www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
De jongste verslaggeefster
door Miek van Hoef (Roel Jager)
geschreven circa 1960
uitgebracht door uitgeverij Telstar

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII


 

HOOFDSTUK I

De vergadering.

Ze zaten thuis bij de familie van Hoef, in de kamer van de oudste dochter des huizes. De familie van Hoef woonde het meest centraal, ergens op de scheiding van het oude en het nieuwe stadsdeel en daarom waren ze daar met zijn zessen naar toe getrokken. Alleen Han van Coevorden had direct al afgezien van de eer om deel uit te mogen maken van de redactie, zodat de deelnemers aan de geanimeerde vergadering bestonden uit Nel Sopers, Wim Bach, Miek van Hoef, Kees Schippers, Marjan Jager en Rob van Hoef.

Ze hadden er geen gras over laten groeien. Twee dagen nadat Nel op bezoek was geweest bij de directeur, was dat zestal al samen gekomen om de details te bepraten. Het enige waar ze na een half uur echter toe besloten waren was, dat de schoolkrant er inderdaad moest komen. Verder waren ze nog niet gevorderd. Maar Nel vond dat ze nu maar eens tot daadwerkelijke dingen moesten komen en daarom stelde ze de vragen zo, dat die eigenlijk alleen maar met ja of nee beantwoord konden worden.

"Ik had gedacht, dat we het werk in vieren moeten verdelen", vervolgde Nel. "We moeten iemand hebben die schrijft over de gebeurtenissen op school, iemand voor de dingen die buiten de school gebeuren, en dan iemand voor bijzondere gelegenheden, een reizende verslaggever, zou je kunnen zeggen. En dan moet de hele zaak natuurlijk nog op papier gezet worden, ik bedoel dus dat het gestencild moet worden. Is iedereen het eens over deze indeling van de werkzaamheden?"

"Wat bedoel je eigenlijk met die bijzondere gelegenheden?" vroeg Rob.

"Nou, dat kan in zoveel vormen zijn," legde Nel geduldig uit. "De volgende maand bijvoorbeeld. Dan beginnen de sportwedstrijden voor de scholen in de stad. Daar heeft één persoon zijn handen vol aan, als hij het tenminste goed wil doen. Je moet een verslagje maken van de voetbalwedstrijden, volleybal, schaken en allerlei dingen meer."

"Zeg, hoe dik had je die krant eigenlijk gedacht?" viel Marjan haar in de rede. "Als je van al die dingen een verslag wilt geven, mag je wel een krant hebben van zo'n twintig pagina's of zo."

"Nou ja, dat hoeft natuurlijk niet zo uitgebreid te zijn," antwoordde Nel. "Voor die gelegenheid gaat het natuurlijk vooral om de gebeurtenissen die voor onze school van belang zijn. Als er twee scholen in een ander deel van de stad een match spelen, waar wij totaal niet bij betrokken zijn, heeft het natuurlijk weinig zin om daar een uitgebreid verslag van op te stellen. Dat interesseert toch niemand! Bij zo'n gelegenheid geef je alleen een kleine reportage van de belangrijkste wedstrijden en voor het overige vermeld je natuurlijk alleen de uitslagen."

"O, ja, dan is me de zaak duidelijk," zei Marjan.

"En dan kunnen er andere gelegenheden zijn waar iemand speciaal voor op uit moet," zei Nel. "Stel bijvoorbeeld dat de een of andere school jubileert of dat onze school een excursie maakt naar het een of andere gebouw. Zo zijn er nog veel meer mogelijkheden!"

De vergadering knikte begrijpend.

"De zetel van de hoofdredactie is zeker al bezet?" zei Kees Schippers, met een knipoogje naar de anderen.

"De zetel van de hoofdredactie is nog niet bezet," zei Nel een beetje rood aanlopend. "Als iemand van jullie zich er toe voelt geroepen om daarop te gaan zitten, mag hij gerust vrijuit spreken. Maar ik had eigenlijk gedacht om er niemand op te zetten. We kunnen veel beter alles in gezamenlijk overleg doen. Als er iemand beslissingen gaat nemen waar de anderen niet mee akkoord gaan, komt er toch meteen herrie van en dat is het laatste wat we moeten hebben."

"Bravo," maakte Kees meteen zijn, een beetje hatelijk klinkende opmerking van daarnet, goed. "Zo mag ik het horen!"

Ook de anderen knikten instemmend, zodat dat chapiter gelukkig snel van de baan was.

"Ik wil wel voor het stencilwerk zorgen," bood Wim Bach aan. "Ik heb er wel eens bij mijn vader naar staan te kijken en daarom weet ik wel zo'n beetje hoe dat gaat met de opmaak en al die dingen meer."

Wims vader had zelf een stencilinrichting, zodat dat punt ook verder geen moeilijkheden opleverde.

Die moeilijkheden kwamen eigenlijk pas toen het er op aan kwam om een naam te bedenken voor hun geesteskind. De werkzaamheden waren vlot ingedeeld. Kees zou voorlopig Wim assisteren bij de "druk" van de krant. Verder zouden Nel, die in 2B zat, en Marjan die een klas hoger zat, het schoolnieuws verzorgen, terwijl Rob de dingen die hij buiten de school vermeldenswaardig vond aan het papier moest toevertrouwen. Miek van Hoef tenslotte werd bij acclamatie benoemd tot reizend verslaggeefster. Mocht de een of andere "afdeling" het werk niet af kunnen, dan was het natuurlijk altijd nog mogelijk om die regeling te herzien. Tot zover verliep de vergadering dus tamelijk vlot. Maar toen kwam, een beetje onlogisch eigenlijk, pas het punt aan de orde om een naam te bedenken voor "hun krant".

"Ons Eigen Blad", stelde Miek voor, maar aan de gezichten van de anderen zag ze al direct dat niemand het een geweldige naam vond.

"Had er dan liever van gemaakt "De Dorpsbode", zei haar broer een beetje spottend. "Nee zusje, als je iets originelers weet, mag je je mond weer opendoen."

"Nou, zeg jij dan wat," zei Miek een beetje nijdig. "Makkelijk om kritiek te oefenen als je zelf niets beter weet."

"Daarom houd ik verder ook mijn mond," zei Rob.

Het zestal verzonk in diep gepeins en de eerste minuten waren ze bijzonder stil voor zo'n levenslustig zestal. Maar iedereen was een beetje bang geworden om een idee aan de hand te doen, uit vrees dat de anderen hem uit zouden lachen. Ja, het ding moest een naam hebben, dat was natuurlijk wel zeker, maar om daar nu iets leuks voor te bedenken, waaruit duidelijk bleek dat het hun school betrof, dat was nog niet zo eenvoudig.

"De Tweede Drie," opperde Marjan voorzichtig.

De ontvangst werd al iets gunstiger, maar bepaald onder de indruk was toch ook niemand nog.

"Wel aardig, maar niet origineel," vond Kees.

"Gedachten van een HBS-er," waagde Wim.

"Veel te lang," klonk het van drie kanten tegelijk.

Een beetje verongelijkt strekte Wim zich weer lui uit in het gemakkelijke stoeltje, waar hij zich meester van had gemaakt, onmiddellijk nadat ze binnen waren gekomen. Een beetje mismoedig zaten ze elkaar nog een tijd lang aan te kijken.

"Ik ga moeder vragen of er niet voor een kopje thee is te zorgen," zie Miek en maakte voorlopig een einde aan het probleem.

En al schoten ze daar weinig mee op, het was in elk geval een voorstel waar niemand bezwaren tegen maakte. De anderen grepen de gelegenheid gretig aan, om het onderwerp even te laten rusten.

"Gezellig is het hier," vond Nel. "Heel wat ruimer en veel meer van te maken dan van dat kleine hokje, dat ik mijn kamertje moet noemen."

"Dan zal ik maar helemaal niets zeggen," zei Marjan. "Ik moet een kamertje, een stuk kleiner als dit, nog delen met mijn zusje. En als mijn broer Herman moet werken, neemt hij vaak nog al zijn boeken mee naar ons kamertje, omdat hij dat van hem ook al moet delen met mijn jongste broertje. Daar staat een elektrische speelgoedtrein in de hoek op een grote tafel. En juist als Herman moet werken, is Ab natuurlijk prompt met zijn trein bezig."

"Er komt thee," verkondigde Miek, die op dat ogenblik de kamer weer binnenwipte. "Pff, ik vind dat we dat best hebben verdiend. Daar zitten we voor onze vrije zaterdag te vergaderen en te discussiëren over de naam voor een krant die nog niet eens is opgericht."

"Die wel is opgericht," verbeterde haar broer haar. "Als jij nu maar eens een goed idee had voor een naam, was de hele zaak binnen vijf minuten in kannen en kruiken."

"Zorg jij nu voor de ideeën, dan zorg ik voor een kopje thee. Van jou heb ik helemaal nog niets positiefs gehoord."

"Ik buig diep beschaamd en nederig het hoofd. Je hebt me weer van mijn illusies beroofd," rijmde Rob.

"Flauwerd," schold Miek.

Op dat ogenblik kwam mevrouw van Hoef binnen met een enorme pot thee en dat bracht het gesprek even in andere banen.

"Hoe is het, hebben jullie al iets bereikt?" vroeg mevrouw van Hoef, nadat ze eigenhandig de kopjes had vol geschonken.

"Over de oprichting zijn we het al eens," antwoordde Nel. "Maar we zitten nog met een groot probleem."

"En dat is?" informeerde mevrouw van Hoef belangstellend.

"Een naam," antwoordde Rob somber. "Er is niemand hier bij dat vijftal briljante figuren die een acceptabele naam weet te bedenken voor de jonggeborene."

"Ik dacht dat ik Nel iets vroeg," zei mevrouw van Hoef een beetje bestraffend.

"Hij is de hele tijd al in de oppositie," verklaarde Miek.

"Een heleboel praatjes die niets om het lijf hebben, maar iets positiefs komt er niet uit bij hem."

"Helpt u ons eens uit de brand mevrouw," vroeg Nel. "Als u met een redelijke naam voor de dag komt, zijn we het er allemaal beslist veel vlugger over eens dan wanneer een van ons iets zegt. De één vindt zijn eigen idee beter, de ander weet zelf niets, maar vindt een bepaalde naam daarom nog niet direct goed, kortom er is nog niets waar we het over eens kunnen worden."

"En wat hebben jullie dan zelf zoal genoemd voor namen?" vroeg mevrouw van Hoef.

"De Tweede Drie."

"Gedachten van een HBS-er," klonk het gretig van twee kanten tegelijk.

"De Schoolbode," waagde Kees nog, maar dat wekte meteen een honend gelach op en enige spottende opmerkingen.

"Ziet u, dat bedoelde ik nu," zei Nel tegen mevrouw van Hoef.

Die lachte maar eens.

"Ik geloof dat jullie beter dit onderwerp voor vanmiddag kunnen laten rusten," zei ze. "Misschien kunnen jullie de mening van de andere leerlingen op school eens vragen. Tenslotte zitten jullie toch met een paar honderd kinderen op één school, dus het moet al gek lopen, wil daar niet een bruikbare naam uit voort komen."

"Maar hoe moeten we dat doen?" vroeg Marjan. "We kunnen toch moeilijk die tweehonderd jongens en meisjes één voor één langs gaan om te vragen of ze soms een naam weten."

"Dat lijkt me niet zo moeilijk," vond mevrouw van Hoef.

"Je moet natuurlijk de medewerking van de directeur hebben, maar als je die een maal hebt, is het echt niet zo moeilijk meer. Er zal toch bij jullie op school wel een soort mededelingenbord zijn of iets dergelijks?"

"Voor in de gang," wist Wim.

"Nu, dan zetten jullie het daar op. Je maakt er desnoods een soort wedstrijd van."

"Met prijzen zeker," zei Miek. "En wie moet dat dan betalen. De directeur wil wel meewerken, heeft hij gezegd, maar hij zal toch ook uit zijn eigen zak geen geld voor een prijs beschikbaar stellen. En van de schoolkas zal het waarschijnlijk helemaal niet gaan."

"Trouwens, de directeur heeft van ons nog niets positiefs gezien. Als er nu een maal een paar krantjes verschenen zijn, zal hij misschien wel wat toeschietelijker zijn, maar voorlopig stel ik me daar helemaal niets van voor," meende Rob.

"Tja, dan weet ik het ook niet," zei mevrouw van Hoef.

"Bovendien zou je dan toch ook nog weer een jury moeten benoemen, die de namen beoordeelt op originaliteit en zo," zei Nel bedachtzaam. "En dat is weer een karwei op zich zelf, wat ook weer de nodige strubbelingen veroorzaakt."

"Jullie zullen wel gelijk hebben," lachte mevrouw van Hoef. "Ik geloof inderdaad ook wel dat jullie beter de zaak zelf in de hand kunnen houden. Maar dan kan ik jullie toch ook echt niet helpen jongens."

Met die woorden verdween ze uit de kamer.

"Nou, daar zitten we dan weer," zei Rob. "Daar zijn we ook al geen steek wijzer van geworden."

"Tut tut, een klein beetje minder oneerbiedig kan ook wel," zei Miek een beetje scherp.

"Welja, het onderonsje begint weer," zei Nel.

"Kind, je bent een genie!" sprong Marjan op, die tot nu toe nog niet veel had gezegd. "Onderonsje! Dat is em!"

Een beetje verbaasd keken de anderen haar aan. Ze begrepen nog niet eens direct waar Marjan het over had.

"De naam voor de krant!" riep die uit. "Daar zitten we nu al die tijd het hoofd over te breken en Nel zegt het zonder er zelf erg in te hebben!"

"Tja...." deed Nel aarzelend. "Nu je het zegt...."

"Tja, misschien nog niet zo gek," vond ook Miek.

"Zit iets in," gaf Rob te kennen.

"Niet slecht" oordeelde Wim.

"Aangenomen," zei Nel. "Discussie over het bedenken van een naam gesloten. Volgende punt van de agenda."

"Rondvraag," grinnikte Rob.

"Sluiting," vond Wim geeuwend.

"Ja, ik geloof dat we er zo'n beetje zijn," meende ook Nel. "In ieder geval zijn we het nu eens over de belangrijkste punten. Mocht er tussentijds nog iets geregeld moeten worden, dan komen we gewoon nog een keertje bij elkaar. Of we bespreken het op school even."

"Wanneer gaan we nu eigenlijk beginnen met het werk?" kwam Marjan nog.

"Tja," een beetje hulpbehoevend keek Nel om zich heen.

Hoe moest het nu verder? Als zij zelf met een voorstel aankwam, wekte dat allicht de schijn, alsof ze zich zelf toch zo'n beetje als hoofdredactrice beschouwde en daar paste ze voor, na de hatelijke opmerking van Kees.

"Ja, we moeten toch iemand aan stellen die in dit soort dingen beslist," meende Marjan.

Kees maakte zijn opmerking weer helemaal goed, door voor te stellen, en deze keer in volle ernst, dat Nel dat voorlopig zou zijn.

"Nou, vooruit dan maar," zei die. "Dan stel ik voor, dat we meteen beginnen met het verzamelen van copy. Laten we als streefdatum voor het verschijnen van ons eerste blad aanhouden vandaag over drie weken."

"Heel aardig opgemerkt," vond Wim, "maar volgens mijn bescheiden mening zul je dan wel tijd te kort komen."

"Nou ja, dan zal er nog een week bij komen," zei Nel een beetje ongeduldig.

Hè, die vervelende kwiebussen hadden nu ook letterlijk overal wat op te zeggen!

"We hebben zojuist Nel als hoofdredactrice aangesteld, dus in dergelijke zaken heeft zij de uiteindelijke beslissing," zei Miek.

"Een interne beleidskwestie," merkte Rob deskundig op.

"Dat is dan ook geregeld," zei Nel. "Morgen ga ik naar de directeur om hem verslag uit te brengen. Dan kan meneer Reynders meteen zorgen voor het nodige papier. Dus nu aan het werk!"

En dat was dan inderdaad het einde van de vergadering. De schoolkrant "Onderonsje" was opgericht.


 

HOOFDSTUK II

Nel heeft een aanrijding.

Er werd inderdaad gewerkt. Met veel animo togen de leden van de redactiestaf er op uit om zoveel mogelijk nieuws te vergaren. De hoofdredactrice kon dan ook tevreden zijn binnen een week was er zoveel copy, dat er gemakkelijk twee schoolkranten mee gevuld konden worden.

Dat gaf natuurlijk prompt weer aanleiding tot strubbelingen. Iedereen stond er op, dat zijn bijdrage een plaatsje zou krijgen in de eerste editie, maar tenslotte waren ze het er dan toch over eens om voor de eerste keer meneer Reynders, de directeur, te laten beslissen, wat wel en wat niet voor directe plaatsing in aanmerking kwam. Bovendien nodigde Nel de baas uit om een inleidend woord te schrijven.

En zo gebeurde het. Precies drie weken na de geanimeerde oprichtingsvergadering verscheen het eerste nummer en de opzet was, dat er iedere maand een nieuwe editie zou verschijnen. Eerst vond Nel dat wel erg weinig, maar meneer Reynders achtte het genoeg.

"De eerste keren zal het heus niet zo moeilijk zijn om de krant vol te krijgen met lezenswaardige dingen," zei hij. "Maar over een paar maanden bekoelt het enthousiasme wel iets en dan zal het nog een hele toer worden om eens per maand de zaak in orde te krijgen."

Overigens werd dat eerste nummer door de leerlingen met gemengde gevoelens ontvangen. De meeste leerlingen meesmuilden wat sceptisch. Het vertrouwen in de journalistieke kwaliteiten van de kersverse redactiestaf was blijkbaar nog niet bijster hoog.

Maar gelukkig kwamen er ook direct andere geluiden van leerlingen die beloofden dat, als ze iets leuks mee maakten, ze dit direct door zouden geven aan Nel of een der anderen. En in elk geval was het een positief iets, dat meteen na de schoolbel om twaalf uur iedereen nog even stond te lezen alvorens zijn of haar fiets te pakken om naar huis te gaan. Ofschoon ze er niets van liet merken, was Nel natuurlijk erg nieuwsgierig naar de reacties. Aansluitend op de inleidende woorden van de directeur had zij als hoofdredactrice de tweede pagina van de nieuwbakken schoolkrant moeten vullen. Dat had wel een paar moeilijke uren gegeven met, zoals Nel eens ergens had gelezen "veel transpiratie en weinig inspiratie". Hoe moest je in 's hemelsnaam zoiets beginnen? Tenslotte moest je, vooral in zo'n eerste nummer, een persoonlijk woordje spreken en dat deed al gauw een beetje arrogant aan. Alleen de aanhef al had haar zweetdruppels gekost.

"Beste jongens en meisjes," was ze eerst begonnen, maar dat had ze meteen weer doorgestreept. Dat leek net alsof er de een of andere inspecteur van het onderwijs een speech af ging steken, bedacht ze meteen.

Daarna had ze in een olijk ogenblik, zoals ze het zelf achteraf betitelde, als aanhef gebruikt:
"Beste klas- en andere genoten", maar toen ze dat nog een keertje las, vond ze het de meest flauwe mop die ze ooit had getapt.

"Een woord van de redactie", was het tenslotte geworden.

En vervolgens:
"Na de vriendelijke woorden van onze directeur is het dan mijn taak om onze schoolkrant verder bij jullie in te leiden. Het doel is natuurlijk vrij duidelijk. We willen in ons blad ervaringen uitwisselen die ons allemaal interesseren. Liefst leuke ervaringen natuurlijk, want onze schoolkrant moet graag gelezen worden dat is tenslotte het doel van iedere krant. Het grote verschil met die andere kranten is, dat jullie hiervoor geen abonnementsgeld verschuldigd zijn. Wat we wel van jullie vragen is, mocht je eens iets interessants beleven, vertel het aan een van de jongens of meisjes die hun best zullen doen om dit blaadje maandelijks te doen verschijnen. Verder benoem ik al onze abonnees bij deze tot advertentieacquisiteur. Vanzelfsprekend zullen er wel eens kosten gemaakt moeten worden ten behoeve van onze krant. En ofschoon onze directeur heeft toegezegd dat hij ons in dat opzicht zo veel mogelijk zal bij staan, zal de opbrengst van eventuele advertenties ons zeer welkom zijn.

