overeind en vervolgde zijn oefeningen. Maar na een minuut of tien werd de lof van zijn vader gemengd met kritiek op alle mogelijke onderdelen, zoals de houding van het bovenlichaam, de stand van de voeten, ja letterlijk op alles! Op zijn gemak reed vader naast hem voort terwijl hij zijn op- en aanmerkingen gaf. Ofschoon Frits begreep dat het goed bedoeld was, kon hij een gevoel van wrevel af en toe niet onderdrukken. Vader had makkelijk praten! Maar toch deed hij zijn uiterste best om het zijn "oefenmeester" naar de zin te maken en na een uurtje werd die weer wat soepeler. Zo ongemerkt waren ze helemaal achter in de polder terecht gekomen. Toen vader en zoon eens even stil bleven staan om op adem te komen zagen ze, achter zich kijkend, de kerktoren van het dorp nog slechts heel in de verte.

"Hoe is het, ben je moe?" vroeg vader.

"Een beetje wel," moest Frits toegeven.

"Ik had niet anders verwacht," zei vader vergoelijkend. "Maar we zullen toch langzamerhand wel weer terug moeten, want moeder wacht straks met het middageten. Trouwens, ik moet je zeggen, dat ik langzamerhand trek krijg in een warm kopje koffie, en jij?"

"Ja, ik lust ook wel wat," lachte Frits.

Zo lang ze bezig geweest waren had hij er in het geheel geen erg in, maar nu vader er over begon, bemerkte hij dat hij 's ochtends eigenlijk lang niet genoeg had gegeten.

"Vooruit, daar gaat ie dan maar weer," zei die. "Maar nu gaan we het wat anders doen. Ik leg mijn handen op de rug en jij houdt ze goed vast, begrepen? Maar niet mee laten trekken hoor!"

Begrepen had Frits het wel, maar hij zag echt geen kans om aan de opdracht te voldoen. De eerste honderd meter wist hij het tempo nog aardig bij te houden, omdat zijn voorman heel kalmpjes aan begon. Maar toen die zijn snelheid wat op voerde met steeds langere streken gaf hij het al spoedig op en was er alleen nog maar op bedacht, zijn evenwicht te bewaren. Hij liet zich maar mee slepen en vader scheen daar totaal geen erg in te hebben, althans hij deed alsof. In snelle vaart ging het vooruit en in slechts een fractie van de tijd die ze eerst nodig waren geweest, kwamen ze weer aan het begin van de sloot.

"Zo, voor vanmorgen heb je je portie wel gehad," zei vader met een voldaan gezicht.

"Wat mij betreft gaan we nog een poosje door," hield Frits zich groot.

"Ja, als je je op sleeptouw kunt laten nemen zeker," zei Hiddes senior spottend. "Maar als je wilt, mag jij nog best een uurtje blijven hoor. Ik ga wel vast vooruit om te zeggen dat je er aan komt."

Maar zijn zoon had wijselijk de schaatsen al afgebonden.

"Nee, samen uit, samen thuis," kaatste hij terug.

"Bravo, zo mag ik het horen," zei Hiddes. "Maar ik heb zo het idee dat je woorden op het ogenblik sportiever zijn dan je gedachten."

Frits liet het er maar bij. Vader kende zijn pappenheimers te goed dan dat hij zich door hem in het ootje liet nemen. Ze liepen nog even langs de vaart om te zien of het daar erg druk was. Nu, dat was het inderdaad. Het hele dorp leek wel uitgelopen op deze stralende zondagmorgen. Een paar vrienden van Frits schoten meteen op hem af.

"Hallo," riep Jan Derks, een jongen uit zijn klas, "kom je niet bij ons?"

Onmerkbaar aarzelend keek Frits zijn vader even aan, die direct enthousiast knikte.

"Eerst even een boterhammetje eten," riep hij toen. "Vanmiddag doe ik mee."

Na die afspraak te hebben gemaakt ging het tweetal huiswaarts.

Om precies twee uur stonden de drie jongens aangetreden, Frits, Jan Derks en Flip Maters. Flip, die een paar huizen van de familie Hiddes af woonde, was de vrolijke noot in het clubje, altijd vol grappen en kwinkslagen. Door zijn buitensporige lichaamsomvang was hij bij de sport altijd een van de achterblijvers. En ook op school, de drie knapen zaten alle drie in de hoogste klas, haalde hij nog niet de kwalificatie "middelmatig". Het deed Flip echter helemaal niet zoveel. Ironisch verklaarde hij altijd, veel te fijn gebouwd te zijn om zich druk te maken.

"Dat harde werken maakt je oud voor je tijd," placht hij kwasi-ernstig te zeggen.

"Zo jongens," zei Jan, "daar gaat ie dan!"

Hij had als eerste zijn schaatsen onder en schoot snel naar het midden van het kanaal om een rondje te maken. Tjonge, wat een slag had die knaap al! Bewonderend keek Frits hem na terwijl hij zelf, wat aarzelend en onzeker met zijn armen zwaaiend, ook naar het midden gleed. Als laatste kwam natuurlijk Flip aan, wel stevig op zijn benen staande, maar op zijn dooie gemak.

"Gaat het al wat?" vroeg hij Frits.

"Het houdt nog niet over," antwoordde die voorzichtig.

"O, maar ik heb het al gezien," zei Flip. "Nog een weekje ijs, en jij passeert me net zo hard als alle anderen."

Met een scherpe draai remde Jan bij hen af.

"Kom op," riep hij, "aanleggen! Vooruit Frits, jij in 't midden en Flip achteraan."

Dankbaar greep Frits de handen van zijn makker. Flip greep hem van achteren bij zijn jasje en voort ging het. Jan trok van voren en Flip gaf hem, zo nodig, een duwtje in de rug, zodat hij weinig moeite had om mee te komen. Ha, machtig ging dat! Voordat hij er erg in had, waren ze al bij de volgende brug en remde Jan af. Onder de brug werd nog niet veel gereden, omdat daar nog zwakke plekken zaten. Een enkele waaghals liet zich er wel in snelle vaart onderdoor glijden, maar het was er lang niet betrouwbaar. De dag tevoren was er nog iemand doorgezakt en slechts met gevaar voor de redders zelf weer uitgehaald.

Roets, roets, roets. In snelle vaart ging het weer in omgekeerde richting, maar nu niet meer met zijn drieën. Nauwelijks tien streken hadden ze gedaan, of Flip voelde zich van achteren vast gegrepen door een vierde jongen. Ondanks zijn protesten sloot zich onmiddellijk nog een vijfde aan. Even later zwierde een hele rij over het ijs. Toen vond Flip het tijd worden dat ook de meisjes ingeschakeld werden het werd een dolle boel. Als er eentje viel, kwam de rest als een kluwen over hem heen. Frits voelde zich steeds beter op zijn gemak.

Een viertal knapen had zich los gemaakt van de anderen. In stijl gleden ze achter elkaar voort met een enorme vaart. Jan Derks ging weer voorop; met de lichamen haast over elkaar heen gebogen volgden de anderen. Allemensen, wat een prachtige slag had die Jan toch! Soepel, schijnbaar zonder zich in te spannen, sloeg hij uit met lange halen. Daar zat een kampioen in, dat was nu al te zien. Eerst had Frits nog aan willen sluiten bij het viertal, maar hij voelde wel, dat dat voorlopig nog boven zijn krachten ging. Voorlopig kon hij zich beter nog met Flip meten! Maar zonder afgunst keek hij het viertal nu na. Wacht maar, hij zou zijn achterstand wel inhalen! Desnoods ging hij in zijn eentje nog wat rijden op de sloten. En op vrije middagen kon hij dan nog altijd met zijn vrienden mee gaan. Als het maar bleef vriezen!

HOOFDSTUK III

Het blééf vriezen; het vroor zelfs dat het kraakte. Vader Hiddes las het voor uit de krant, woensdagavonds.

In het nabije Friesland begon men toebereidselen te maken voor de Elfstedentocht en daar ging men toch, letterlijk zowel als figuurlijk, niet over één nacht ijs.

"Het bestuur van de Elfstedentocht komt vanavond in vergadering te Leeuwarden bijeen om een datum vast te stellen voor de klassieke tocht. Naar wij van onze sportcorrespondent aldaar vernemen zal dit waarschijnlijk vrijdag of zaterdag zijn, ijs en weder dienende. Het ijs op het uitgestippelde traject is overal op betrouwbaarheid onderzocht en slechts bij IJlst en bij Sloten liggen nog enkele gedeelten, die moeilijkheden kunnen opleveren. Men verwacht echter dat bij aanhoudende vorst, ook deze stukken zonder enig risico te berijden zullen zijn."

"Je zit het voor te lezen alsof je van plan bent, zelf mee te doen," zei moeder een beetje spottend.

Een beetje afwezig keek vader haar aan.

"Dat is in vijf jaar niet gebeurd," zei hij zonder antwoord te geven op haar opmerking. "De laatste keer dat ze het aangedurfd hebben, is zes jaar geleden geweest."

"Ja, toen was je nog van plan om mee te doen," wist moeder zich te herinneren. "Maar om de een of andere reden is het toen niet doorgegaan."

"Dan zal ik het dit jaar doen," zei vader plotseling vastbesloten. "Er is nu niets wat me tegenhoudt en ik wil toch eens zien of ik het nog kan."

"Och man, je lijkt wel niet goed wijs!" schrok moeder. "Wat moet jij je nu nog druk maken, die al achter in de dertig bent! Laat dat nu maar aan de jongeren over!"

"Poeh!" stoof vader verontwaardigd op. "Ik schuif ze nog allemaal voorbij als ik het op mijn heupen heb."

De beide jongens vielen hem natuurlijk direct bij.

"Vader is helemaal nog niet oud," riep Henk.

"Ik heb juist wel eens gelezen, dat mannen van vaders leeftijd goede plaatsen hebben bezet," zei Frits wijsgerig.

"O zo, zie je nu wel!" riep vader triomfantelijk, maar moeder snoof:

"Pff, weet zo'n jongen veel. Maar je moet maar doen, wat je niet laten kunt. Als je op de helft bent, praat je wel anders!"

"Mag ik mee vader?" vroeg Frits.

"Hè ja, ik ook?" viel Henk hem bij.

"Hoe kan dat nou!" zei vader. "Je kunt bezwaarlijk over de weg mee gaan hollen!"

Ja, de jongens zagen nu zelf het domme van hun vraag wel in. Maar bij Frits speelde toch een plannetje in het hoofd, dat het mogelijk zou maken, de tocht te volgen.

Voorlopig zei hij echter niets en reageerde alleen maar door te zeggen: "Nee, dat is natuurlijk wel zo!"

Henk keek een beetje sip, maar ook hij zag er het onmogelijke nu wel van in en zeurde er niet verder over. Daarmee was het gesprek voorlopig van de baan.

De volgende morgen luisterde het hele gezin Hiddes in spanning naar de nieuwsberichten. Zou er iets omgeroepen worden over de vergadering van gisteravond? Ja hoor, daar kwam het. Na het gewone nieuws zei de omroeper dat bij goed weer de elfstedentocht zaterdag gehouden zou worden. De start vond plaats 's morgens om half acht in Leeuwarden. De reacties in de huiskamer liepen erg uiteen. Moeder zuchtte overdreven, vader zette een gezicht waarvan niets viel af te lezen en alleen de broers juichten om het hardst alsof vader de race al had gewonnen.

Nu vond Frits ook de tijd rijp om zijn plannetje uit te werken. De vader van Flip Maters had een auto. Als hij die eens, met medewerking van Flip, over kon halen de tocht over land zo ver mogelijk te volgen? Als enig kind kon Flip veel van zijn vader gedaan krijgen, dat had Frits wel eens eerder gemerkt. De vraag was nu maar, hoe ver die toegevendheid ging. Het was tenslotte een hele opgave, een dag met de auto door Friesland te toeren omwille van een anders plezier.

Direct na het eten trok Frits er tussenuit.

"Ik ga even naar Flip, moeder," zei hij naar waarheid, toen hij diens vragende blik zag.

Even later stapte hij door het hekje bij het huis van zijn vriend. Hij trof het, want op het moment dat hij de klink van het hekje weer liet vallen, kwam Flip juist naar buiten stappen.

"Hallo," zei hij, terwijl hij zich eens geeuwend uitrekte. "Wat ben jij vroeg bij de pinken. Is er wat bijzonders?"

"Nou, bijzonders," zei Frits. "Dat niet direct, maar loop even mee op, wil je? Ik moet je onder vier ogen spreken."

"Onder vier ogen?" vroeg Flip verbaasd. "Waar is dat goed voor?"

"Kom nu maar even mee, en gedraag je als een brave jongen," antwoordde zijn makker geduldig.

"Nou, vooruit dan maar," zei de ander gelaten. "Hoewel ik je moet zeggen, dat ik 's morgens nooit zo'n haast kan maken! Dat is slecht voor de spijsvertering, zeggen ze."

"Klets niet, bij jou kan er voorlopig nog wel wat af," zei Frits, terwijl hij naast zijn vriend het tuinpad af liep.

"Ja, ja, ik ben al stil! Al was het alleen maar om mijn nieuwsgierigheid bevredigd te zien."

Zodra ze het tuinhek achter zich gesloten hadden, stak Frits van wal.

"Heb je gehoord dat de elfstedentocht gereden wordt?" begon hij voorzichtig.

Flip keek hem een beetje verbaasd aan.

"Ja, en wat zou dat dan?" vroeg hij. "Ben je soms van plan om mee te doen?"

"Ach nee," zei Frits een beetje wrevelig.

"O, ik dacht soms. Dat zou ik voorlopig maar uit mijn hoofd zetten want het moet een moordrit zijn. Al kon ik er drie gouden medailles mee winnen en vijf weken vakantie, begon ik er nog niet aan. Ja, met de auto over de weg. Maar op schaatsen? Brr......"

"Daar wilde ik het nu juist over hebben," stuitte Frits de ontboezeming van de dikzak.

In het kort vertelde hij over het voornemen van zijn vader.

"En ik zou het zo leuk vinden om met hem mee te gaan, al was het alleen maar om hem af en toe aan te kunnen moedigen," besloot hij zijn verhaal.

"Aha," zei Flip langgerekt. "Als ik het goed begrijp, wou je daar mijn vader voor spannen, is het niet?"

"Dat heb je goed geraden. En dat karweitje is jou wel toevertrouwd, dacht ik zo."

"Dat is helemaal brutaal," vond Flip. "Mij de kastanjes uit het vuur laten halen en bovendien mijn vader nog een hele dag achter het stuur te willen hebben!"

"Doe niet zo flauw," antwoordde Frits. "Ik kan het toch moeilijk rechtstreeks aan hem vragen? Jij kunt nog wel eens een potje bij hem breken. En als je doet alsof het voor jouw plezier gaat doet hij het vast wel."

"Je vraagt niet eens of ik er wel iets voor voel," zei Flip met een martelaarsgezicht. "Maar vooruit, ik zal er mijn best voor doen, dat beloof ik je."

"Afgesproken," zei Frits opgelucht.

"Als ik hem nog te pakken kan krijgen voor hij naar zijn werk gaat hoor je misschien vanmiddag nog van me en anders vraag ik het hem wel tussen de koffie. Maar nu ga ik naar huis. Moeder had nog een karweitje voor me en als ik het niet nu al wil bederven, moet ik dat wel gauw afmaken. Tot straks dan!"

En voor zijn doen vrij haastig ging Flip naar huis, terwijl ook Frits terug liep naar de woning van zijn ouders. Vader was al weg, toen hij thuis kwam; nog wat oefenen voor de grote tocht.

"Hij heeft het werk gewoon laten liggen," zei moeder een beetje verwijtend.

Frits lachte maar eens. Met moeder was over die dingen toch niet te praten. Haar enige hobby was de huishouding, zoals ze altijd beweerde en daarin verveelde ze zich nooit. En niemand had aanleiding aan haar woorden te twijfelen, al werd er wel eens een beetje de draak mee gestoken.

Met een beetje spanning verliep de ochtend voor Frits. Flip was om een uur of tien nog niet op komen dagen en zonder veel animo knapte hij wat huishoudelijke karweitjes op. Langzaam verstreek de dag; het werd twaalf uur, twee uur, maar al wie er kwam opdagen, Flip niet.

Tegen de namiddag kwam vader thuis met een opgeruimd gezicht. Hij had een tocht gemaakt van een kleine vijftig kilometer en beweerde optimistisch dat hij in staat was, naar Maastricht en terug te rijden.

Frits hing aan zijn lippen bij het verslag van de rit. Het gezin Hiddes stond juist op het punt aan tafel te gaan voor het avondeten, toen er voetstappen op het tegelpad klonken.

Even later schalde er een bekende jongensstem door de achterkeuken: "Volk!"

Haastig stond Frits op, om zijn vriend in de gang te woord te staan, maar die liep doodbedaard door, alsof er geen afspraakjes en geheimen tussen hen bestonden. Een beetje verbluft liet de ander zijn vriend gaan.

Doodleuk vroeg die na de begroeting: "Ik wilde vragen of Frits vanavond een uurtje bij ons mag komen om te helpen mijn postzegelverzameling in te plakken."

"Als hij zin heeft; van mij mag het wel," zei vader wat verwonderd.

Doorgaans deden de jongens niet zo vormelijk en maakten dergelijke dingen onder elkaar uit, al hadden ze natuurlijk wel toestemming nodig om 's avonds nog weg te gaan.

"O ja, ik denk wel, dat Frits zin heeft, is het niet?" vroeg Flip plagerig.

Bijna had Frits "nee" gezegd, maar hij slikte het nog net bijtijds in.

"Natuurlijk, dat weet je wel," zei hij zo gewoon mogelijk.

"Nou, dan ga ik maar weer," zei Flip onverstoorbaar.

Toen hij weg was merkte vader op: "Ik wist niet, dat die Flip zo'n verwoed postzegelverzamelaar was."

En hij wierp een schuine blik naar zijn oudste zoon.

"Jij laat je anders wel in de maling nemen," kon Henk niet nalaten te zeggen, maar dat kwam hem op een vinnige schop tegen zijn been te staan, onder de tafel door.

Klokslag half acht stapte Frits voor de tweede keer die dag het hekje bij de familie Maters door.

"Zo, kom je helpen postzegels inplakken," begroette Flip hem bij de deur. "Nu, zet het maar uit je hoofd, want ik heb er totaal geen zin in."

"Ik ook niet," zei Frits, nu toch grinnikend om de komedie van zijn vriend.

Binnen vatte meneer Maters meteen het gesprek op.

"Ik hoor van Flip dat jullie me zaterdag aan het werk willen hebben. Maar vertel eerst eens eerlijk van wie dat voorstel nu eigenlijk uit ging! Flip deed het voorkomen, alsof het voor zijn plezier gebeurde, maar ik vertrouwde het gezicht van mijn zoon niet zo erg."

"Het is van mij uit gegaan meneer," biechtte Frits op.

"Dat dacht ik al," lachte meneer Mater. "Maar goed, dat doet nu ook niet zo heel veel ter zake. Het vervelende is dat ik zaterdagmorgen gewoon moet werken."

Allemensen, dat was waar ook, bedacht Frits met schrik. Hoe had hij zo dom kunnen zijn!

"Ja, dan kan het natuurlijk niet," zei hij een beetje bedremmeld. "Daar heb ik eerlijk gezegd, niet aan gedacht."

"Maar we kunnen natuurlijk 's middags altijd nog gaan," zei meneer Maters. "We stellen ons van te voren op de hoogte, waar de rijders ongeveer zijn en vangen ze onderweg ergens op. Is dat afgesproken?"

"O, maar dat is fantastisch!" riep Frits.

"Goed zo, dat is dan afgesproken," zei meneer Maters tevreden. "We moeten natuurlijk je moeder er nog in kennen. En dan zal je broer waarschijnlijk ook wel mee willen.

Zo werd afgesproken. Pas zaterdagmorgen, als Hiddes al lang in Leeuwarden was, zouden ze de anderen er iets van vertellen.

"Ga jij ook mee, Flip?" vroeg Frits, nu op zijn beurt plagend.

"O ja, dat heb ik je toch gezegd," zei die. "Trouwens ik kan nu moeilijk anders meer."

"Voor mij hoeft het niet meer hoor," ging Frits nog even door, maar de dikke liet zich niet uit zijn tent lokken en gaf geen antwoord.

