www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Binkie
door Roel Jager
geschreven in 1957
uitgebracht door uitgeverij Jeugdland

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X
Hoofdstuk XI


 

HOOFDSTUK I

"Hé joch, kom eens hier en steek ook een handje uit om te helpen. Je staat daar toch maar te luieren!"

Langzaam draaide Binkie zich om. Haast minachtend keek hij naar de man, die hem aangesproken had. Het was een schillenboer uit de buurt, die Binkie wel kende, maar hij maakte geen aanstalten om hem te helpen. De schillenboer zat in een oude auto, breeduit en met een grote sigaar in zijn mond. Een stel kinderen was bezig het voertuig op te duwen, maar blijkbaar konden ze niet voldoende kracht opbrengen om het vehikel op gang te krijgen. Af en toe pufte het even als om zijn goede wil te tonen, maar verder kwam het niet. De schillenboer was de enige die dat jammer vond want de kinderen beschouwden de zaak alleen maar als verzetje en spanden zich niet al te erg in.

"Spijt me, ik heb geen tijd," zei Binkie kortaf.

Meteen stopte hij zijn handen nog wat dieper in zijn broekzakken en liep door. Die vent kon voor zijn part opvliegen! Een paar keer was hij zo gek geweest mee te helpen duwen achter dat ding, maar nu vingen ze hem er toch beslist niet meer voor. De enige beloning die hij ooit had gezien was een ritje door de buurt. Toen de schillenboer naar een verder gelegen wijk moest, had hij het stelletje jongens afgezet en moesten ze nog terug lopen ook.

Nee, een karweitje voor volwassenen moest je in je eentje doen want ze begonnen er toch niet aan, zo'n heel stel een fooitje te geven. Binkie had langzamerhand ervaring gekregen in die dingen. Hij was heus wel bereid een ander te helpen, maar voor wat hoorde wat op zijn tijd. Beter kon hij eens gaan kijken in de groentenhal om de hoek. Daar was bijna altijd wel wat te doen en de baas daar kwam tenminste nog wel eens af met een karweitje of als hij een goeie dag had gehad zelfs wel met twee.

Een keer was het gebeurd dat Binkie met zijn vriend Dries een hele kar aardappelen had gelost. De baas zat een beetje met zijn handen in het haar omdat zijn knecht ziek was geworden en de beide jongens hadden gewerkt als paarden. Maar toen ze naar huis gingen hadden ze dan ook samen een rijksdaalder gekregen van de dankbare groenteman. Ze waren heel deftig naar de bioscoop gegaan en hadden dure plaatsen genomen, waar anders nooit jongens zaten. Een beste dag was dat geweest! Alleen jammer dat je je geld maar een keer uit kon geven, want achteraf had hij toch wel een beetje spijt gehad, dat hij zijn verdienste niet bewaard had. Dries had er op aangedrongen het geld op te maken en tenslotte was Binkie voor de verleiding en de aandrang van Dries bezweken. Zo ging het meestal als hij met zijn vriend een klusje had gedaan. Zelf was hij zuinig genoeg, maar hij bezweek te vlug voor de argumenten van zijn makker, die van het standpunt uit ging dat je het toch maar een keer kon besteden.

In gedachten liep Binkie de drukke Haarlemmerstraat door, waar aan weerszijden winkel aan winkel stond. Voor de etalage van een grote rijwielzaak bleef hij staan kijken naar zijn droombeeld, een zware bromfiets. Wacht maar, over een paar jaar als hij op zo'n ding mocht rijden, zou hij eens laten zien waar hij voor had gespaard. Binkie had al uit zitten rekenen dat hij tegen die tijd het nodige bedrag bij elkaar kon hebben, als hij tenminste bij een baas kon beginnen zodra hij van school af kwam. Gefascineerd bleef hij staan kijken. Zijn anders altijd vrolijke jongensgezicht met de donkere krullenbol er boven kreeg een heel andere uitdrukking nu hij zo dicht bij zijn ideaal stond. Gossie, wat een knaap was het toch! Daar haalde je minstens vijftig kilometer per uur op! Binkie zag zich zelf al rijden door de stad, verwarring stichtend onder de andere weggebruikers, die hem toch een beetje jaloers nakeken.