Verder wil ik dit inleidend woord kort houden en alleen nog de hoop uitspreken dat de krant mag bijdragen tot een goede verstandhouding op school, zowel tussen de leerlingen onderling alsook tussen leerkrachten en hun pupillen."

Zeker vier keer had Nel het stukje overgelezen, alvorens ze het had door gegeven aan Wim Bach om de tekst op de stencilmachine te zetten.

Het grappigste stuk voor het eerste nummer was verzorgd door Miek van Hoef. Die vertelde van een droom die ze had gehad en waarin het was gebeurd dat de plaatsen van leraren en leerlingen waren verwisseld. Dat had natuurlijk allerlei gevolgen, die over het algemeen voor de leraren niet best uit vielen. En ofschoon de droom van een der redactieleden nu wel niet direct iets was, waar de school mee had te maken, had meneer Reynders, die overigens niet wist wie het stukje had geschreven, het een plaatsje toebedacht in het eerste nummer.

Kortom, de redactie was best tevreden met de ontvangst van hun geesteskind. De vuurproef was glansrijk doorstaan!

"Hij is steengoed!" zei Wil van Someren, terwijl Nel en zij samen moeizaam tegen een fikse wind in naar huis tornden. "Waar haal je het in 's hemelsnaam allemaal vandaan?"

"Nou, nou," lachte Nel, "zoveel was er deze keer van mij echt nog niet bij!"

"Maar jij bent tenslotte toch de promotor!" wierp Wil tegen.

"Nee, de promotor ben jij," zei Nel. "Als jij er niet meteen zo enthousiast over was geweest toen ik er over begon, was het misschien nooit zo ver gekomen!"

Wil haalde de schouders op. Er was trouwens te veel wind, om een regelmatig gesprek op te zetten, want de beide meisjes raakten af en toe haast met de sturen in elkaar verward, zo veel moeite hadden ze om zich schrap te zetten op hun ranke fietsen. Zwijgend trapten ze door.

"Weet je dat Rob van Hoef binnenkort bij ons in de buurt komt wonen?" verbrak Wil hun stilzwijgen na een poosje.

"Rob van Hoef? Nee, daar wist ik niets van," deed Nel onverschillig.

"Zijn ouders hebben woningruil gedaan," wist Wil.

"Ze wonen nu nog ergens in het centrum, maar die woning wordt te klein. Dan krijgen we voortaan gezelschap als we naar huis gaan."

"Mij best," zei Nel, "ik wou dat hij nu al met ons mee reed, dan zou hij ons een duwtje kunnen geven."

"Hij zou wel mal zijn," lachte Wil.

"Hoe is het, heb je nu al ingeschreven voor de schaakwedstrijden?" gooide Nel het over een andere boeg.

"Natuurlijk, dat was toch de afspraak?"

"Nou ja, er worden wel eens meer afspraken gemaakt, die toch niet na gekomen worden."

"O nee, ik vind het veel te leuk," zei Wil.

"Ja, dat...." begon Nel, maar verder kwam ze niet, want op dat ogenblik kwamen ze aan een kruispunt, waar van rechts in snelle vaart een kleine personenauto naderde.

"Kijk uit!" riep Wil nog, terwijl ze zelf al met een sprong naast haar fiets stond, maar Nel reageerde te laat.

Met een enorme zwaai schuin over de straatweg zag de bestuurder van de auto nog juist kans om haar te ontwijken, maar terwijl zij, het bleek een dame te zijn, uit alle macht remde, schoot de auto toch nog zo ver door, dat die een verkeerspaal raakte, die links van de weg stond.

Een fikse kras op het linkerspatbord was het gevolg. Terwijl de beide meisjes een beetje verwezen stonden te kijken, stapte de dame uit, ook tamelijk geschrokken. Even overwoog Nel, er als een haas vandoor te gaan, desnoods de verkeerde richting in. Maar toen vermande ze zich meteen. Ze zou wel gek zijn! Volgens de wettelijke voorschriften mocht die auto dan voorrang hebben gehad, maar het was toch onverantwoordelijk om hier zo snel te rijden! De auto moest beslist ver over de vijftig kilometer per uur hebben gereden, zo snel was hij genaderd.

"Dat gaat je geld kosten, dat begrijp je zeker wel," was het eerste wat de dame er uit bracht.

"U zegt het maar," antwoordde Nel een beetje spottend.

Ze was meteen weer zich zelf. Wat dacht dat mens wel? Ze had toch op zijn minst eerst eens kunnen vragen of Nel erg geschrokken was, in plaats van meteen maar te insinueren, dat alle schuld bij Nel lag!

Een paar omstanders, die er natuurlijk meteen waren, trokken direct partij voor Nel.

"U reed veel te hard," zei de berijder van een bromfiets, die vlak achter Wil en Nel had gereden. "U moet minstens zestig kilometer per uur hebben gereden!"

"Nonsens," zei de dame, "ik reed nog niet eens vijftig!"

Dat wekte natuurlijk van alle kanten protesten uit en Nel hoefde zelf eigenlijk weinig meer te zeggen. Als de dame in kwestie redelijk was geweest, zou zij ook redelijk hebben geantwoord, maar nu die meteen zo uit pakte, genoot Nel er in dat ze van alle kanten tegelijk aan werd gevallen.

"U zit volkomen scheef mevrouw," zei een ander. "Dat meisje moet volkomen verrast zijn door u!"

"Nou, scheef zit ze zeker," spotte een man in een manchester pak, wijzend op de auto. "Hoe komt men met een auto zo scheef op de weg?"

Gelach weerklonk.

Nel, die oorspronkelijk natuurlijk vooraan had gestaan, liet zich langzamerhand een beetje naar achteren dringen. Op zeker ogenblik voelde ze zich aan de arm getrokken door Wil, die de situatie ook al had overzien. En terwijl het gekrakeel over en weer nog even door ging, namen de beide meisjes hun fiets en stapten op, alsof het hele geval hen niets aan ging.

"Zo, dat hebben we weer gehad," zei Wil, toen ze een paar honderd meter verder waren.

Nel lachte, zij het nog niet erg van harte. Eigenlijk vond ze het niet helemaal in de haak, dat ze er stiekum vandoor was gegaan, maar tenslotte viel er met dat mens toch niet te redeneren. En gelukkig ging het alleen maar om een beetje materiële schade. Dat kon hoogstens om een paar tientjes gaan, voor zo ver zij tenminste verstand had van dat soort dingen. En als de vrouw zich kon permitteren om in een gloednieuwe personenauto rond te rijden, dan zou dat ook geen onoverkomelijk iets zijn voor haar.

"Iets om over te schrijven in de schoolkrant?" vroeg Wil.

"Doe me een plezier," schrok Nel. "Praat er maar liever helemaal niet over!"

"Het was maar gekheid," lachte Wil. "Van mij zal niemand er iets over horen!"

"Nou, dat is dan afgesproken," zei Nel opgelucht. "Dan ga ik hier maar de andere kant uit, tot morgen!"

Maar als Nel had gedacht, dat hiermee het geval was afgedaan had ze het toch mis. Zelf was ze het kleine incident na een week al bijna vergeten, totdat ze een dag of tien later samen met Wil weer naar huis fietste. En of het toeval was of noodlot, in ieder geval zag ze op precies hetzelfde punt weer van rechts de kleine auto naderen. Deze keer stond er geen wind en het kleine wagentje reed ook niet bijzonder snel. Was het op een andere plaats gebeurd dan zouden de meisjes waarschijnlijk geen erg hebben gehad in het voertuig. Tenslotte reden er duizenden auto's van dat type langs de weg, velen in dezelfde kleur als die, welke toen hun weg had gekruist. Maar nu het uitgerekend op precies dezelfde plaats was, schoot het voorval hen allebei tegelijk in gedachten.

De chauffeuse had ook hen direct opgemerkt. En hoewel het deze keer niet tot een botsing kwam, stonden ze toch ook deze keer tegelijk stil.

Weer overwoog Nel even om gewoon door te rijden, maar ook nu verwierp ze die gedachte weer direct. Als die mevrouw, of waarschijnlijk was het een juffrouw, zo jong scheen ze nog te zijn, bereid was om nu redelijk te praten, dan had Nel daar in het minst geen bezwaar tegen. Maar ze nam zich voor om ook nu weer weg te rijden als die weer uit begon te pakken zoals de eerste keer!

De kras zat nog op het spatbord en drie paar ogen keken er tegelijkertijd naar.

"Zo, dat is toevallig," zei de eigenares van de auto, en haar stem klonk een beetje cynisch. "Jullie waren wel erg plotseling verdwenen, die eerste keer."

"Daar had u het zelf wel naar gemaakt," vond Nel. "Als u niet direct had gezegd dat alle schuld aan mijn kant lag, had ik zeker wel willen praten."

"Dat zullen we dan nu maar doen," zei de ander.

"Steekt u maar van wal," nodigde Nel uit.

Even leek de ander van haar stuk gebracht door die vrijmoedige toon.

Toen vroeg ze: "Hoe had je gedacht deze zaak te regelen?"

"Voor zo ver er iets is te regelen, lijkt me dat een zaak van de politie," zei Nel effen. "U stapte toen uit en begon direct met mij te beschuldigen van een verkeersovertreding, maar ik geloof dat de schuld aan twee kanten ligt. U reed volgens iedereen die het gezien heeft, veel te snel!"

"Dat zullen we dan inderdaad door de politie uit laten maken. Maar in elk geval had je voorrang moeten geven, daar zijn we het zeker wel over eens."

"Ongetwijfeld," antwoordde Nel openhartig en zonder enige aarzeling.

"Daar ben ik het nu juist helemaal niet mee eens," mengde Wil zich in het gesprek. "Het is te dwaas om voor een auto te wachten, die nog minstens honderd meter weg is. Op die manier kan elke wielrijder wel voor ieder kruispunt blijven wachten!"

"Ik kan me niet herinneren dat je mening gevraagd werd," zei de chauffeuse hooghartig en een beetje arrogant.

Maar dat was precies de verkeerde toon tegen Wil die bepaald een strijdlustige bui had. Nel wist gewoon niet hoe ze het had, zo had ze haar vriendin nog nooit mee gemaakt.

"Ik zal je eens wat vertellen," beet Wil van zich af. "Mijn vriendin is steeds veel te netjes tegenover je gebleven, maar nu kan het langzamerhand wel en zal ik me er eens mee gaan bemoeien, of je het goed vindt of niet! De manier, waarop je hier de vorige week aan kwam rijden, was verreweg onverantwoordelijk. Dergelijke mensen horen, naar de opvatting van ieder normaal denkend mens, niet thuis in het verkeer, zeker niet achter het stuur van een auto. En dat je dan, na zo'n geval nog de brutaliteit hebt om zo'n hoge toon aan te slaan, bewijst niet alleen dat je niet thuis hoort in het verkeer, maar bovendien nog geen manieren hebt ook!"

Zo, dat was er uit! Wil had het woordje "U" laten varen en de ander gewoon getutoyeerd, zo kwaad was ze.

De reacties op haar stortvloed van woorden waren geheel verschillend. Nel stond haar vriendin verwonderd en zelfs een beetje bewonderend aan te kijken. De anders zo rustige Wil ontwikkelde me daar even een strijdlustig betoog, dat klonk als een klok! Een blik van hun "tegenstandster" bewees haar dat die er heel anders over dacht en dat die weinig bewondering kon hebben voor het optreden van Wil. Maar één ding had Wil in ieder geval al bereikt, het arrogante toontje was veranderd in een toon van kwaadheid.

"Je vindt je zelf nu waarschijnlijk wel erg flink hè?" beet ze. "Maar ik heb je al gezegd, dat jouw mening niet gevraagd wordt en dat ik alleen heb te maken met haar!"

Bij die woorden wees ze op Nel.

"Ik zie niet in, waarom iemand, die het hele geval van dichtbij heeft meegemaakt, niet zijn mening zou mogen zeggen," vond Nel bedachtzaam.

"Maar dan in elk geval niet op zo'n onbehouwen manier," vond de ander, nog steeds driftig.

"Dat is dan het bekende geval van de pot en de ketel," zei Wil honend. "Je zou ook kunnen zeggen dat slecht voorbeeld slecht doet volgen. Maar nu gaan we naar huis, het is langzamerhand tijd."

Met die woorden pakte ze Nel resoluut bij de arm en die liet zich gewillig meetrekken. Wil keek nog even om, toen ze op de fietsen zaten en wuifde met een spottend gebaar naar de sprakeloze autoeigenares, die met een verbluft gezicht bij haar wagentje stond, niet precies wetende wat nu te doen. Even scheen ze te overwegen de meisjes achterna te hollen, maar kennelijk zette ze die gedachte meteen weer van zich af. Met een nijdige ruk trok ze het portier open en het volgende ogenblik was ze weg gereden.

"Ze rijdt weer minstens zestig," schatte Wil deskundig, toen het kleine wagentje hen passeerde zonder dat de bestuurster op of om keek. Nel schoot in de lach.

"Sjonge, wat was jij op dreef," zei ze.

"Zo af en toe wil een mens zijn gemoed wel eens luchten bij een onrechtvaardigheid," antwoordde Wil.

"Ja, dat heb ik gemerkt. Ik was zelf een beetje overdonderd door die toon van je. En je trok me zo resoluut mee dat ik gewoon niet tegen durfde te stribbelen."

"Laten we er maar niet verder over praten," vond Wil. "Misschien heb ik me wel erg onbehoorlijk gedragen, maar ik kon het echt niet meer hebben. Het ging zo maar vanzelf."

Ieder in eigen gedachten verdiept reden de meisjes verder.

"Het scheelt me in elk geval een hoop narigheid thuis dat het zo is afgelopen," begon Nel toch weer na een paar minuten. "Als er inderdaad politie aan te pas was gekomen had ik misschien toch voor de schade op moeten draaien. En aangezien mijn spaarcentjes net de vorige maand allemaal op zijn gegaan aan mijn nieuwe fiets, had ik dan vader wel in de arm moeten nemen, met alle gevolgen van dien."

"Volgende week rijden we met zijn drieën," gooide Wil het gesprek zonder enige overgang op een andere boeg. "Dan woont Rob van Hoef hier in de buurt en mag hij ons gezelschap houden."

"Dat schijnt je nog al hoog te zitten," lachte Nel. "Dat heb je me de vorige week ook al verteld en ik meen zelfs dat je er van de week nog een keer over bent begonnen."

"Nou ja," Wil kleurde even, "het is toch wel gezellig met zo'n clubje."

"Het is nog maar de vraag of Rob prijs stelt op het gezelschap van een paar meisjes onderweg."

"O ja, dat weet ik zeker," zei Wil overtuigd.

"Je hebt vandaag wel een erg zelfverzekerde bui," gaf Nel te kennen. "Maar we zullen maar afwachten. Rijdt ie mee, dan vind ik het uitstekend, maar wil hij liever in zijn eentje naar huis rijden dan is het mij ook al lang goed."

"Ik vind je maar onverschillig tegenover één van je collega redacteuren," vond Wil.

"Ben ik ook," lachte Nel. "Nou, ik ga hier maar in mijn eentje verder. Tot morgen!"

"Tot morgenochtend," antwoordde Wil.

HOOFDSTUK III

De gestolen fiets.

"Hoe laat is het?" vroeg Wim geeuwend.

"Bijna half elf," antwoordde Nel, na een blik op haar gloednieuwe horloge te hebben geworpen, een cadeau voor haar laatste verjaardag.

"Dan ga ik langzamerhand aanstalten maken om naar huis te gaan," zei Marjan. "Anders is het thuis weer hommeles omdat ik zo laat ben. Of er moet nog iets bijzonders te bespreken zijn?"

"Nee, ik geloof wel dat we er zo'n beetje zijn voor vandaag," antwoordde Nel in haar functie van voorzitster der vergadering.

"Dan ga ik ook maar," zei Rob. "Mijn ouders zijn de laatste tijd ook al zo lastig. Ik heb al een paar keer te horen gekregen dat ze die schoolkrant heel aardig vinden, maar dat mijn werk op school er niet onder mag lijden."

"Gelijk hebben ze," vond Miek.

"Deugdzame geest!" meende Rob spottend te moeten opmerken. "Ik haal nog steeds op mijn sloffen een voldoende voor mijn werk, dus voorlopig hebben ze nog niets te zeggen."

Ze zaten voor de derde keer sinds de oprichting van de krant te vergaderen, deze keer bij Nel thuis. Diens ouders waren niet thuis en dus hadden ze de hele huiskamer tot hun beschikking gehad. Nel haar ouders waren in dat opzicht erg modern. Ze wisten best dat Nel wist tot hoe ver ze kon gaan met het gebruik van de spulletjes in huis. Die zou er beslist geen rommel van maken. Inderdaad was alles erg gedisciplineerd verlopen die avond en was het er geanimeerd toe gegaan, zonder al te veel strubbelingen.

"Eerlijk gezegd, komt het me ook goed uit dat jullie nu opstappen," zei Nel meer openhartig dan vriendelijk. "Ik verwacht mijn ouders elk ogenblik thuis en vader houdt er van om vroeg naar bed te gaan. Ze zijn naar de bioscoop geweest en daarna zouden ze nog even ergens een kopje koffie gaan gebruiken, dan hoefde moeder dat thuis niet meer te zetten."

"Om half tien zijn de eerste voorstellingen overal afgelopen," wist Wim. "Nou, dan zullen we meteen het veld maar ruimen, mensen."

Tegelijk stonden ze allemaal op om de daad bij het woord te voegen. Rob en Wim waren met de fiets gekomen, de beide meisjes, behoudens natuurlijk Nel, waren per tram.

"Hè, wat een flauwe grap, hebben ze mijn fiets weg gezet," zei Rob, toen ze aan de voordeur stonden.

"Waar had je hem dan neer gezet?" vroeg Nel, die haar gasten uitgeleide deed tot aan de deur.

"Hier, tegen het balconhekje," wees Rob. "Wie kan dat nu hebben gedaan?" Onder het spreken keek hij al beschuldigend naar Wim, maar aan diens gezicht was duidelijk te zien, dat het zijn werk beslist niet was geweest.

"Laten we maar eerst eens om de hoek gaan kijken," zei Nel.

"We wonen hier nu zes jaar en er is hier nog nooit iets gestolen bij mijn weten."

"Nou, wij gaan maar vast, als jullie het niet erg vinden," zei Marjan, terwijl ze Miek een arm gaf om samen naar de bushalte te lopen.

Onderwijl liep Rob al naar de hoek van het huizenblok, maar kennelijk leverde dat vluchtige onderzoek ook geen resultaat op, want met een wrevelig en toch ook enigszins geschrokken gezicht kwam hij al direct weer terug.

"Niet te zien," zei hij. "Zou hij dan toch....."

"Uitgesloten," meende Nel, een beetje bibberend in haar dunne zomerjurkje. "Dan hadden ze de fiets van Wim ook wel meegenomen."

"Die van mij is anders een stuk beter," zei Rob.

"Daar staat tegenover, dat die van mij niet op slot was en de jouwe wel," merkte Wim op.

"Alles goed en wel, maar wat moeten we nu?" mopperde Rob.

"De buurt doorzoeken, dat zal voorlopig het enige zijn," vond Wim. "Kom mee, dan gaan we meteen op pad. Jij neemt de huizenblokken hier achter, dan ga ik de andere kant uit. Misschien heeft de een of ander toch een flauwe streek uitgehaald en je vehikel hier ergens in de struiken gegooid of zo."

" 't Is te proberen," zei Rob. "Maar dat zou dan een wel erg misselijke streek zijn. En als ik dan die knul in mijn handen krijg, is hij nog niet jarig, dat verzeker ik je."

"Met gemopper schiet je niets op," vond Nel. "Doe nu maar wat Wim zegt. Je kunt hier toch moeilijk blijven wachten of hij misschien vanzelf weer bij je terug komt. Ik ga even mijn jas aan doen, het is me zo te koud. En dan kom ik ook helpen zoeken."

"Nou, dat is dan goed," zei Rob, toch getroffen door de hulpvaardigheid van de anderen.

Weldra zocht het drietal intensief de buurt af, maar hoe ze ook zochten en rond keken, het vermiste rijwiel was nergens te bespeuren. Nel woonde in een klein blok huizen, waarvan er een stuk of zes langs de straatweg stonden. Daartussen en er achter waren stroken groen open gelaten, die rijkelijk beplant waren met heesters en andere planten. Als het dus inderdaad zo was dat iemand op het grappige idee was gekomen om die fiets daar ergens tussen te werpen, zou het in donker toch erg moeilijk worden om hem op te sporen. Al het zoeken bleef dan ook voorlopig vruchteloos en na een kwartiertje stonden ze weer met zijn drieën bij hun uitgangspunt, niet wetende wat nu te doen.