Een kwartiertje later nam Frits al weer afscheid. Zijn ouders keken weer verbaasd, toen hij al zo vroeg thuis kwam, maar gelukkig werd er niet veel gevraagd!

HOOFDSTUK IV

Stralend overgoot een winters zonnetje het wijde, Friese landschap. De haantjes op de kerktorens fonkelden, als hadden ze een laagje bladgoud op hun denkbeeldige veren. Maar niet alleen de kerktorens, nee alles leek even fleurig op deze tintelende dag met zijn heldere winterweer.

"Ze treffen het mirakels met het weer," zei een grote boer die ergens aan één der vele kanalen naar het ijs stond te kijken.

"Zeg dat wel, 't is in geen jaren zo best geweest," beaamde de man die naast hem stond.

"Wat 't werk betreft, mag het voor mij anders gauw om slaan," hervatte de eerste weer, maar de ander weerde af:

"Daar moet je vandaag maar niet aan denken man!"

"Hm, nee, daar heb je ook eigenlijk wel gelijk in. Ik zal 't voor vandaag dan maar uit mijn hoofd zetten, dat is ook eigenlijk wel het beste."

"Niewaar?" zei de ander zegevierend.

Op enige kilometers afstand van de plek waar dit diepzinnige gesprek werd gevoerd, joegen op dat ogenblik een groepje van twaalf man over het ijs voort, in gestadig tempo de benen uitzwaaiend. Handen op de rug, voorover gebogen, schenen ze alleen maar belangstelling te hebben voor wat er in hun allernaaste omgeving gebeurde. Geen blik kon er af voor de schoonheid van het uitgestrekte landschap, dat zich links en rechts van hen uitstrekte, slechts hier en daar onderbroken door één of meerdere boerderijen bij elkaar. Het was de tweede groep, van kop af gezien, van de deelnemers aan de Elfstedentocht, de grote gebeurtenis van Friesland. Voor hen, hoe ver konden ze zo niet beoordelen, lag een kopgroep van zeven man, op het rechte eind achter hen, een afstand van minstens twee kilometer, was niemand te zien van de rijders die hen achtervolgden. Hoewel die rijders er ongetwijfeld moesten zijn, allen op weg naar de plaats vanwaar ze die morgen in donker al waren vertrokken, Leeuwarden.

Ongeveer de helft van de helft van de gigantische rit moesten ze nu afgelegd hebben en nog steeds ging het voort, schijnbaar onvermoeibaar en met een rhytme waarnaar het een genoegen was, te kijken. Om beurten vooraan liggend volgens een stilzwijgende afspraak ging het voorwaarts, door kleine en grote plaatsen; overal enthousiast aangemoedigd door de anders wat stugge Friezen. Want dit was ook hún dag! Heel de provincie leefde mee met dit spel van louter kracht en doorzettingsvermogen. Bij de controleposten, waar de mannen hun deelnemerskaarten moesten laten stempelen, werden ze hartelijk toegejuicht en wanneer ze toevallig een bekende zagen uit het dorp of de omgeving, kreeg die nog een extra aansporing om zijn beste beentje voor te zetten.

Het groepje van twaalf griste snel de deelnemerskaart te voorschijn, drukte het in handen van één der officials, en in minder dan geen tijd vervolgden ze hun weg. Hier waren seconden te winnen of te verliezen, seconden die kostbaar konden zijn.

De vierde man, die zijn stempel had ontvangen, was Hiddes Sr. Ontvangen was eigenlijk het woord niet, want de man die met het stempelen was belast, kreeg ternauwernood de tijd om zijn werk te doen. Het papier werd hem letterlijk uit de handen getrokken en snel schoot Hiddes weer naar het midden der ijsvlakte. Al na de eerste dertig kilometers had hij zich aangesloten bij negen andere rijders. Dat was tussen Leeuwarden en Dokkum toen de horde, die tegelijk los was gelaten, zich had gesplitst in verschillende kleine groepjes. Toen ze, eerst fel jagend om elkaars krachten af te tasten, in wat rustiger tempo waren door gegaan, hadden nog twee man kans gezien zich bij hen te voegen.

En zo was het uren lang gebleven. Bij de controleposten kreeg een enkeling wel eens een kleine achterstand te incasseren, maar tot nu toe was niemand nog definitief achter gebleven. Nu reden ze ergens tussen Hindeloopen en Staveren, het verst verwijderde punt van de Friese hoofdstad. Hiddes lag hier vooraan. Met sterke slagen joeg hij vooruit, maar toch niet zo snel dat het al te veel van zijn krachten vergde. Hij moest zuinig zijn op zijn energie want hij besefte terdege dat de laatste loodjes het zwaarste zouden wegen. Daar kwam nog bij dat de mannen, als straks het einddoel in zicht kwam, wellicht niet zo eensgezind meer zouden blijken te zijn. Ieder zou trachten een zo goed mogelijk resultaat te behalen en dan ging het hard tegen hard! Het was dus zaak om, zo mogelijk, nog wat reserve over te houden voor de laatste kilometers. Hij maakte zich geen enkele illusie over een plaats onder de allereersten. Daarvoor stonden er te veel bekende namen op de deelnemerslijst, namen van cracks met een reputatie. De tocht was, zoals ieder jaar, in tweeën gesplitst. Het ene gedeelte, de zogenaamde toerrijders, lette niet op de tijd, maar stelde er alleen maar eer in, de tocht te volbrengen. Maar al behoorde Hiddes dan niet tot de prominenten, hij had het toch gewaagd in te schrijven voor de snelheidswedstrijd. Er moest een eervolle plaats voor hem in zitten, dat voelde hij! Vermoeidheid was hem tot nu toe nog vreemd en aan zijn elf makkers had hij een goede steun. Het waren bijna allemaal jonge kerels van tussen de twintig en dertig, vergeleken waarbij hij een veteraan was. Acht van hen waren geboren en getogen in "it Heitelân". Dat had hij aan hun taal gehoord bij de sporadische opmerkingen die er gemaakt werden. De andere drie kon hij niet thuis brengen. Maar ofschoon hij er niemand van kende, toch was er één, tegen wie hij bepaald een antipathie had. Het scheen een favoriet der Friezen te zijn, iets waarop hij zich nog al voor liet staan. Af en toe liet hij zich een hatelijke opmerking ontvallen aan het adres van een der anderen. Eén keer werd Hiddes het mikpunt van zo'n opmerking, toen hij aan kop ging.

"Zou je niet wat meer tempo zetten baasje!" riep de man, toen hij vlak achter hem zat. "Blijf anders liever wat achter, dan hebben we geen last van je!"

Hiddes zweeg wijselijk, maar vanaf dat moment stond één ding voor hem vast; welke plaats hij ook in mocht nemen in het eindklassement, die man zou in ieder geval achter hem komen. Eenvoudig zou dat overigens niet zijn, want het leek wel een mannetjesputter te zijn. Breed en zwaar gebouwd, een echte athleet, die ook niet voor het zware werk terug schrok als het zijn beurt was. Maar die opmerking kon Hiddes niet verkroppen en hij zou bewijzen dat hij niet achter behoefde te blijven. Hij had eigenlijk weinig idee, hoe ver ze nog af moesten leggen, maar langzamerhand was toch merkbaar dat ze er al een respectabele afstand op hadden zitten. Af en toe had hij momenten, waarop hij een kleine inzinking voelde, momenten, waarop hij sterk naar het einde van het grote avontuur verlangde. Maar even snel als die inzinkingen op kwamen zetten, wist hij ze nog steeds te onderdrukken en zich er over heen te werken. Wat drommel, doorzetten zou hij! Ha, daar kwam weer een plaats in zicht. Dat moest Sloten zijn. Volgens de routebeschrijving was het einddoel van hier uit nog circa zestig kilometer over allerhande vaartjes en kanalen, nog hoogstens drie uur rijden in dit tempo. Dat haalde hij gemakkelijk!

En met hernieuwde kracht sloeg Hiddes zijn benen uit, vol goede moed.....

"We vinden hem nooit," zuchtte Frits moedeloos. "Hij is uitgevallen en al weer op weg naar huis, of zo ver achter gebleven dat hij nog niet in Staveren was toen wij er aan kwamen."

Meneer Maters gaf geen antwoord. Het was al de derde keer dat Frits deze ontboezeming deed. Zelf had meneer Maters er ook weinig vertrouwen meer in dat ze de vader van Frits en Henk nog zouden zien deze middag, dus wat kon hij dan antwoorden? Ze waren tegen tweeën in Staveren aangekomen. Toen aangenomen mocht worden, dat alle deelnemers aan de wedstrijd daar gepasseerd waren hadden ze de tocht ondernomen naar Leeuwarden, zo veel mogelijk de route langs het ijs volgend achter de rijders aan. Waar ze niet precies het traject over het ijs konden volgen, reden ze snel naar een volgende plaats, waar ze de mannen goed konden zien. Daar wachtten ze dan enige tijd om te zien of ze Hiddes soms voorbij gereden waren. Vele tientallen mannen en een enkele vrouw zagen ze voorbij gaan, maar de gezochte was er nog steeds niet bij. En teleurgesteld vervolgden ze hun weg weer na een minuut of tien wachten.

Maar hoewel hij tegenover de anderen erg pessimistisch deed, had Frits toch nog steeds hoop. Als vader niet helemaal in de achterhoede zat, die ze nu ver achter zich hadden gelaten, dan bestond er een kansje dat hij zich in één van kopgroepjes had kunnen handhaven. Naar ruwe schatting hadden ze nu al een kleine tweehonderd rijders gezien. Hij had onderweg gehoord, dat er ongeveer tweehonderdvijfentwintig rijders waren gestart. Dat zou dus kunnen inhouden dat vader, zijn vader, bij de eerste vijfentwintig was. Maar dat kon haast niet! In de krant van gisteravond waren er verschillende deelnemers genoemd en daar stonden namen bij die elke Elfstedenrijder koude rillingen moesten bezorgen. Er was uitvoerig in gegaan op de kansen van diverse favorieten. Een stuk of vijftien waren er genoemd als mogelijke kanshebbers.

Letterlijk had de verslaggever er aan toegevoegd: "Men moet deze opsomming uiteraard niet zien als volledig. Meermalen is in het verleden gebleken dat volslagen onbekende namen plotseling in de publiciteit kwamen door hun opvallende prestaties in dit grootse sportevenement."

"Daar gaan er weer een paar!" zei Henk, opgewonden naar voren wijzend.

Drie paar jongensogen keken ingespannen naar vier mannen, die eerst als poppetjes in de verte, snel groter werden. Meneer Maters had al zijn aandacht nodig voor de weg die hier smal en hobbelig was.

"Hij is er niet bij," zei Frits, en de twijfel sloop zijn hart weer binnen. Nog hoogstens een man of twintig reed er nu voor hen!

"Weer eentje!" riep Frits, wijzend op een eenzame figuur op het ijs.

"Als dat hem is, zal hij een beetje aanmoediging best kunnen gebruiken," zei Flip. "Het lijkt me niet bepaald een pretje, hier in je eentje te zwoegen met nog zo'n trip voor de boeg. Sjonge, hij zet er anders wel de spurt in, zeg!"

"Maar vader is het niet," zei Frits. "Dat zie ik zo aan zijn houding."

"Toch even aanmoedigen jongens," zei Flip. Meteen liet hij het portierraampje zakken en schreeuwde: "Hallo! Veel succes!"

Maar de man op het ijs scheen het niet te horen, of wilde het misschien niet horen. Met dezelfde gelijkmatige slag ging hij door zonder op of om te kijken.

Meneer Maters, die even gas had geminderd, drukte het pedaal weer wat dieper in en snel hobbelden ze door over de ongelijke weg om de nog voor hen zijnde rijders in te halen. En inderdaad, een minuut of wat later zagen ze de groep van twaalf rijden. In een schijnbaar willekeurige gevormde formatie gleden ze vooruit. Vol verwachting keken de inzittenden van de auto of ze daar de bekende figuur bij zagen.

Henk ontdekte hem het eerst.

"Daar gaat ie, daar, helemaal vooraan!" riep hij, nee schreeuwde hij.

Nu zagen de anderen het ook. Voor en achter gingen de portierramen nu naar beneden en de knapen brulden hun kelen schor, alsof Hiddes de wedstrijd al had gewonnen. De man op het ijs, voor wie al dat lawaai was bestemd, rechtte verbaasd een moment de rug. Even stak hij de hand omhoog, ten teken dat hij de jongens had herkend, maar dan lag hij direct weer voorover om het tempo van de anderen bij te kunnen houden.

"Zo, dat weten we dan," zei meneer Maters voldaan, toen de jongens wat uitgeraasd waren. "Jullie vader zit er nog in en hoe het ook loopt, tot nu toe heeft hij zich fantastisch goed gehouden."

"Ozo," zei Frits trots.

"Nu zullen we tot IJlst met hen meerijden en daarna gaan we eens een gunstig plaatsje opzoeken waar we ze goed aan kunnen zien komen," vervolgde meneer Maters. "Ik wil tenslotte ook wel eens op mijn gemak zien hoe mijn buurman zich gedraagt in zulk elitegezelschap."

De jongens vonden het uitstekend en keken nu zwijgend naar het ijs, waar Hiddes inmiddels de kop over had gedaan aan een ander en nu ergens in de achterhoede zat.

In IJlst leek, zoals trouwens in elke plaats die aan de route lag, het hele stadje uitgelopen. Oud en jong stond af te wachten en de kansen werden druk besproken.

"Wacht even," zei meneer Maters, "we zullen eens horen hoeveel er nog voor zijn."

Hij stapte uit de wagen voegde zich bij een stel jongelui die ook al druk stonden te discussiëren over de vraag, wie als winnaar uit de bus zou komen. De jongens volgden hem op de voet.

"Hoeveel rijders zijn er al gepasseerd?" vroeg meneer Maters.

De mannen keken hem een beetje verwonderd aan. Dat wist toch iedereen?

"Bergsma ligt voorop," zei een van hen. "Een knaap van een rijder man! En Hoving is ook al door. Dat wordt spannend straks tegen het eind."

"Ja, maar hoeveel zijn er nu langs gekomen?" herhaalde meneer Maters zijn vraag.

"Daar komen er weer een stel!" riep iemand plotseling en toen was het gesprek meteen afgebroken.

Iedereen holde naar de wallekant, de jongens incluis. Daar moest vader Hiddes weer bij zijn! De mannen reden nu achter elkaar, omdat veel mensen zich op het ijs begaven en er slechts een vrij smalle doorgang overbleef. De wedstrijdcommissarissen hadden moeite om voldoende ruimte vrij te houden voor de rijders. Een luid gejuich ging op uit de menigte mensen.

Maar boven alles uit klonken twee schrille jongensstemmen: "Zet em op vader!"

Slechts even kregen ze echter gelegenheid het groepje te zien, want snel stoven die weer voorwaarts, allemaal bevreesd het contact te verliezen. Tenminste, wat de laatsten betrof. De voorsten schenen langzamerhand wel iets te voelen voor een scheuring in de gelederen, want nog juist konden de jongens zien hoe de eerste man zich los trachtte te maken van de anderen met een felle sprint. Zijn poging werd echter voorlopig slechts met gedeeltelijk succes bekroond want vijftig meter verder was hij al weer ingehaald door twee man.

"Vooruit jongens, naar de auto," commandeerde meneer Maters.

Het scheen hem nu ook te pakken te krijgen, want hij begon warempel ook al opgewonden te doen.

"We moeten zien hoe dat afloopt!"

Hij behoefde het geen twee keer te zeggen. Snel kropen de vrienden weer op hun plaatsen. Hevig claxonnerend baande meneer Maters zich een weg door de drukte. Ze hadden geluk; de straatweg en het kanaal liepen parallel met elkaar en even later hadden ze de mannen weer ingehaald.

De groep was in tweeën gebroken. Voorop lagen vier man, die langzaam maar zeker schenen uit te lopen op de anderen. Ook de andere groep van acht scheen nu echter in tweeën te vallen. Drie ervan trachtten bij de koplopers te komen, de rest geloofde het blijkbaar wel. Hiddes voegde zich bij het drietal dat de achtervolging had ingezet. Hij had er een speciale reden voor, want de man die het initiatief had genomen tot de uitlooppoging was de rijder die hem de hatelijke opmerking had toegediend. En dat nam Hiddes niet! Liever had hij zijn krachten nog wat gespaard, maar hij riskeerde alles om zijn tegenstander in te halen. In een felle jacht scheerde het drietal over de ijsvlakte, met kortere, fellere slagen nu, de armen langs het lichaam zwaaiend.

"Ze halen in!" zei meneer Maters, gespannen de strijd volgend.

Ook de anderen, vooral Henk en Frits, wendden hun ogen niet van het ijs; zou vader Hiddes het halen? Ongeveer vijftig meter zat er nu tussen de eerste en de tweede groep; op haar beurt was de tweede groep zeker zestig meter uitgelopen op de anderen. En dat verschil werd steeds groter, want nog hoger werd het tempo daar vooraan opgevoerd, nog harder joegen Hiddes en de twee anderen er achteraan. Minutenlang duurde de situatie zo. Dan weer scheen de kopgroep iets verder uit te lopen, het volgende ogenblik verkleinde de afstand zich weer zienderogen.

Plotseling scheen er onenigheid te ontstaan in de voorste gelederen. Blijkbaar verweet men elkaar dat niemand het zware werk meer op wilde knappen en even verslapte het tempo. Onmiddellijk grepen de achtervolgers hier hun kans. Nog dertig meter, nog twintig, nog tien...., daar passeerde de eerste man een der koplopers en de anderen volgden hem op de voet. Direct was de ruzie vergeten, even was er weer een keihard gevecht, toen vloeide het gezelschap ineen en iets rustiger ging het verder, terug vallend in de vertrouwde houding. Maar het tempo lag wel zo hoog dat de kloof met de achterblijvers steeds groter werd.

"Hè, hè," zei meneer Maters, "dat viel niet mee! Als hij nu verstandig is, laat hij zich een beetje afzakken om zijn krachten wat te sparen."

"Alsof U het er zwaar mee hebt gehad!" lacht zijn zoon.

"Allemensen, wat ging dat hard!" kwam Henk. "Maar vader hield zich goed, zagen jullie dat?"

Ze hadden het gezien en meneer Maters gaf nu weer vol gas om bij de volgende controlepost te vragen hoe de stand nu eigenlijk was. Daar hoorden ze, het was in Sneek, dat er twee man voorop gingen. Daarachter kwamen vier rijders op een afstand van een paar minuten, die volgens hun zegsman net de controlepost gepasseerd waren. De eerste lagen dus hoogstens een minuut of vijf voor op de groep waar Hiddes in zat. Ze hadden nog een afstand van ongeveer vijfentwintig kilometer te rijden, een kwestie van hoogstens vijf kwartier. Dat haalde het dappere groepje niet meer, tenzij zich onvoorziene omstandigheden voor deden; een valpartij of iets dergelijks. En daar hoopte niemand op, meneer Maters en de jongens in ieder geval niet.

Maar ze haalden ze wel in! Althans gedeeltelijk. Van de vier man in de tweede groep konden er twee het tempo niet meer volhouden. Kennelijk hadden ze te veel van hun krachten gevergd, want ze maakten een dodelijk vermoeide indruk. En met Leeuwarden in zicht passeerde de groep van zeven het tweetal in strak tempo. En nu ontbrandde de strijd pas goed! Plotseling schoot de man, die Hiddes in gedachten "de Witte" had genoemd en die zo op zijn eerzucht had gewerkt, naar voren. Met een paar vlugge streken was hij los van het gezelschap. Dat was het moment waarop Hiddes had gewacht en dat hij aan had zien komen! Met een snelle reactie maakte ook hij zich los van de groep in een geweldige krachtsexplosie. Even later had hij zich vast gehaakt in het spoor van zijn tegenstander en als een terriër hield hij vol. Zo snel ging alles, dat geen der anderen kans zag zich direct bij de vluchtenden te voegen en in luttele seconden groeide het verschil uit tot enkele tientallen meters. Woest zwaaide "de Witte" met zijn benen om los te komen van zijn directe tegenstander, maar Hiddes gaf geen krimp en groter dan enige meters werd de afstand tussen het tweetal niet. Bij honderden stonden de mensen langs de weg hier het gevecht te volgen en juichten het tweetal uitbundig toe om ze aan te sporen tot nog grotere snelheid. Maar Hiddes dacht er niet over, de ander hier te passeren, al voelde hij dat hij het zou kunnen. Nog enkele kilometers hadden ze voor de boeg en wie van de twee de langste adem had, zou straks vrijwel zeker als vijfde man over de finish gaan. Daarom dacht Hiddes er nog niet over, nu al zijn allerlaatste krachten te geven. Het laatste greintje energie zou hij moeten bewaren voor de werkelijke eindsprint.