Een illusie waar hij niet verder over durfde denken, was een motor zoals de buurman, meneer Leenders, er eentje had. Dat was een machtig gevaarte met veel koper en een hele franje aan het zadel van reepjes leer. Als die er zondagsmorgens op uit trok stond de hele straat op stelten. Een deel van de bewoners was vol bewondering, maar de anderen verwensten het echtpaar met zijn lawaaiige hobby. Regelmatig hoorde men de bedreiging dat de politie er in gemengd zou worden met een aanklacht wegens burengerucht. Maar tot nu toe was het zo ver niet gekomen en dus trok buurman er iedere zondag op uit bij goed weer, terwijl de buurt met gemengde gevoelens achterbleef. En met minder goed weer stond hij altijd te poetsen of kleine reparaties te verrichten. Binkie was daarbij altijd van de partij en stond geïnteresseerd toe te kijken. Eens had hij een stuk mee mogen rijden toen de buurvrouw geen zin had om weg te gaan. Uit balorigheid had meneer Leenders toen al de jongens om beurten een poosje achterop genomen om een straatje om te rijden.

Het was een van de mooiste gebeurtenissen geweest in het leven van Binkie. Met grote vaart waren ze over de weg geraasd in de richting Haarlem helemaal tot aan de laatste huizen van de stad. Alles waren ze voorbij gereden met niets ontziende snelheid. Nog voelde Binkie de loeiende wind om zijn oren die hem het ademhalen bemoeilijkte.

"Was je niet bang?" vroeg de buurman, toen ze terug waren in het straatje en Binkie kon alleen maar met een vuurrood hoofd schudden.

Sindsdien was hij helemaal niet meer weg te slaan als meneer Leenders bezig was, maar tot Binkie's spijt was het voorlopig bij dat ene ritje gebleven.

Met een zucht wendde de jongen zich af van de verleidelijke uitstalling en vervolgde zijn weg naar de groentenwinkel.

"Dag baas," groette hij de winkelier, die juist in zijn boeken zat te bladeren.

"Zo jong, wat kom je doen?" vroeg de baas, opkijkend van zijn papieren.

"Kijken of U nog wat voor me te doen hebt," zei Binkie laconiek. "Zo'n klusje als een paar weken geleden zou me wel lijken, toen Jan ziek was."

"Nou dan heb je pech gehad," lachte de man. "Jan is gelukkig weer aan het werk. Hij is even weg voor een boodschap maar zal zo wel terug komen. Maar als je graag wat wilt doen, mag je al deze bakken wel bij vullen met aardappelen. Je weet wel waar ze staan."

"Ja baas," zei Binkie en hij toog meteen naar achteren, waar hij de verschillende aardappelen wist staan.

De winkelier ging nu ook weer aan het werk, maar moest regelmatig naar voren om een klant te helpen totdat zijn bediende terugkwam.

"Wanneer kom je van school af?" vroeg meneer Reinders terwijl hij Binkie hielp met het optillen van een zware zak met aardappelen.

"Volgend jaar," antwoordde Binkie. "Hoezo?"

"Kan je bij me komen, als je zin hebt. Als je tenminste zo je best blijft doen als nu, kan ik je wel gebruiken als knechtje. Praat er maar eens met je ouders over. Of moet je nog weer naar school?"

"Ik zou wel willen maar d'r zijn geen centen, zegt vader, dus gaat het niet door," antwoordde Binkie schokschouderend en een beetje spijtig.

Maar de winkelier troostte hem met de woorden: "Daar hoef je niet zo heel veel spijt van te hebben jôh. Als je alle diploma's wilt hebben die ze tegenwoordig vragen zit je tot je dertigste jaar te blokken. En zonder al die papieren rompslomp is er ook heus behoorlijk werk te vinden. Denk er nog maar eens over na, dan hoor ik het wel."

"Nou, groenteman word ik anders toch niet," zei Binkie met een beetje afschuw in zijn stem. "Ik ga in een garage werken, net als vader. Ik wil monteur worden en vader zegt dat daar altijd behoefte aan is."

"Geen vak voor mij," zei de baas misprijzend. "Altijd onder die vieze auto's te kruipen, die niet eens van jezelf zijn, lijkt me maar een hondenbaan."