"Dadelijk zullen mijn ouders nu toch wel thuis komen; misschien weten die een oplossing," zei Nel, hoewel ze zelf wel voelde dat haar woorden weinig uitzicht boden.

"Die waren al weg toen we kwamen, dus die hebben hem helemaal niet gezien," zei Wim terecht.

"Tja, wat dan?" zei Nel.

Het liefst was ze naar binnen gegaan, maar ze kon het toch ook niet over haar hart verkrijgen om de beide jongens maar te laten zoeken en zich zelf niets meer van de zaak aan te trekken. Tenslotte waren ze haar gasten geweest en dat, vond ze, maakte de zaak dubbel zo vervelend.

"Nog maar eens zoeken?" vroeg Wim.

"Heeft geen enkele zin," zei Rob een beetje knorrig.

Op dat ogenblik naderden twee mensen om de hoek van het huizenblok. Het waren de ouders van Nel, die verwonderd, die late bedrijvigheid op het anders om deze tijd van de dag zo rustige hofje, constateerden.

"Wat gebeurt hier?" vroeg de heer Sopers verbaasd en een beetje ontstemd.

In een paar woorden legde Nel uit wat er aan de hand was.

"We hebben alles in de buurt al afgezocht, maar er is niets te vinden," zei ze nog.

"Maar kind, dan moet hij dus wel gestolen zijn," zei mevrouw Sopers verschrikt.

"Ja, daar begint het langzamerhand wel naar uit te zien," zei Rob somber. "Wat zal mijn vader wel zeggen! Ik kan de laatste tijd toch al niet veel goeds bij hem doen, en dit zal de deur bepaald dicht doen bij hem."

"Dat is nonsens," vond Wim. "Als die van mij nu weg was, lag het nog even anders. Tenslotte had jij je fiets op slot gezet en ik de mijne niet eens. Meer kun je toch ook al niet doen!"

"Ik mag warempel de familie Bos op driehoog wel waarschuwen dat ze hun gloednieuwe wandelwagentje binnen halen," zei mevrouw Sopers. "Als die lui een maal op pad zijn in een bepaalde buurt is zo'n nieuw wagentje ook beslist niet veilig voor hen."

Meneer Sopers haalde zijn schouders op voor de bezorgdheid van zijn vrouw, de anderen gaven geen antwoord.

"Ze zijn wel naar bed," overwoog mevrouw.

"Toch is het misschien niet zo gek," vond Nel nu ook. "Bij de familie Bos hebben ze tenslotte twee jongens van dezelfde leeftijd als Rob. Misschien hebben die per ongeluk de verkeerde fiets in hun box gezet vanavond."

"Het is een mogelijkheid," zei meneer Sopers. "In de portiek hiernaast zag ik terloops ook nog een fiets staan. Wellicht is die van een van hen. Ik neem tenminste aan, dat dat niet het gezochte rijwiel is."

"Nee, die is het beslist niet," zei Rob. "Ik heb hem wel zien staan."

"Dan moesten we daar nu maar eens mee beginnen," hakte mevrouw Sopers de knoop door. "Ik vind het wel vervelend dat ik de mensen uit hun bed moet halen, maar nood breekt wetten en tenslotte moeten we toch iets doen."

"Ik ga met u mee," zei Nel. Zwijgend bestegen moeder en dochter de trappen, terwijl de heer Sopers met de twee jongens aan de buitendeur bleef staan wachten op het resultaat van dat late bezoek.

Mevrouw Sopers klopte met een bescheiden tikje op de deur van de familie Bos. Binnen klonk een brommerige mannenstem, met daartussen door de lichtere stem van een vrouw, maar vooralsnog werd er niet open gedaan.

"Zullen we maar terug gaan?" stelde Nel voor. "Ze schijnen niet bepaald te zijn gediend van bezoek zo 's avonds om een uur of elf!"

Illustratie op pagina 32Mevrouw Sopers antwoordde niet. Nogmaals tikte ze op de deur, nu iets harder. Dat scheen meer effect te sorteren, want onmiddellijk klonken voetstappen in de gang achter de huisdeur. Even later verscheen een slaperig gezicht om de hoek van de deur, die slechts aarzelend werd geopend. Het was de heer des huizes zelf die kwam kijken welke bezoekers hij op dit late uur aan de deur had.

Nel had moeite om niet in de lach te schieten toen ze de buurman in nachtgewaad voor zich zag staan en ook op het gezicht van haar moeder verscheen een glimlach, die ze echter meteen weer onderdrukte.

Het gezicht van meneer Bos drukte overigens verschillende gevoelens uit. Eerst was hij kennelijk van plan geweest om een paar weinig vriendelijke woorden te uiten, maar toen hij het gezicht van zijn buurvrouw herkende, trachtte hij direct dat in een vriendelijke plooi te trekken.

Nu ze daar voor de deur stonden met de ontijdig uit zijn slaap gehaalde buurman om het hoekje kijkend, begreep Nel niet waar ze de moed vandaan hadden gehaald om naar boven te gaan. Ze was dan ook benieuwd hoe moeder dit op zou lossen, maar meneer Bos scheen daar helemaal niet nieuwsgierig naar te zijn.

"Ik zal even mijn vrouw roepen," zei hij verward, zonder dat moeder of Nel gelegenheid kreeg om een woord te zeggen.

Veel sneller dan hij naar de deur gekomen was, verdween hij weer in de gang.

"Vrouw, kom er eens even bij," hoorden ze hem zeggen, op een toon alsof hij een verschrikkelijke ontdekking had gedaan.

Gelukkig wist mevrouw Bos de situatie beter te beoordelen.

"Gunst mevrouw Sopers, wat leuk dat u even aan komt," zei ze lachend. "Wat mag ik voor u doen?"

Toen moeder het verhaal had verteld, toog ze meteen naar de slaapkamer van haar jongens om die aan de tand te voelen. Twee verongelijkte jongensstemmen klonken tegelijk door het donkere huis.

"Weet ik niets van, laat u me nu slapen!" zei de oudste.

"Laat ze zelf op hun spullen letten," bromde de ander, "daar hebben wij toch 's avonds laat geen boodschap meer aan."

"Als u goed heeft geluisterd, heeft u kunnen horen dat mijn spruiten kennelijk hun handen in onschuld wassen," zei mevrouw Bos, nadat ze weer was teruggekeerd naar haar late bezoekers.

"Maar in ieder geval ga ik even met u mee om het wandelwagentje van mijn jongste binnen te zetten."

"O, dat doe ik met plezier even voor u," haastte Nel zich te zeggen.

"Nee, ik ga zelf wel even mee," besliste mevrouw Bos. "Ik wil me toch ook nog graag even overtuigen dat de fiets van die jongen werkelijk niet in onze box terecht is gekomen. Eerder slaap ik toch niet rustig weer in."

En zo liepen ze even later met zijn drieën weer naar beneden.

"We zouden nog even bij de familie Waanders kunnen vragen," vond mevrouw Bos. "Die hebben tenslotte ook een zoon, die van de leeftijd van die jongens is."

"Och nee," schrok mevrouw Sopers, "ik vind het van u erg vriendelijk dat u met ons mee wilt gaan, maar we kunnen er toch moeilijk de hele trap voor wakker maken."

Mevrouw Bos tikte echter al resoluut op de deur van de buren op tweehoog. Nel had nu werkelijk moeite om haar lachen in te houden. Eerst natuurlijk de man, die tenslotte de flinkste moest zijn, en die er waarschijnlijk direct zijn vrouw bij zou halen wanneer hij zag dat het vrouwelijke bezoekers waren die hem zo laat zijn bed uit haalden.

Wat Nel verwacht had, gebeurde prompt. En ook mevrouw Waanders was direct bereid om even naar beneden te lopen en in haar box te kijken. Zoonlief bleek daartoe niet bereid te zijn, in het zalige gevoel dat hij volkomen onschuldig was aan deze affaire.

Het was een hele optocht, die tenslotte beneden arriveerde. Maar noch in de box van de familie Bos, noch in die van de familie Waanders bleek de fiets te staan, de aanleiding tot deze nachtelijke geschiedenis.

"Wat is er toch aan de hand?" klonk plotseling een stem van het balcon op één-hoog. "U maakt de hele trap wakker!"

"We zoeken een fiets," zei meneer Sopers laconiek.

"Een vreemde tijd van de dag, om een fiets te zoeken," vond buurman Oostveen brommerig. "Als die fiets op een vreemde tijd van de dag zoek is geraakt, zullen we hem op dat vreemde moment moeten gaan zoeken," vond meneer Sopers.

"Hier voor de deur staat hij anders beslist niet," vond meneer Oostveen, "anders had u hem toch zeker al lang gevonden."

Niemand verwaardigde zich verder nog, om antwoord te geven. Buurman Oostveen stond bekend als een lastig mens, die al gauw vond dat men zich als medebewoner van het blok niet gedroeg zoals het behoorde. Dat was echter beslist niet naar de zin van de laatste.

"Ik waarschuw u, dat het nu afgelopen moet zijn," zei hij. " 's Avonds om bij half twaalf mag ik verwachten dat alles voor mijn deur rustig is. Morgenochtend om half zes loopt de wekker weer af bij me."

"Ach man, hoepel op," kon Rob niet nalaten te zeggen.

Maar toch had zijn stem luid genoeg geklonken door de stille avond om verstaanbaar te zijn voor de nu werkelijk boos wordende meneer Oostveen.

"Welja, ook dat nog," bitste hij. "Eerst zetten de jongelui de hele boel hier op stelten en dan vinden ze het nog noodzakelijk om een grote mond te geven. En de rest van de buren doet dapper mee!"

Nel kon het niet laten, ze moest even naar boven kijken naar de kwade buurman. Ze wilde zich tot iedere prijs afzijdig houden, omdat er tenslotte ouderen genoeg waren om de heer Oostveen van repliek te dienen.

Maar toen ze inderdaad haar blikken naar boven wierp, gebeurde waar ze al een tijdje voor had gevreesd. De lachbui die al een poosje achter in haar keel had gekriebeld, kwam tot een uitbarsting. Ze vond het zo'n verschrikkelijk zotte situatie dat ze het echt niet meer kon houden. De aanblik, die buurman Oostveen bood, daar één-hoog op zijn balcon, gaf er dan ook alle aanleiding toe. Nel had al direct gevonden dat hij een beetje vreemd praatte, maar nu viel haar de oorzaak op; meneer Oostveen had niet de moeite genomen om zijn pas gekochte gebit in zijn mond te doen. Bovendien had hij een pyjama aan van een in het halfdonker ondefinieerbare kleur, die hem verschrikkelijk gek stond, althans in de ogen van een meisje van een jaar of veertien. Helder klonk haar lach tegen de gevel op, en dat was niet de juiste reactie om meneer Oostveen tot bedaren te brengen.

"Nel, houd je mond," zei meneer Sopers bestraffend, maar Nel hoorde dat hij zelf moeite had om zijn lachen in te houden. Nel had het gevoel voor humor van haar vader, maar tenslotte voelde die zich verplicht om zijn vaderlijk gezag te laten gelden waar de buren bij stonden.

"Ja pa," zei Nel dan ook gewillig en inderdaad deed ze al haar best om de lachspieren in bedwang te houden, hetgeen haar wonderwel gelukte.

"Tja, maar wat moeten we nu?" zei meneer Sopers, zonder verder acht te slaan op de reacties van meneer Oostveen. "We kunnen hier toch moeilijk blijven staan vergaderen. Daar is het de tijd niet voor en bovendien schieten we er verdraaid weinig mee op."

"Ik ga maar met de tram en de bus," zei Rob somber. "Die fiets is toch weg. Morgen ga ik wel naar de politie, hoewel dat toch ook niets uithaalt."

"Er worden dagelijks tientallen fietsen gestolen," wist Wim. "En hoogstens tien procent komt weer terecht."

"Maar je haalt dadelijk niet eens meer de tram," zei Nel bezorgd. "Je moet, geloof ik twee keer overstappen, is het niet?"

"Ja, ook dat nog," zei Rob mismoedig.

"Nou ja, het eerste stuk kun je in ieder geval bij mij achterop de bagagedrager zitten," zei Wim. "En desnoods breng ik je dan ook wel naar de tramhalte, dan haal je het in elk geval. Die halte is niet zo ver bij mij uit de buurt, en dan behoef je verder niet meer over te stappen."

"Graag," zei Rob dankbaar.

"Maar we kunnen nog één ding doen," zei meneer Sopers.

"En dat is?" klonk het van twee, drie kanten tegelijk.

"We lopen gewoon de verschillende boxen langs. Mevrouw Bos heeft wel een sleutel van de buitendeur voor de gezamenlijke ingang waar haar box en die van de andere buren is. En onze sleutel past op de buitendeur daar naast. Zodoende kunnen we een stuk of zestien fietsenbergplaatsen inkijken, met behulp van een zaklantaarn. En die heb ik wel binnen."

Aldus werd besloten. Mevrouw Bos liep behulpzaam naar boven om haar sleutel te halen en daarna ging het in optocht, iedereen wilde het avontuurtje tot het laatste mee maken, naar het blok huizen naast het hunne, waar de gemeenschappelijke ingangen van de verschillende stallingen waren. Meneer Oostveen keek vanaf zijn uitkijkpost met gemengde gevoelens toe....

En, waar niemand eigenlijk meer op had gerekend, hun speurtocht had succes! De deuren, waarmee de bergplaatsen waren afgesloten, bestonden grotendeels uit een stevig gevlochten soort gaas, zodat men gemakkelijk met behulp van de sterke zaklantaarn naar binnen kon kijken. En bij de derde box, waar meneer Sopers het licht in deed schijnen, gaf Rob een kreet.

"Daar staat ie!" schreeuwde hij bijna. "De dieven!"

"Tut tut, rustig aan," suste meneer Sopers. "Er is geen sprake van een bewezen opzet! Iemand die er op uit is om een fiets te stelen, zet hem niet zo vlak in de buurt neer en zeker niet zo open en bloot dat ieder hem kan zien!"

Maar Rob antwoordde niet.

"Weet u van wie die box is?" vroeg hij.

"De derde deur," telde meneer Sopers. "Die is van...., nee maar, die is van meneer Oostveen!"

En toen barstten ze allemaal tegelijk uit in lachen. Het klonk zo hard door de van steen opgetrokken buitenmuren, dat ze van schrik meteen ook weer stil waren.

"Sst," zei meneer Sopers, "anders zouden de mensen hier met recht en reden kunnen zeggen dat we een beetje kalmer aan moeten doen, en dat wil ik liever voorkomen."

"Maar die zal ik eens even zijn vet geven," zei mevrouw Bos strijdlustig. "Daar zet me die man een brutale mond op, en dan blijkt hij tenslotte zelf de schuldige te zijn van al dat kabaal!"

"Maar hoe komt iemand zo verstrooid?" vroeg meneer Sopers zich af. "Ze hebben op het ogenblik een logé," wist Nel. "Waarschijnlijk hebben ze de fiets van Rob voor die van hem aangezien."

De dames Bos en Waanders waren inmiddels al terug gelopen, ofschoon die in feite het minst bij de affaire waren betrokken. Maar kennelijk genoten ze er al bij voorbaat in, dat ze nu de lastige meneer Oostveen eens heerlijk op zijn nummer konden zetten.

Toen de anderen dan ook terug kwamen, had zich daar al een interessant gesprek ontwikkeld.

"Bestaat niet," hoorden ze vanaf het balcon gedecideerd zeggen.

"Bestaat wel," zei mevrouw Bos. "Die jongen heeft hem toch zelf herkend als de zijne?"

"Mens, ik heb dat ding zelf weggezet," zei meneer Oostveen. "U ziet me toch zeker niet voor gek aan?"

"Niet voor gek," mengde de heer Sopers zich er tussen.

Kennelijk werd het hem nu toch ook een beetje te gortig, het eigenwijze gedrag van zijn buurman.

"Er is hier niemand die zegt dat u gek bent, maar op zijn zachtst uitgedrukt een beetje halsstarrig. Doet u me nu een plezier en komt u even naar beneden, of geeft u op zijn minst de sleutel van uw box, dan halen we de fiets er zelf wel uit."

"U zult zien dat u abuis is," zei buurman éénhoog. "En als dat inderdaad het geval is, doe ik aangifte bij de politie wegens burengerucht."

"U doet maar waar u zin in heeft. Maar gaat u nu mee of niet, anders zal ik de politie er in moeten mengen."

Dat argument scheen toch een beetje indruk te maken. Mopperend verdween de nog altijd alleen in nachtgewaad gehulde gedaante naar binnen. Een paar minuten later kwam hij naar beneden met een overjas over zijn pyjama. Zonder iets te zeggen ging hij voor naar de box om de fiets er uit te halen. Maar als men nu had gedacht dat hiermee de zaak beslist was, zat men er toch naast. Eerst moest de logé nog komen om te bevestigen dat dit niet zijn fiets was! Maar toen mocht Rob dan toch zijn rechtmatige eigendom in ontvangst nemen en keerde de rust weer op het hof. Tegen middernacht lagen alle betrokkenen in hun bed en waren de verontruste ouders van Wim en Rob weer op hun gemak gesteld.

Overigens had meneer Oostveen een paar kwade dagen de boeg. Daar zorgden verschillende buren voor, die zich geroepen voelden het voorval nog enkele keren op te halen, liefst in zijn bijzijn....

HOOFDSTUK IV

Er dreigen moeilijkheden.

Er dreigde onenigheid in de redactiestaf van "Onderonsje". De indirecte aanleiding daar toe was Wil van Someren, de directe werd gevormd door Rob van Hoef, of eigenlijk een artikeltje dat hij had laten plaatsen in het schoolblad.

Rob woonde nu bij de meisjes in de buurt en reed regelmatig met hen op na schooltijd. Nu was daar geen enkel bezwaar tegen, de beide meisjes vonden het zelfs wel gezellig, maar de moeilijkheden waren ontstaan, toen Wil het verhaal vertelde van het incident met de bestuurster van de auto.

"Zoiets moet je een beetje smeuïg in de schoolkrant zetten," vond Rob, toen Wil uitgepraat was. "Daar smullen ze allemaal van! Zit een pracht copy in."

Maar Nel was het daar helemaal niet mee eens.

"Bewaar je deskundige woorden nu maar voor een andere gelegenheid," zei ze scherp.

Het werd een hele discussie daar op de fiets, waar pas een eind aan kwam, toen Nel in haar eentje rechtsaf sloeg, terwijl de andere twee samen verder reden voor het laatste stuk. Maar wat die twee onderweg nog hadden besproken, zou Nel wel nooit achter komen. In ieder geval was het artikel toch in de volgende editie van "Onderonsje" verschenen, tot grote ergernis van Nel, die de zaak liever in de doofpot had gestopt. Wat schoot je er mee op, zo'n geval nog eens aan de grote klok te gaan hangen, geheel buiten beschouwing gelaten wie er nu eigenlijk het recht aan zijn, of liever gezegd, haar kant had, zij of de eigenares van de auto!

Bovendien vond ze, dat ze gepasseerd was in haar functie van hoofdredactrice. Want als zodanig werd ze toch wel beschouwd, ook al was er dan in de oprichtingsvergadering een smalende en insinuerende opmerking over gemaakt. Maar als er wat op te knappen viel bij meneer Reynders, werd zij er steeds op af gestuurd, en zodoende werd zij toch stilzwijgend als het hoofd van "de redactiestaf" gezien en erkend. En ofschoon Nel heus geen last had van overdreven eergevoel, stak het haar toch een beetje dat dit zo buiten haar om bedisseld was. Dat Wim Bach, de verantwoordelijke man voor de opmaak van de krant, direct had verklaard in de veronderstelling te hebben verkeerd dat Nel akkoord ging met het stukje, veranderde weinig aan de zaak.

"Och kind, maak je er toch niet zo druk om!" zei Rob. "Het is nog te begrijpen, dat je het zelf niet in het blad hebt willen zetten, maar nu ik het heb gedaan, is er toch niets aan de hand? Bovendien heb ik niet eens namen genoemd, dus iedereen mag raden wie er bij dat voorvalletje betrokken zijn geweest!"