Steeds dichter werden de drommen mensen langs de kant en aan alles was te merken dat ze de eindstreep naderden. Dan, terwijl ze een flauwe bocht uitkwamen, zagen ze de vlaggen van de laatste controlepost, geen kilometer verder.

"Nu!" schoot het door het hoofd van Hiddes, de veteraan.

Meteen zette hij alles op alles om gelijk te komen met zijn rivaal. Nog twee meter, nog een meter......daar lagen ze gelijk. Maar toen de ander naast zich de gestalte op zag duiken, werd zijn gezicht een grimmig masker. En nog harder werd het gevecht, nog feller en korter klauwden de schaatsen over het ijs. Een paar honderd meter nog; Hiddes lag voor! Centimeter voor centimeter bijna kwam hij los; hij zag de ander niet meer, zo ver kwam die nog achter.

Toen gebeurde het!

Met een moedeloos gebaar richtte de Witte zich plotseling op, de vechtlust verdween uit zijn houding en alles duidde er op dat hij niet meer kon. Hij had net iets te veel verlangd van zijn benen en nu, op het beslissende moment, weigerden die een nog grotere prestatie te verrichten.

Een zucht van teleurstelling ging door de menigte die dit geweldige, slopende gevecht in spanning had gevolgd.

Maar weinige seconden later weerklonk er een daverend gejuich toen Hiddes met een triomfantelijk gebaar over de eindstreep gleed. Alsof de winnaar van de tocht niet een paar minuten geleden was binnen komen rijden, zo werd Hiddes ontvangen door de duizenden Friezen. Ze hadden bewondering voor de taaie vechter, die bewezen had, uit het goede hout te zijn gesneden en die met de allure van een kampioen zijn naaste tegenstander had verslagen.

Een tegenstander overigens, die zijn verlies sportief wist te nemen. Want toen hij direct daarna ook de finish passeerde, reed hij als eerste af op de man in wie hij tenslotte zijn meerdere had moeten erkennen.

"Van harte gefeliciteerd," zei hij spontaan. "Je hebt eerlijk gewonnen!"

Dat scheen het moment waarop tientallen persfotografen hadden gewacht. Toen Hiddes vriendschappelijk zijn arm om de schouders van "de Witte" sloeg, knipten tientallen camera's en tot drie keer toe moesten ze die stand herhalen, ten behoeve van diegenen die nog geen gelegenheid hadden gekregen, de lens op hen te richten.

Toen Frits en Henk kans hadden gezien zich tussen de mensen door te dringen, vereeuwigde de Nederlandse pers vader en zoons ook nog enige keren.

Het werden glorieuze momenten voor de beide knapen toen ze de volgende dag de foto's aan hun vrienden konden laten zien. Ook de reportages kregen de nodige belangstelling.

En het familiealbum werd verrijkt met vele krantenknipsels, die daar een ereplaatsje in vonden!

HOOFDSTUK V

"Hoe berekent men de oppervlakte van een trapezium? Frits Hiddes, jij!"

Met een schok kwam de aangesprokene overeind. Wat vroeg die dikke meneer Van 't Hoff nu weer? O ja, ze waren bezig met meetkunde, dat was waar ook! Brr, waar had een mens zin in met dit prachtige voorjaarsweer!

"Eh....de oppervlakte van een driehoek berekent men...." probeerde hij hakkelend.

Verder kwam hij niet, want de klas lag dubbel van het lachen en daar bovenuit schalde de stem van de leraar die zich verstaanbaar trachtte te maken.

"Jongen, waar zit jij met je gedachten vandaag?" vroeg hij. "Wat heb ik je eigenlijk gevraagd?"

"Geen flauw idee meneer," bekende Frits. "Ik zat naar buiten te kijken."

"Dat meende ik al op te merken," zei meneer Van 't Hof droog. "En mag ik misschien weten wat daar voor belangwekkends te zien was?"

"O ja," zei Frits. "Bij Geurts op het dak zaten twee spreeuwen en die hadden een vreselijke ruzie. Jammer, nu zijn ze weg."

Ten tweede male brulde het hele stel en het duurde geruime tijd eer de onderwijzer zich verstaanbaar kon maken.

"Dat lijkt me inderdaad verbazend interessant," zei hij toen. "Maar wat mij persoonlijk meer belang inboezemt is te weten of jij het antwoord weet op mijn vraag."

"Daar kan ik U zo één, twee, drie geen antwoord op geven meneer. Ik heb hem namelijk niet gehoord, ziet U," antwoordde Frits.

"Goed, dan zal ik hem nog één keer herhalen," zei de leraar toegeeflijk. "Maar eerst moet je maar eens van plaats verwisselen met Jaap Stoop. Anders loop ik kans dat je het nog niet weet, want ik zie je nu al weer naar buiten kijken. We weten allemaal wel dat het heerlijk weer is, maar daar mag je na schooltijd pas volop van genieten."

Gewillig stond Frits op en schoof in de bank van Jaap Stoop, helemaal in de hoek van het klasselokaal. Tegenstribbelen zou hem trouwens toch niet helpen, want al vatte de wiskundeleraar de dingen schijnbaar erg gemoedelijk op en kon je veel tegen hem zeggen, hij liet beslist niet met zich spotten. Bovendien had hij langzamerhand wel reden om Frits op zijn nummer te zetten, want wat nu gebeurde, was de afgelopen week al enige keren voorgevallen.

"Zo, vertel me nu dan maar eens hoe je de oppervlakte van een trapezium berekent," herhaalde meneer Van 't Hoff zijn vraag.

"De oppervlakte van een trapezium berekent men door de som van de evenwijdige zijden te vermenigvuldigen met de halve hoogte," zei Frits zonder haperen.

"Juist, dat is heel knap geantwoord. Overigens moet ik je zeggen, dat die vraag al twee keer beantwoord was, terwijl die spreeuwen ruzie zaten te maken," zei de ander een beetje sarcastisch.

"O...." zei Frits een beetje schaapachtig en met een weinig intelligent gezicht.

Die Van 't Hoff kon je zo heerlijk op je nummer zetten, zodat je op het laatst het idee kreeg, alsof hij wat met je speelde! Hij vond meetkunde toch al een vreselijk vak, maar vandaag verfoeide hij het werkelijk. Enfin, nog een half uurtje en dan zat het er weer op voor vandaag. Het weer was eigenlijk veel te mooi om binnen te zitten. De laatste weekeinden was het steeds slecht weer geweest en nu de zon scheen, kon hij er niet van profiteren!

De winter was uitzonderlijk lang geweest dit jaar. Lang en vooral streng. Frits en zijn vrienden hadden volop genoten van de ijspret en de eerste had buitengewoon goede vorderingen gemaakt. Een maand nadat hij zich voor het eerst tussen de anderen had gewaagd met zijn schaatsen had hij zelfs meegedaan aan een wedstrijd voor jongens onder de zestien jaar. Het resultaat was warempel een zesde prijs geweest, een bescheiden succesje weliswaar, maar het betekende toch een stimulans voor hem.

Nu was het dan mei geworden, een stralende voorjaarsdag die de winter geheel deed vergeten. De boeren rond het dorp waren druk doende op hun akkers. Hein, het knechtje van bakker Huibers, floot een schel liedje terwijl hij op zijn fiets het hek binnendraaide van de notaris, vlak tegenover de school.

Met meer aandacht volgde Frits de les. Vanuit het hoekje waar hij nu zat zag hij alleen de strakblauwe lucht. Een dichterlijke natuur zou daar waarschijnlijk genoeg in zien, maar voor Frits bood het weinig afleiding. Moeizaam verstreek de tijd en als een verlossing hoorde Frits de vier lichte slagen van de torenklok. Zo, dat zat er weer op voor vandaag! Stilletjes begon hij alvast zijn spullen op te ruimen om zo gauw mogelijk naar buiten te kunnen komen wanneer het sein daartoe gegeven werd.

"Ziezo, we zullen de vergadering voor vandaag maar opschorten," zei meneer Van 't Hoff.

Niemand scheen de grappigheid van de leraar te waarderen. Het enige wat zijn woorden uitwerkten was, dat iedereen haastig zijn boeken en schriften bij elkaar griste. Even later wrong de troep zich naar buiten. Frits was een van de eersten, die op de binnenplaats van de school stond. Hè, hè, dat deed je goed, die frisse buitenlucht! Met welbehagen ademde hij een paar keer diep in. Vervolgens trok hij een van de meisjes plagend aan haar vlechten om er daarna de spurt in te zetten naar huis.

Maar voor hij buiten het hek van de school was hoorde hij de stem van Jan Derks, die riep: "Hallo Frits, waarom zo'n haast? Wacht even, dan loop ik met je mee!"

"Ja best, maar schiet wel op, want ik moet voortmaken! 'k Heb vader beloofd, dat ik nog een paar boodschappen voor hem zou doen. Ga je soms mee?"

"Waar moet je naar toe?" vroeg Jan, naast hem komend. "Vader had het vanmorgen over schoenen voor Douma, je weet wel, achter de rietlanden. En ik zag iets staan voor opoe Rinsing. Als dat klaar is, moet het natuurlijk ook meteen mee. Dat wordt dus een hele tocht."

"Boe," deed Jan bedenkelijk, " 't is nog al naast de deur wat je me daar opnoemt. Dat is haast een half uur op de fiets."

"Nou, goed dan," zei Jan, "als je maar wel goed begrijpt dat ik het uit oude vriendschap doe en niet omdat ik het zo leuk vind, knechtje voor je te spelen."

"Mij een zorg waar je het om doet," zei Frits grinnikend. "Als je maar mee gaat, dat is het voornaamste."

"Dan ga ik mijn fiets even halen," zei Jan en meteen zette hij het op een holletje, de Hoofdstraat door in de richting van zijn huis.

Tien minuten later sprongen de beide vrienden met een zwaai op hun fietsen, sloegen een zijstraatje in, en waren even later buiten de bebouwde kom van het dorp. Zodra ze de laatste huizen van het dorp achter zich hadden gelaten, veranderde de straatweg in een met sintels bedekte landweg die zich schier eindeloos voor hen uitstrekte als een recht, grijs lint.

"Zo, er zijn nog twee adressen bij gekomen," zei Frits. "Die tas achter op jouw fiets moet naar Van Noort en dan heb ik nog een paar schoenen voor Kingma, aan de Ringweg bij de watermolen."

"O, dat is gelukkig allemaal in dezelfde richting," stelde Jan vast. "Is dat niet die polderwerker, waar je het over hebt, die Kingma?"

"Ja, wat zou dat?"

"En moet je daar geld ontvangen?" ging Jan door.

"Ja natuurlijk, boter bij de vis, zegt vader altijd."

"Dat is heel verstandig van je vader," zei Jan. "Je hoort wel eens vreemde dingen over die vent."

"Dat zei vader ook al. Hij heeft nog nooit wat voor hem gedaan maar bij verschillende winkeliers schijnt hij zwaar in het krijt te staan."

"Hoeveel moet je ontvangen?"

"Vijf gulden zeventig," wist Frits uit zijn hoofd.

Jan floot eens tussen zijn tanden.

"Da's een boel geld," zei hij dan. "Ik hoop dat je het mee krijgt, maar ik neem die vordering nog niet voor de helft over."

"Nou, als hij niet betaalt krijgt hij zijn schoenen niet, dat is nog al gemakkelijk," zei Frits luchtig. "Ik denk dat die wel wat meer waard zijn dan dat bedrag."

Jan deed er verder het zwijgen maar toe, maar aan zijn gezicht was wel te zien dat hij niet veel vertrouwen had in de zaak.

Zonder veel te spreken trapten de jongens stevig door. Links en rechts zagen ze af en toe een boerderij staan. Op een enkel erf ging een waakhond als een dolle te keer. De weg werd nu steeds slechter, totdat tenslotte alleen nog een smal paadje langs de kant behoorlijk te berijden was. In het midden was het geworden tot een rulle zandvlakte met diepe karresporen. Het was hier onmogelijk, naast elkaar te rijden en daarom kwam Jan een meter of vijf achter zijn vriend aan. Minutenlang ging het zo voorwaarts, behoedzaam manouvrerend om al te diepe kuilen in het pad te ontwijken. Dan maakte de weg een scherpe bocht naar links en onmiddellijk veranderde het landschap. Tot nu toe hadden ze bijna alleen akkers gezien, waarop het koren al flink omhoog schoot en hier en daar een boer tussen zijn aardappelen stond te schoffelen. Hier zagen ze dat alleen nog aan de linkerkant, de richting waar ze vandaan gekomen waren. Aan de rechterkant was de grond drassig, met hier en daar de donkerte van een ven. Boven aarde en water stonden hoge rietpluimen statig te wiegen in het zuchtje wind. Meeuwen vonden er een prachtige broedplaats. Zij leken de enige wezens te zijn, die zich hier thuis voelden en zwierden met groot misbaar krijsend in het rond. De Rietlanden, op donkere avonden een gevreesd oord voor bijgelovige geesten maar op een dag als deze een lustoord om te zien. Een nog smaller paadje dan waar ze tot nu langs gereden waren, voerde de jongens naar de boerderij van Douma, de eerste klant waar ze moesten zijn. Aan een lange ketting rende een bastaard herder blaffend heen en weer en met een klein boogje liepen de jongens er om heen. Gelukkig kwam de boerin al naar buiten en stelde de hond met een kort bevel op zijn gemak. Toch nog nagrommend keek het dier naar de twee vreemde vogels die zijn domein waren binnen gedrongen.

"Zo jongens, kom er maar gauw even in," groette de boerin. "Dan zullen we binnen even afrekenen en misschien willen jullie wel iets drinken?"

Nu, dat wilden de jongens inderdaad wel en even later stonden ze allebei met een grote beker karnemelk in hun handen.

"Jij bent er toch geen van Hiddes, is het wel?" informeerde de boerin bij Jan.

"Nee, wij zijn vrienden," zei Jan.

"Nou, dan schijnen jullie wel dikke vrienden te zijn," lachte de boerin. "Om hier naar toe te komen fietsen, is bepaald geen kleinigheid."

"O, maar het is heerlijk weer en dan is het niet zo erg," antwoordde Jan.

Frits had intussen zijn karnemelk opgedronken en kapte daarna meteen de conversatie af door te zeggen: "Mag ik misschien even met u afrekenen, vrouw Douma? Vier gulden vijftig alstublieft. En dan gaan we maar gauw weer, want we hebben nog meer te doen."

Een beetje verbluft zei de boerin: "O ja, dat is goed."

Vervolgens schommelde ze een beetje nijdig de kamer in. Daar had ze gedacht een beetje afleiding te krijgen in haar eenzame bestaan en nu brak me die jongen dat ineens resoluut af! Maar Frits kende zijn pappenheimers langzamerhand wel. Als je die boerin haar gang liet gaan, stond je over een half uur hier nog en had ze alles over het hele dorp gevraagd.

Zodra hij zijn geld in zijn zak had, zei hij dan ook: "Dank u wel vrouw Douma. Ga je mee Jan?"

Nog geen vijf minuten nadat ze het erf op gestapt waren, stonden ze al weer op de weg.

"Nou zeg, daar was je gauw mee klaar! Ik was al bang, dat ons dat minstens een half uur ging kosten," zei Jan grinnikend.

De volgende klant was opoe Rinsing, een vriendelijk, schrompelig vrouwtje dat vijfhonderd meter voorbij de hoeve van Douma woonde. Haar zoon was arbeider bij zijn buurman en onderhield zo het kleine gezinnetje.

"Daar ga ik nog veel liever naar toe dan naar veel van die grote boerderijen," zei Frits. "Als die er behoefte aan heeft om het te horen, wil ik desnoods alle nieuwtjes uit het dorp aan haar vertellen. Maar het gekke is, dat zij bijna nooit wat vraagt!"

"Dan zou ik het haar ook niet vertellen," zei Jan schouderophalend.

"Nou ja, het is ook maar bij wijze van spreken," zei Frits. "Maar je zult zo zelf wel merken wat ik bedoel."

Ze stapten het kleine erfje op. Hoewel ze hier toch minstens even eenzaam woonde als boer Douma met zijn gezin, scheen opoe Rinsing het niet nodig te oordelen, er een waakhondje op na te houden. Wel liep er een klein hondje rond, dat hen echter kwispelstaartend tegemoet kwam lopen. En toen Frits de deur van het bijkeukentje open deed zagen ze een grote kater genoeglijk uit een schoteltje melk zitten likken.

"Vollek!" schalde de stem van Frits en even later kwam het kleinste vrouwtje dat Jan ooit had gezien, uit één der deuren te voorschijn. Hij had wel eens van haar gehoord, maar het was de eerste keer dat hij haar zo van dichtbij zag.

Toen ze de jongens vriendelijk had gegroet begreep hij direct wat Flip bedoeld had daar straks. Dit was niet iemand, die je zou uithoren over de laatste roddeltjes in het dorp, maar veeleer een moedertje waar je met je moeilijkheden zou aankloppen.

"Es even kijken," zei het vrouwtje. "Dan krijg jij dus drie gulden vijfenzestig."

Bedrijvig dribbelde ze naar binnen om het geld te halen.

"Als jullie nu je voeten goed afveegt, heb ik binnen een glas melk voor je staan," klonk haar piepstemmetje even later om de hoek van de deur.

"Nou, wat graag," zei Frits spontaan en ook Jan antwoordde bevestigend.

In het kraakzindelijke kamertje, waar hier en daar een vaasje voorjaarsbloemen was neergezet, zaten ze voor de tweede keer binnen tien minuten te drinken. Maar wat een verschil! Daar kregen ze het staande in de keuken, in hun handen geduwd en hier werden ze in de kamer gelaten als gewaardeerde gasten!

"Vindt u het hier nu niet erg eenzaam, opoe Rinsing?" vroeg Frits aan het vrouwtje.

"Eenzaam?" zei die haast een beetje verwonderd. "Welnee hoor, ik heb het hier veel te goed om me eenzaam te voelen. Bovendien heb ik mijn hond en de poezen om mee te praten. Daar kun je hele gesprekken mee voeren, al denken sommige mensen van niet. Ze begrijpen je vaak beter dan mensen."

De jongens knikten zwijgend. Als opoe Rinsing het zo zei, zou het wel waar zijn.

Maar toch waagde Jan het om te zeggen: "U zult toch wel eens graag uit willen, met andere mensen praten? Ten slotte geven die dieren u nooit antwoord!"

Even keek opoe Rinsing hem aan, toen zei ze vriendelijk glimlachend: "Als je maar goed luistert, geeft elk levend wezen je antwoord. Als je maar verstandige dingen zegt, tenminste."

Al begrepen ze niet precies wat het vrouwtje bedoelde, de vrienden wisten toch niet beter te doen dan maar bevestigend te knikken.

Maar nu was het Jan, die het eerst aanstalten maakte om op te stappen. Hij vond het allemaal een beetje te diepzinnig.

En ofschoon hij wel begreep wat Frits had bedoeld, was hij toch maar blij toen ze buiten stonden. Het hondje scheen hen uitgeleide te willen doen, door mee te lopen tot aan het hek.

Gezwind fietsten de jongens nu door, want het was inmiddels kwart over vijf geworden. Bij van Noort waren ze gelukkig vlug klaar. Een jonge vrouw hielp hen zonder veel omhaal en binnen weinig ogenblikken stevenden ze op het laatste adres af, de polderwerker. Om bij diens huisje te komen, moesten ze de fietsen aan de kant van de hier verharde weg leggen. Over een brede sloot, die langs de weg liep, gaf slechts een stel wrakke planken verbinding met de woning, die bovendien nog een vijfentwintig meter van de sloot verwijderd was. De jongens waagden het niet over de wankele overbrugging te fietsen door het gevaar dat ze met de wielen in één van de spleten terecht konden komen.

"Ik hoop dat je geen moeilijkheden krijgt bij het ontvangen van het geld," zei Jan nog.

"Geen nood," lachte Frits, "ik zal dat varkentje wel eens even wassen."

Een grote, slonzige vrouw kwam uit het schemerdonker van een schuur tevoorschijn, nadat Frits zijn roep had doen weerklinken door de bijkeuken.