"Daar gaat het me niet alleen om!" zie Nel heftig. "En dat weet je ook best! We hadden afgesproken dat we gezamenlijk de copy door zouden nemen alvorens die gestencild werd."

"Een uitzondering op de regel," vond Rob.

"Als een dergelijke uitzondering al wordt gemaakt bij het derde nummer, dan belooft dat niet veel goeds voor de toekomst en heb ik zo het gevoel dat iets dergelijks nog wel eens meer zal gebeuren. Bovendien had ik je duidelijk genoeg gezegd dat ik het liever niet had!"

Rob haalde zijn schouders op en stak met een wanhopig gebaar zijn handen in de lucht, daarmee het risico lopend van een bekeuring doordat hij nu zonder handen aan het stuur fietste.

"Maar waarom dan toch in 's hemelsnaam niet?" vroeg hij voor de zoveelste keer.

"Dat doet niet ter zake, en trouwens, dat heb ik je al eens gezegd. Ik vond het helemaal geen voorval om in de krant te zetten, want er was beslist niets leuks aan."

"Dank je wel voor je compliment," zei Rob. "Ik dacht nog wel dat ik er iets aardigs van had gemaakt, en in dat idee sta ik niet alleen, geloof ik."

Zo kibbelden ze nog een poosje door, terwijl Wil zich er maar wijselijk buiten hield en zwijgend door fietste. Maar veel schoten ze er niet mee op.

"Als zoiets weer gebeurt, schei ik er onherroepelijk mee uit," dreigde Nel tenslotte, en dat was het enige argument, waar Rob tenslotte naar wilde luisteren, en waar hij niets meer tegen in durfde brengen.

Hij kende Nel nu goed genoeg om te weten dat ze haar woorden waar zou maken. Dan zou meneer Reynders natuurlijk gaan vragen waarom dat was en had hij tenslotte een mooie kans, dat hij er op aangekeken werd. Terecht natuurlijk, al vond Rob het hele geval nogal onschuldig en meende hij dat er al veel te veel woorden aan waren verspild.

"Goed dan," zei hij, "ik beloof je plechtig dat ik ieder stukje voortaan aan je voor zal leggen ter goedkeuring. Is het zo dan goed?"

Maar Nel hoorde heel goed de spottende toon in zijn stem en daarom verwaardigde ze zich niet meer, om antwoord te geven. Een beetje geprikkeld reed ze zwijgend door.

Dat gesprek had zich afgespeeld op dezelfde dag, dat het derde nummer van het nieuwbakken schoolblad was verschenen. De dag daarna, het was tijdens de natuurkundeles, kwam meneer Reynders het klasselokaal binnen. Dat gebeurde wel een enkele keer vaker, zodat niemand er eigenlijk direct erg in had. Meestal had hij dan een mededeling voor de leraar, om vervolgens weer te verdwijnen.

Maar deze keer verliep het anders.

Na de leraar te hebben begroet, wendde de directeur zich over de hoofden van de andere leerlingen tot Nel.

"Ik zou graag zien dat je na schooltijd even bij me op mijn kantoor kwam," zei hij kort, maar niet onvriendelijk.

"Ik meneer?" vroeg Nel een beetje verbaasd.

Ze was zich van geen kwaad bewust. Meestal gebeurde zoiets, als de één of andere leerling iets op zijn geweten had, of dat er in een andere vorm klachten over hem waren.

"Ja, inderdaad," zei meneer Reynders.

"Uitstekend meneer," zei Nel.

Een vaag gevoel van onrust maakte zich van haar meester. Wat zou de baas te bespreken hebben met haar?

Een ogenblik dacht ze nog aan het stukje in de schoolkrant dat buiten haar medeweten was geplaatst, maar het volgende ogenblik verwierp ze die gedachte ook al weer. Tenslotte had er toch niets kwaads in gestoken? Rob had het artikeltje vrij algemeen gehouden, zo in de trant van "wees een heer in het verkeer" of iets dergelijks. Dat het in dit geval alleen vrouwen of meisjes had getroffen, was helemaal niet vermeld.

Maar ondanks het feit de ze de gedachte probeerde weg te drukken kwam die toch steeds weer bij haar boven. Ze pijnigde haar hersens af over de vraag wat het anders kon zijn. Misschien vond meneer Reynders, min of meer terecht, dat dit voorval met de school eigenlijk niets had te maken en niet bijzonder genoeg om zoiets aan de hele school voor te schotelen. Een mening, die Nel overigens zelf ook toe was gedaan.

Onder een spanning die ze zich zelf niet wilde erkennen, verliep de middag verder. Met een zucht van verlichting klapte Nel om klokslag vier uur haar boeken dicht en ruimde haar tafeltje op.

"Ga maar vast weg," zei ze nog inderhaast tegen Wil. "Ik heb geen idee hoe lang de baas me wil spreken."

Wil knikte.

Beheerst ging Nel de brede hal door in de richting van het kamertje van de directeur. Wat kon haar tenslotte gebeuren? Het enige was dat meneer Reynders een beetje kritiek uitoefende op de inhoud van de krant. De eerste keer was alles aan hem voorgelegd als een soort censuur, maar toen had hij meteen gezegd dat hij de redactie verder volkomen vrij liet om te plaatsen wat volgens hen daar voor in aanmerking kwam, maar dat hij zich wel het recht voorbehield om er eventueel later wat van te zeggen. Nou, dat scheen hij dan nu te gaan doen en dat was dus zijn goed recht.

"Binnen" klonk de stem, nadat Nel haar knokkels tegen de deur had geplaatst.

"Hier ben ik meneer," zei Nel een beetje overbodig, toen ze in het gezellige, moderne vertrek stond.

"Dat zie ik, ga even zitten," zei meneer Reynders. "Ik ben zo klaar."

Op haar gemak, alsof ze hier dagelijks kwam, maakte Nel gebruik van het aanbod. Een paar minuten ging de baas nog door met het maken van verschillende notities, toen schoof hij zijn paperassen opzij en keek Nel lachend aan.

"Zo," zei hij, "nu zal ik je nieuwsgierigheid dan maar bevredigen."

Verbaasd keek Nel naar de man tegenover haar. Hoe wist hij dat ze de hele middag een beetje in spanning had gezeten? Ach ja, het was ook eigenlijk logisch. Iedere leerling was tenslotte nieuwsgierig naar wat de directeur met hem of haar had te bespreken, dus waarom zou zij eigenlijk een uitzondering maken! Een beetje lacherig om haar bijna te kort geschoten fantasie wachtte ze maar af.

"Tja," zei meneer Reynders, terwijl hij eens met zijn hand door zijn haar woelde, "eerlijk gezegd zit ik zelf een beetje met mijn vraag in."

Verbazing bij Nel. De directeur wilde haar iets vragen, maar durfde eigenlijk niet? Maar ze wachtte verder maar rustig af wat er uit de bus zou komen.

"Kijk eens," zei meneer Reynders, "ik heb na het verschijnen van jullie eerste schoolkrant, waarvoor ik overigens alle lof heb, gezegd dat jullie vrij waren om er in te zetten wat je goed dacht. Binnen redelijke grenzen natuurlijk."

Aha, daar had je het al!

"Nu heb ik als belangstellende natuurlijk ook het laatste nummer gelezen," vervolgde meneer Reynders, "en nog meer, ik heb het ook thuis laten lezen, omdat mijn vrouw uiteraard ook zeer mee leeft met de gebeurtenissen hier op de school."

Weer wachtte de directeur even, terwijl Nel hem met klimmende verbazing, die wel op haar gezicht moest zijn af te lezen, afwachtte wat er verder zou komen.

"Nu was er nog een derde belangstellende in de kamer, behalve mijn vrouw en ik. De jongste zuster van mijn vrouw zat er namelijk ook bij. Die heeft wel niets met het onderwijs te maken, maar een zekere letterkundige aanleg, of laten we het ontwikkeling noemen, kan haar niet ontzegd worden. Ze werkt namelijk in de universiteitsbibliotheek, kort en goed, ook zij wilde graag jullie pennevruchten eens lezen."

Nel begreep er nog steeds geen steek van. Wat had nu die schoonzuster van meneer Reynders er weer mee te maken? Maar weldra werd het haar duidelijk, want de volgende woorden deden haar even rood aanlopen.

"En die schoonzuster van me las daar onder andere een stukje, waarin ze dacht, een rol te hebben gespeeld," hervatte meneer Reynders zijn verhaal weer na een korte pauze.

Nel wist genoeg. Hoe was het mogelijk dat ze uitgerekend de zuster van mevrouw Reynders die kras op haar auto'tje had gegeven! En alsof dat nog niet sterk genoeg was, hoe kon een toevallige samenloop van omstandigheden het zo in de hand werken, dat ze dan ook nog dat verhaal las!

"En nu zal ik je er beslist niet boos op aan zien als je me geen antwoord geeft op mijn vraag. Persoonlijk heb ik zelfs liever dat je me er niet op antwoordt. Maar ik heb me laten ontvallen, eigenlijk zonder me te realiseren wat ik zei, dat ik de bij dat voorval betrokkene voor haar op zou sporen. Ik heb er gelukkig meteen aan toegevoegd dat ik geen der leerlingen, die in de redactie zitten, zou trachten te dwingen om namen te noemen, waar ze die in jullie krant kennelijk met opzet hebben verzwegen. Weet jij wie dat is geweest? Nogmaals, als je het niet weet of liever niet wilt zeggen, laat ik je meteen vertrekken, want eerlijk gezegd vind ik het vervelend genoeg dat ik die belofte zo vlot heb gedaan."

Tja, daar zat Nel. Een ogenblik overwoog ze, net te doen alsof ze van niets wist. Maar juist het feit, dat meneer Reynders zelf de zaak zo sportief en eerlijk behandelde, maakte dat voor haar dubbel moeilijk. Hoe ze gereageerd zou hebben als de directeur haar een standje zou hebben gemaakt of haar in elk geval had willen dwingen om namen te noemen kon ze natuurlijk moeilijk zeggen. Nu echter voelde ze, dat ze het beste open kaart kon spelen.

"Dat was ik zelf," zei ze zo kalm mogelijk.

Voor de zoveelste keer hing er een korte stilte in het vertrek. Meneer Reynders moest zich kennelijk even bezinnen, hoe de zaak nu verder aan te pakken. En Nel had geen enkele behoefte om het stilzwijgen te verbreken. Ze wachtte maar rustig af, hoe de reactie zou zijn en wat voor consequenties haar openhartige woorden zouden hebben.

"O," zei meneer Reynders tenslotte met een weinig intelligente uitdrukking op zijn gezicht, die bij zijn waardigheid als directeur van een middelbare school slecht paste.

"Tja," zei Nel, om toch ook iets te zeggen.

Ze voelde zich op dit ogenblik haast superieur aan de man tegenover haar, die kennelijk met de ontstane situatie haast geen raad wist.

"En wat nu?" vroeg meneer Reynders. "Dat laat ik graag aan u over meneer," zei Nel.

"Vertel eens, hoe zat dat eigenlijk?" vroeg meneer Reynders, naar het Nel scheen, om tijd te winnen.

In het kort vertelde Nel waarheidsgetrouw hoe alles was gebeurd. Alleen verzuimde ze om al te veel de naam te noemen van Wil. Tenslotte was die wel de voornaamste oorzaak geweest van de "rel" die was ontstaan na het gebeurde, maar per saldo had ze dat gedaan in een spontane opwelling en ter wille van Nel. Al achtte die zich zelf best in staat om haar eigen boontjes te doppen! Ook vertelde ze dat het stukje eigenlijk tegen haar wil in de schoolkrant was geplaatst. Tenslotte vond ze, dat meneer Reynders het recht had om dat te weten.

"Ja ja," zuchtte meneer Reynders, toen ze uitverteld was. "Als ik dat verhaal zo hoor, heeft mijn schoonzusje zich nu niet bepaald als een dame gedragen!"

"Ik kan me haar kwaadheid wel een beetje voorstellen," vergoelijkte Nel. "Het was ook erg jammer voor die kras."

"Inderdaad," zei meneer Reynders. "Ik weet, dat ze jaren heeft gespaard voor dat wagentje. Ze had het pas een paar weken en was er zo trots op als een pauw en erg zuinig."

Die zuinigheid dacht Nel het hare van, gezien de te hoge snelheid waarmee ze met het vehikel door het verkeer snorde, maar ze wachtte zich wel om daar iets van te zeggen.

"Ik vind het erg vervelend meneer," zei ze daarom maar. "En ik ben alsnog bereid om uw schoonzuster mijn verontschuldiging aan te bieden, al was het maar om u uit deze situatie te redden."

In zichzelf moest ze lachen om de dwaze toestand en eigenlijk vond ze haar opmerking wel een beetje vrij ook. Daar zat zij, als leerling van de school waar van meneer Reynders het hoofd was, met hem te praten alsof hij haar gelijke was die haar hulp op dit ogenblik van node had! En het mooiste was, dat meneer Reynders het als een volkomen normale zaak scheen te beschouwen, de directeur die zich anders van zijn leerlingen heus niet al te veel vrijpostigheid aan liet leunen. Dat hadden diverse leerlingen al tot hun schade en schande moeten ondervinden.

"Dat vind ik erg sportief van je, maar ik geloof, nu ik de zaak van twee kanten heb gehoord, dat er van een excuus niet veel sprake kan zijn. En dat is nu juist het vervelende. Ik geloof zelf, dat ik veel gevoel voor rechtvaardigheid heb, om dat van je te mogen verlangen. Nee, ik weet een andere oplossing. Als jij bereid bent, om je verontschuldigingen aan te bieden, zul je ook wel bereid zijn om eens een avondje bij mij en mijn vrouw op bezoek te komen. Dan nodig ik ook mijn schoonzuster uit en maken we er gewoon een gezellige avond van. Ik geloof stellig dat jullie elkaar wel zullen liggen. Ze is heus niet kwaad, die schoonzuster van me, maar je moet haar even beter leren kennen."

Nel kreeg er een kleur van, zo overviel de uitnodiging haar. Een ogenblik kreeg ze nog argwaan. Zou meneer Reynders haar onder dat voorwendsel willen confronteren met haar tegenstandster in de woordenstrijd na het incident, om haar daar een beetje voor schut te zetten in diens aanwezigheid? Het volgende moment verwierp ze echter meteen weer die gedachte. Dat mocht ze niet van hem denken! Als hij daar op uit was geweest, had hij deze kwestie meteen heel anders aangepakt en trouwens, dat verwachtte ze ook helemaal niet van hem.

"Graag meneer," aanvaardde ze de uitnodiging.

"Dat is dan afgesproken," zei meneer Reynders opgelucht, blij dat hij een voorlopige oplossing had gevonden.

Hoe de situatie zich verder zou ontwikkelen, kon hij dan naderhand nog bekijken, maar hij vertrouwde inderdaad, dat dit tweetal elkaar het leven beslist niet zuur zou maken en het, vooral voor zijn schoonzusje, beslist geen kwaad zou kunnen dat ze eens met elkaar in contact kwamen. De laatste was, weinigen konden dat beter beoordelen als meneer Reynders met zijn scherp psychologisch inzicht, een beetje over het paard getild. Ze was de jongste van twee zusters en vroeger thuis nog al verwend. Zodoende stelde ze aan het leven dan ook hoge eisen, vooral waar het er op aan kwam om zich met een zekere luxe te omgeven. Daarbij kwam dan nog, dat ze over het algemeen een niet al te hoge dunk had van, wat ze met een modern woord noemde "de teenagers van tegenwoordig." Op welke gronden dat gebaseerd was, kon de heer Reynders niet bevroeden. Ze was zelf nota bene nog niet eens zo lang de leeftijd van diezelfde teenagers gepasseerd! Overigens was ze niet kwaad, zijn enige schoonzus, dat wist meneer Reynders ook heel zeker. Enig contact met wat meneer Reynders beschouwde als een der beste vertegenwoordigsters van de teenagers zou misschien haar vooroordeel op dat punt een beetje ten goede komen.

Terwijl die gedachten vluchtig door het hoofd van de directeur speelden, stond hij op.

"We spreken dan nog wel nader af. Tenslotte mag ik niet over je vrije tijd beschikken door je maar voor een bepaalde avond te ontbieden, nietwaar. Vraag eerst aan je ouders wanneer je er eens een avondje tussen uit mag en kom me dat zo spoedig mogelijk vertellen."

"Best meneer," zei Nel nog eens terwijl ze ook opstond om naar huis te gaan.

Met een stevige handdruk nam meneer Reynders afscheid van zijn leerlinge, die zich snel naar buiten spoedde.

Moeder zou niet begrijpen waar ze zo lang bleef! Die dacht natuurlijk minstens dat ze iets op haar kerfstok had, waarvoor ze langer op school moest blijven. Ze zou vreemd op kijken, als ze de ware toedracht van Nels late thuiskomst hoorde!

Tot nu toe had Nel er thuis nog met geen woord over gesproken, maar nu zou ze het verhaal nog eens moeten vertellen.

In zichzelf af en toe grinnikend om de wonderlijke speling van het lot, die een schijnbaar onbenullig voorval zo veel gevolgen had doen hebben, fietste ze naar huis toe, ruim een half uur later dan ze gewend was.


 

HOOFDSTUK V

Meneer Nijboer vertelt...

Hoewel mevrouw Sopers heus wel wat gewend was van haar dochter en niet direct vreemd keek als die eens met een wonderlijk verhaal thuis kwam, stond ze eerst toch wel een beetje ongelovig te kijken toen ze hoorde van de vererende uitnodiging voor haar dochter.

Toen alle twijfel aan de echtheid was weggenomen, was haar eerste reactie: "Maar dan moet je er wel behoorlijk uit zien kind."

"O, dat komt best voor elkaar moedertje!" lachte Nel. "U doet het voor komen alsof ik er anders altijd bij loop alsof ik me nergens iets van aan trek!"

"Dadelijk ga je nog beweren dat je erg netjes bent op je kleren," zei moeder.

"Pfft," deed Nel. "Gewoon door de week naar school kan ik toch moeilijk alle dagen in pontificaal gaan. Dat zou u trouwens niet eens goed vinden!"

"Nee, 't is goed, 't is al goed," wuifde moeder weg. "Als we het er maar over eens zijn, dat je je speciaal voor die avond behoorlijk kleed."

"Ach maar natuurlijk," deed Nel, nu een beetje geïrriteerd. "Ik weet echt wel, hoe ik me moet gedragen bij zo'n gelegenheid."

"Nou, soms twijfel ik er wel eens aan," zei mevrouw Sopers.

"Vertelt u me liever eens wanneer ik mag gaan," drong Nel aan.

"Wanneer je mag gaan?" deed mevrouw Sopers verwonderd. "Heeft meneer Reynders dan geen bepaalde avond genoemd?"

"Welnee," lachte Nel, "dat wordt helemaal aan u over gelaten! Hij zei juist dat hij niet over mijn vrije tijd wilde beschikken en dat hij het daarom helemaal aan mij, of liever gezegd aan u overliet om een avond vast te stellen."

Mevrouw Sopers hoorde het allemaal maar hoofdschuddend aan. Het was, dat ze haar dochter niet kende als een fantaste in dit soort dingen, maar anders zou ze nog geen woord hebben geloofd van hetgeen die haar allemaal vertelde. Eerst had ze bijna een aanrijding met een familielid van de directeur der school en dan, alsof die haar daar dankbaar voor was, nodigde datzelfde hoofd haar uit om een avond op visite te komen teneinde er nog eens over te praten. Dat soort dingen behoorde te worden behandeld in de kamer van de directeur, vond mevrouw Sopers. Kennelijk had ze maar weinig vertrouwen in de paedagogische kwaliteiten van de heer Reynders, al vond ze het dan ook een hele eer dat haar dochter een avond bij hem op bezoek ging.

"Wel, wat mij betreft ga je dan morgenavond maar, of nee, stel het liever nog één dag uit. Dan zal ik je blauwe jurk nog wassen en strijken en zie je er tenminste netjes uit."

"Dank u wel, lieve moeder," lachte Nel dankbaar, terwijl ze haar moeder een stevige zoen op beide wangen gaf.

"Dan ga ik nu meteen nog even aan mijn huiswerk, want al mag de directeur me dan blijkbaar graag, de leraren hebben me weer rijkelijk bedeeld met werk. En dat wil ik nog wel graag op tijd af hebben." "Dat zou ik dan inderdaad eerst maar gaan doen," vond ook mevrouw Sopers.

"Ik ga meteen naar mijn kamertje om u te laten zien dat u een voorbeeldige dochter hebt," zei Nel lachend.

De daad bij het woord voegend ging ze vrolijk neuriënd naar haar "privé-vertrek" en weldra zat ze ijverig over haar werk gebogen te blokken. Maar hoewel ze blaakte van werklust, vlotte het toch niet erg. Ze vond het erg kinderachtig van zich zelf, maar steeds weer betrapte ze zich zelf er op dat ze aan de ontmoeting met die juffrouw dacht. Steeds weer nam ze zich voor, zich er verder niets van aan te trekken, maar even zoveel keren dwaalden haar gedachten toch weer van haar werk af. Toen ze eindelijk zo ver was dat ze al haar concentratie had kunnen richten op haar werk, verscheen moeder in de deuropening met de mededeling dat ze moest komen eten.

Maar onmiddellijk na het eten begon ze met hernieuwde ijver en nu ging het gelukkig vlot. Met een zucht van voldoening klapte ze tegen een uur of negen haar boeken en schriften dicht. Nog een half uurtje naar de radio luisteren en toen stapte ze eigener beweging op en ging naar bed.

De volgende morgen ging ze voor de schoolbel had geklonken, nog even naar de kamer van de directeur om te vragen of het "bezoek" hem voor morgenavond schikte. Meneer Reynders hield zich aan zijn woord door daar direct mee akkoord te gaan.

"Ik zal straks mijn schoonzusje bellen," beloofde hij. "Die begint om half tien pas met haar werk en dan weet ik tenminste zeker dat ik haar te spreken krijg. Best mogelijk dat ze momenteel onderweg is, zie je."

Een uurtje later kwam hij al in de klas waar Nel zat, om te vertellen dat het in orde was.

Wil keek haar vriendin eens vragend aan toen meneer Reynders zich tot haar wendde.

"Nou nou, jij schijnt tegenwoordig nog al eens wat met de baas te doen te hebben," fluisterde ze, toen de directeur het lokaal weer had verlaten.

Ook van andere kanten werden haar nieuwsgierige blikken toe geworpen, maar Nel was niet van plan om er voorlopig veel van te vertellen.

"Het is in orde," had meneer Reynders alleen gezegd, en daar kon iedereen uit op maken wat hij wilde.

Alleen voor Wil was ze van plan een uitzondering te maken, omdat die tenslotte zelf ook direct bij het geval betrokken was geweest.

"Ik vertel het je vanavond wel als we naar huis gaan," beloofde ze, eveneens fluisterend.

En dat fluisteren was wel nodig, want meneer Hoogstraten, die het lesuur Frans had, scheen in een weinig prettige bui te zijn. Overigens schenen de overige leerlingen in de klas zich daar niet veel van aan te trekken, de stemming was tenminste bepaald onrustig, alsof iedereen nog gauw even iets moest vertellen. Waar het in zat, viel moeilijk te verklaren maar die stemming was er, en iedereen scheen het ook aan te voelen. Wellicht lag daar ook de oorzaak van meneer Hoogstraten's prikkelbaarheid. Een paar keer viel hij uit tegen één der leerlingen, zodra hij daar ook maar de minste aanleiding toe zag, maar dat leek juist een averechtse uitwerking te hebben, want rustiger werd het er niet van. Met een zucht van verlichting, bij de leraar niet, bij de leerlingen duidelijk hoorbaar, kwam het einde van de Franse les voor die ochtend. En tussen die Franse les en de daarop volgende natuurkundeles scheen de onrust bij verschillende leerlingen een uitweg te zoeken.

Plotseling vloog er een prop papier door de klas, niemand wist waar vandaan, en toen ineens was het er! Iemand kreeg de stevige prop tegen zijn hoofd, vermoedde wie de dader was en aarzelde geen moment om ook en prop te vormen en die terug te werpen.

Een beetje verbaasd zat Nel die plotselinge wanorde aan te kijken. Anders was ze altijd best te porren voor de één of andere grap, maar ze zag nog geen enkele aanleiding om zich vrolijk te maken, en daarom hield ze zich er buiten.

De natuurkundeles zou worden gegeven door mijnheer Nijboer, een al kalend mannetje met een ook overigens onaanzienlijk uiterlijk. Hij was precies het tegenbeeld van meneer Hoogstraten, maar dan ook werkelijk in alles. Had meneer Hoogstraten er doorgaans de wind goed onder bij zijn pupillen, de heer Nijboer zag vaak geen kans, om de orde in de klas te handhaven. Het was voorgekomen dat hij, om de leerlingen althans voor een tijdje rustig te houden, een mop was gaan vertellen ten overstaan van heel dat stel, dat er alleen maar op uit was om een beetje herrie te schoppen.

In gedachten zag Nel het gezicht van de leraar als die dadelijk binnen zou komen en onwillekeurig had ze nu al medelijden met hem. Wat moest dat nietige mannetje tegen dat uitgelaten stel beginnen? Die waren er echt eens op uit om herrie te schoppen, dat bleek duidelijk, en meneer Nijboer zou daarvan de dupe worden.

Intussen vlogen de proppen papier steeds veelvuldiger door het lokaal en enkele leerlingen begonnen zelfs met lege schooltassen te smijten.

Op dat ogenblik ging de deur van het klasselokaal langzaam open en het figuurtje van de leraar wiskunde werd in de deuropening zichtbaar. Toen hij de situatie opgenomen had, deed hij echter vlug de deur achter zich dicht, als om zo weinig mogelijk van het rumoer naar buiten hoorbaar te doen zijn. Dat rumoer ging overigens onverminderd voort. Niemand leek wel erg te hebben in de aanwezigheid van de leraar, en Nel kreeg werkelijk met hem te doen.

Meneer Nijboer wist kennelijk niets beters te doen dan maar achter zijn lessenaar te gaan staan en vervolgens eens nadrukkelijk zijn keel te schrapen. Dat nietige geluidje ging echter volkomen verloren in het rumoer dat was ontstaan.

Eén van de jongens, Rinus de Boer, waarschijnlijk de grootste herrieschopper als hij dacht dat ongestraft te kunnen doen, had een projectiel tegen zijn hoofd gekregen en scheen niet van zins te zijn om hier genoegen mee te nemen. Hij maakte tenminste aanstalten om degene die het ding had afgevuurd eens even te pakken te nemen en stond het volgende moment naast diens bank.

Nu scheen meneer Nijboer toch in te zien dat hij iets moest doen en dat hij er niet kwam door alleen maar wat onbestemde keelgeluiden voort te brengen.

"Jongelui, ik verzoek jullie nu stil te zijn," riep hij met verheffing van stem.

Er kwam geen reactie. Alleen de jongens en meisjes die het dichtst bij hem zaten, werden wat rustiger, maar achterin bleef het woelig. Rinus de Boer had zijn tegenstander te pakken gekregen en er ontstond een kleine worsteling.

"Als jullie die herrie staken, kunnen we beginnen met de les," probeerde meneer Nijboer nog eens.

Een minderheid reageerde op zijn verzoek, maar een paar anderen vonden het nodig om door elkaar te roepen: "Dan gaan we nog even door jongens!"

Nel kon het niet helpen, ze vond het een misselijke vertoning. Misschien kwam dat omdat ze nu oprecht te doen had met meneer Nijboer, maar in ieder geval vond ze het gedrag van die knapen onuitstaanbaar. Heus, ze was zelf ook niet zo braaf, dat wist iedereen en ze kon ook best mee doen, maar ze vond dat dit alle perken te buiten ging.

"Jongelui, ik wilde jullie iets vertellen," begon de leraar wanhopig.

"Een mop?" vroeg Rinus de Boer onbeschaamd, terwijl hij even de jongen los liet.

"Goed, een kleine anecdote om de stemming er in te brengen," gaf meneer Nijboer, ten einde raad, toe.

Het bleek het enige middel om de horde rustig te krijgen, althans tijdelijk. De kwelgeesten wachtten af wat er uit de bus zou komen, terwijl meneer Nijboer zijn hersens pijnigde bij het naarstig zoeken naar een geschikt mopje.

"Ik herinner me een geval uit de tijd dat ik nog als kwekeling voor één der klassen van een lagere school stond," begon hij aarzelend. "Het is historisch en juist daarom wel geestig."

"Vertellen!" klonk een ongegeneerd luide stem uit het lokaal.

"Ik behandelde de leestekens met de kinderen, dus de komma's, aanhalingstekens enzovoorts. Nu had ik een niet al te snugger leerlingetje in de klas en ik besloot om haar eens op de proef te stellen," vervolgde de leraar.

Hij kreeg er blijkbaar zelf zin in, nu hij de verwachtingsvolle blikken van de klas op zich zag gericht en zijn stem klonk al wat vrolijker als toen hij begon.

"Mijn opzet was om de leerlingen de zin op de juiste wijze te laten beklemtonen. Bij een komma moesten ze dus even rusten, een uitroepteken moest aanleiding zijn tot een stemverheffing enfin, jullie begrijpen de bedoeling wel. Ik had op het schoolbord een zin geschreven:

"Waar gaat gij heen?"

"Zo, lees jij die zin eens voor," zei ik tegen het bewuste leerlingetje. En ik geef jullie te raden hoe ze die zin uitsprak!"

De klas reageerde niet niemand scheen behoefte te hebben om er naar te raden.

"Ze zei: "Waar ga je heen, klein knopenhaakje?"

De mop was kennelijk uit. Meneer Nijboer keek vol verwachting naar zijn kwelgeesten. Zou het verhaaltje ingeslagen zijn? Er hing een vreselijke stilte in het klasselokaal....

Nel voelde het, dadelijk zou de uitbarsting komen. Met gemengde gevoelens wachtte ook zij af. Van de ene kant had ze een grote minachting voor de leraar, die geen andere maatregelen wist te nemen als deze om zijn leerlingen tot de orde te roepen, maar ook voelde ze een groot medelijden en zelfs verontwaardiging opkomen, het medeleven voor de ongelukkige meneer Nijboer, die hier toch ook warempel niet voor zijn plezier stond en verontwaardiging voor de jongens, want die waren de grootste aanstichters van de herrie. Een pretje vond Nel prachtig, maar intuïtief voelde ze dat hier de grens van het toelaatbare wel erg ver werd overschreden.

Wat ze verwacht had, gebeurde. Na een pijnlijke stilte, die minstens een halve minuut duurde begonnen een paar jongens te grinniken, maar het was duidelijk dat het niet ging omdat ze de mop zo geslaagd vonden. En toen barstte het kabaal los.

"Afgekeurd!" riep er één.

"Wat een flauw ding!" riep een ander.

De gemeenste reactie kwam natuurlijk van Rinus. Hij ging rechtop staan en deed precies het gebaar na dat meneer Nijboer had gemaakt toen hij aan de clou van de mop toe was.

En de toon waarop hij toen herhaalde: "Waar gaat gij heen, klein knopenhaakje?", maakte Nel zo verschrikkelijk kwaad, dat ze zich niet meer wist te beheersen.

Het volgende ogenblik stond ze voor de klas, naast meneer Nijboer, die niet meer wist hoe hij zich nu moest gedragen. Met een hoogrode kleur stond Nel naast de geplaagde man en haar ogen schoten vuur. Ze realiseerde zich niet dat ze met haar gedrag de leraar zo mogelijk in een nog benarder situatie plaatste toen ze zich liet gaan.

"Flauw, misselijk stelletje kwajongens dat jullie zijn!" viel ze fel uit. "Iemand het bloed onder de nagels vandaan halen, noemen ze dat geloof ik. Maar als jullie denken dat iedereen jullie nu leuk vindt, heb je het mis, dat kan ik je wel zeggen. Dat zelfde grapje moeten jullie uithalen bij meneer Hoogstraten of bij meneer Reynders bijvoorbeeld, dan zijn jullie pas een stelletje flinkerds!"

Het was een vreemde situatie, uniek in de geschiedenis van de school. Nog nooit was het voor gekomen dat een leerlinge het op deze wijze had opgenomen voor haar leraar een leraar die zich met zijn figuur op dat moment geen raad wist. En maar een paar leerlingen hadden in de gaten dat de deur van het lokaal open ging en er nog iemand was die dit wilde volgen....

Meneer Reynders was door de gang gelopen en opmerkzaam geworden door het rumoer in de klas. Nu was dit tijdens het lesuur van de heer Nijboer niet zo ongewoon, maar deze keer ging het toch wel alle perken te buiten, vond de directeur terecht.

Met bezwerende handen stond Nel nog naast de leraar toen diens directe chef binnen kwam. Heel even was hij te verbaasd om direct te kunnen besluiten hoe hij op moest treden, zo vreemd vond ook hij de situatie.

Toen vroeg hij: "Wat gebeurt hier?"

Zijn stem werkte als een bliksemslag bij een volkomen wolkeloze hemel. Rinus, die ook al overeind was gekomen om Nel van repliek te dienen, liet zich snel weer zakken op zijn plaats. De hoogrode kleur bij Nel verdween schielijk, terwijl meneer Nijboer zich met zijn figuur helemaal geen raad meer wist.

"Wat is dat hier voor een vreemde vertoning?" herhaalde meneer Reynders zijn vraag.

"O, een klein incident, niet de moeite waard," mompelde de ongelukkige leraar.

Illustratie op pagina 1Die woorden verduidelijkten de situatie voor meneer Reynders al een heel stuk. Even had hij gedacht dat Nel de aanstookster was van de rel en dat had hem pijnlijk getroffen. Maar toen hij de reactie van meneer Nijboer zag en de heftige gemoedstoestand waarin Nel blijkbaar verkeerde, werd hem al veel duidelijk. Ook ontging het hem niet dat Rinus de Boer zich zo plotseling in de houding begaf die van een leerling verwacht mocht worden.

"Ga jij naar je plaats," voegde hij Nel niet onvriendelijk, maar zeer beslist toe.

"En van u wilde ik graag horen of de leerlingen het eerste kwartier kunnen werken met bepaalde instructies maar zonder toezicht," richtte hij zich tot meneer Nijboer.

"Ze zouden vast kunnen beginnen aan het thema van de volgende week" haastte meneer Nijboer zich te zeggen.

"Wilt u dan uw aanwijzingen geven? Daarna zou ik graag willen dat u even met me meegaat om de maatregelen te bespreken die we tegen de klas moeten nemen."

De scherpzinnigste leerlingen hadden het meteen door.

De directeur wilde de heer Nijboer zo veel mogelijk sparen ten opzichte van zijn leerlingen, maar ze begrepen best dat meneer Reynders in eerste instantie vooral zijn wiskundeleraar ter verantwoording zou roepen. Tenslotte was hij de verantwoordelijke man in deze en ofschoon meneer Reynders tolerant genoeg was voelde iedereen dat de heer Nijboer hier wel erg veel te kort was geschoten.

Zelden waren de leerlingen zo gedisciplineerd aan het werk gegaan als deze keer. En het bleef rustig, ondanks het feit dat het onderhoud tussen de beide heren op het kantoor van de directeur tamelijk lang duurde en er gedurende die tijd geen enkel toezicht was op de vlijtigheid waarmee de jongens en meisjes bezig waren aan de hen opgedragen taak.

Waarschijnlijk was Nel één van de minst ijverige leerlingen deze keer. Ze begreep achteraf zelf niet wat haar bezield had om zo op te treden. Wat moest meneer Reynders wel van haar hebben gedacht? Waarschijnlijk had hij aangenomen dat zij de aanstookster was van de herrie! Hoewel, dan zou hij haar toch wel anders hebben toegesproken dan hij nu had gedaan.

En wat zou meneer Nijboer zeggen, nu hij bij de directeur op het matje geroepen werd? Zou hij proberen zich zoveel mogelijk schoon te praten of zou hij ruiterlijk toegeven dat hij de klas gewoon niet baas kon blijven?

Tientallen vragen hielden Nel bezig. Ze ging langzamerhand als een berg op zien tegen de visite van morgenavond. Dat dit lamme voorval nu ook juist moest gebeuren een dag voordat ze bij de hoogste baas in eigen persoon op bezoek zou gaan!

Wel probeerde ze het steeds van zich af te schudden, maar het lukte haar niet. Tenslotte moest het wel erg gek staan dat zij daar zo maar voor de klas had staan redeneren. En de manier waarop ze had gestaan liet geen twijfel over aan het feit dat ze daar ongevraagd naar toe was gekomen.

Wil had al een paar keer geprobeerd haar aandacht te trekken, maar Nel zat maar in haar cahier te staren zonder de inhoud in zich op te nemen.

Toen Wil haar tenslotte een duwtje gaf, keek ze eindelijk op.

Vragend keek ze haar vriendin aan. Tenslotte was ze toch ook wel benieuwd naar wat de andere meisjes van haar optreden zouden denken. De meesten zouden haar wel een aanstellerig wicht vinden, zo iemand die beslist op moet treden voor de zwakkeren.

"Als Nijboer het hart heeft om jou zwart te maken bij de directeur zal ik eens een boekje open doen!" fluisterde Wil haar toe.

Nel glimlachte dankbaar. Wil had schijnbaar precies begrepen wat er in haar om ging!

" 't Zal wel los lopen," fluisterde ze zacht terug.

De woorden van Wil deden haar goed en het gelukte haar nu zowaar om haar aandacht bij het werk te bepalen.

Na een minuut of twintig kwam meneer Nijboer terug, alleen. Hij zag er een beetje betrokken uit vond Nel. Maar de leraar wist zich goed te beheersen.

"Zo jongelui," zei hij, "hoe staan de zaken?"

Hij keek vluchtig naar het werk van een paar leerlingen op de voorste banken en knikte.

"Gaan jullie maar gewoon door," zei hij toen. "Het schema is nu toch een beetje in de war geraakt, dus voor vandaag zullen we het zo maar laten en het aan jullie eigen initiatief over laten hoe ver jullie met je werk komt."

En daar bleef het voorlopig bij. Maar er heerste gedurende de tijd dat het lesuur nog duurde een timide sfeer in het klasselokaal!

HOOFDSTUK VI

Op bezoek bij de directeur.

In haar beste spulletjes toog Nel de volgende avond op pad. Moeder had haar zéér zorgvuldig geïnspecteerd hier een plooi rechtgestreken en daar een beetje getrokken aan een onwillige zoom. Maar na een minuut of vijf om Nel te hebben heen gedraaid moest zelfs zij beamen, dat Nel er uit zag om door een ringetje te halen. Overigens ging ze met zeer gemengde gevoelens naar de bushalte. De rumoerige gebeurtenissen van de laatste weken en meer speciaal de affaire met meneer Nijboer, droegen er nu niet bepaald toe bij om in alle gemoedsrust het avondje uit tegemoet te zien. De aanleiding tot dat avondje uit raakte er zowaar een beetje door op de achtergrond, ofschoon dat op zich zelf ook al een gebeurtenis was die stof genoeg tot overdenking gaf aan en veertienjarige leerlinge van een middelbare school.

Gelukkig, ze had een gezellige tram. Het eerste stuk moest ze gebruik maken van een bus, om vervolgens over te stappen op een tram, waarmee ze een groot gedeelte der stad doorkruiste.

Meneer Reynders woonde in een gedeelte der stad dat bijna uitsluitend werd "bevolkt" door de meer gegoede stand.

De tram voerde Nel en de andere passagiers daarbij door een buurt, waar de straatnamen allemaal betrekking hadden op schilders uit Nederlands gouden tijden.

Die straatnamen werden echter door de conducteur niet voluit genoemd, maar gemakshalve alleen maar aangeduid met de naam van de schilder.

"Ferdinand Bol?" galmde de conducteur op zeker ogenblik in zijn microfoontje.

"Albert Cuyp!" klonk het even later, doelende op de Albert Cuypstraat.

Tegenover Nel zat een bejaard dametje, dat kennelijk niet in de stad woonde en dus niet op de hoogte was met het spraakgebruik van de grotestads-conducteurs. Een paar keer zag Nel haar vragend in de richting van de conducteur kijken, maar de afstand van haar tot diens zetel was te ver om met een normale spreektoon te kunnen overbruggen en daarom hield ze haar mond blijkbaar. Maar Nel zag duidelijk dat ze beslist niet op haar gemak zat, al zouden de zorgen waar zij mee tobde, wel van heel andere aard zijn dan die welke haar bezig hielden. Even overwoog ze, te vragen of zij misschien kon helpen, maar meteen kwam ze ook weer op die gedachte terug.