"De schoenen van mijn man? O ja, dat is goed," zei ze. "Geef maar hier."

"Ik moet vijf gulden zeventig ontvangen, heeft vader gezegd," zei Frits, terwijl hij de schoenen nog in zijn handen hield.

"Zeg maar dat mijn man dat van de week wel even aan komt reiken," zei de vrouw, klaar staand om het schoeisel in ontvangst te nemen.

Was Frits alleen geweest, dan had hij waarschijnlijk niets gezegd en was zonder geld terug gegaan.

Maar nu hij Jan achter zich wist, die hem had gewaarschuwd, zette hij zich schrap en zei zo beleefd mogelijk: "Het spijt me erg, maar dan moet ik ze mee terug nemen. Bij een eerste reparatie moet ik altijd meteen geld ontvangen. Die opdracht heb ik mee gekregen van mijn vader."

"Dan zal je vader voor deze keer toch een uitzondering moeten maken, want mijn man beheert de portemonnaie," zei de vrouw, een beetje rood aanlopend.

"Misschien kan uw man dan van de week meteen de schoenen meenemen als hij het geld komt brengen," opperde Jan.

"Nee, dat kan hij niet, want hij moet ze morgen aan," snibde de vrouw. "Ik begrijp trouwens niet waar jij je mee bemoeit."

Frits overwoog snel. Jan had gelijk gehad met zijn bewering, dat stond nu wel vast. Er was grote kans dat hij hier nog ettelijke keren naar toe moest als hij niet voet bij stuk hield. Maar aan de andere kant begreep hij ook wel, dat het nu tot een scène zou komen als hij die dingen niet achter liet. En van dat geld had vader nog nooit iets gezegd om de eenvoudige reden dat er nog nooit moeilijkheden waren geweest. Langer dan een week had nog nooit een rekening uitgestaan bij de firma Hiddes en Zn. Maar dit hier was geen zuivere koffie; hij werd gewoon voor de gek gehouden en daarom......

"Dan zal ik ze toch weer mee terug moeten nemen," zei hij vastbesloten. "Ik kan er heus niets aan doen."

Nu gooide de vrouw het over een andere boeg, omdat ze wel zag dat Frits niet van plan was, toe te geven.

"Weet je wat je doet," zei ze, "wacht even tot de baas thuis komt, dan maakt die het wel in orde met je."

"Duurt dat lang denkt u?" vroeg Frits.

"O nee, hij kan ieder ogenblik binnen komen; hij is al laat vandaag."

De twee jongens keken elkaar even aan.

"Dat zullen we dan maar doen," zei Jan voor zijn makker, "als het niet te lang duurt tenminste."

"Kom dan maar even binnen, dan kunnen jullie even gaan zitten," zei vrouw Kingma.

"Als het u hetzelfde blijft wachten we wel even buiten," zei Frits. "Het is toch heerlijk weer."

Het idee, daar in dat kleine kamertje, waar een rinzige lucht uit kwam, te moeten wachten, lachte hen weinig toe.

"Zoals je wilt," zei het mens stuurs.

De jongens gingen languit in het gras liggen en kauwend op een sprietje, wachtten ze op de komst van Kingma. Frits lag de kansen af te wegen. Als die vent nu ook weigerde te betalen, moest hij de zaak wel op de spits drijven. En het was de vraag of die het wel zo gemakkelijk zou nemen als zijn vrouw. Ook Jan scheen de nabije toekomst niet zo rooskleurig in te zien, want hij lag met een bedenkelijk gezicht naar zijn schoenen te kijken.

Ze waren zo in gedachten verdiept, dat ze pas opschrokken toen een zware mannenstem hen vroeg: "Wat komen jullie hier doen?"

"We komen uw gerepareerde schoenen brengen," zei Frits opspringend. "Maar uw vrouw had geen geld, en daarom raadde ze ons aan, even op u te wachten."

"O, dat kom ik van de week wel even aanbrengen. Geef maar hier die dingen."

"Precies dezelfde woorden als zijn vrouw gebruikte," schoot het Frits door het hoofd.

Dat zinnetje hadden ze al zo vaak gezegd dat het klonk als een van buiten geleerd lesje. Nu wist hij wel zeker dat hij er goed aan deed zich niet af te laten schepen.

"Om dat te horen, hoefden we niet op u te wachten," zei hij brutaal. "Dat heeft uw vrouw ook al gezegd."

Even keek de man stomverbaasd naar de knaap, die hem dat zo maar in zijn gezicht zei. Maar dat veranderde snel.

Zijn gezicht stond nijdig toen hij zei: "Aan die praatjes van jou heb ik geen boodschap. Jij geeft mij die schoenen, en met dat geld komt het wel in orde, begrepen?"

Jan was de verstandigste. Hij pakte de schoenen, die Frits even in het gras had gelegd, onder zijn armen en trok langzaam af in de richting van de weg. Als het er op aan kwam wie het vlugste was, zij of de polderwerker met zijn baggerlaarzen, maakte hij zich geen enkele zorg.

Maar Frits probeerde het nog één keer.

"Als u me vijf gulden zeventig geeft, laat ik de schoenen hier, en anders zult u ze moeten komen halen," zei hij.

"Geef op die schoenen," beval de man. "Wie dacht jij eigenlijk wel voor te hebben, aap van een jongen!"

Vervolgens zette hij zijn fiets tegen het huisje aan en kwam dreigend op Frits af. Maar die had intussen Jan al zien scharrelen met het pakje achter zijn rug, terwijl hij zich steeds verder verwijderde. Er viel hier weinig meer te zeggen, begreep Frits. En onder geen beding was hij nu van plan om nog toe te geven. Ze moesten hier zo snel mogelijk weg zien te komen.

Voorzichtig zei hij: "Ja, als u zo begint, zal ik wel toe moeten geven."

"Dat is je geraden ook," zei de ander. "Waar heb je ze?"

"Achter op mijn fiets," loog Frits. "Ik zal ze wel halen."

Ze hadden geluk dat de vrouw binnen was gebleven, anders waren ze al verraden geweest. Die had immers gezien dat hij met de schoenen in zijn hand stond en ze zou bepaald haar mond niet hebben gehouden als ze dat leugentje had gehoord. Jan had inmiddels de aftocht al geblazen en stond op het wankele bruggetje. Frits liep hem achterna en had al spoedig zijn vriend ingehaald.

"Als hij lastig wordt, gaan die planken in het water," siste Frits kort.

De veronderstelling dat Kingma lastig zou worden, bleek inderdaad niet ongegrond. Toen hij die brutale knaap zo schielijk weg zag lopen, kreeg hij al het vermoeden dat er iets niet in orde was. Langzaam liep hij dan ook achter de vrienden aan, klaar om de achtervolging in te zetten. Het was voor de jongens nu zaak om snel te handelen. De beide fietsen lagen op elkaar, die van Jan onder. Eer hij dus in het zadel zat, was hij al ingehaald en dan was het leed niet te overzien. Zonder nog verder een woord te wisselen, begrepen de vrienden elkaar. Tegelijk pakten ze allebei een van de planken op en trokken die naar zich toe. Het waren de makkelijkste exemplaren, die aan de buitenkant lagen en nog niet zo ver in de aarde waren weg gezakt. Maar nu werd de situatie ook kritiek, want schreeuwend en tierend naderde hun belager. Nog twee planken moesten ze op lichten, wilden ze in veiligheid zijn. En die lagen beide stevig vast. Met zijn tweeën grepen ze er een vast en trokken uit alle macht. Met een plons schoof het ding aan een kant in het water. Maar nog slechts een paar meter scheidden Kingma van de laatste plank. Eén forse ruk....De plank gaf mee; hun plan was gelukt!

Bijna was Kingma in het water getuimeld, want hij stond juist op het punt de eerste stap op de plank te zetten. Maar gelukkig kon hij nog net bijtijds zijn vaart inhouden.

"Hebben!" riep Frits, en "De groeten aan uw vrouw!" zei Jan.

Terwijl de polderwerker vloekend op de grond bleef liggen aan de overkant van de sloot, pakten ze hun fietsen en stapten op, met het stellige voornemen zich hier niet weer te vertonen.

"Ziezo, dat feest hebben we dan gehad," zei Jan, terwijl hij zijn handen aan zijn broek afveegde.

"Als die vent ons in handen had gekregen, had hij ons tot appelmoes geslagen," zei Frits. "Brr, ik moet er niet aan denken."

"Wat zeg je nu tegen je vader?" vroeg Jan.

Frits haalde zijn schouders op.

"Precies zoals het is gegaan," zei hij. "Vader zal stellig goedkeuren, zoals we dat zaakje hebben afgehandeld. Ik vraag me veeleer af wat vader zal zeggen als die vent bij ons thuis komt!"

"Ik zal in ieder geval wel vertellen dat je je in het begin behoorlijk hebt gedragen," zei Jan.

"Merci," zei zijn makker.

Zijn stemming was grondig bedorven en een beetje bedrukt reden ze verder. Jan schoot nog wel een paar keer in de lach bij de gedachte aan de woedende man, maar het hinderde beide toch een beetje dat ze hun toevlucht hadden moeten nemen tot de noodmaatregel. En in zijn hart was Frits ook nog een klein beetje beangst voor de reactie van zijn vader. Als die maar begreep dat ze werkelijk niet anders hadden kunnen doen.

Het viel gelukkig allemaal erg mee. Er werd wel gevraagd hoe het kwam dat Frits zo laat was, maar toen hij het verhaal verteld had, lag vader bijna dubbel van het lachen.

"Nou, laat ie ze maar komen halen," zei hij, "hij kan van mij ook nog zijn vet krijgen!"

En opnieuw bulderde hij het uit.

"Jongen, hoe kwamen jullie op het idee? Die planken weg te halen, ik zie het in gedachten voor me!"

"Ja, we hadden weinig keus," zei Frits bescheiden. "Als we het niet gedaan hadden, was die man ons te lijf gegaan."

Alleen moeder keek een beetje zorgelijk.

"Als er maar geen narigheid van komt," zei ze. "Stel je voor dat zo'n ruwe kerel hier de boel een beetje op stelten komt zetten vanavond."

"Die zorg komen we ook wel weer overheen," zei vader. "En laten we nu maar eerst gaan eten want ik rammel van de honger."

Daarmee was de kwestie voorlopig van de baan en er werd niet meer over gesproken die avond.

Wel bleef het gezicht van moeder nog zorgelijk staan en vader schoot af en toe nog eens in de lach, terwijl hij in zichzelf mompelde: "Die knullen, hoe komen ze op het idee...."

Voor alle zekerheid controleerde hij echter die avond heel secuur, of de blinden voor de ramen wel goed waren afgesloten. Tenslotte kon je nooit weten waar zo'n nijdas toe in staat was.....!


 

HOOFDSTUK VI

De narigheid die moeder had voorzien, kwam inderdaad. Het gezin Hiddes wilde de volgende dag juist aan de avondmaaltijd gaan, toen ze voetstappen op het tuinpad hoorden.

Even later klonk een luide stem bij de zijdeur: "Vollek!"

Moeders gezicht betrok al, maar vader ging rustig naar de deur. De kamerdeur bleef op een kier staan, zodat ze binnen woord voor woord konden verstaan wat er besproken werd.

"Goeienavond Kingma," hoorden ze vader zeggen. "Wat kan ik voor je doen? O, wacht, je komt natuurlijk de schoenen halen."

"Ja, dat heb je goed geraden," zei Kingma, "maar ik kom nog meer doen. Ik zou graag willen weten of je die lieve zoon van je al een flinke aframmeling hebt gegeven!"

"Mijn zoon een aframmeling geven?" deed Hiddes verwonderd. "Welnee, ik zou niet weten waarom. Trouwens, ik ben niet gewoon om mijn kinderen te slaan! Als ze gestraft moeten worden heb ik daar wel andere manieren voor. Es even kijken, hier heb ik de schoenen. Dat is dan vijf gulden zeventig. Nieuwe hakken en zolen, zie je wel?"

Maar Kingma scheen niet te horen wat de ander zei.

"Als die lieverd van je nog geen pak slaag heeft gehad, wordt het tijd dat hij er een krijgt," zei hij. "En als je het zelf liever niet doet, wil ik het met alle plezier van je overnemen. Ik beloof je, dat hij er dan van kan lusten!"

"Nu moet je eens goed naar me luisteren Kingma," zei vader Hiddes resoluut. "Ik heb je al gezegd dat er in mijn huis niet geslagen wordt. Ik zeg je dit even, opdat we elkaar niet verkeerd begrijpen. Maar mocht het helemaal nodig zijn, dan ben ik daar zelf mans genoeg voor, dat kun je rustig van me aannemen."

"O, dus je denkt dat ik zo maar over mijn kant laat gaan wat die knul me gisteren heeft geleverd met die mooie vriend van hem? Een haartje had het gescheeld of ik had in het water gelegen door dat stelletje!"

"Ja, dat heb ik gehoord," zei Hiddes, en bijna was hij weer in lachen uitgebarsten, "maar daar zul je dan zelf wel aanleiding toe hebben gegeven. Als die jongens zo hun aftocht hebben moeten dekken, heb je ze bepaald niet vriendelijk ontvangen."

"Nee, dat haalt je de koekoek! Als dat stel met mijn schoenen aan komt zetten, mijn eigen schoenen, en ze willen die niet achter laten, omdat het me toevallig niet schikt de rekening te betalen, dan maak ik me kwaad!" zei de ander, zich steeds meer opwindend.

"Dat moet je anders vooral niet doen, want daar bereik je niets mee, dat blijkt al weer. Maar laten we er niet veel woorden aan verspillen. Betaal die reparatie nu even, dan geef ik je de schoenen mee. Daar is de hele affaire mee van de baan nietwaar?"

"Wil je zeggen, dat ik ze eerst moet betalen, voor ik die schoenen mee krijg?" vroeg Kingma.

"Ja, natuurlijk, wat dacht je dan? Die boodschap heb ik Frits gisteren ook al mee gegeven. Zo gaat het nu eenmaal met reparatiewerk. Als ik al mijn klanten krediet moest geven, kon ik mijn zaak wel sluiten man! En daar komt dan nog bij dat dit de eerste keer is dat ik werk voor je doe!"

Dat leek de druppel te zijn die de emmer deed overlopen.

"O, dus je vertrouwt me niet hè? En dan sta je me nog met een stalen gezicht voor de gek te houden ook!"

Maar nu was ook de maat bij Hiddes vol.

"Ik zal je eens wat vertellen Kingma," zei hij kort. "Als je hier komt om herrie te maken, ben je aan het verkeerde adres. Wat wil je; betalen en je schoenen meenemen? Of moet ik ze hier laten staan totdat het je wel gelegen komt? Let wel, je zult ze moet komen halen, want ik stuur de jongen niet voor de tweede keer naar je toe."

"Man, wat let me of ik neem die dingen mee, en je krijgt je geld helemaal niet!" brieste de woedende polderwerker. "Ga opzij, zodat ik ze weg pak!"

In de huiskamer konden de anderen de dreigende ondertoon in zijn stem duidelijk horen. Frits sprong van zijn stoel op. Hij had zich al die tijd zitten verbijten en wou nu zijn vader te hulp komen, als dat nodig mocht zijn. En juist stond hij op de drempel toen het onvermijdelijke gebeurde. Met één stap wilde Kingma de schoenmaker voorbij lopen om zijn voornemen uit te voeren. Maar die had het aan zien komen! Met een snelle greep had hij de ander bij een arm te pakken en draaide die om op zijn rug, zodat de kerel het uitschreeuwde van de pijn.

"En nou d'r uit!" zei Hiddes, kwaad maar nog altijd beheerst.

Toen de man zich wou verzetten, draaide hij de arm nog een klein stukje door, zodat die opnieuw begon te schreeuwen van pijn en woede. Maar hij moest nu wel terug, gedwongen door de ijzeren greep van Hiddes, die hem een paar seconden later de deur had uitgewerkt. Vervolgens grendelde die zorgvuldig, klopte zijn handen af en draaide zich met een grimmig gezicht naar zijn vrouw en zijn beide zoons.

"Ziezo, die weet waar hij aan toe is," zei hij. "Gaan jullie aan tafel, dan houd ik dat heerschap nog wat in de gaten. Als hij het al te bont maakt, bel ik de politie wel."

Zwijgend en met gezichten waarop verschillende gevoelens waren af te lezen, deden de anderen wat hij gezegd had. Moeder zat met een bleek weggetrokken gezicht op haar stoel. Frits daarentegen had een hoogrode kleur van trots. Ah, dat had vader even vakkundig afgewerkt! Tjonge, wat was die vent vlug de deur uitgewerkt!

Op Henks gezicht streden angst en trots om de voorrang en hij zag beurtelings rood en bleek.

Maar met dat al was Kingma nog niet weg! Als een getergde leeuw liep hij een paar keer op en neer voor en langs het huis, dreigend dat hij zijn recht wel zou weten te vinden.

Op de weg waren verschillende mensen blijven staan, en dat maakte hem steeds nijdiger, vooral toen er een riep: "Ga naar huis man, het is etenstijd!"

"Dat tuig," riep hij, "maar ik zal ze wel, ik zal ze.....!"

Wat hij zou bleef voorlopig verborgen, want op dat moment stapte de brede gestalte van een politieman tussen de mensen door en vroeg: "Wat is hier aan de hand?"

"Die vent daar binnen, die schoenmaker, die heeft me, die zal ik....." riep de woedende man.

"Als je nu eerst eens rustig vertelt wat er aan de hand is, kan ik er beter over oordelen," zei de man der wet.

"Wat er aan de hand is, vraagt ie! Wat er aan de hand is!"

"Ja, wat is er, heeft hij je geslagen soms?"

"Welja, ik laat me slaan!"

"Nee, daar zie je nu ook niet bepaald naar uit," moest de politieman toegeven. "Maar als er dan niets is gebeurd, zou ik nu maar rustig naar huis gaan, vind je ook niet?"

Besluiteloos stond Kingma even te draaien. Toen schoot hem iets door het hoofd.

"Heeft hij je soms opgebeld?" vroeg hij. "Is meneer soms een beetje bang geworden?"

"Ik weet niet over wie je het hebt; maar als je soms Hiddes bedoelt; nee, die heeft niet gebeld. Ik geloof, dat die zijn eigen boontjes wel kan doppen. Maar was daar dan aanleiding voor?"

"Nee, voor hem in ieder geval niet! Maar wacht maar, ik krijg hem wel, dat beloof ik hem!"

Nu begon de agent zijn geduld te verliezen.

"Hoor es," zei hij, "als je je nu wat duidelijker uitdrukt en ophoudt met je geschreeuw, wil ik naar je luisteren. Anders loop je door, of ik maak proces-verbaal op wegens het verstoren van de openbare orde. Goed begrepen?"

Een ogenblik aarzelde Kingma. Toen koos hij de verstandigste weg en beende tussen de omstanders door. In zichzelf mopperend verdween hij met zijn fiets, die ergens tegen een boom had gestaan.

Ook de mensen verspreidden zich nu, gissend naar de oorzaak van Kingma's opwinding en boosheid.

"Het zal wel gaan over een onbetaalde rekening of iets dergelijks," zei buurman Meier. "Die kerel staat overal in het krijt en Hiddes is lang niet makkelijk!"

"Zoiets zal 't wel wezen ja," zei de kruidenier die toevallig langs kwam met zijn karretje en belust was op een nieuwtje.

"Nou ja, laten wij ons er maar geen zorgen over maken," zei Meier weer. "Kom, ik ga eens naar binnen, want ik moet er nog op uit vanavond."

De enige, die direct zijn nieuwsgierigheid bevredigd wilde zien, was brigadier Van Oosten. Hij belde netjes aan de voordeur, die door de schoenmaker zelf werd opengedaan.

"Goeienavond Hiddes," zei Van Oosten, aan zijn pet tikkend. "Ik wilde eens vragen wat er eigenlijk aan de hand is geweest hier. Die Kingma stond me daar een taal uit te slaan en bedreigingen te uiten, dat een mens er bang van zou worden. Heb je ruzie met hem gehad?"

"Och, het sop is de kool niet waard," zei Hiddes ontwijkend. "Laat die man maar rustig zijn gang gaan. Die kwade bui van hem zal wel weer afzakken."

"Ja, maar er moet hier toch wel wat gepasseerd zijn," hield de ander aan. "Het is niet, dat ik wil stoken, maar er is alle aanleiding om een klacht in te dienen wegens belediging. Als je er prijs op stelt, maak ik er alsnog proces-verbaal van op."

"Dat zouden er dan twee kunnen worden, want hij heeft nog huisvredebreuk gepleegd ook," lachte Hiddes. "Maar laat hem maar in zijn vet gaar smoren. Ik heb alleen maar behoefte aan goede vrienden, niet aan kwade!"

En in het kort vertelde hij, wat er voorgevallen was. Hij verzweeg ook niet de aanleiding tot Kingma's boosheid. Toen Van Oosten het geval met de planken hoorde, trok zijn gezicht even uit de ambtelijke plooi en kon hij zijn lachen niet inhouden.

"Ja, het is een raar mannetje," zei hij toen hoofdschuddend. "Maar we zullen hem wel een beetje in de gaten houden. Hij heeft niet voor niets een slechte naam in het dorp; dat soort is tot malle dingen in staat."

"Het zal wel zo'n vaart niet lopen," lachte Hiddes. "Maar in elk geval word je bedankt voor de goede bedoeling!"

Daarmee was het gesprek afgelopen. De politieman dacht er echter het zijne van, al liet hij verder niets merken. Voorlopig was de rust weergekeerd. Maar voor de tweede keer sloot Hiddes die avond zéér zorgvuldig deuren en ramen, niettegenstaande zijn schijnbare zorgeloosheid.

Die avond kon Frits de slaap niet vatten. Om half tien was hij naar bed gegaan, maar de pendule in de huiskamer had juist half elf geslagen en nog had Klaas Vaak zich niet aangemeld. Of het kwam door het geval met de polderwerker? Hij wist het eigenlijk zelf niet, hoewel het hem maar slecht uit de gedachten wilde. Tenslotte was hij de directe oorzaak van alle herrie geweest. Als hij de schoenen had achter gelaten, was er niets aan de hand geweest. In het ergste geval had vader naar zijn geld kunnen fluiten en daar waren ze ook wel weer overheen gekomen.

Nu had moeder vanavond al minstens vier keer gezegd: "Als die man vannacht maar niet in komt breken man. Had het maar liever niet zo ver laten komen. Wie weet, misschien is hij wel zo eerlijk als goud en alleen maar vlug op zijn teentjes getrapt."

Maar ofschoon vader meestal nogal toeschietelijk was waar het zijn vrouw of de beide jongens betrof, was hij deze keer niet te vermurwen.

"Als die vent hier weer zo'n rel probeert te maken, pak ik hem eigenhandig in de kraag en breng hem naar de politie," zei hij kort, en daarmee was voor hem de kwestie afgedaan.

Maar de voorzorgsmaatregelen die hij had getroffen, gaven Frits te denken. Hij was zelf niet voor een klein geruchtje vervaard, maar het idee dat die kerel hier ongezien door het huis heen zou sluipen, bezorgde hem kippevel.

Voor de zoveelste keer draaide hij zich op zijn andere zij, een paar binnensmondse verwensingen slakend aan het adres van Henk, die naast hem lag en lichte snurkgeluiden liet horen.

Bing, bang, bing.... Bijna gelijktijdig begonnen de torenklok en de pendule aan hun elf slagen. Voor het eerst in zijn leven irriteerde hem dit mateloos. Hoe was het mogelijk dat hij het ooit een gezellig geluid had kunnen vinden!

Statig verstierf de laatste slag over het zwijgende dorp en Frits betrapte zich er op, dat hij nu al lag te wachten op de klokslag van half twaalf. Zou hij het licht aan doen en wat gaan lezen? Maar dan had je kans, dat Henk wakker werd, dus dat kon niet. Bovendien was het mogelijk, dat hij in slaap viel, zonder het licht uit te hebben gedaan. Weet je wat, hij ging er uit, een poosje voor het raam staan kijken. Gelukkig had vader hier boven de blinden niet voor de ramen gedaan. Zo kon hij meteen de boel een beetje in de gaten houden. Geruisloos schoof hij uit zijn bed en posteerde zich voor het raam. Ellebogen op de vensterbank, het hoofd in de handen, zo stond hij uit te kijken over de uitgestorven dorpsstraat. Vanuit zijn hoge uitkijkpost kon hij de hele dorpsstraat overzien tot aan de brug over het kanaal. De straatverlichting brandde volslagen nutteloos, want enig verkeer was er niet over heel die afstand. Een beetje rillend stond Frits afgunstig te wezen op iedereen die nu heerlijk lag te slapen. Maar toch voelde hij zijn oogleden nu ook zwaar worden. Nog even en dan dook hij er ook maar weer in, wellicht ging het nu beter..... Ja dat moest hij maar doen....Het werd nu toch werkelijk te koud hier.....

Bijna was Frits staande in slaap gevallen. Maar het blaffen van een hond, tamelijk dichtbij, deed hem opschrikken. Direct was hij klaarwakker. Zag hij daar niet een gestalte het zijstraatje inschieten bij het huis van de familie Maters? Scherp keek hij toe, maar er was niets verdachts meer te ontdekken. Ach, hij zag bepaald hersenschimmen door die vervelende affaire! Vooruit, hij ging er in. Dadelijk sukkelde hij weer in slaap!

Even geruisloos als hij zijn bed uitgekomen was, kroop hij weer tussen de warme dekens waar Henk zich even omdraaide, eens flink op zijn tanden knarste en vervolgens zijn gesnurk hervatte met de regelmaat van een goed geölied uurwerk. En ook Frits gleed weg in een lichte slaap....

Hoe lang hij geslapen had, kon hij niet vertellen maar langer dan een kwartier was het zeker niet. Want zo goed functioneerden zijn zintuigen nog, dat hij plotseling klaarwakker was van een geluid, dat van achter het huis scheen te komen. Scherp luisterend en met kloppend hart lag hij in het donker te staren. Hoor, hij kon zich niet meer vergissen, daar liep iemand buiten, om het huis heen!

Dan kwam er ineens een eigenaardige geur in zijn neus, de onmiskenbare lucht van een brandende lap of ander textiel! Met één sprong stond Frits naast zijn bed en schudde Henk wakker.

"Kom d'r uit," zei hij verbeten, "er is brand!"

En toen Henk tegen wilde stribbelen, gaf hij hem zo'n hevige duw dat zijn broer pardoes aan de andere kant het bed uitrolde. Toen was Henk ook klaarwakker en twee seconden later holden ze allebei de trap af.

"Wek jij vader en moeder!" schreeuwde Frits.

Maar dat bleek al niet meer nodig, want ook in de slaapkamer van hun ouders werd een schakelaar omgedraaid en hoorden ze moeders verschrikte stem zeggen: "Wordt wakker man; er is brand!"

Het vreemde was echter, dat niemand direct vlammen zag en toen werd het Frits plotseling duidelijk. De lucht van brandend textiel, vermengd met benzine of petroleum; dat was natuurlijk opzet!

Als een haas schoot hij naar buiten, de donkere duisternis in. Ja, nu zag hij ook vuur. Achter één der ruitjes van de werkplaats, die als een apart gebouwtje tegen het huis aan stond zag hij vlammen. Maar hij zag nog meer!

Op het ogenblik dat hij de deur opende, verscheen in het schijnsel van dat licht even heel duidelijk de gestalte van een man. Het volgende ogenblik was de figuur snel om de hoek verdwenen. Meteen wist Frits het zeker; het was de gestalte van Kingma, de polderwerker. Even stond hij besluiteloos. Wat moest hij doen? Dan, als in een reflex, schoot hij vooruit, de kerel achterna. Opzij van het huis kreeg hij hem weer in het vizier. Daar holde de man het tuinpad af in de richting van het hek. In het donker kon Frits nog onderscheiden, hoe hij over zijn schouder naar zijn achtervolger keek.

Dan aarzelde hij even, alsof hij zijn kansen overwoog. Zou hij....Maar nee, onmiddellijk zette hij de spurt er weer in. Niettegenstaande zijn schijnbare logheid sprong hij behendig over het hekje heen. Ondanks de spanning van het ogenblik verwonderde Frits zich even over het feit, dat hij het niet open had laten staan, als hij tenminste vanaf de straatweg het huis genaderd was. Maar twee tellen later volgde hij het voorbeeld van de ander al en met een sierlijke boog stond hij op het trottoir. Een scherp steentje bezorgde hem een stekende pijn onder zijn blote rechtervoet, maar zonder er op te letten zette hij zijn race voort. Hij had bijna alles voor, zijn leeftijd, zijn luchtige kleding en bovenal, zijn aanleg voor de sprint. En juist toen de ander een hoek om wilde slaan, ondernam Frits een laatste krachttoer. Hij sprong de brandstichter boven op zijn rug, zodat die zijn evenwicht verloor. Het volgende moment lagen de twee ongelijkwaardige tegenstanders over de stoep te rollen. De polderwerker sloeg en schopte als een razende, maar Frits gaf geen krimp. Luid om hulp schreeuwende trachtte hij stand te houden. Daar lag hij al onder. Even sloot Frits de ogen, toen hij zag hoe de ander zijn vuist ophief om hem een slag op het hoofd te geven.

Maar de hand kwam niet beneden! Een voor Frits onzichtbare hand trok zijn tegenstander omhoog en direct sprong Frits op. In het donker zag hij het schitteren van uniformknopen. Brigadier Van Oosten had Kimgma vast in een onontkoombare greep. Voor de tweede keer moest hij die dag in iemand zijn meerdere erkennen, waar het lichamelijk kracht betrof.

"Vooruit man," zei Van Oosten dreigend, "geen omslag meer, en netjes meelopen, goed begrepen?"

Eer Frits helemaal tot zich zelf gekomen was, stapte hij met zijn arrestant de donkere dorpsstraat in.

Even huiverde Frits. Hij wist niet, of hij blij moest zijn of medelijden moest hebben, toen hij het tweetal nakeek. Misschien wel het laatste. Daar liep die grote kerel nu mee, zelf overdonderd door de loop der gebeurtenissen, en nu zo gewillig als een schoothondje.

Dan haalde Frits de schouders op en liep op een holletje terug naar huis om te zien, of hij daar nog iets kon doen. Maar het was gelukkig al gebeurd. Waarschijnlijk had Kingma een ruitje ingeslagen en daarna lukraak een brandende lap naar binnen gegooid, gedrenkt in olie of benzine. De lap was terecht gekomen op vaders werktafel, waar wat reparatiewerk stond dat gedeeltelijk vlam had gevat. Een paar oude poetsdoeken waren ook gaan branden en hadden het doorgegeven aan een plank in de muur boven de tafel. Toen had Frits als eerste het onheil ontdekt. Het was een geluk dat de deuren tussen de werkplaats en de rest van het huis open hadden gestaan, wat anders niet de gewoonte was. Maar omdat de ruiten aan de voorkant gesloten waren geweest, hadden de jongens getracht op een andere wijze wat frisse lucht naar boven te krijgen.

Vanaf het moment dat Frits wakker was geworden tot aan het ogenblik dat alles afgelopen was, waren waarschijnlijk niet meer dan vijf minuten voorbij gegaan. Maar in zijn idee was dat meer dan een uur geweest!

Van verschillende kanten kwamen buren eens kijken wat er eigenlijk aan de hand was en Frits moest haarfijn vertellen hoe de zaak zich toegedragen had. Hij vertelde inderdaad alles, behalve wat hij gedacht had in die halve minuut, dat het gevecht had geduurd, hoe hij in angst de ogen gesloten had voor die grote, dreigende vuist....

De volgende dag werd er aan het huis van brigadier Van Oosten een grote kist sigaren afgegeven zonder vermelding van afzender.

Voor Van Oosten stond het vast, dat dat Hiddes moest zijn Maar niemand wist, dat Frits een diepe duik in zijn spaarpot had gedaan als dank voor de oplettendheid van de politieman.

HOOFDSTUK VII

Weer lagen de sloten en vaarten rondom het dorp bedekt met een dikke ijskorst. En zoveel hij kon, profiteerde Frits er van, meestal in gezelschap van Jan Derks. Flip Maters, hoewel ook een vriend waar de jongens anders altijd mee om gingen, trok zich in deze tijd een beetje terug. Hij kon het tempo van de anderen op geen stukken na meer bijhouden, en trouwens, hij probeerde het ook niet. Veel liever schaatste hij een stuk met Maartje Heinen, een buurmeisje. Boze tongen beweerden dat Flip een oogje op haar had. Maar Flip liet iedereen kletsen en had met Maartje en ook met andere meisjes de grootste pret.

"Ik heb er niet één oogje op, maar wel twee," maakte hij zich er altijd lachend vanaf.

Nee, Flip was bepaald geen sportman en daar wilde hij ook best voor uitkomen.

Frits en Jan daarentegen trachtten elkaar steeds de loef af te steken. In het begin van de winter moest Frits het regelmatig afleggen tegen zijn vriend, maar naarmate de tijd vorderde, werd het verschil steeds kleiner. Af en toe ging ook vader Hiddes nog wel eens mee voor het maken van een tocht in de omgeving. Dan stonden de twee knapen vaak verbaasd wat die met zijn veertig jaren nog uit de benen wist te halen en trachtten ze wat van hem te leren. Wat zij nog misten de volkomen beheersing van het lichaam, was echter een kwestie van routine en vader Hiddes wees hen daar dikwijls op.

"Jullie maken je nog wat te druk, je moet je krachten wat meer verdelen," zei hij wel eens als de knapen na een kilometer of tien stonden te hijgen en te blazen.

Maar als ze dan ergens in een dorpscafé opgeknapt waren door een warme kop chocola konden ze er weer tegen en vol goede moed werd de reis dan voortgezet. Vader Hiddes voorop met zijn lange, rustige slagen, de twee knapen er vlak achter. Doorgaans gelukte het in het begin vrij aardig het rhytme bij te houden, maar op den duur vervielen ze toch weer in de tamelijk korte, driftige slagen.

Dan keek Hiddes eens lachend over zijn schouder en riep: "Slag houden, dat hadden we toch afgesproken?"

Maar als de jongens het weer gingen proberen, lagen ze doorgaans binnen een paar minuten enkele tientallen meters achter. Pas als ze terug waren gekeerd in het dorp, kwam Hiddes los met zijn lofuitingen.

"Jullie hebt het toch maar weer knap bij gehouden," prees hij eens. "Je moest zaterdag eens meedoen aan de wedstrijd voor jongemannen!"

"Wedstrijd voor jongemannen?" vroeg Frits verbaasd. "Daar wist ik niets van."

"Ik hoorde het ook pas vanmorgen van de kruidenier, en die is doorgaans wel op de hoogte. Het zijn wedstrijden op de korte baan, 's morgens voor jongens tot en met zestien jaar, 's middags voor volwassenen. Dus als je er iets voor voelt?"

Of ze er iets voor voelden! Van puur enthousiasme sloegen de beide vrienden elkaar op de schouders.

"Dat gaan we eens proberen Frits!" zei Jan. "De oudsten die er bij zijn, kunnen hoogstens een jaar ouder zijn dan wij, dus we hebben een goede kans!"

"Ik ben er voor te porren, dat weet je wel," zei Frits. "We slaan vast geen gek figuur, is het wel vader?"

"Welnee, jullie draaien er je hand niet voor om," lachte die. "Trouwens, wat zou dat dan nog? Je leert er allicht iets van."

Terwijl vader Hiddes zijn schaatsen afbond, keerden de jongens zich om, teneinde nog wat te oefenen. Langer dan een half uur waren ze bezig met het aanleren van een snelle start.

"Is er eigenlijk nog iets te verdienen met die wedstrijd?" vroeg Jan.

"Weet ik niet," antwoordde Frits. "In ieder geval zal ik er voor vechten! En als ik wat win, gaat het in een apart potje."

"In een apart potje?" vroeg Jan nieuwsgierig.

"Voor mijn Noren," legde Frits uit. "Ik zal niet zeggen dat je hier niet goed op kunt rijden," en hij wees naar zijn Friese doorlopers, "maar je moet eens opletten, dat al die snelle knapen haast Noren aan de voeten hebben."

"Ja, 't zal wel zo zijn," zei Jan. "Ik heb die dingen nog nooit onder gehad. Maar wat anders zeg; waar en wanneer moet je je eigenlijk aanmelden voor die wedstrijd?"

"O, tijd zat! Die dingen kunnen ze toch nooit lang van te voren organiseren omdat ze nooit weten wat voor weer het wordt. We kunnen het straks vragen aan de kruidenier, die zal het wel weten."

"Zullen we dan nu nog een keer tot de brug en dan naar huis?"

"Top," zei Frits, "ik heb er voor vandaag ook wel genoeg van." "Maar officieel starten en dan zullen we nu toch eens zien wie van ons er het meeste van terecht brengt."

Het werd langzamerhand al stiller op het ijs en dus hadden de jongens geen last meer van kinderen, die plotseling vlak voor hen overstaken. Alleen nog wat volwassenen en jonge mannen reden rustig heen en weer.

Een van hen, de knecht van de wagenmaker, wilde wel fungeren als startmeester. Het was een nog jonge vent die zelf zijn mannetje wel stond en schik had in de beide knapen.

Toen hij hoorde dat het de voorbereiding voor een wedstrijd was, zei hij: "Daar doe ik aan mee! Weet je wat, ik geef voor jullie het startsein en als je goed en wel weg bent, kom ik je achterna. Die vijfentwintig meter geef ik je cadeau."

"Accoord," riepen de beide jongens tegelijk.

"Maar daar zul je een zware dobber aan hebben, Kees," voegde Jan er aan toe.

Illustratie op pagina 45Even later stonden de jongens op hun plaatsen, Kees Schipper, de wagenmakersknecht, in het midden.

"Op Uw plaatsen!" riep hij heel officieel. "Klaar....af!"

Als een pijl uit de boog schoten de jongens weg. Dat zouden ze toch eens zien! Ze zouden het die overmoedige wagenmaker in ieder geval niet gemakkelijk maken en eens proberen of ze hem niet op zijn nummer konden zetten.

Jan had de snelste start. Zeker twee meter was hij al uitgelopen op Frits, toen ze allebei op volle snelheid lagen. Maar Frits liet zich niet ontmoedigen. Als een razende sloeg hij zijn benen uit. Hoor, daar startte Kees Schippers ook, ze hoorden het krassen van zijn schaatsen. Die zou er natuurlijk een eer in stellen om zijn woorden waar te maken. Zeker wilde hij zich niet in de luren laten leggen door twee knapen die minstens een jaar of vijf jonger waren dan hij. Maar die jongens verzetten zich taai! De afstand van de ene brug naar de andere bedroeg ongeveer driehonderd meter. Tot op de helft lag Jan nog steeds voor, maar het verschil werd kleiner en kleiner.

Verschillende mensen aan de kant bleven staan kijken naar die verwoede strijd en er klonken hier en daar kreten van aanmoediging.

"Dat gaat hard daar," zei er een tegen de man die naast hem stond.

"Ja, dat belooft wat voor de toekomst," zei de ander. "Kijk die Kees spurten om ze in te halen!"

"Die heeft er warempel een hele kluif aan, en dat is toch echt niet de eerste de beste," hernam de ander.

In vliegende vaart gingen ze over het ijs. Een paar opgeschoten jongens probeerden nog mee te komen, maar ze hadden geen schijn van kans meer toen het drietal eenmaal op snelheid lag. Daar naderden ze de brug al, Frits en Jan practisch gelijk, hun gezamenlijke tegenstander bijna een meter achter zich. Gelijktijdig remden ze af. Er had beslist een scherp toeziende jury moeten zijn om te beslissen wie van hen nu precies als eerste aangekomen was.

"Zo, dat zat je niet glad, hè Kees," zei Jan, terwijl ze nog na stonden te hijgen van de snelle rit.

"Jullie krijgen van mij geen vijf meter meer cadeau," zei Kees eerlijk en dat was het beste compliment wat hij kon geven. "Ik dacht dat ik je vorig jaar nog zo had zien stuntelen Frits!"

"Ja, dat was vorig jaar, maar ik heb in die tijd niet stil gezeten," antwoordde die.

Kees floot nog eens bewonderend.

"Blijven oefenen," adviseerde hij toen deskundig, "dan kun je over een paar jaar mee doen in iedere wedstrijd!"

"Ik zal mijn best doen," zei Frits, onwillekeurig lachend om het vuur van de wagenmaker.