"Gabriël Metsu!" klonk de sonore stem van de goedgeluimde conducteur.

Toen kon het dametje niet meer blijven zitten. Ze stond moeizaam op en begaf zich in de richting van de kaartjesknipper, die haar wankele passen met goedgespeelde bezorgdheid gadesloeg.

"Voorzichtig maar mevrouwtje," zei hij, toen de tram met veel geraas en gegier door een bocht reed en de passagiere bijna haar evenwicht verloor.

"Ja, ziet U," klonk het een beetje benauwd, "ik hoor u steeds die namen afroepen van de passagiers. Wilt u mij ook waarschuwen als ik er uit moet? Mijn naam is van Senten, weet u?"

Even zat de conducteur haar sprakeloos vanaf zijn zetel aan te staren. Een geamuseerd mompelen ging door de rij passagiers die het dichtst in de buurt zaten. Ook Nel had nog juist de vraag op kunnen vangen en het deed haar even de hele visite vergeten.

"En waar moet u er dan wel uit?" vroeg de conducteur.

"Nou, dat is ook wat; bij het Stadion natuurlijk," zei het mevrouwtje een beetje verongelijkt.

"Nee maar, dan komt het beslist voor elkaar hoor," zei de trambeambte gemoedelijk.

En verder ging het door de donkere stad, die hier, naarmate ze meer in de buitenwijken kwamen, een weinig vriendelijk aanzien bood van achter de ruiten der tram. Pas het laatste stukje kwamen ze weer in een winkelstraat met hel verlichte etalages en felle neonreclames.

Tien minuten later stond Nel voor het aangegeven adres. Met zenuwachtig kloppend hart drukte ze op de bel en even later hoorde ze een lichte stap de deur naderen. Meteen voelde Nel, nee, wist ze zeker; dat kon niemand anders zijn dan het schoonzusje van meneer Reynders. Alvorens die de gelegenheid zou krijgen om de atmosfeer vast wat vriendelijk te doen zijn, zou ze meteen oog in oog staan met de vrouw waar ze kort geleden nog zo'n ordinaire ruzie mee had gemaakt. Even kwam er een dwaze gedachte in haar op, namelijk om rechtsomkeert te maken en er als een haas van door te gaan. Maar ongemerkt zou dat toch al niet meer gaan, want het volgende ogenblik werd de deur geopend en stond ze oog in oog met haar "vijandin".

Twee paar ogen keken strak naar elkaar, die van de oudste een beetje koel en zeer onderzoekend als wou ze de kracht van het meisje tegenover haar peilen. De jongste keek hoogstens een beetje verward, maar was stellig niet van plan om haar ogen neer te slaan. Tenslotte, zo overwoog Nel op dat benarde ogenblik, had ze A gezegd, en door het simpele feit van haar komst hier naar toe, was ze nu wel verplicht om B ook te zeggen. En dat zou ze zeer beslist doen, niet luidruchtig, maar wel duidelijk, dat stond vast. Er was geen enkele reden waarom ze de ogen neer zou moeten slaan. Dat wezentje tegenover haar mocht dan per puur toeval de schoonzuster zijn van haar directeur, zij Nel, liet zich door haar toch niet uit het veld slaan.

Welhaast een volle minuut stonden ze zo tegenover elkaar. Als Nel later wel eens aan die ogenblikken terug dacht, vergeleek ze altijd weer de situatie met die, waarin twee vreemde katten elkaar begluren, klaar om de aanval te beginnen als de ander daartoe ook maar enige aanleiding mocht geven, maar evenzeer bereid tot toenadering, zo ook de tegenpartij daartoe genegen mocht zijn.

Even leek het alsof het eerste het geval zou zijn en het meisje in de deuropening de aanval in zou zetten. Maar ze scheen zich nog juist te bedenken. Plotseling ontspanden haar gelaatstrekken zich en zonder enige aanwijsbare reden barstte ze in lachen uit een luide, aanstekelijke lach, realiseerde Nel zich meteen. Zo aanstekelijk zelfs, dat Nel zich niet meer in kon houden en eveneens in een hartelijk gelach uit viel. Het was een zeldzaam gekke bedoening daar op de stoep van meneer Reynders' woning. En dat duurde zo lang, tot de heer des huizes zelf er een eind aan maakte.

"Ziezo, als ik goed begrijp hebben jullie al kennis gemaakt; dat bespaart mij dan tenminste de moeite," zo kwam hij de hal binnen stappen.

"Zo is het niet helemaal," zei zijn schoonzuster. "We ontmoeten elkaar nu voor de derde keer, maar tot een kennismaking zijn we nog steeds niet gekomen."

"Maar waar lachen jullie dan zo om?" vroeg meneer Reynders kwasi-verbaasd en goedgeluimd.

"Ik ben Nel Sopers en ik ben hier speciaal naar toe gekomen om u mijn verontschuldigingen aan te bieden," zei Nel zonder enige samenhang met wat meneer Reynders had opgemerkt. En meteen stak ze zonder omwegen haar hand uit die door het andere meisje grif werd geaccepteerd.

"Verontschuldigen doe ik me niet," zei ze. "Laten we alleen vaststellen dat we ons geen van tweeën netjes hebben gedragen. Is dat voldoende voor je?"

"Mij best hoor," antwoordde Nel.

"En ik heet Josephine Verwey, maar luister alleen naar de naam Jopie," vervolgde "het schoonzusje", zoals Nel haar in gedachten de laatste paar dagen had genoemd. "Tenminste," voegde ze er nog aan toe, "voor mensen die ik graag mag en uiteraard mijn familie."

En met die woorden trok ze Nel naar binnen, de gezellige ingerichte huiskamer in waar haar zuster, een ook nog betrekkelijk jonge vrouw, haar jonge gast op zat te wachten.

"Ik ben blij dat die kennismaking zo is verlopen," zei die hartelijk na de eerste begroeting. "Toen ik had begrepen van mijn man waar het om ging, vond ik het allemaal maar erg vervelend, maar te oordelen naar jullie reacties van daarnet valt het allemaal nog al mee, geloof ik."

"Ruzie dient nergens toe," vond haar zusje wijsgerig.

"Dat had je eerder moeten bedenken," meende mevrouw Reynders haar zusje terecht te moeten wijzen.

"Maar we hebben eigenlijk helemaal geen ruzie gehad," trachtte Nel te vergoelijken. "We hebben hoogstens een beetje boos naar elkaar gekeken!"

"En nu geen woord meer over die affaire," zei meneer Reynders op besliste toon. "Daar is al veel te lang over gesproken. en de eerste die er nu weer over begint, zet ik eigenhandig de deur uit."

"Poe," deed zijn schoonzus weinig eerbiedig, "die toon kun je misschien op school aan slaan tegen je leerlingen, maar dat moet je na schooltijd toch nalaten jongetje!"

Nel kon het niet helpen, ze moest bij die woorden weer lachen. Het was ook allemaal zo komiek, vond ze. En alles verliep zo heerlijk vlot, dat ze wel had willen zingen.

In bijzijn van één zijner leerlingen werd daar de directeur van een vijfjarige HBS door een meisje op zijn nummer gezet, ook al ging dat dan op vriendschappelijke wijze. En aan dat meisje had zij een kwartier geleden nog met zeer gemengde gevoelens gedacht, terwijl ze zich nu ontpopte als een heel gewoon, vrolijk meisje, dat zelfs voor haar leeftijd nog erg kinderlijk deed.

Hoe oud zou ze eigenlijk zijn? De eerste keer dat Nel haar had gezien, had ze haar geschat op een jaar of vier- à vijfentwintig, maar nu ze haar nog wat beter op nam, leek het haar dat ze nog jonger was, zeker niet ouder dan voorin de twintig, dus hoogstens een jaar of zeven à acht ouder dan zij zelf.

"Maar toch wilde ik er nog even op terug komen," viel Nel in, toen meneer Reynders niet reageerde op de woorden van Jopie. "We moeten namelijk de schade nog regelen."

Na die woorden was het even stil in de kamer. Meneer Reynders glimlachte haast onmerkbaar, evenals trouwens zijn vrouw. Jopie bloosde een beetje, althans in het idee van Nel; en zat een beetje zielig en verlegen te kijken.

Maar zij was de eerste die het stilzwijgen verbrak.

"Dat krasje is niet meer terug te vinden," zei ze in een poging om grappig te zijn.

"Is het gerepareerd?" vroeg Nel onzeker.

Nu was het meneer Reynders die begon te lachen, maar dat maakte zijn schoonzus boos.

"Het is helemaal niet om te lachen," vond ze. "Als die vent beter uit zijn ogen had gekeken, was er niets aan de hand geweest."

"Ik neem het graag aan op jouw gezag," antwoordde haar zwager, "maar vermoedelijk geldt hetzelfde voor jou."

Nel begreep voldoende.

"Het hele spatbord is in elkaar gedrukt van voren," zei Jopie een beetje mistroostig tegen haar. "Een reparatie van minstens honderd gulden, beweert mijn geliefde zwager."

"Maar dat betaalt de verzekering toch?" vroeg Nel.

"Als je verzekerd bent, natuurlijk wel," antwoordde de ander. "Maar zover was ik nog niet."

"Zielig," vond Nel.

Jopie haalde al weer luchtig haar schouders op.

"Ik kan er nog wel mee rijden," zei ze, "alleen kijkt iedereen je na op de weg, dat voel ik. En dan krijg je van die leuke opmerkingen te horen, over brokkenpiloten en zo. Nou ja, tenslotte was het toch ook wel een beetje mijn eigen schuld, dus laat ik verder maar niet zitten mopperen."

"Ik ga een uurtje naar mijn kamer," gooide meneer Reynders het gesprek over een andere boeg. "Ik heb nog een paar dingen te doen. Jullie amuseren je verder wel, hoop ik."

Met die woorden verdween hij uit de huiskamer.

Ofschoon Nel helemaal geen hekel had aan haar directeur, vond ze het nu pas gezellig worden. En de beide zusters schenen er al net zo over te denken.

Illustratie op pagina 97"Ziezo," zei mevrouw Reynders, nadat de deur achter haar man was dicht gevallen. "Nu gaan wij het ons gezellig maken. Wat wil jij eens van me drinken Nel, een glaasje likeur of maar liever een glas limonade?"

"Ik heb nog nooit alcohol geproefd mevrouw," schrok Nel.

"Dan maar gewoon iets fris," lachte mevrouw Reynders. "Ik wil je beslist niets opdringen hoor!"

Weldra zaten ze met zijn drieën achter even zovele glazen limonade.

"Hoe gaat het met jullie schoolkrant, ik bedoel, hoe organiseren jullie dat nu?" vroeg Jopie belangstellend aan Nel. "Als ik het goed heb begrepen, ben jij zo'n beetje de promotor geweest van dat geval hè?"

"Nou, de promotor eigenlijk niet," weerde Nel af.

En ze vertelde hoe het allemaal was gegaan.

"Ga je nu later verder in de journalistiek?" vroeg mevrouw Reynders.

"Ik zou best willen!" lachte Nel, "maar ik weet echt niet hoe je dat aan moet pakken. Het is zo iets heel anders dan bijvoorbeeld een gewone kantoorbaan of iets dergelijks. Daar lees je een advertentie voor, waarin personeel wordt gevraagd, en verder wijst de zaak zich eigenlijk vanzelf. Maar ik heb nog nooit een advertentie gelezen, waarin een aankomend verslaggeefster werd gevraagd of zo iets."

"Nee, nu je het zo zegt," zei Jopie peinzend. "Maar ik heb een kennis die bij een groot dagblad werkt. Die zal ik er wel eens naar vragen, hoe dat eigenlijk in zijn werk is gegaan toen hij bij de krant is gekomen."

"Ik zou het wel erg graag willen," zei Nel enthousiast. "Het lijkt me enig, om bijvoorbeeld reizend verslaggeefster te worden of zo. Ik heb eens een film gezien waarin iemand zelf in de fabrieken ging werken, om later een reportage te kunnen maken over de omstandigheden waaronder het personeel in die fabriek werkte."

"Ja, die film heb ik, meen ik, ook wel gezien," zei mevrouw Reynders. "Het was een erg mooie film, alleen een beetje geromantiseerd, meen ik me te herinneren."

"Zoals alle films," meende haar zusje een beetje smalend. "Als je soms die dwaze dingen ziet op de televisie, vraag je je wel eens af, waar de mensen de onzin vandaan halen."

"Nou, nou," lachte mevrouw Reynders, "het is maar goed dat we niet allemaal zo nuchter zijn als jij. Aan wie moesten ze anders die romantiek allemaal kwijt?"

"Dan zouden ze misschien andere films moeten maken," viel Nel in.

"Het zou een saaie boel worden," vond mevrouw Reynders.

Ze lachte eens.

"Hoe is het mogelijk dat ik als getrouwde vrouw nog romantischer ben dan jullie?"

"Misschien daarom juist," vond haar zusje.

Maar mevrouw Reynders schudde haar hoofd.

"Ik begrijp jullie niet," zei ze. "Jullie zijn allemaal zo verschrikkelijk nuchter tegenwoordig en denken alleen maar in concrete feiten."

"Poe," deed Jopie, "hoeveel ouder ben je nu helemaal dan ik? Vier jaar en dat zit me nu al af te geven op de jongere generatie, zoals je ons natuurlijk al voor je zelf hebt genoemd."

"Misschien wel," antwoordde haar zuster een beetje raadselachtig. "Maar ik geloof nu niet bepaald dat dit het onderwerp is waarvoor Nel zich het meest interesseert. Vertel liever eens of die kennis van je soms enige invloed heeft bij de hoofdredacteur van zijn krant. Of is hij zelf alleen nog maar voor het opbergen van de post?"

"Joop is verslaggever voor de kunstkroniek van zijn krant, en het feit dat je hem niet kent pleit niet voor je algemene kennis," repliceerde Jopie. "Inzonderheid je kennis van kunstzaken laat dan blijkbaar wel het een en ander te wensen over."

"Ik zal mijn leven in de kortst mogelijke tijd trachten te beteren," beloofde mevrouw Reynders. "Maar vertel dan nu eerst eens aan Nel of hij eventueel iets voor haar kan doen."

"Ja, dat weet ik natuurlijk niet precies," zei Jopie een beetje ontwijkend. "Maar ik heb al gezegd, dat ik hem zal vragen hoe hij eigenlijk in de journalistiek terecht is gekomen. En als hij inderdaad kan helpen, ben ik er van overtuigd dat hij het zal doen."

"Alvast bedankt dan," zei Nel. "Maar voorlopig heb ik nog wel even de tijd hoor. Ik moet eerst nog langer dan een jaar naar school, dus er is beslist geen haast mee."

"In ieder geval heb je met je schoolkrant alvast de gelegenheid om wat routine op te doen in de omgang met mensen," meende Jopie.

Haar zuster lachte.

"Ik geloof dat haar dat nu al aardig af gaat," zei ze. "In dat opzicht kun jij geloof in nog wel wat van Nel leren!"

"Maar ik heb ook nooit journalistieke aspiraties gehad," kaatste haar zusje terug.

Nel hoorde het allemaal maar eens aan. Nooit had ze kunnen denken dat de vrouw van haar directeur en diens zusje nog zo meisjesachtig met elkaar om konden gaan. Die twee zaten af en toe gewoon te krakelen alsof ze nog naar school gingen en ruzie hadden over een leraar of zo.

De tijd vloog om en voor ze er erg in had wees de sierlijke elektrische klok op de schoorsteen al weer half tien.

"Ik moet hoog nodig opstappen," zei ze. "Het is bijna tien uur, eer ik thuis ben en als ik morgen mijn gedachten niet bij de lessen heb, krijg ik ruzie met mijn leraren.

"Heel verstandig," vond mevrouw Reynders. "Ik kan me bijvoorbeeld best voorstellen dat mijn man overdag in zijn werk niet een van de gemakkelijkste is. Al zal hij met jou morgen wel een beetje consideratie betrachten, dat weet ik wel heel zeker."

"Laat ik het toch maar niet riskeren," lachte Nel.

Het onderwerp van hun gesprek kwam op dat ogenblik juist de kamer binnen en had blijkbaar nog net de laatste woorden gehoord.

"Tja, uitzonderingen kan ik in dat opzicht niet maken," zei hij kwasi-streng. "Maar misschien wil Jopie onze Nel nog wel even thuis brengen?"

"Ja, en dan ga ik zelf ook maar eens opstappen," antwoordde die. "Als Nel tenminste met me mee durft. Ik zou me voor kunnen stellen dat ze na het geval waar ze nu weer over heeft gehoord, niet eens bij me in de auto durft te gaan zitten."

"Zo bang ben ik nu ook weer niet uitgevallen," lachte Nel.

"Dank je wel voor je compliment," meende Jopie nog op te moeten merken. "Maar enfin, ik heb zelf al toegegeven dat ik het er naar heb gemaakt."

Er volgde een hartelijk afscheid en Nel moest de stellige belofte doen dat ze nog eens een avondje zou komen. Wat ze uiteraard graag deed.

"Waar staat uw auto?" vroeg Nel, toen ze een maal buiten stonden.

"Schei asjeblieft uit met "u" tegen me te zeggen," zei de ander. "Ik heb een gevoel alsof je me dan voor de mal houdt en daar heb ik een hekel aan."

"Sorry, dat was echt niet de bedoeling," deed Nel geschrokken. "Eerlijk gezegd, heb ik er de gehele avond een beetje mee gezeten. Ik wist echt af en toe niet hoe ik je aan moest spreken en daarom heb ik het steeds zo veel mogelijk trachten te omzeilen."

"Dat is je dan aardig gelukt," zei Jopie, "ik heb er totaal geen erg in gehad!"

Ze was onderwijl Nel voorgegaan naar de ruime garage naast het huis, waar royaal plaats was voor twee personenauto's van niet te groot kaliber. Die van haar stond voorin.

Nel kon het niet nalaten, ze moest toch nog even kijken of de krasjes, die er mee door haar toedoen op waren gekomen, nog zichtbaar waren. Maar Jopie had in dat opzicht volkomen gelijk gehad toen ze beweerde dat die helemaal verdwenen waren. Het nog bijna nieuwe auto'tje had een fikse deuk opgelopen bij de laatste aanrijding. Het mocht een wonder heten dat de verlichting nog brandde, want ook de koplamp had een tik gekregen, dat was duidelijk te zien.

"Ach, hij rijdt nog best en dat is het voornaamste," zei Jopie, in een hernieuwde poging om de dingen zo vrolijk mogelijk te zien.

Gelukkig bleek die opmerking volledig waar te zijn. Het motortje startte vlot en weldra reden ze door de donkere straten van de buitenwijk der stad. Twintig minuten later was Nel veilig thuis, met het prettige idee dat ze een vriendschap had gesloten, die jaren bestand zou kunnen zijn.

En dat was een gedachte, waarop ze heerlijk in kon slapen.

HOOFDSTUK VII

Nel krijgt goede raad.

"Onderonsje" leidde een bloeiend, maar tamelijk ongeëmotioneerd bestaan. Nel had een duidelijk prestige geschapen tegenover de andere leden van de redactie, die in haar stilzwijgend, maar zeer duidelijk de meerdere erkenden. Al was dat niet altijd naar de zin van speciaal de jongens, die het ergens toch niet konden zetten dat ze in iemand van het vrouwelijk geslacht hun meerdere in vele dingen moesten erkennen.

De schoolwedstrijden waren achter de rug, maar hadden weinig schokkende gebeurtenissen opgeleverd.

Wil was er zowaar in geslaagd om bij het schaken tot de achtste finale door te dringen, een systeem dat overigens in grote tournooien nooit werd toegepast, maar dat voor een dergelijk sportfestijn wel het meest praktische bleek.

Kees Schippers was belast geweest met het verslaan van de voor hun school belangrijkste wedstrijden en hij had zich tot volle tevredenheid van iedereen van die taak gekweten. Nel ging helemaal op in haar werk. Sinds haar gesprek met Jopie Verwey over diens kennis bij het dagblad had ze het vaste voornemen, om inderdaad te trachten bij een krant te komen.