Maar toch streelde het zijn trots niet weinig dat de veel oudere Kees zo prijzend sprak over zijn prestaties. En even moest hij terug denken aan de middag waarop hij in de polder achter de boerderij van Douma in zijn eentje had gevochten tegen zichzelf. Hoe het maar niet wilde gelukken, hoe hij honderd keer was gevallen en weer opgestaan en het tenslotte bijna had opgegeven. En hij wist nu ook zeker dat het nog veel sneller zou gaan, gelijk Kees gezegd had.

Als hij maar eenmaal op de felbegeerde Noren stond!

"Nou Kees, bedankt voor de oefenrit," zei hij. "Ga je mee naar huis Jan?"

Langzaam nu reden ze weer terug en vijf minuten later stonden ze op de wal.

"Als we morgenmiddag nog even tijd hebben, zullen we hem nog eens raken," stelde Jan voor, en Frits stemde meteen toe.

Met die afspraak gingen ze ieder hun weegs.

De zaterdag was aangebroken, de dag waar vele jongens en ook volwassenen met spanning naar hadden uitgekeken. Frits had nauwelijks zijn ochtendboterhammen op toen Jan het tuinhek al open deed om zijn makker te halen.

"Die is ook niet te laat!" zei vader. "Het is net half negen geweest!"

"Nou, jij hebt ze anders zelf het hoofd op hol gebracht," zei moeder een beetje verwijtend. "Ik geloof dat ze voor het ijs hun eten laten staan als het moet."

"Zo erg is het ook weer niet hoor moeder," zei Frits vrolijk. "Ik lust heus mijn boterhammetje nog wel. Maar als Uw zoon straks een behoorlijke plaats haalt, is U toch ook wel een beetje trots op hem?"

"Ben je klaar Frits?" klonk de stem van Jan in de keukendeur.

"Ja, ik kom!" riep hij terug.

Nog even onderwierp hij zijn schaatsen aan een snelle inspectie, dan pakte bij vlug zijn jas en samen liepen de jongens het pad af, in de richting van de ijsbaan.

Het weer gedroeg zich haast buiten verwachting, er scheen een heerlijk winterzonnetje. Wind was er bijna niet en het vroor een graad of vijf, haast ideaal schaatsweer. 's Morgens hing er nog een lichte damp over de aarde, maar ook die verdween langzamerhand bijna geheel.

Vrijdagsavonds nog hadden Jan en Frits zich aangemeld als deelnemer, hoewel ze dat 's morgens op de baan ook nog hadden kunnen doen. Maar voor geen geld wilden ze te laat komen. Op sluitingstijd van de aanmelding reden zij al heen en weer op het ijs buiten de officiële baan. De dorpsbrandweer, die bijna nooit behoefde uit te rukken, had zich deze keer verdienstelijk gemaakt door een laagje water over het ijs te spuiten, die 's nachts weer was bevroren. Zodoende lag er nu een spiegelgladde ijsvlakte te wachten, zonder een krasje.

Het was nog tamelijk rustig op het ijs. Een paar leden van de ijsclub liepen heen en weer om de plaatsen van start en finish precies vast te stellen en duidelijk zichtbaar te maken. Aan het begin van de ijsbaan waren enige anderen bezig een klein, uitneembaar huisje neer te zetten dat moest dienen als het hoofdkwartier van de bestuursleden. Handig werden de schotten tegen elkaar geplaatst en binnen een half uur stond het ding overeind. Een van de onderwijzers der lagere school, meneer Smits, was voorzitter. Hij was zelf een verwoed schaatsliefhebber en stond ook bij andere takken van sport zijn mannetje.

"Zo jongens!" begroette hij de vrienden lachend. "Jullie schijnen er nog al zin in te hebben, dat je zo vroeg bent."

"U bent zelf anders ook niet een van de laatste meneer!" kaatste Frits terug.

"Harde plicht jongen," zei meneer Smits. "Je kent waarschijnlijk wel het gezegde van de luxe paarden en de werkpaarden? Wel, die luxe renpaardjes zijn jullie in dit geval en ik ben een van de werkpaarden!"

De vrienden lachten. Aan het gezicht van meneer Smits was wel te zien dat het nog al meeviel en dat hij het allemaal voor zijn genoegen deed.

"Wat is er eigenlijk te verdienen voor de renpaarden meneer?" vroeg Jan.

"Ambtsgeheim," zei de onderwijzer, maar de jongens lieten zich zo niet afschepen en bleven aanhouden.

"Als jullie er niet verder over spreken, wil ik het je vertellen," zei meneer Smits tenslotte. "Er zijn zes prijzen beschikbaar gesteld; de eerste prijs bestaat uit een paar originele Noorse schaatsen, de tweede een paar Friese doorlopers en de rest een vulpen en andere gebruiksvoorwerpen."

Na die woorden liep hij door om links en rechts aanwijzingen te geven bij de voorbereidingen.

De knapen sloegen elkaar enthousiast op de schouders en beloofden elkaar voor de zoveelste keer dat ze zouden vechten voor wat ze waard waren. Frits zag zich in gedachten al van de ijsbaan gaan als de bezitter van een paar fonkelnieuwe Noren, zijn droombeeld.

"Maar we zijn er nog niet," zei hij voorzichtig, toen Jan de prijzen in gedachten al verdeeld had. "Je zult zien dat er heel wat jongens aan de start komen."

"We zullen zien," zei Jan luchtig. "Als we maar een beetje geluk hebben met de loting moet het al vreemd lopen, willen we niet bij de laatste vier zijn."

"Kom mee, dan rijden we nog een stukje om," sneed Frits de wilde fantasieën van zijn makker af. "Ik ben stijf en koud geworden van het rondhangen."

Zwijgend, ieder met zijn eigen gedachten over de komende wedstrijd, reden ze rustig wat rond. Ze zagen niet dat meneer Smits hen na stond te kijken toen ze daar, de handen losjes langs het lichaam zwaaiend, over de ijsbaan gleden.

"Dat zijn een paar kanshebbers, wat ik U vertel," zei hij tegen een mede-bestuurslid.

" 't Zou best kunnen," antwoordde die. "Is die één niet een zoon van schoenmaker Hiddes?"

En toen meneer Smits bevestigend antwoordde vervolgde hij: "Ik dacht dat die jongen pas voor een paar jaar terug helemaal genezen was van zijn ziekte. Dan heeft hij toch al die jaren niets aan sport kunnen doen?"

"Een bewijs temeer, dat hij aanleg heeft. Let eens op mijn woorden, van die knaap zullen we nog meer horen! Daar zit een klasserijder in!"

"Heel goed mogelijk," antwoordde de ander, en daarmee was de discussie afgelopen.

Het werd langzamerhand druk rond de uitgezette banen. Het liep tegen half tien, de sluitingstijd voor de aanmelding en voor het bestuurshuisje stonden nog verschillende jongens die zich op het laatste moment lieten inschrijven als deelnemer. Nog een uur lang moest er echter geduld geoefend worden alvorens de favorieten op elkaar los werden gelaten. Na wat de knapen een eindeloze tijd scheen werden ze dan toch via de luidsprekerinstallatie opgeroepen en werd de uitslag van de loting voor de eerste ronde bekend gemaakt. Frits en Jan lootten beiden vrij gunstig. Van de veertien ritten die er gereden werden waren ze allebei bij de laatste vijf, maar wat belangrijker was, hun tegenstanders stonden bekend als niet al te sterke rijders.

"De tweede ronde hebben we al in onze zak," lachte Jan. "En voorlopig gaan we eerst eens kijken, wat de anderen er van terecht brengen."

Ook Frits was optimistisch gestemd toen de omroeper alle namen had afgeroepen. Voor zo ver hij het kon beoordelen, waren er eigenlijk maar een stuk of zes serieuze candidaten voor een ereplaats. Het zou er dus helemaal van afhangen, of ze het een beetje troffen met hun tegenstanders in de volgende ronden. Moesten ze in een van de eerste ritten tegen een sterke rijder uitkomen, bijvoorbeeld tegen elkaar, dan vielen er misschien slachtoffers en bestond de kans dat een van hen al spoedig uitgeschakeld zou zijn. Maar anders bestond er goede hoop dat ze voorlopig stand konden houden. Klokslag half elf riep meneer Smits de eerste twee rijders aan de start en snel volgden de ritten elkaar op. Er was voorhands nog weinig spannends te beleven. De enige verrassing was dat Rein van Dalen, een der grootste deelnemers, direct uitgeschakeld werd door een heel klein kereltje, dat sinds kort in het dorp woonde en dat niemand eigenlijk kende. Maar iedereen beschouwde het als zuiver toeval en schreef het toe aan een slechte dag van Rein. Frits en Jan wonnen hun eerste ritten met gemak. Slechts vijf minuten werd er gepauzeerd na de eerste ronde; toen werden de eerste twee al weer aan de start geroepen. Direct kwam er al wat meer spanning in. Het kleine kereltje, dat naar de naam Bob van Hoef bleek te luisteren, kwam in het veld. Zijn tegenstander was weer een stuk groter dan hij, maar dat scheen hem niet in het minst te imponeren. Heel parmantig doch tegelijk rustig, zette hij zich schrap voor de afzet en precies gelijk met de ander stoof hij weg. Met een voor zijn kleine gestalte ongelofelijke snelheid schoot hij vooruit.

Langs de kanten gingen de mensen er eens recht voor staan. Zo op het oog scheen het mannetje nu wel al zijn krachten in te moeten spannen om gelijk te blijven met zijn rivaal want hij liep geen decimeter uit. Totdat ze de finish op enige tientallen meters genaderd waren! Toen legde Bob van Hoef er nog een schepje bovenop, zijn benen bewogen zich als razenden over het ijs en in enkele seconden had hij meters voorsprong genomen. Die voorsprong gaf hij niet meer weg en als overwinnaar gleed hij over de eindstreep. Een verdiend applaus was zijn beloning en de jongens keken met bewondering naar de vrijwel onbekende nieuweling.

Vervolgens kwam een door Frits en Jan geduchte rijder aan de lijn. Het was Daan de Jong, een athletisch gebouwde knaap die aan alle takken van sport deed en overal een kei in was. Dat hij ook in schaatsenrijden een uitblinker was, bleek zonneklaar. Had de eerste rit in de tweede serie een behoorlijke dosis spanning opgeleverd, deze was al na dertig meter beslist. Zijn tegenstander kreeg geen schijn van kans al hield hij dapper vol tot het voor hem bittere einde.

De vrees van Frits en Jan, dat ze wellicht tegen elkaar zouden moeten rijden, waardoor in elk geval een van beiden uitgeschakeld werd, bleek voorlopig nog steeds zonder grond. Allebei brachten ze hun rit tot een goed einde en drongen ze door tot de kwartfinale.

"Het gaat fijn hè!" zei Jan met schitterende ogen tegen zijn makker.

"Ja, maar het zal nu wel zwaar worden," gaf Frits te kennen.

"Ja, dat begrijp ik," zei Jan.

Hij lachte eens overmoedig en dat werkte toch een beetje opwekkend voor Frits. Zijn makker scheen de uitslag nog al optimistisch tegemoet te zien, waarom zou hij zich dan zorgen maken. Tenslotte waren zij beiden van ongeveer dezelfde kracht.

"Even zien, hoe de loting voor de volgende ronde is afgelopen, ga je mee?" vroeg Jan.

Samen reden ze naar het hokje, waar de wedstrijdleiding zetelde.

"Zo jongens, hoe gaat het?" hoorden ze daar een bekende stem vragen.

Het was vader Hiddes, die eens kwam kijken naar de prestaties van zijn oudste zoon. En daar achter hem stond warempel ook moeder , die in druk gesprek was met mevrouw Derks. Toen ze even goed rond keken, zagen ze trouwens veel meer bekenden, waaronder ook Flip. Hij had zich natuurlijk niet opgegeven als deelnemer, maar kwam nu zijn vrienden even aanmoedigen, zoals hij zei.

"Gaat het nog al naar je zin?" vroeg vader Hiddes aan zijn zoon en hij gaf er een knipoogje bij.

Hij had aan het gezicht van de jongens al gezien, dat ze allebei nog kans hadden op een plaats onder de sterksten.

"We zitten er allebei nog in," zei Jan, "en het is een flinke jongen die ons er nog uit krijgt, wat jij Frits!"

"Nou nou, zo zeker voel ik me nu ook weer niet," lachte die. "Maar we zullen onze huid in elk geval duur verkopen!"

En weg was het tweetal weer, terwijl de anderen een goed plaatsje opzochten aan de kant van de baan. Er waren nu slechts nog drie ritten te rijden. Ze waren nog met zeven jongens, waarvan er een had vrij geloot. Met een zucht van verlichting hoorden Jan en Frits de uitslag. Nog steeds hoefden ze elkaar niet te bevechten. Weer werd het eerste paar aan de start geroepen. Het waren Daan de Jong en Bob van Hoef. Ofschoon iedereen er nu wel van doordrongen was dat er met dat kleine kereltje niet viel te spotten, werd toch algemeen Daan als favoriet beschouwd. Maar het liep anders!

Een beetje autoritair keek Daan de Jong naar het kleine knaapje, dat heel rustig stond te wachten op het startsein.

Daar klonk het bekende: "Klaar....af!"

Een fractie van een seconde was Daan eerder weg dan de ander en dat leverde hem meteen een voorsprong op van ongeveer een meter. Met rappe slagen wist de ander hem echter bij te houden, zonder overigens iets van zijn achterstand af te knabbelen. Gespannen volgden de toeschouwers de strijd. Toen er driekwart van de afstand was afgelegd en Daan algemeen als winnaar werd aangezien, gebeurde het schijnbaar onmogelijke. Plotseling schoot de kleine Bob naar voren en eer het tot Daan de Jong doordrong wat er precies gebeurde, zag hij de kleine gestalte langs zich heen schieten. Twee, drie meter liep hij uit, en wat Daan ook probeerde, hij kreeg geen schijn van kans meer.

Er ging een gemompel langs de lijn, dat aangroeide tot een hartelijk gejuich, maar zonder zich ergens iets van aan te trekken reed het kleine kereltje op zijn gemak weg en ging bij een consumptietentje iets gebruiken.

Ook Frits en Jan slaagden er zowaar in, door te dringen tot de laatste vier, zij het dan dat Jan er de grootste inspanning voor moest leveren. Slechts een fractie van een seconde eerder dan de jongen tegen wie hij reed, gleed hij door de finish. Frits had natuurlijk ook wel moeite moeten doen om voor te komen, maar de stimulans, die het toekijken van zijn ouders en zijn broer voor hem betekende, deed hem zijn allerbeste beentje voorzetten. Overtuigend won hij dan ook zijn race. Nog vier man dus. Naast Bob van Hoef, Frits en Jan was dat Jan Koster, een lange knaap, die vandaag buiten zijn gewone vorm uit scheen te groeien en tot nu toe niemand een schijn van kans had gegeven.

Wat tenslotte een keer onvermijdelijk was, gebeurde in deze ronde: Jan en Frits moesten tegen elkaar uitkomen.

"Ja, dat zit er in," zei Hiddes, toen de jongens het hem kwamen vertellen. "Als jullie vooral maar goed voor ogen houden, dat het sport is en elkaar straks niet met scheve gezichten aan gaat kijken."

"Hoe komt U daarbij!" klonk het uit twee monden tegelijk.

Flip, die er ook bij stond, maakte er een ernstige zaak van en liet de knapen op handslag beloven, dat ze sportieve rivalen zouden blijven, ongeacht de uitslag van de strijd. Bob van Hoef wist door te dringen tot de finale na een spannende rit tegen zijn ruim een hoofd grotere tegenstander. En toen was het de beurt aan de twee vrienden. Nu toch een beetje zenuwachtig stonden ze aan de streep. En of het kwam door die zenuwen, viel achteraf moeilijk te constateren, maar op de helft van de baan, ze lagen vlak naast elkaar, kwam Jan te vallen. Nu kon Frits metterdaad zijn sportiviteit bewijzen. Onmiddellijk remde hij af en toen zijn makker weer op de benen stond, reden ze samen terug naar de startstreep. Een applausje beloonde zijn gebaar.

Als een pijl uit de boog vlogen de jongens even later weer weg. Maar Jan scheen toch iets van zijn zelfvertrouwen kwijt te zijn, want ondanks de aanmoedigingen van het publiek slaagde hij er niet in, naast Frits te blijven en met een paar meter voorsprong werd die tot overwinnaar uitgeroepen.

En toen kwam het grote moment: de finale!

Onverstoorbaar de kleine Bob, met een beetje strak gezicht Frits, zo stonden die twee tien minuten later klaar voor de eindstrijd.

Meneer Smits gaf ze allebei een klapje op de schouder.

"Doe je best, jongens!"

Ergens uit het publiek schalde plotseling de stem van Flip boven alles uit: "Zet hem op Frits! Laat zien dat ik het je goed heb geleerd!"

Ondanks zijn zenuwen moest Frits even lachen. Eigenlijk had die dikkerd nog een beetje gelijk ook! Tenslotte was Flip een van degenen geweest die hem vertrouwd hadden gemaakt met het ijs, al overtrof de leerling dan nu wel verre zijn meester. Meneer Smits hief zijn vlaggetje en even werd het stil langs de baan.

Dan klonk voor de laatste keer: "Klaar.......af!"

Alsof ze werden weggeschoten uit een katapult, zo stoven de beide knapen vooruit. Onmiddellijk was het nu gedaan met de stilte onder de toeschouwers. Luidkeels werden ze aangemoedigd tot zo groot mogelijke krachtsinspanning. De voorkeur onder het publiek was verdeeld. De kleine Bob had veel sympathie gewonnen door zijn parmantig optreden en de onverstoorbare manier waarop hij zijn ritten steeds tot een goed einde had gebracht. Maar ook bijna iedereen wist, hoe snel Frits zijn vorderingen had gemaakt door ijzeren wilskracht en doorzettingsvermogen en daarom kreeg hij zeker niet het minste deel van de aanmoedigingen. Overigens deed het de twee niet zo veel op dat ogenblik. Frits had de tactiek van zijn tegenstander tijdens de voorgaande series gadegeslagen. Enige keren al had die gewacht tot op de helft van de baan alvorens toe te slaan en zijn tegenstander te overrompelen. Frits had zich voorgenomen, hem nu met zijn eigen wapen te bestrijden. Ongeveer op het midden barstte hij los. Had hij zich al direct danig moeten weren, zijn eindsprint was zo mogelijk nog feller. Hij bleek slechts een seconde vlugger te zijn met zijn uitlooppoging dan Bob, want direct spurtte die ook alsof zijn leven er van af hing. Anderhalve meter was Frits uitgelopen en hij voelde dat hij alles op alles zou moeten zetten om die voorsprong te behouden. Met beide armen zwaaiend langs het lichaam stormden ze op hun einddoel af. Even werd Frits nog bedreigd, maar met iedere vezel in zich gespannen slaagde hij er in, van zijn oorspronkelijke voorsprong nog een meter te behouden. Bijna gelijktijdig met hem finishte ook Bob, maar er behoefde niet over te worden gediscussiëerd wie deze race had gewonnen.

Bob en Jan Derks waren de eersten die de overwinnaar feliciteerden.

Jan sloeg hem zo hard op de schouders dat hij haast ondersteboven ging en herhaalde tot drie keer toe: "Dat was verbazend goed zeg; sjonge sjonge wat was dat goed! Zie je nou wel!"

En toen kwamen ook moeder, vader en de anderen Frits geluk wensen met zijn eerste overwinning. Want dat er nog meer zouden volgen, stond voor iedereen als een paal boven water!

HOOFDSTUK VIII

De profeten kregen gelijk, het bleef niet bij die ene overwinning van Frits. Er moest wel een heel jaar over heen gaan overigens, want de volgende dag, de dag na de wedstrijd, viel de dooi in en dat betekende meteen het einde van de winter.

Gedurende het voorjaar en de zomer haalden de jongens hun hart weer op aan andere sporten zoals gymnastiek, zwemmen en voetbal. De schaatsen, die Frits had gewonnen, deden dus voorlopig geen dienst en al speet hem dat natuurlijk wel een beetje, hij was stellig van plan om ze nog vele keren te gebruiken.

Het contact met Jan en Flip raakte nu een beetje in de verdrukking, want na de grote vacantie ging hij naar het gymnasium in de stad. Flip ging naar de H.B.S., Jan Derks deed met goed gevolg toelatingsexamen voor de M.T.S. en zo zwermden de vrienden uit naar verschillende richtingen. Alleen de zondagen gingen ze nog veel met elkaar om.

Wel had Frits er een nieuwe vriend bij gekregen. Bob van Hoef ging met hem naar dezelfde school en door hun sportieve strijd op de schaatsen van die winter hadden die twee zich direct tot elkaar aangetrokken gevoeld, vooral doordat ze nu allebei op een voor hen vreemde school terecht kwamen. Vooral voor Bob vergde die eerste tijd veel van zijn aanpassingsvermogen. Hij was een geboren Rotterdammer, die door overplaatsing van zijn vader plotseling op het platteland terecht kwam. Gelukkig was dat aanpassingsvermogen in ruime mate aanwezig bij hem en zo voelde hij zich al spoedig volkomen op zijn gemak. Door de week trokken die twee, Bob en Frits dus veel met elkaar op, terwijl zondags de club veelal werd uitgebreid tot vier man. Dan huurden ze vaak een boot en brachten de dag door op het water, dat op een niet zo grote afstand van het dorp volop te vinden was.

Het werk was dan meestal wel voor Frits, Jan en Bob. Flip was meer de genieter die doorgaans languit in het zonnetje ging liggen, meestal tot vermaak, soms ook wel eens tot ergernis van de anderen. Bijna was die luiheid hen eens noodlottig geworden. Het was op een heerlijke zondag met prachtig zeilweer. Er stond een flinke bries en om stil te zitten midden op het water, alleen gekleed in bloes en short, daarvoor was het eigenlijk te koud. Althans in de wind! Handige Flip wist er echter wel raad op. Languit ging hij op de bodem van het zeiljacht liggen en ofschoon de anderen hem al een paar keren hadden gevraagd een ander plaatsje te zoeken bleef hij heerlijk liggen. Als ze overstag gingen en de wind van de andere kant in het zeil blies rolde Flip rustig van de ene naar de andere kant van de boot, maar het scheen hem niet in het minst te deren.

Plotseling gebeurde er echter iets wat hem noodgedwongen tot actie bracht. Een racebootje scheerde rakelings langs hen heen en veroorzaakte een hevige deining. Hoe het verder precies gebeurde wist niemand later te verklaren. Waarschijnlijk doordat hij gehinderd werd in zijn bewegingen liet Jan, die op dat ogenblik juist het touw van het grootzeil in zijn handen had, dit schieten. Een seconde later maakte de boot slagzij, een enorme golf, veroorzaakt door de speedboot, stroomde naar binnen en direct daarop lag het viertal in het water. Bob, Frits en Jan hadden het aan zien komen en reageerden meteen op de juiste wijze. Maar voor Flip kwam alles als een volslagen verrassing. Pas toen hij de watermassa over zich heen voelde komen, realiseerde hij zich dat de capriolen welke de boot maakte, verre van gewoon waren. Nog net op tijd kon hij zich los maken uit de wirwar van touw waarin hij bijna verstrikt was geraakt. Gelukkig was het tamelijk druk op het meer en even later werden ze alle vier opgepikt door een passerend motorjacht. Ook de zeilboot kon gered worden. Slechts enkele kledingstukken, die er los in lagen, gingen verloren. Het werd zelfs een rechtszaak, want iemand kende de bestuurder van de raceboot die zich overigens van alles niets had aangetrokken; of nergens iets van had gemerkt zoals hij zelf beweerde. Het draaide uit op een flinke boete voor hem wegens onvoorzichtig varen. Vanaf die tijd werd Flip echter actief zeiler en wachtte hij zich wel, zijn vrienden weer in de weg te gaan liggen alsof de hele boot alleen voor hem ter beschikking stond.

Zo verliep de zomer en weldra deed de winter alweer haar intrede. De eerste die zijn schaatsen voor de dag haalde, was Frits. Popelend als een kind voor een etalage met snoepgoed, zo stond hij iedere morgen voor het raam te kijken of het al gevroren had. Veel bruikbaar ijs leverde die winter niet. De weinige dagen dat er geschaatst kon worden, lieten Bob, Jan en Frits zich echter niet ontgaan. En in dat jaar bleek zonneklaar dat Frits zijn vrienden verre de baas was. Iedere minuut die hij vrij had, bracht hij dan ook door op het ijs, en steeds krachtiger en zekerder werden zijn slagen, steeds feller zijn sprint. Precies tien dagen ijs bracht dat seizoen, genoeg voor de jonge Hiddes om te weten wat hij wou bereiken in de schaatssport. De eerstvolgende keer, dat er weer een tocht zou worden georganiseerd was hij van de partij, dat stond vast!

Dat kwam pas twee jaar later. Frits was nu zeventien geworden, een ware athleet. Hij was niet overdreven groot en fors, maar heel zijn houding wees op een sportieve body. En de eerste tocht, die uitgeschreven werd, was voor hem! Het was wel geen Elfstedentocht, maar toch een rit over ruim veertig kilometer. Er deden geen cracks mee die een grote naam hadden, doch de tegenstand was zeker niet te onderschatten. Samen met vijf andere rijders eindigde Frits in zijn eerste grote wedstrijd op de eerste plaats. En nog een jaar later waren de rollen omgedraaid wat betrof de grote wedstrijd van vader Hiddes, de Elfstedentocht. Toen was hij het geweest die het werk op had geknapt en was Frits toeschouwer. Nu reed Frits vader langs de kant mee om de verrichtingen van zijn zoon gade te slaan. En hij behoefde zich niet te schamen voor diens prestaties. Als achtste man passeerde Frits de eindstreep na een tocht onder moeilijke omstandigheden. En hij voelde dat hij nog lang niet het uiterste van zijn krachten had gevergd! Hij had zich echter in het begin een beetje te veel gespaard en de achterstand die hij daardoor opliep was later niet meer goed te maken.

En weer verliep er een jaar. In die tijd had Frits weinig gelegenheid om aan sport te denken. Hij zat overdag op een handelskantoor en 's avonds studeerde hij nog vaak voor verschillende diploma's. Van zijn spaargeld had hij een bromfiets gekocht en daarmee reed hij elke dag naar de stad, een klein half uurtje. Het dorp zelf bood te weinig perspectief voor een ondernemende knaap en dus moest hij het noodgedwongen wel verderop zoeken. Hij had er een matig betaalde baan gevonden, maar één met goede perspectieven en een chef waar hij uitstekend mee overweg kon. Daar zou hij later profijt van trekken, want tot grote verrassing van Frits bleek hij een man van invloed te zijn bij verschillende sportbonden. En hij was het dan ook, door wiens directe toedoen Frits zijn grote kans kreeg, uitzending met de kernploeg van de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond naar Hamar! Dat betekende dat Frits daar zes weken de tijd zou krijgen om elke dag te oefenen onder bekwame leiding. Zijn chef had hem eens zien rijden in een wedstrijd met plaatselijke grootheden. Met groot vertoon van macht was Frits overwinnaar geworden en na afloop van de wedstrijd kwam zijn werkgever op hem toegestapt om hem te feliciteren.

"Wij moeten morgen eens rustig praten," zei hij.

"Waarover meneer?" vroeg Frits verwonderd.

"Jij hebt meer in je mars dan het winnen van dit soort wedstrijden," zei de ander. "En als het aan mij ligt, zullen we dat er ook wel uit weten te halen."

"Graag meneer," zei Frits, terwijl hij een hoogrode kleur kreeg.

Wat precies de bedoeling was, kon hij op dat moment nog niet bevroeden, maar hij wist langzamerhand wel dat zijn chef geen praatjesmaker was. De volgende morgen had die hem uitgelegd wat hij van plan was. Dat jaar zou er niets meer van komen; de training in Hamar was al in volle gang, maar nu al wilde hij weten hoe Frits er over dacht als hij in contact werd gebracht met de officials van de schaatsbond.

Zo mogelijk nog roder en een beetje hakkelend van opwinding zei Frits: "Dat zou enorm zijn, meneer Lammers!"

De idealen die hij voor jaren terug had gekoesterd waren de laatste tijd een beetje vervaagd door zijn werk, maar nu kwamen ze in volle kracht weer naar boven en dankbaar greep hij de hand van zijn chef.

"Ja ja, al goed," lachte die. "Maak je nog niet direct blij, want zelf heb ik daarin niets te vertellen. Het enige wat ik voor je kan doen is de heren van het bestuur op je te wijzen. De beoordeling van de prestaties zijn tenslotte doorslaggevend voor een eventuele uitzending!"

"Dat begrijp ik volkomen," zei Frits. "Maar ik zal er voor vechten, dat beloof ik U!"

"Dan zullen we het hier voorlopig maar bij laten," zei de ander.

Hij had plezier in de jonge sportman, waarvan hij had gehoord hoe hij in zijn jeugd gehandicapt was geweest wat zijn lichamelijke conditie betrof. Voorlopig sprak Frits er nog met niemand over. Het zou gemakkelijk op grootspraak lijken en tenslotte was nog helemaal niet zeker, dat het inderdaad door zou gaan. Hoewel hij daar diep in zijn hart van overtuigd was! Maar zelfs tegenover zijn ouders repte hij er met geen woord over. De enige uitzondering die hij maakte, was voor zijn broer Henk. Die was inmiddels uitgegroeid tot een flinke jonge knaap. Hij werkte ook al voor het tweede jaar bij een baas, al was hij dichter bij huis gebleven. De hele dag assisteerde hij namelijk zijn vader in de schoenmakerij. Hij had heel andere liefhebberijen dan zijn oudere broer, maar voelde toch wel terdege mee in diens hobby. Voor zo ver men tenminste kon spreken van hobby, want Frits was er bepaald niet de man naar om er enig ander ding voor te verwaarlozen.

Aan een paar wedstrijden nam hij dat seizoen nog deel. Zonder het te weten werd hij daarbij gadegeslagen door de coach van de schaatsbond, die zijn verrichtingen met belangstelling volgde. En toen stond zijn uitzending wel vast! In het daarop volgende najaar kreeg Frits een officieel schrijven gestuurd met daarin vervat de uitnodiging tot deelneming aan de training in Noorwegen. Een paar dagen later zat hij op het bondskantoor, tezamen met nog enkele aspirant-candidaten. Een paar uur duurde het gesprek dat hij daar had. Of eigenlijk was het geen gesprek te noemen, meer het leggen van contact tussen hem en de anderen, met wie hij samen zo lange tijd moest om gaan. Toen was de zaak in kannen en kruiken. Over vier weken zou de hele kernploeg in het vliegtuig stappen en op kosten van de bond een tijdlang doorbrengen in een van de meest ideale oorden, die er bestonden voor beoefenaren van het schaatsenrijden, Hamar!

HOOFDSTUK IX

Daverend sloeg een der motoren aan van het K.L.M toestel, even later gevolgd door de tweede. De veiligheidsriem losjes om zijn middel, zat Frits nieuwsgierig naar buiten te kijken. Het was een gezellige drukte op het grote platform van Schiphol. Allerhande wagentjes schoten schijnbaar doelloos dooreen en bijna allemaal schenen ze zich plotseling vast te klemmen aan de grote romp van een der vliegtuigen die gereed stonden om te starten of pas teruggekeerd waren uit verre, vreemde landen. Op het dakterras van het stationsgebouw stonden vele mensen hartelijk te zwaaien naar vertrekkende familieleden of kennissen.

Langzaam zette de "Convair" zich in beweging in de richting van een der startbanen. Daar aangekomen liet de gezagvoerder beide motoren nog even op volle toeren draaien; kennelijk een laatste inspectie van de instrumenten. Opnieuw taxide de machine een eind over de begane grond, maar nu met steeds grotere snelheid. Links en rechts vloog het landschap aan de raampjes voorbij, dan raakten ze bijna onmerkbaar los van de grond. Priemend boorde het toestel zich de lucht in, hoger en hoger.

Hevig kauwend trachtte Frits het suizende gevoel in zijn oren te overwinnen door steeds weer te slikken. Al spoedig gelukte hem dat en was hij vol aandacht voor de plattegrond die zich beneden hem uitstrekte. Met een grote boog vlogen ze over Amsterdam en kozen vervolgens definitief een Noordelijke richting. Vanaf zijn plaats bij het raampje had Frits een prachtig uitzicht. Rechts van hem keek hij op het IJsselmeer, waarop hij hier en daar als een puntje een vissersboot zag dobberen. Als vastgebonden door een lint aan de rest van Noord-Holland kon hij duidelijk Marken zien liggen, het voormalige eiland dat nu door een dijk aan het vasteland was gekluisterd.

Het lampje waarmee de aanwijzing werd gegeven voor het bevestigen der riemen was reeds een tijdlang gedoofd maar nog steeds zat Frits naar buiten te kijken zonder op te letten wat er in het vliegtuig gebeurde.

"Kan ik U misschien van dienst zijn met een sigaret?"

De opgewekte stem van de stewardess wekte hem uit zijn mijmerende houding.

"Nee, nee, dank U zeer," zei hij haastig, een beetje kleurend.

Dat meisje moest wel denken dat hij een onbehouwen buitenman was, want blijkbaar had ze haar vraag al een keer herhaald.

"U mag Uw veiligheidsriem nu gerust los maken," zei de stewardess vriendelijk. "Die maatregel geldt alleen voor het landen en stijgen van de machine."

"Ja, natuurlijk," zei Frits, opnieuw kleurend.

De tactvolle stewardess scheen zijn verwarring niet op te merken of deed alsof. Rustig liep ze tussen de stoelen door in de richting van de pantry, het kleine boordkeukentje. Hier en daar plaatste ze een opmerking om de mensen, die voor het eerst vlogen, wat op hun gemak te stellen. Onder de kernploeg van de K.N.S.B. waren een paar jongemannen die voorgaande jaren ook al uitgezonden waren naar Noorwegen en voor wie het vliegen dus niet helemaal nieuw meer was. Maar de meesten waren debutanten die evenals Frits, volop genoten van het uitzicht beneden hem.

Rustig zoemden de motoren zonder hinderlijke herrie te maken in het binnenste van het toestel en binnen het half uur waren ze boven de Noordzee. Links en rechts vingen ze nog even een glimp op van de Waddeneilanden, toen strekte zich het water uit, zo ver het oog reikte.

In ongeveer tweeëneenhalf uur zouden ze Oslo bereikt hebben, de hoofdstad van het land dat hen gastvrij enige maanden zou opnemen. De bakermat van het schaatsenrijden mocht men haast wel zeggen, al zouden de geleerden daar waarschijnlijk tegenop komen. Maar in elk geval wel één der landen waar de schaatssport het meest intensief beoefend werd. De aardigheid van het kijken naar buiten was er nu langzamerhand wel af en nu mengde Frits zich ook in de gesprekken van de anderen. Het thema kwam steeds weer op hetzelfde neer, de voorbereiding voor de Europese kampioenschappen die later in het seizoen zouden worden gehouden in het Bislet-stadion te Oslo. In Hamar zou worden uitgemaakt wie van hen uitverkoren zou worden er aan mee te mogen doen en ieder hoopte dat ook zijn naam daar bij zou zijn.

Maar voor die tijd moest er getraind worden, serieus en hard gewerkt aan ieder onderdeeltje van hun sport. Buiten het vliegtuig schommelde de temperatuur om het vriespunt maar daar binnen heerste een aangename temperatuur toen ze de kust van Noorwegen naderden. Zelfs van deze hoogte was duidelijk te zien hoe hoog en ongenaakbaar de rotsen zich verhieven rondom de fjorden, die diep het Noorse land in drongen.

"Dames en heren, wilt U de veiligheidsriemen vastmaken? We gaan over enkele minuten landen," klonk weer de stem van de stewardess.

Zonder dat hij Oslo vanuit de lucht had gezien voelde Frits eensklaps dat ze hoogte minderden. Een weeïg gevoel in zijn maagstreek vertelde hem dat ze weer vaste grond naderden. Dan een lichte schok, opgevangen door de uitgestoken wielen van de machine en in snelle vaart liep het toestel uit naar het einde van de baan.

Van Oslo kregen ze echter niet veel te zien. Ze aten in het restaurant op het vliegveld en al spoedig daarna werd er aanstalten gemaakt voor de laatste trip. Ongeveer honderddertig kilometer zouden ze nog door moeten brengen in een autobus die hen naar Hamar bracht. De tocht ging over Kjellerholen, eerst iets naar het Noord-Oosten en nadat ze die stad gepasseerd waren bijna pal Noordelijk.

Frits vroeg zich af waar de Noren hun hobby moesten uitvieren, zo weinig gelegenheid zag hij hier om de schaatsen te gebruiken. Wel passeerden ze wat bergriviertjes, maar verreweg de meesten hiervan lagen open en het snelstromende water liet zich niet kluisteren in de greep van Koning Winter.

Klöfta, Mogreina, Dal, het waren allemaal plaatsnamen waar Frits nog nooit eerder van had gehoord.

Dan veranderde het landschap. Bij Minnesund, een nietig plaatsje aan de grote verkeersweg met zijn vele bochten, kregen ze links plotseling het gezicht op een groot, langgerekt meer, opvangplaats voor talloze rivieren die uit de bergen hier naar toe kwamen stromen. Nog een paar kleine plaatsen passeerden ze, alvorens ze na een rit van enige uren Hamar naderden.

Iedereen was blij dat de reis er eindelijk op zat en toen ze ontvangen waren in hun verblijfplaats was dan ook eerst het parool "uitrusten". Als onmondige kinderen werden ze naar bed gestuurd door hun coach, die rustig, maar zeer resoluut met zijn jongens omging. Hij zorgde voor een vriendschappelijke sfeer waarbij iedereen zich wel voelde, maar alle beslissingen van enige betekenis moesten de mannen onvoorwaardelijk aan hem overlaten. En dat deden ze dan ook met graagte want allemaal voelden ze dat leiding en een goede verstandhouding een van de eerste vereisten was voor het tot stand brengen van een eervol resultaat voor de Nederlandse ploeg.

De volgende morgen kregen ze gelegenheid om brieven of andere post naar familie of kennissen te sturen en daarna maakten ze gezamenlijk een verkenning door de naaste omgeving. Geschaatst werd er die eerste dag nog niet, hetgeen sommigen wel een beetje teleur stelde. De enige oefening die ze voorlopig deden, waren wat rondjes lopen, om de spieren soepel te houden.

De volgende dag konden ze echter hun hart ophalen, want toen werden de schaatsen voor de dag gehaald. Het klimaat was hier heerlijk met dien verstande, dat je niet buiten kon gaan zitten; want daarvoor was het te koud. Maar de kille zeewind die ze in Nederland zo goed kenden, misten ze hier volkomen en de temperatuur was veel meer constant. Meestal vroor het overdag een paar graden bij een verwarmend zonnetje dat de kou best dragelijk maakte.

Geleidelijk aan voerde hun leider de oefeningen wat op in zwaarte. Kritisch stond hij alle dagen toe te kijken naar de prestaties van zijn pupillen, waarvan de meesten bijna per dag goede vorderingen maakten.

Frits voelde zich best op zijn gemak en kon zich uitstekend aanpassen bij de dagelijkse gang van zaken. Wanneer ze zo aan het trainen waren moest hij dikwijls denken hoe zijn vader op bijna dezelfde wijze aanwijzingen had staan geven als de man, aan wiens leiding ze nu waren toevertrouwd. Veel opmerkingen, maar als er lof verdiend was, dan ook niet karig met zijn prijzende woorden.

En Frits voelde dat hij die prijzende woorden verdiende, want van de hele ploeg mocht hij zich langzamerhand gerust scharen onder de besten en voor zichzelf wist hij nu wel dat zijn deelname in Oslo straks verzekerd was.

Had hij vroeger het meest gevoeld voor de korte afstand, nu reed hij het liefst meerdere kilometers. Op vijfhonderd meter hing al zeer veel van de start af, was die slecht, dan kon men de race wel als verloren beschouwen. Op de vijf- en tienduizend meter daarentegen hoefde een zwakke start nog niets te betekenen al zou een volkomen gelijkwaardige tegenstander daar natuurlijk een dankbaar gebruik van maken. Maar met een weloverwogen schema kon men meer doen met tactiek; een tegenstander die uitgelopen was, kon een stimulans zijn tot nog grotere prestatie.

Zo verliepen de weken. Er werden af en toe onderlinge wedstrijden georganiseerd en ook schaatsten ze eens tegen een plaatselijke ploeg. Hoewel Frits in die wedstrijden wel zo hard reed dat hij er eervolle resultaten in behaalde, was hij toch vast niet van zins, nu al honderd procent uit zijn body te halen.