Na de visite van die avond kwam ze eigenlijk heel weinig meer bij de familie Reynders. Maar wel ontmoette ze een paar keer diens zusje en schoonzusje. Dat dat op hetzelfde kruispunt gebeurde als de eerste keer, bleek achteraf niet zo erg verwonderlijk, omdat Jopie haar werk had in de buurt waar Nel woonde.

De eerste keer dat zo'n ontmoeting plaats had na de weinig prettige "kennismaking" daar op die beruchte hoek, had Wil, die er natuurlijk ook weer bij was, wel heel verbaasd gekeken, toen die twee elkaar zo hartelijk begroetten, als waren ze oude kennissen. Nel had er namelijk nooit met een woord over gerept tegen de anderen, dat ze een avond bij de directeur en diens familie op bezoek was geweest. Ze wilde niet graag de schijn op zich laden alsof ze zou trachten goede maatjes met "de baas" te worden, want ofschoon daar natuurlijk niets kwaads in stak, kende ze haar klasgenoten goed genoeg, om te weten, dat ze het woordje "strooplikker" maar al te gauw gebruikten.

Gelukkig, al was Wil dan soms een beetje dweepziek, in die dingen bleek ze echt een fidele vriendin te zijn. Na de eerste verrassing, die ze helemaal niet trachtte te verbergen, was haar reactie erg prettig.

Bij één van de ontmoetingen nodigde Jopie de beide meisjes uit, om een keer bij haar te komen. Ze woonde ergens op kamers, en vond het leuk om bezoek te hebben in wat zij haar "hokje" noemde.

Dat "hokje" bleek overigens te bestaan uit een modern ingerichte kleine woning, waarover Jopie de beschikking alleen had. Ze hield van moderne meubelen en van alles wat de hedendaagse jeugd vlot en modern noemde.

Dat was ook de voornaamste reden, waarom ze op zich zelf was gaan wonen. Haar ouders waren erg conservatief, vertelde ze eens in een vertrouwelijke bui. Haar vader, en trouwens haar moeder ook, hielden veel van antiek en de inrichting van hun woning bewees dat ook wel.

"Hoewel ik soms toch wel verlang naar huis," zei ze eens op een zaterdagmiddag, toen de beide meisjes, Nel en Wil, bij haar zaten.

"Ga dan terug," zei Nel, "je bent anders ook nuchter genoeg; dat heb je al verschillende keren heel duidelijk laten merken."

"Dat is nu juist het vervelende," zei Jopie, en er kwam een peinzende blik in haar ogen. "Ik zou wel graag willen, tenminste soms. Maar ik weet heel zeker, dat ik me na een maand en misschien zelfs eerder, niet meer op mijn gemak zou voelen. En vader is niet gemakkelijk. Wat hij zegt, moet gebeuren, tenminste voor zo ver het bij hem thuis is."

Nel bedacht, dat zij het dan thuis toch maar gezellig had. Voorlopig had zij totaal geen behoefte om uit huis te gaan en haar gezellige, geborgen bestaan te verwisselen met dat voor een verblijf op een paar gehuurde kamers. Waar je zelf moest zorgen voor de sfeer, zonder een moeder die, met liefde voor je ontbijt zorgde, voor een opgemaakt bed en voor al die duizend en één dingen, die het dagelijks leven de nodige gezelligheid gaven.

Ook Wil scheen dat trouwens zo te voelen, en ze deed ook geen moeite om haar mening in dat opzicht te verbergen. Het werd een discussie, die tenslotte meer dan een uur duurde, waarna ze het tenslotte nog niet eens waren, of dat in ieder geval niet wilde toegeven aan elkaar.

In werkelijkheid voelde Nel heel goed, dat Jopie graag gelijk zou willen geven, maar daar gewoon te koppig voor was. Misschien lag het voor haar wel anders, omdat haar ouders nu eenmaal anders waren dan die van Wil en Nel. Maar in elk geval hadden die gesprekken één positieve zijde. Ze verdiepten de vriendschap, die langzamerhand ontstond uit wat eerst een toevallige kennismaking was geweest. Het oudere meisje, tenslotte verschilden ze toch bijna tien jaar met Jopie Verwey, had in veel opzichten de steun nodig van haar zoveel jongere vriendinnen, waarvan vooral Nel een veel gelijkmatiger humeur had dan de wat wispelturige Jopie. En toen, het was de vierde of vijfde keer dat de meisjes op bezoek waren, zat er een jonge man bij Jopie in de kamer.

"Hallo jongens!" begroette de gastvrouw haar gasten. "Kom binnen, dan zal ik jullie voorstellen aan een kennis van me."

"O," zei Nel verontschuldigend, "we wisten niet dat je al visite had. Willen wij dan maar weer opstappen?"

"Welnee," lachte Jopie, "ik had jullie toch zelf uitgenodigd en het is nota bene speciaal om jou begonnen!"

"Om mij begonnen?" vroeg Nel verbaasd.

"Om jou begonnen ja," zei Jopie. "Nou ja, daar zullen we het dadelijk nog wel verder over hebben."

Een beetje verlegen stapten de vriendinnen de kamer in. Nel vond het maar vreemd en hoewel ze anders nooit op haar mondje gevallen was, stond ze nu een beetje schaapachtig te kijken.

"Nel Sopers, Wil van Someren," stelde Jopie voor, "en dit is Joop Goedhart."

"Aangenaam," prevelden de meisjes.

"Hallo," zei Joop Goedhart ongedwongen.

"Zeg staan jullie niet zo gek te kijken," lachte Jopie. "Daar heb ik me al die weken moeite getroost om Joop hier naar toe te krijgen en nu is ie er en staan jullie te kijken of je het in Keulen hoort donderen."

Zowel de beide meisjes als Joop Goedhart keken nu erg verbaasd.

"Ik begrijp het niet helemaal, om je de waarheid te zeggen," zei Nel eerlijk.

"Joop Goedhart is kunstredacteur van "Dagelijks Nieuwsblad". Misschien gaat je nu een lichtje op," zei Jopie. "Maar ik heb hem moeten vertellen, dat jij net zo oud bent als ik, anders was hij misschien niet eens hier naar toe gekomen!"

"Jopie vertelde me, dat je graag journaliste wil worden," zei Joop. "Maar eerlijk gezegd had ik me ook inderdaad voorgesteld, dat je wat jaartjes ouder was geweest."

En toen barstten ze alle vier in lachen uit, en het duurde vrij lang voor ze weer rustig waren.

"Maar nu je hier dan toch bent, zou je op zijn minst eens kunnen vertellen, hoe jij zo aan de krant bent gekomen," vond Jopie.

"O, dat wil ik natuurlijk met alle plezier doen. Dat ging veel eenvoudiger dan jullie het je misschien gedacht hebben, en het is maar een heel kort verhaal."

Gespannen keek Nel naar de man tegenover haar. De meisjes hadden hun jassen uitgedaan en Jopie was nu bedrijvig in haar kleine keukentje bezig om voor een kopje thee te zorgen. Ook Wil was benieuwd, al ging de hele zaak eigenlijk een beetje buiten haar om. Voor haar lag alles veel eenvoudiger. Als zij van de HBS kwam, ging ze een kantoorbaan zoeken, misschien wel bij haar vader, die een makelaarskantoor beheerde.

"Wel," zei Joop, "ik zat nog op de HBS, toen het eigenlijk al begon. Toen ik in de vijfde klasse zat, besloten we, een schoolkrant op te richten. En omdat ik altijd een aardig opstelletje maakte, werd ik benoemd tot hoofdredacteur van dat krantje."

De beide meisjes keken elkaar veelbetekenend aan, Nel begon zelfs een kleurtje van opwinding te krijgen. Maar Joop deed alsof hij er geen erg in had en vervolgde zijn verhaal.

"Ik woonde toen buiten de stad, en ging elke dag op de fiets heen en weer naar school. Toen gebeurde het eens dat ik onderweg een man zijn paard zag mishandelen. Daar heb ik me zo over opgewonden, dat ik naar de politie ben gegaan om aangifte te doen van dierenmishandeling. Die wilden er geen werk van maken of in elk geval is dat niet gebeurd, om welke reden dan ook. Misschien vonden ze een jongen van een jaar of veertien, ouder was ik toen nog niet, niet bepaald een betrouwbare getuige. Toen ik dat in de gaten kreeg ben ik er eens op mijn gemak voor gaan zitten en heb op een avond een, laat ik het maar noemen, heel lang opstel gemaakt over dat thema, natuurlijk dus met het gebeurde als uitgangspunt. Daarbij heb ik toen enorm geluk gehad. Het bleek dat de vader van één van mijn klassegenoten hoofdredacteur was van de krant, waar ik toen dat ingezonden stuk, want dat was het eigenlijk, heen heb gestuurd. En die jongen had van het geval gehoord. Kortom, hoe dan ook, die hoofdredacteur is zich voor het geval gaan interesseren, en heeft toen iemand van de redactiestaf een reportage laten maken over nog voorkomende dierenmishandelingen, die moeilijk te achterhalen zijn."

"En uw stuk?" vroeg Nel, die het verhaal met open mond volgde.

"Dat is geplaatst in de rubriek "De mening van onze lezer", dus de rubriek ingezonden stukken. En dat nog in zo sterk verkorte vorm, dat er van het proza, waar ik me zo veel van had voorgesteld, maar een heel klein beetje over bleef."

"O," deed Wil, een beetje teleurgesteld. Ook zij had het verhaal gespannen gevolgd.

"Ik heb het verhaaltje in zijn oorspronkelijke vorm nog altijd bewaard, omdat het mijn eerste journalistieke werkstuk was," ging Joop verder.

"En hoe sta je er nu tegenover?" vroeg Nel.

"Het was ronduit slecht geschreven," lachte Joop. "Zo echt in opgewonden schooljongensstijl, als ik het zo mag zeggen. Alleen viel er duidelijk uit op te maken, dat ik werkelijk erg kwaad was over wat ik had gezien en dat was dan misschien toch een kleine verdienste."

"Maar dan heeft dat hele stuk dus eigenlijk niets te maken met wat uiteindelijk uw beroep is geworden," meende Nel.

"Toch wel iets," vond Joop Goedhart. "De verslaggever, die toen een reportage heeft gemaakt, heeft onder anderen ook de boer geïnterviewd, waarom het eigenlijk begonnen was. Via mijn vriend van school en diens vader was hij aan dat adres gekomen. Bijna is het toen nog tot een strafzaak gekomen, omdat de boer een aanklacht wegens smaad in wilde dienen maar tenslotte is alles gesust en in de doofpot gestopt. Er viel eigenlijk later ook niet veel meer te bewijzen, omdat er verder geen getuigen bij waren geweest, voor zo ver ik weet. In elk geval kwam ik door dat voorval wat vaker bij de zoon van die hoofdredacteur thuis. Dat doe ik trouwens nog, al is hij dan inmiddels getrouwd. Toen ik van school kwam, heeft hij me aan een baantje geholpen bij de krant. Ik mocht brieven doorgeven op het redactiekantoor en verder moest ik altijd veel naar de zetterij hollen voor allerlei boodschappen, die me tot vandaag de dag onduidelijk zijn gebleven."

"Hoe prozaïsch," vond Wil en ook Nel voelde zich eigenlijk een beetje ontnuchterd. Ofschoon ze altijd met beide benen op de grond stond, had ze toch altijd ergens binnen in zich het gevoel gehad dat ze misschien op de een of andere wijze zo op zou vallen, dat ze ..... ja, dat ze wat eigenlijk?

Had ze zich werkelijk voorgesteld dat ze zo maar van schoolmeisje volslagen verslaggeefster zou zijn?

Jopie was inmiddels weer bij hen komen zitten en had voor thee gezorgd.

"En is het je nu duidelijk?" vroeg ze aan de meisjes.

Het was een vraag die Nel eigenlijk een beetje belachelijk voor kwam en haar zelfs een beetje prikkelbaar stemde. Tenslotte had zij er toch eigenlijk niet op aangedrongen om Joop Goedhart te ontmoeten? Nu was ze min of meer gedesillusioneerd.

Maar ze wist zich gelukkig goed te beheersen.

"Zoveel is me wel duidelijk, dat ik voorlopig nog geen verbintenis heb met welke krant dan ook," zei ze een beetje geforceerd vrolijk.

Joop Goedhart merkte dat heel goed op.

"Troost je," zei hij, "jij ziet het tenminste zelf in. Er zijn legio mensen die zoveel zelfvertrouwen, of eigenlijk zelfoverschatting hebben, dat ze een bepaald beroep geknipt vinden voor zichzelf, terwijl ze in feite helemaal niet voor dat beroep deugen. Later komt meestal de teleurstelling en die is dan dubbel zo hard dan nu het geval is."

De beide meisjes knikten.

"Waarmee ik dus helemaal niet wil zeggen dat je niet zou deugen voor dit beroep," haastte Joop zich er nog aan toe te voegen. "Wellicht ben je er voor geknipt, maar mijn raad is: blijf rustig je tijd uitdienen op school. Als je daar af bent, kom dan solliciteren bij de baas. En als Jopie er op staat, wil ik nog wel een goed woordje voor je doen ook. Maar stel je dus vooral niet voor dat iedereen in de krantenbusiness een klinkende naam heeft en een groot salaris. Dat is slechts voor enkelingen weggelegd."

"O, maar dat had ik ook echt niet verwacht," zei Nel nadrukkelijk, al zei er ook ergens een stemmetje, dat dat niet waar was.

"Vertel nog eens wat," gooide Jopie het gesprek over een ander boeg.

"Vertellen?" deed Joop Goedhart kwasi-ontsteld. "Kind, wat moet ik nu vertellen. De afdeling kunst is de meest saaie afdeling, die jonge meisjes zich voor kunnen stellen. De enige afleiding wordt nog eens gevormd door dat je de gelegenheid krijgt één of andere beroemdheid te interviewen. Een paar maanden geleden heb ik een vraaggesprek gehad met Renate di Stefano, je weet wel, die beroemde operavedette."

"En hoe ging dat?" vroegen drie stemmen tegelijk.

Joop glimlachte eens.

"Als ik het van de journalistieke kant bekijk, geloof ik dat ik er niet veel van terecht heb gebracht," zei hij. "Overigens was het wel erg leuk. Want Renate di Stefano mag dan de naam hebben dat ze erg wispelturig en veeleisend is, vooral dat laatste schijnt het geval te zijn, ik heb toen heel gezellig met haar gepraat en vond het wat jammer, dat ze weg ging, omdat ze op moest treden."

"Maar waar praat je met zo iemand nu over?" drong Jopie aan.

"O, het gebruikelijke werk," antwoordde Joop. "Je vraagt of ze al lang zingt, natuurlijk waar ze het eerst heeft gezongen, waar ze nu gaat zingen en al die dingen meer. En daar krijg je dan natuurlijk de geijkte antwoorden op. Dat het voor het eerst is, dat ze in Nederland zingt; dat ze erg blij is hier te kunnen zingen, omdat de smaak van het publiek hier op zo'n hoog peil staat enzovoorts."

Ze knikten alle drie begrijpend, en daarna bracht Joop het gesprek in een andere richting. Hij bleek een prettige verteller te zijn, zodra het niet over zijn eigen beroep ging, al had dat er veelal wel zijdelings mee te maken. De middag was dan ook vlug om en toen het tijd was om te gaan gaf Joop hen een stevige handdruk.

"Mocht je door wat ik je heb verteld niet zijn ontmoedigd, dan spreken we elkaar misschien nog wel eens," zei hij hartelijk tegen Nel.

En die knikte bevestigend.

HOOFDSTUK VIII

Succes.

Het waren spannende weken voor de meisjes. De eindexamens stonden voor de deur. Nog slechts korte tijd en ze zouden verlost zijn van de langzamerhand verfoeide school. Als die nare eindexamens maar niet vooraf gingen aan de fel begeerde vrijheid; zo dachten de meesten er over. Nel maakte daarop geen uitzondering. Ze had eigenlijk nooit bepaald een hekel gehad aan schoolgaan maar nu het langzamerhand tegen het laatste liep ging ze met steeds meer tegenzin de dagelijkse gang. Het vooruitzicht dat er na die spannende tijd een periode van weken voor haar lag, waarin ze kon doen en laten wat ze wilde, maakte veel goed. Maar de kwellende onzekerheid over het slagen of niet slagen, dat was het vooral wat het zo moeilijk maakte om die tijd door te worstelen. Gelukkig had ze nooit veel onvoldoendes gehad op school en voor de meeste vakken was ze dan ook niet bang. Alleen aardrijkskunde en geschiedenis waren altijd de knelpunten geweest, waarschijnlijk omdat ze zich daar totaal niet voor interesseerde. Vooral geschiedenis vond ze een verschrikkelijk vak. Het verre verleden had totaal geen enkele bekoring voor haar. Voor aardrijkskunde kon ze tenslotte nog een zekere belangstelling opbrengen, omdat ze ook beslist van plan was om later veel te reizen.

Maar geschiedenis? Met de beste wil had ze nooit kunnen inzien waarom je als scholier of scholiere nu beslist moest weten hoeveel vrouwen Hendrik VIII, alias Blauwbaard, in zijn veelbewogen leven had gehad. Als het nu nog alleen om kunstgeschiedenis ging, lag de situatie nog even anders. Tenslotte was het zo dat je graag wilde weten door wie en hoe een bepaald kunstwerk tot stand was gekomen. En daar konden veelal de tijdsomstandigheden wel degelijk invloed op uitoefenen.

Enfin, het scheen er nu eenmaal bij te horen, en een onvoldoende voor geschiedenis was net zo erg als die voor bijvoorbeeld Frans of Engels, vakken waarin ze een uitblinker was en waarover ze zich dan ook geen enkele zorg maakte.

In haar vrije tijd werd ze een beetje prikkelbaar, zoals dat trouwens wel meerdere leerlingen gebeurde. Gelukkig toonden in haar geval vader en moeder veel begrip voor de moeilijkheden van hun dochter en maakte ze haar het leven niet zuur met allerlei opmerkingen over haar humeur.

De meeste vrije tijd bracht ze door op haar kamertje, of wel ging ze in haar eentje een stuk fietsen, als het weer dat tenminste toe liet.

Een enkele keer namen vader en moeder haar wel eens mee naar een uitvoering in een theater of iets dergelijks om, zoals ze dat uitdrukten, de zinnen wat te verzetten.

Op één van de vele regenachtige dagen, die die zomer telde, zat Nel voor het raam te kijken naar de gemeenschappelijke tuin, waar alleen wat mussen erg bedrijvig deden op beschutte plaatsjes, maar waar het voor het overige maar een trieste boel was.

"Bah, wat een naar weer," vond Nel, en onbewust zei ze het bijna hardop.

Gelukkig hoorde niemand het. Ze was alleen met moeder thuis en die was in de keuken druk bezig, waarbij ze hevig met potten en pannen rammelde.

"Pff," deed ze toen in zich zelf, terwijl ze met een ballpoint zat te spelen. "Nog een maandje en het is gebeurd; en hoe het afloopt is tenslotte van minder belang."

Ja, ja, van minder belang! Of ze dat briefje, waarop stond dat ze met goed gevolg examen had afgelegd, al of niet kreeg maakte wel degelijk verschil, dat wist ze best. Wel niet zo veel als voor een jongen, maar toch was het ook voor een meisje belangrijk genoeg of ze al dan niet slaagde.

"Dat moest je nu eigenlijk eens opschrijven, wat er in die laatste weken in je omgaat voor je op het matje geroepen wordt," bedacht ze.

En plotseling sprong ze op. Natuurlijk, dat was het! Dat moest de ideale manier zijn om je gedachten bezig te houden. Het zou heerlijk zijn om af te kunnen reageren wat je steeds bezig hield. Het moest een soort injectie zijn, maar dan geestelijk. Tenslotte was het bij een ziekte ook zo, dat de patiënt ingespoten werd met een serum waarin de ziekteverwekkende stoffen waren opgenomen, had ze geleerd. Daardoor werd degene die ingespoten werd met het serum, immuun voor de ziekte zelf. Dat moest ook geestelijk kunnen, ze geloofde het stellig!

Een velletje papier was gauw genoeg gevonden en toen zette Nel zich aan haar kleine schrijftafeltje, vanwaar ze zijdelings het uitzicht had op de krakelende mussen, alleenheersers in de verregende tuin.

Ja, hoe begon je zoiets? Ze had daarnet boordevol met allerlei gedachten gezeten, maar om nu die gedachten een beetje te ordenen en ze vervolgens over te brengen op het papier, dat was nu het kardinale punt.