Pas toen ze, een week voor de grote strijd in Oslo, een ontmoeting hadden met een Zweedse ploeg en een Noorse vertegenwoordiging, zette hij zich geheel in. Hier stond tenslotte de eer van zijn land op het spel! Op de sprint wist hij niet verder te komen dan een tiende plaats met precies vierenveertig seconden, maar op de vijftienhonderd meter, de langste afstand die ze hier voorlopig in wedstrijden reden, haalde hij een tweede en een derde plaats. Dat was meteen genoeg voor een derde plaats in het eindklassement. Door dat resultaat was zijn naam ook gevestigd op de lijst van prominenten, want er waren diverse bekende namen onder de tegenstanders die hij achter zich had gelaten. De jonge Hollander werd in Hamar steeds meer als een concurrent gezien voor de schaatselite van Noorwegen en Zweden. Het vleide Frits natuurlijk wel een beetje, maar hij ontveinsde zich niet, dat er straks nog wel hardere noten gekraakt zouden moeten worden. In Rusland en ook in het vrij nabij gelegen Finland waren de laatste weken tijden gemaakt op het ijs die aan het ongelofelijke grensden.

Op de wonderbaan van Alma-Ata, zoals hij in de schaatswereld bekend stond, had één der Russen op de vijfhonderd meter een tijd laten noteren van net veertig seconden. De kranten schreven over een tijd die geen tegenstand meer mogelijk maakte.

Maar de hoop van het Nederlandse legioen was gevestigd op de lange afstanden. Bij de sprint hadden ze niet veel kans, dat wisten ze bij voorbaat. Maar in een Frits Hiddes en een Kees Langeveld bezaten ze een paar sterke troeven voor de vijf- en tienduizend meter. Had Frits niet op de tienduizend meter rond zeventien minuten laten afdrukken zonder tegenstander? Hoe langer hij reed, hoe meer zin hij er in scheen te krijgen want draaide hij in het begin veelal rondjes van eenenveertig, tweeënveertig seconden na vijf kilometer begon hij pas goed op toeren te komen, leek het wel. Dan haalde hij vaak rondjes uit de benen van achtendertig, negenendertig en dat was zijn grote kracht, zou het moeten zijn tenminste, wanneer het ging tegen rivalen van wereldformaat. Als die in het begin uit wilden lopen zou Frits ze daar even in moeten laten gaan. Pas als hij voelde dat het tijd werd om aan te vallen, mocht hij al zijn energie overbrengen op zijn schaatsen. Dat was de tactiek, die de ploegleider al voor hem uitgestippeld had. Wanneer het moment van aanvallen zou komen, moest Frits voor zichzelf uitmaken. Tenslotte kende hij het beste zijn eigen krachten en wist hij, hoe ver hij iemand mocht laten gaan zonder zelf kansloos te worden. Frits zelf hoopte nu alleen nog maar, dat hij bij de loting geplaatst zou worden tegenover een sterke tegenstander. Want pas dan zou het volgen van deze tactiek zin hebben!

HOOFDSTUK X

Het Bislet-stadion was eivol. De aanblik van al die duizenden Noren overdonderde Frits in het begin even maar al spoedig wende hij aan het geroezemoes op de tribunes. Het publiek verwachtte van hun eigen landgenoten geen daverende prestaties, maar desondanks was de belangstelling toch enorm groot. Algemeen werden de Russen beschouwd als de sterke mannen in dit tournooi, en iedereen was nieuwsgierig naar de prestaties van deze jongens.

Het eerste nummer dat verreden zou worden, was de vijfhonderd meter. Hier bezaten de Scandinaviërs ook een sterke troef, de geroutineerde Olaffsen. De Nederlandse ploeg kon alleen maar proberen, de achterstand op deze afstand zo klein mogelijk te houden en zich zodoende verzekeren van plaatsing voor de lange afstand.

De meesten van hen slaagden daarin. Kees Langeveld liet de snelste tijd afdrukken van hen. Met vierenveertig seconden bezette hij de achtste plaats. Frits deed er een halve seconde langer over, terwijl de anderen op twee na, allemaal onder de zesenveertig seconden bleven. De eerste plaats was voor een jonge Rus, Botnik die bewees dat de tijden, in Alma-Ata gemaakt, geen uitzondering waren. Ook hier gleed hij na tweenveertig seconden over de finish. Geen der anderen kon daar aan tippen en zijn zege was dan ook onbedreigd. In het vertrek dat de Nederlandse ploeg toegewezen was als verblijfplaats tijdens de wedstrijd, gaf de ploegleider de laatste instructies voor de vijfduizend meter, die 's middags zou worden gereden.

"Jullie hebt gezien dat die Russen niet te onderschatten zijn," zei hij. "Hun tijd op de vijfhonderd meter zegt natuurlijk nog niets, maar een gewaarschuwd man telt voor twee."

Hij wendde zich speciaal tot Frits en Kees Langeveld.

"Jullie rijdt allebei tegen een van die knapen, iets waar je alleen maar voordeel van kunt hebben. Jullie hebt volkomen vrijheid van handelen tijdens de race, maar ik zou je wel op het hart willen drukken: forceer je vooral niet in het begin. Ik heb geen schema voor de rondetijden op willen stellen omdat jullie zelf het beste weten tot hoe ver je kan gaan."

Zo kreeg ieder nog een persoonlijk woord en vol goede moed wachtten ze op de dingen die komen gingen. Kees Langeveld had vrij ongelukkig geloot. Hij zou al in de tweede race uit moeten komen en had dus geen enkel houvast aan de tijden, die de anderen maakten. Frits was iets gelukkiger geweest, zijn rit was de tiende. Klokslag twee uur verschenen die middag de eerste twee rijders aan de start. Toen de twee slanke gestalten op de streep naast elkaar stonden, was het even doodstil in het grote stadion. Dan een schot met het startpistool en weg waren de twee kemphanen. Meteen barstte het stadion los in luide toejuichingen.

In machtige golven klonk hun aanmoedigingskreet: "Heia, heia, heia!"

Vervolgens kwam Kees Langeveld de baan oprijden, na een bemoedigend schouderklopje van zijn coach.

Voor de tweede keer werd het startpistool opgeheven en daar ging het tweetal er vandoor. Zuiver in balans gleden ze over de baan. Op de tribunes was het voorlopig nogal rustig, want veel spanning was er aan deze rit nog niet te beleven. Bijna gelijktijdig kwam het tweetal steeds weer de bochten uit. Hoger en hoger werd het tempo nu opgevoerd, maar Kees zag geen kans, de ander van zich af te schudden. Wie van die twee jonge kerels zou dit tempo het langst vol kunnen houden? Daar ging de bel voor de laatste ronde en daarna zou de sprint moeten bewijzen, wie zijn krachten het best verdeeld had. De tribunes begonnen zich danig te roeren. Daar kwam het tweetal, bijna gelijk de bocht uit voor het laatste rechte eind en meteen gingen de armen van de rug. Kees vocht uit alle macht, maar hij kon niet verhinderen dat hij even later tegen de rug van de ander aan moest kijken. Weer was eens bewezen dat de Russen, als het op pure snelheid aankwam, weinig tegenstand hadden te duchten. Met een meter of vier voorsprong ging de man over de finishlijn, geen volle seconde later drukten de chronometers in voor Kees.

En toen kwam Frits in het veld. Zenuwachtig, maar volkomen geconcentreerd stond hij af te wachten tot ze losgelaten werden. Aan de lijn zag hij ergens zijn ploegleider, zittend op zijn hurken en hem bemoedigend toezwaaiend.

Daar ging de arm met het pistool omhoog, een korte knal en weg stoven de rijders! In weinig ogenblikken hadden ze hun volle snelheid bereikt. Met nog twee ronden te rijden keek hij zijn tegenstander in de rug; hij was bijna een ronde uitgelopen! Maar toch was zijn tijd nog niet zo gunstig als hij had verwacht en gehoopt. Er zou morgen nog heel wat moeten gebeuren, wilde het Wilhelmus gespeeld worden voor hem!

"Fantastisch gereden kerel!" kwam Kees Langeveld hem al tegemoet.

Een beetje wrevelig haalde Frits zijn schouders op.

"Als die Rus maar wat meer tegenstand had geboden had er een veel snellere tijd in gezeten," zei hij.

"Dat zeiden wij ook al tegen elkaar," beaamde Kees. "Maar dat maakt je prestatie juist zo knap!"

"Hoe is mijn totaaltijd?" vroeg Frits.

"Ik heb het nog niet gehoord, maar ik denk wel dat je de sterkste tijd tot nu toe hebt gemaakt. Morgen zo'n tienduizend meter en je komt op het ereschavotje te staan joh!"

Na die twee afstanden werd de eerste plaats in het totaalklassement ingenomen door een Rus. Dat was beslist geen lange-afstandrijder en dus maakte Frits zich om hem geen zorgen. Zelf stond hij nu op de tiende plaats met vlak achter hem Olaffsen. Het was niet bepaald een indrukwekkende klassering, maar het verschil met nummer één bedroeg in punten uitgedrukt, geen onoverkomelijke achterstand. Nee, veeleer hield hij rekening met Olaffsen.

Hij was een reus van een kerel met een gezicht als een kind. Al een paar jaar was hij het idool der Noren, al had hij het nog steeds niet tot een kampioenstitel kunnen brengen. In minder belangrijke wedstrijden maakte hij steeds wereldtijden maar in races van belang scheen hij zich niet op zijn gemak te voelen, wat zijn prestaties drukte getuige zijn verrichting van deze middag. Maar nu leek het dan toch alsof hij dat gevoel van zich af had kunnen zetten. Vriendelijk lachend liet hij de ovaties van de overvolle tribunes over zich heen gaan.

Om negen uur lag de hele schaatsploeg die avond onder de wol om vooral goed uitgerust te zijn. De vijftienhonderd meter zou moeten beslissen welke rijders aan de tienduizend meter mee mochten doen. Volgens een bepaald systeem werden de mannen hiervoor geselecteerd. Hierdoor werden degenen die bij voorbaat kansloos geacht werden, uitgeschakeld en tevens werd voorkomen dat het programma overladen werd. Begrijpelijkerwijs vroegen de ritten over tienduizend meter meer tijd dan de korte afstanden zodat anders de mogelijkheid ook nog bestond dat niet alle deelnemers in een middag hun series konden uitrijden.

Al vrij vroeg werd een begin gemaakt met de vijftienhonderd meter. Hoewel het niet bepaald de sterkste afstand van Frits was, wist hij zich toch te handhaven. Zelfs klom hij in het klassement enige plaatsen omhoog. Verschillende hoger geklasseerde rijders die de sprint hadden gebruikt om een behoorlijke plaats te bemachtigen, lieten het nu afweten en zakten soms vijf á tien plaatsen. Op Olaffsen had Frits bijna een halve minuut verloren en het zou een hele toer worden, die achterstand weer ongedaan te maken.

Vol spanning wachtte iedereen op dé gebeurtenis van deze kampioenschappen, de tienduizend meter, afstand der sterken. Zestien rijders stonden er voor genoteerd, waaronder drie Nederlanders. Wat Frits in stilte had gehoopt, gebeurde! De man die hem een nachtmerrie had bezorgd zou zijn directe tegenstander zijn. Olaffsen! Nu wist hij tenminste dat hij tegen iemand reed van wie hij een gelijkwaardig gevecht kon verwachten. Als hij deze race met meer dan een halve minuut verschil wist te winnen, mocht hij zich Europees kampioen noemen, dat stond wel vast.

Het applaus voor de rijders die in de voorgaande rit tegen elkaar hadden gevochten was nog nauwelijks weggeëbd toen hij al naar de startplaats reed. Rechtop, de blonde kop iets naar voren, stond hij te wachten op Olaffsen. Daar kwam de reus ook al aan rijden en meteen begon het roepen weer.

Hij had een sympathiek gezicht, deze blonde Viking, met grote, bijna kinderlijk blauwe ogen. Ineens was alle ontzag bij Frits verdwenen en werd hij volkomen rustig.

Dan kregen ze het sein om zich gereed te houden, de knal van het pistool en weg was het tweetal!

Een tiende van een seconde later dan Olaffsen begon Frits aan de tien kilometers en een tijdje keek hij hem tegen zijn rug aan. Vergeten was de betrekkelijkheid van een wereldprestatie! Hier moest gevochten worden van de eerste tot de laatste seconde, wilde hij de blonde geweldenaar achter zich houden. Van meet af volkomen geconcentreerd, zo vloog Frits als een stormvogel over het ijs. Na honderd meter al lag hij naast zijn grote rivaal en stormenderhand wist hij hem voorbij te streven. Zou het lukken; zou hij voor kunnen blijven?

Vlak achter zich hoorde Frits hoe Olaffsen de streken iets korter maakte, afweek van zijn gewone tempo in slagen. Eén ronde was gemaakt, nog vele zouden er moeten volgen. Nu reeds fel jagend lag het tweetal vlak naast elkaar toen ze aan de tweede ronde begonnen. Volkomen tegen zijn gewoonte, gaf Frits zich nu al geheel. Nu reeds bracht hij alle energie die in hem was, over op de glimmende ijzers, zonder zich er rekenschap van te geven dat hij nog vele kilometers voor de boeg had. In een tempo dat elk record sloeg, legden ze de volgende ronde af, opgezweept door de massa kijkenden.

Toen merkte Frits, dat hij uitliep, Olaffsen scheen in te zien dat hij dit niet vol zou houden tot het einde en wilde zijn krachten sparen. Tien, twintig meter kwam er tussen het tweetal en Frits ging door. Even ving hij een glimp op van zijn trainer, die een beetje bezorgd toe keek, bang dat zijn pupil te hard van stapel was gelopen. En in de vijfde ronde scheen hij gelijk te krijgen. Het verschil was gegroeid tot meer dan honderd meter toen een vreselijke vermoeidheid door Frits zijn leden drong. Even verslapte hij. Wat, nu al verslagen? Nooit!Ja, de afstand werd weer groter. Vergeten was de vermoeidheid en met nieuwe krachten uit zijn schijnbaar onuitputtelijke reservoir vloog hij op het ijs. Af en toe even met één hand los langs het lichaam zwaaiend, leek hij bezeten van de wil om te winnen. Het zorgelijke gezicht van de trainer werd steeds opgeruimder naarmate de race vorderde. Hij scheen het vol te kunnen houden; dat verschrikkelijke harde rijden, waarbij Olaffsen soms stil scheen te staan!

In volmaakte balans ging hij door met rondetijden van om en bij de zevenendertig seconden.

Als een verlossing klonk de bel voor de laatste ronde. En plotseling scheen heel het stadion te vergeten dat de jongeman op het ijs bezig was, een landgenoot een nederlaag toe te brengen.

Schril begonnen ergens een paar stemmen te roepen: "Heia, heia, heia.....!"

Het hele publiek nam die kreet over en massaal klonk het spontane gejuich op voor een groot kampioen. Bijna een volle ronde achterstand had hij Olaffsen bezorgd toen hij het laatste rechte eind uit kwam en zijn armen allebei los gingen van de rug. Zwaaiend en ogenschijnlijk volkomen fit flitste hij naar de bevrijdende finishlijn. Maar twintig meter daarvoor begaven zijn krachten het en dodelijk vermoeid richtte hij zich op om zich het laatste stukje uit te laten glijden. Overgelukkig stonden zijn ploegmakkers even later over hem heen gebogen toen hij zich op een bankje liet vallen en het stadion hem een geweldige ovatie bracht, die minuten lang aanhield. En het gejuich begon opnieuw toen de speaker de officieel opgenomen tijd bekend maakte, vijftien minuten en vierenvijftig seconden. De Europese kampioen was bekend!

Omringd door goede zorgen lag hij even later in zijn volle lengte uitgestrekt op een rustbank.

Nog twee weken bleef de Nederlandse schaatsploeg in Noorwegen. Toen namen ze afscheid van het gastvrije land waar ze zo'n prettige tijd hadden doorgebracht. Op dezelfde wijze als ze waren gekomen, aanvaardden ze weer de terugreis en zo gebeurde het dat de mannen weer met het lijntoestel van de K.L.M. op Schiphol aankwamen, zes weken nadat ze er opgestegen waren.

"Kom mee, dan gaan we naar de wachtkamer," zei Bob van Hoef.

"Daar zitten nog een paar mensen op je te wachten," voegde Flip Maters er aan toe.

Nu, het liet zich niet moeilijk raden wie die twee mensen waren. Ook vader en moeder Hiddes hadden niet kunnen wachten tot hun oudste zoon thuis kwam en waren hem alvast tegemoet gegaan, terwijl Henk het gezelschap compleet maakte. Het was een hartelijk weerzien daar op Schiphol. Er viel dan ook heel wat te praten. Degene die het hoogste woord voerde, was Flip. Moeder zat hem alleen maar vol trots aan te kijken, terwijl vader zijn zoon een hand gaf waar hij van verbleekte, zo'n pijn deed het.

"Jullie zien dat ik hem het schaatsenrijden aardig heb geleerd hè!" riep Flip op zeker moment.

Iedereen schoot in de lach bij de woorden van de dikkerd.

"Ik had nog wel mee willen doen aan de Elfstedentocht als die gehouden werd," zei vader met een schuin oog naar zijn vrouw.

"Dat is niets voor oude mensen zoals jij," zei die. "Trek jij maar liever je pantoffels aan, die staan je veel beter."

Maar vader protesteerde heftig.

Maar al was vader Hiddes dan in zijn jonge jaren een kei geweest, deze keer werden zijn woorden toch niet erg serieus genomen.

Het werd langzamerhand tijd om op te stappen.

Illustratie op pagina 125Toen ze in de trein zaten, die hen een eindweegs naar huis zou brengen, zuchtte Frits eens diep.

Wat Frits bij de ingang van het dorp zag, deed hem toch even ontroeren.

Er was een grote erepoort opgericht, waarin met grote letters stond te lezen: "Welkom, kampioen!"

Alles was met groen versierd. Toen ze bij hun huis aankwamen, leek het hele dorp wel uitgelopen. Vooraan stond de burgemeester met een groot papier in zijn hand waarop een welkomstrede stond. Ofschoon Frits de eerste burger nog nooit van nabij had meegemaakt deed die nu, alsof ze elkaar dagelijks hadden ontmoet en de beste vrienden waren. Hij gaf hoog op van Frits zijn prestaties en feliciteerde de ouders met zo'n sportieve zoon. Frits moest er zelf om lachen, zo hoogdravend sprak hij. Maar hij meende het kennelijk goed en dat was het voornaamste.

"Sport," zei hij, "is een van de dingen, waarin een klein land groot kan zijn. Jij hebt dat bewezen, Frits Hiddes, en daarom wil het dorp je eren. Met grote bewondering hebben we je verrichtingen via de radioverslagen gevolgd en je kunt er van verzekerd zijn, dat we allemaal met je mee geleefd hebben."

Ten slotte moest hij natuurlijk zelf ook wat zeggen en hij deed dat in ronde, Hollandse bewoordingen. Geheel onvoorbereid stak hij van wal.

"Meneer de burgemeester, dorpsgenoten," begon hij. "Ik vind de wijze waarop ik hier ontvangen ben, in één woord overweldigend en ik dank u daar allemaal heel hartelijk voor. Over de wedstrijden in Oslo zal ik het nu niet meer hebben. U hebt allen waarschijnlijk uitgebreid in de kranten kunnen lezen hoe die verlopen zijn. Alleen wil ik nog opmerken dat ik inderdaad heel blij ben dat Nederland daar een behoorlijk figuur heeft geslagen."

Hij vond dat hij nu lang genoeg had gepraat en daarom maakte hij er een eind aan door te zeggen: "En ik dank u allemaal nog eens voor de grote belangstelling, die u getoond hebt!"

Dat was een beetje abrupt einde van zijn redevoering, maar niemand nam het hem kwalijk en langzamerhand trok iedereen weer naar huis.

Alleen zijn vrienden bleven nog wat en zij maakten er een gezellige avond van tijdens welke Flip vele malen als zijn mening te kennen gaf dat het allemaal aan hem te danken was. Waaruit bleek dat hij van de korte speech van Frits nog niet veel begrepen had. Maar ja, Flip was nu eenmaal altijd een buitenbeentje geweest in de sport!

EINDE

 
R. Jager, circa 1957 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003