Een kwartier lang zat Nel te sabbelen op het eind van haar ballpoint, een weinig smakelijke bedoening, maar het hielp haar om zich te concentreren.

"Mag ik u voorstellen; ik ben scholier," zo begon ze tenslotte haar epistel.

"Ik ben niet zo maar een scholier, maar iemand die over enige weken zijn eindexamen moet doen. Over ongeveer een maand zal er over de eerstkomende jaren van mijn leven beslist worden, misschien wel over de gang van zaken voor mijn hele leven, althans in materiële zin! En het ergste is dat, als ik zak, het een klein beetje mijn eigen schuld zal zijn. Die paar vervelende vakken namelijk, waar ik niets voor voel, die heb ik in de lap laten hangen, ik heb er bijna geen aandacht aan besteed. En nu zie ik geen kans meer om de achterstand in te halen. Mijn hoofd staat er gewoon niet naar. Ik maak de lessen die ze me opgeven, maar soms zie ik gewoon de woorden voor mijn ogen dansen. En als ik ze commandeer om in het gelid te gaan staan, is het alsof ze me uitlachen. Daar wind ik me dan vreselijk over op, maar het geeft allemaal niets. En tenslotte besluit ik maar, om me nergens meer iets van aan te trekken. Maar als ik denk het uit mijn gedachten te hebben gezet, is er altijd wel iemand zo vriendelijk om me te vragen of ik mijn huiswerk al af heb. En dan zijn ze er weer, de dansende letters, die me nog allemaal uit schijnen te lachen op de koop toe."

Zo zat Nel bijna een half uur onafgebroken te schrijven, aan een stuk door vloeiden de woorden uit haar pen, zonder dat ze eigenlijk na las wat ze geschreven had. Toen mikte ze haar pen op het bureautje neer en rekte zich eens uit. Allemensen, wat een woordenvloed was me dat geworden! Zo ongeveer moest een schrijver zich voelen, die aan een bepaald onderwerp bezig was en over wie plotseling "de geest vaardig werd", zoals ze dat met een clichéwoord uitdrukten.

Maar aan wie moest ze dat stukje proza nu laten lezen? Tenslotte schreef je iets op om het door iemand anders te laten lezen. Dat had ze zich daar straks wel niet zo gerealiseerd, maar wat moest ze nu doen met dat vodje papier?

Ze kon toch moeilijk naar moeder gaan en zeggen: "Kijkt U eens hier, als u dit gelezen hebt, weet u precies hoe ik me af en toe voel, aangenomen dat u dat nog niet wist voor u dit las."

Moeder zou haar waarschijnlijk een beetje vreemd aankijken en haar mening dat ze haar dochter kende, grondig moeten herzien. En dan zou ze niet bepaald de literaire kwaliteiten van Nel bewonderen, maar stellig vragen of ze zich wel erg goed voelde. Maar wie interesseerde het dan? En wie zou het lezen, zonder het idee te hebben dat ze een beetje overspannen was?

En toen kwam het stoute idee in Nel op. Misschien zag de hoofdredacteur van "Het Dagelijks Nieuwsblad" er iets in. En zo niet, dan was er nog niets aan de hand. Dan had zij zich in elk geval afgereageerd op het papier en die hoofdredacteur, of in wiens handen het stukje papier dan ook mocht komen, moest zelf maar weten wat hij er verder mee ging doen.

De gedachte en de daad waren één bij Nel. Ze las het epistel nog eens door. Het was duidelijk geschreven. Alleen viel het haar nu pas op, dat het geschreven was, als was er een jongen aan het woord geweest, in plaats van een meisje. Maar dat was tenslotte van minder belang. Zou ze er nog een begeleidend briefje bij doen? Ach wel nee, dat had tenslotte ook eigenlijk niet de minste zin. Als dit briefje op de tafel van een redacteur belandde, dan begreep die heel goed wat de bedoeling er van was en lag het verder aan hem wat ermee te doen, ook zonder een begeleidend briefje.

Zo, het hele geval in een enveloppe, afzender op de achterkant, postzegel er op en dan meteen nog even op de bus gooien, voordat ze veranderde van gedachten.

"Waar ga je nog naar toe?" vroeg moeder, toen ze zag dat Nel haar mantel aan trok.

"Even een luchtje scheppen," jokte Nel, "ik kom echt zo terug, dat beloof ik u."

"Over tien minuten gaan we eten," waarschuwde moeder. "Vader is er ook al, die brengt alleen nog even zijn bromfiets in de stalling en je weet, die heeft een hekel aan wachten."

Maar de laatste woorden hoorde Nel al niet eens meer, ze stond al buiten de deur. Gelukkig was de brievenbus niet ver uit de buurt, zodat ze in een paar minuten heen en terug was. Nog even weifelde ze, toen ze voor de roodgelakte brievenbus stond. Was het eigenlijk niet al te dwaas, om zo'n briefje zonder nadere begeleiding maar op de bus te gooien? Maar dan haalde ze met een energiek gebaar haar schouders op. Tenslotte kende ze die hoofdredacteur helemaal niet, zomin als hij haar trouwens. En als dat na de verzending van dit briefje wel het geval mocht worden, kon dat alleen maar in gunstige zin zijn. Tenslotte zou iemand met een functie in de landelijke dagbladpers niet antwoorden op een dergelijke brief, als hij het alleen maar beschouwde als de wilde fantasieën van een driest schoolkind.

Met een lachje zag ze de brief door de sleuf verdwijnen om vervolgens op een holletje weer naar huis te lopen. En nu maar afwachten, al maakte ze zich helemaal geen illusies, gedachtig de woorden van Joop Goedhart, die immers juist had verteld van een dergelijke ervaring? Wie weet, kwam ook haar briefje in verkorte vorm terecht in de afdeling ingezonden stukken! Maar nee, dat kon haast niet. Daar leende het stukje zich helemaal niet voor. Het was tenslotte geen protest of een bepaalde meningsuiting over de één of andere aangelegenheid, maar gewoon een uiting van haar gedachten die waarschijnlijk precies waren als ettelijke duizenden anderen, die ook een examen in het nabije verschiet hadden.

"Nou ik moet zeggen dat je vlug terug bent," merkte moeder op.

"Heb je nu al een frisse neus gehaald?" En ze keek een beetje wantrouwend in de richting van haar dochter, van wie ze wel gewend was dat ze haar af en toe een verhaaltje op de mouw speldde, al was dat nooit met slechte bedoelingen.

"Het giet van de regen," merkte die naar waarheid op, maar dat was alleen maar om verdere vragen te ontwijken.

En in dat opzicht bereikte ze haar doel in elk geval. Moeder had trouwens geen tijd om nog verdere vragen te stellen.

"Neem maar even de juspan mee naar binnen," zei ze. "Haal het deksel maar van de haard en zet hem daar op. Dan maak ik nogal even de groente af. De aardappelen zijn ook zo gaar, dus je kunt me een plezier doen met even de tafel te dekken."

Bereidwillig deed Nel vlug haar mantel uit en nam de pan mee naar binnen om vervolgens de tafel te dekken, precies zo als moeder haar dat had gevraagd.

Zo, dat had ze handig gedaan. Thuis had in elk geval geen van haar beide ouders erg in haar literaire bedrijvigheid. En zelf had ze andere dingen om aan te denken dan aan die vervelende examendagen, die onherroepelijk steeds dichter bij kwamen. Al had het er natuurlijk wel zijdelings mee te maken...

Ze wist het tegenover iedereen te verzwijgen, al had ze zich zelf er bijna op betrapt dat ze Wil in had gewijd bij haar geheim. Als de redactie van de krant reageerde, was het nog vroeg genoeg om anderen deelgenoot te maken van haar privé-geheimpje. Zo worstelde Nel met gemengde gevoelens de dagen door. Ze had zich nooit voor de krant geïnteresseerd, hoogstens voor de stripverhaaltjes op de tweede pagina, maar nu betrapte ze zich er zelf op, dat ze al drie dagen achtereen het blad uit de brievenbus haalde, om toch vooral het eerst te kunnen kijken of er, tenslotte kon je niet weten, iets van haar brief was opgenomen. Maar twee, drie dagen gingen voorbij, zonder dat ze iets las wat haar werkelijk belang inboezemde.

En toen, de vierde dag, was het toch raak! Het was op een zaterdag, een dag waarop de krant ook een vrij uitgebreide rubriek voor de jeugd bevatte.

"GEVOELENS VAN EEN EXAMENCANDIDAAT", stond er met grote letters boven. Hé, en naast het stukje stond nog een aantekening van de redactie zelf, zag ze nu.

Zenuwachtiger dan ze zich zelf wilde bekennen, vlogen Nels ogen over de regels. Daar stond haar eerste, haar eigen geesteskind in een heus, echt dagblad.

"Hiernaast treft u een ontboezeming aan van een leerling, of leerlinge, dat willen we in het midden laten, van een middelbare school. We kregen dit stukje proza ongevraagd toegezonden en we hebben gemeend het een plaatsje te moeten geven in deze rubriek. Het kan misschien als troost en als een kleine opbeuring dienen, de wetenschap dat iedereen blijkbaar zo in spanning zit voor het naderende examen. De wijze waarop de inzender van dit stukje deze spanning af tracht te reageren, want dat is kennelijk de opzet geweest, vonden wij origineel. Overigens blijkt wel dat de schrijver of schrijfster zich over sommige vakken bepaald geen zorgen behoeft te maken, zoals bijvoorbeeld haar Nederlandse taal...."

Het stukje was onverkort, zonder enige verandering opgenomen, dat zag ze duidelijk. Dat moest ze dan toch eens aan Joop Goedhart laten lezen, nam ze zich meteen voor. Die had haar met zijn zogenaamde vaderlijke les misschien trachten te ontmoedigen, maar nu bleek dan toch wel, dat hij er naast had gezeten! En nu zou hij haar een introductie geven bij zijn hoofdredacteur, dat stond ook als een paal boven water. Of eigenlijk had ze hem nu niet eens meer nodig! Ze had zich zelf immers al geïntroduceerd door dit stukje te sturen.

Zo zat Nel een beetje opgewonden te fantaseren in haar kamertje tot moeder haar kwam roepen voor het eten.

"Wat zit jij toch te doen?" vroeg die. "Je sluit je de laatste dagen steeds op kind! Trek je je dat examen zo aan?"

"Nee hoor," lachte Nel, "maar uw dochter heeft al vast de eerste stap gezet voor een baan, zodra ze van school af komt."

"Je spreekt in raadsels," zei mevrouw Sopers. "Als je me nu eens verteld, wat jij de laatste dagen steeds uitspookt in je kamer, dan trek ik zelf wel de conclusies. Een paar dagen geleden deed je al zo raadselachtig, toen je vlak voor het eten zogenaamd nog even een luchtje ging scheppen."

Nel lachte weer.

"Ik kan u ook niets wijs maken," zei ze, en ze gaf haar moeder een stevige zoen op beide wangen. "Ik dacht nog wel dat ik het handig had gedaan, maar voor u nog lang niet handig genoeg, dat blijkt nu al weer. Maar u mag het allemaal best weten hoor!"

En met die woorden gaf ze moeder de krant in de handen, met haar ingezonden stuk naar boven.

"Hier, leest u dat maar eens," zei ze.

En toen werd het moeder duidelijk.

"Als ik het nu goed begrijp heb jij dat stukje naar de redactie gestuurd, maar je wilde natuurlijk niets zeggen, omdat je nog niet wist of het geplaatst zou worden."

Haar dochter knikte.

"Ik was bang dat u het gek zou vinden en daarom durfde ik er niet goed over te praten," zei ze.

"Maar dan zul je hier stellig nog wel meer van horen," zei moeder overtuigd.

"Hoe bedoelt u?" weervroeg Nel.

"Laat ik deze keer eens een beetje raadselachtig doen," glimlachte moeder. "Maar let maar eens op mijn woorden."

En ze kreeg gelijk.

Met de avondpost kwam er een brief van "Het Dagelijks Nieuwsblad". Het was een weinig formeel gesteld epistel, maar het gaf Nel genoeg aanleiding tot nieuwe opwinding.

"Beste C. Sopers", luidde de aanhef.

"We hebben deze gebruikelijke aanhef wel moeten gebruiken om de eenvoudige reden dat we niet wisten of we met een meisje dan wel met een jongen te doen hadden, toen we je brief ontvingen. We hopen ons daar echter spoedig van te overtuigen. We hebben namelijk het genoegen je uit te nodigen om a.s. Maandag eens te komen praten op ons redactiekantoor. In de eerste plaats heb je natuurlijk recht op een honorarium, waarvan wij hopen dat we het eens kunnen worden. Maar verder hebben we het voornemen om, indien mogelijk nog meer van zulke spontane ontboezemingen op te nemen in onze jeugdrubriek, misschien nog één of twee over de naderende eindexamens, daarna wellicht over een ander onderwerp dat iedere jongen of meisje van jouw leeftijd bezig moet houden. We verzoeken je je op ons kantoor in verbinding te stellen met de heer Geerlings. In geval van verhindering wil je misschien wel zo vriendelijk zijn, ons telefonisch even te verwittigen, opdat wij een nieuwe afspraak kunnen maken."

Volgde een onleesbare handtekening.

Een poosje zat Nel een beetje verdwaasd voor zich uit te kijken. Het overrompelde haar allemaal. Ze had wel, ondanks de woorden en het verhaal van Joop Goedhart, verwacht dat ze een reactie zou ontvangen in de een of andere vorm, maar dit was meer dan ze ooit had durven dromen.

"In geval van verhindering", stond er in de brief! Nu, zij zou wel zorgen dat ze niet verhinderd was, dat stond als een paal boven water. Alleen zou ze pas na schooltijd kunnen gaan en dat was natuurlijk wel een vervelende tijd, maar nu ja, daar was tenslotte niets aan te doen. Per saldo hadden ze geen tijd genoemd in de brief, en wisten ze dat ze scholier was.

Toen ze alles goed op zich had in laten werken, maakte ze een enorme luchtsprong en viel vervolgens moeder om de hals.

"U had het weer goed gezien!" juichte ze en toen volgde er een zoenpartij tussen moeder en dochter, waar geen einde aan scheen te komen.

"Nou nou, een beetje rustig maar," kalmeerde moeder tenslotte, maar aan haar gezicht was duidelijk te zien, dat ook zij het geweldig vond voor haar kind.

"Mag ik vanavond nog even naar Jopie Verwey?" bedelde Nel. "Ik weet zeker dat die het ook machtig zal vinden en dan kan zij het misschien zondag nog even vertellen aan die kennis van haar, Joop Goedhart."

"Wie is Joop Goedhart?" vroeg moeder.

"O, dat is de redacteur voor kunstzaken bij het Dagelijks Nieuwsblad," zei Nel luchtig.

Verbaasd keek moeder haar aan.

"Je bent al aardig thuis in die kringen," lachte ze toen.

"Ik heb hem eens ontmoet bij Jopie," legde Nel uit. "Hij is wel aardig, maar praat een beetje erg vaderlijk."

"Dat lijkt me ook wel de juiste toon tegen jou," vond moeder. "Je bent af en toe zo'n opgewonden standje!"

"Ja, ja," zei Nel, "ik had niet anders verwacht, dan dat u hem bij zou vallen!"

"Nu, ga in ieder geval maar even; je hele avond zou anders bedorven zijn," zei moeder glimlachend.

's Avonds ging Nel gewapend met de krant en de brief, naar Jopie. Die was al bijna even blij als Nel zelf en wel een paar uur zaten de beide meisjes te babbelen over de toekomst van Nel.

Ook Wil werd de volgende dag, het was toen zondag, deelgenoot gemaakt van de vreugde.

En maandags ging Nel met een kloppend hart naar school. Ze was eerst van plan geweest, haar mooiste jurk aan te trekken, maar dat had moeder haar ten sterkste afgeraden.

"Doe eenvoudig," zei ze, "dat maakt een betere indruk dan dat je je als een opgeblazen schoolmeisje opdirkt."

"En ik bèn een opgeblazen schoolmeisje!" wierp Nel haar lachend tegen.

"Dat hoef je nog niet zo te laten merken," vond moeder en Nel voelde wel, dat ze weer eens volkomen gelijk had.

En zo verscheen die maandag een meisje dat nog niet eens de HBS helemaal had doorlopen, op het redactiekantoor van het "Dagelijks Nieuwsblad" om daar te "solliciteren" naar de functie van wat ze zelf noemde "jongste verslaggever".

Het was wel als de bekende kat in het vreemde pakhuis, dat ze daar stond rond te kijken in het rusteloze bedrijf dat een dagblad nu eenmaal is. De portier vond het schijnbaar helemaal niet gek, dat zo'n jong meisje naar de heer Geerlings vroeg. Nadat Nel haar naam had genoemd, nam hij direct de telefoon ter hand.

"Mejuffrouw Cornelia Sopers, ja," hoorde ze de portier zeggen. "Prachtig ja..."

"U wordt gehaald," wendde hij zich vervolgens tot Nel en inderdaad kwam een paar minuten later een sympathieke heer op leeftijd de grote hal binnen stappen vanuit de grote lift.

"Aha," zei hij, terwijl hij met uitgestoken hand op haar toe kwam, "daar hebben we dus die veelbelovende journaliste in de dop. Ja, ja, van Balen, kijk maar eens goed, je zult van haar in de toekomst vast nog wel eens meer horen."

Een beetje voorbarig vond Nel het zelf wel, maar ze zei maar niets en wist weinig meer te doen dan verlegen te lachen.

Suizend snel bracht de lift hen naar boven, waar meneer Geerlings de beschikking bleek te hebben over een royale kamer waar de drukte die verder in het gebouw heerste, slechts gedempt door drong.

Aan de voorzijde, door de grote ramen, had je een leuk uitzicht op de drukke straat waaraan het gebouw van de krant was gebouwd en daar zette meneer Geerlings zijn gast neer.

"Ziezo," zei hij, "we zullen eerst maar eens bepraten welk honorarium je je had gedacht voor het stukje dat we van je hebben geplaatst."

"Met dat idee heb ik het helemaal niet ingezonden, meneer," zei Nel blozend.

"Nee, dat begrijp ik, lachte meneer Geerlings, "maar als je het dan goed vindt, zal ik zelf het honorarium wel bepalen."

Met die woorden stond hij op en schreef een briefje dat hij Nel overhandigde.

"Ziezo daar ga je straks mee naar de kas, waar je dit bedrag uitbetaald krijgt," zei hij. "Is het naar je genoegen?"

Of het naar genoegen was!

"Maar dat.....dat is veel te veel meneer!" zei Nel, bijna stotterend.

Het briefje gaf recht op in ontvangstname van vijfentwintig gulden! Maar meneer Geerlings deed alsof hij het hele briefje al weer was vergeten en stapte meteen over op het volgende onderwerp.

"Wat wij dus willen, is een geheel nieuwe reeks artikelen, die we willen noemen: "Ontboezemingen van een scholier", zei hij zakelijk. "Ik heb het stuk dat je ongevraagd hebt ingestuurd, aan verschillende mensen laten lezen, en de reacties waren onverdeeld gunstig. Daarom leek jij me dus de aangewezen persoon om deze reeks voort te zetten. Uiteraard behouden we ons hier het recht voor om bepaalde stukken niet te plaatsen, alsook om de reeks te stoppen, als blijkt dat de artikelen in zijn algemeenheid niet voldoen aan de smaak van de lezers. De minimumlengte van de artikelen moet bedragen honderd regels over één kolom, dat is dus ongeveer dertig à vijfendertig letters, inclusief de spatiëring."

Het duizelde Nel. Ze kon niets anders doen dan maar knikken tegen de man tegenover haar aan het bureau, die dit alles zei alsof het de gewoonste zaak ter wereld was.

En dat was het misschien ook wel, tenminste voor hem! Maar voor haar betekende dit zo ontzaglijk veel. Het was het begin van een carrière als verslaggeefster.

Ruim een half uur duurde het onderhoud met meneer Geerlings. Toen daalde Nel alleen af met de lift naar de begane grond. De portier knikte haar toe, alsof ze een oude bekende was.

En als was het de gewoonste zaak ter wereld dat zij als meisje van vijftien jaar hier door de hal liep, zei Nel: "Tot ziens portier...."

EINDE

 
R. Jager, circa 1960 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003