Dat kwam Binkie toch te na in de eer van zijn vader en hij vatte meteen vuur. Met een hele verhandeling over de werking van een motor probeerde hij baas Reinders te winnen voor zijn geliefkoosde hobby. Maar de ander liet zich toch niet van de wijs brengen en bleef afgeven op die ondingen, zoals hij het noemde.

"U gebruikt ze toch zelf ook maar," triomfeerde Binkie tenslotte en tegen dat argument wist meneer Reinders niet veel in te brengen dan een binnensmonds gebrom.

Er werd verder niet meer over gesproken want vooral Binkie durfde de zaak ook niet op de spits te drijven. Hij moest er aan denken dat hij nog niet aan een baas toe was en voor die tijd viel er hier in elk geval nog wel eens wat te verdienen. Zaken waren nu eenmaal zaken.

Een kwartier later had hij zijn kwartje weer verdiend en ging fluitend naar huis. Het liep tegen zessen en moeder was erg precies wat betrof de klok voor het avondeten. Wie later dan kwart over zes binnen kwam, kon zijn maag voor die dag wel aan de kapstok hangen, want voor hem was niets te eten. Zelfs vader had zich daar stipt aan te houden, hoewel die zelf anders ook lang niet gemakkelijk was. Binkie herinnerde zich dat er vroeger wel eens hevige ruzie over was als vader zonder aanleiding wat later van zijn werk kwam. Dan wipte moeder rustig het overschot van het avondmaal op de schillenmand en als vader nog warm wilde eten moest hij het ergens anders zien te krijgen. Dan was er prompt hevige ruzie waarbij vader zich op stond te winden, terwijl moeder de handen in de zij zette en hem rustig de wind van voren gaf. Een keer was het gebeurd dat Binkie, hij was toen een jaar of acht, er over in de lach was geschoten, maar dat brak hem lelijk op. Als hij goed na dacht voelde hij nog de harde handen van vader op zijn schrijnende zitvlak. Maar meestal was het eind van het liedje dat vader razend en tierend de deur uitging en zijn vertier elders zocht. Gelukkig was dat nu anders geworden sinds vader had ingezien dat hij toch aan het kortste einde trok.

"Dag moeder," groette Binkie.

"Dag jongen, waar heb je de hele middag gezeten?" vroeg moeder en zonder antwoord af te wachten vervolgde ze meteen bedrijvig: "Toe, doe jij me een plezier en dek vast de tafel voor me. Dan kunnen we dadelijk eten als je vader thuis komt."

"Ja moeder," zei Binkie gedienstig en toog aan het werk.

Binkie was dol op zijn moeder. Niemand moest het in zijn hoofd halen, een kwaad woord van haar te zeggen, want dan kregen ze met hem te doen!

Binkie was heus niet sentimenteel, verre van dat; maar als hij wel eens in de put zat, hoefde moeder alleen maar te zeggen: "Wat is er aan hand jongen?"

De manier waarop ze dat zei, was voor Binkie al voldoende, om zich weer helemaal op zijn gemak te voelen. Hij, grote knul van dertien jaar, kreeg bij het luisteren naar haar stem dan altijd de neiging zijn hoofd in haar schoot te leggen, eens lekker uit te huilen en zijn hart te luchten. En in negen van de tien gevallen wist moeder ook werkelijk raad te geven.

Met vader was dat anders. Hield Binkie ook van zijn vader? Vader was een reus, die ging voor niemand uit de weg. Behalve dan misschien voor moeder, maar dat was logisch, vond Binkie. Moeder was zijn afgod en vader alleen maar een kei van een vent, dus die twee waren niet te vergelijken met elkaar. Van vader houden? Misschien wel, maar dan toch heel anders dan van moeder! Het enige wat Binkie zeker wist was, dat hij een heilig respect koesterde voor zijn vader.

Handig had Binkie de tafel gedekt. Daarna vond hij nog even tijd om met zijn kleine zusje Mieke te spelen, die al enige keren had geprobeerd zijn aandacht te trekken. Kraaiend van plezier stond ze in Binkie's haar te graaien, die gewillig zijn hoofd op de rand van de kinderbox had gelegd en maar met zich liet sollen. Dat duurde zo lang tot hij iets nats in zijn nek voelde, doordat de kleine in haar enthousiasme een fikse straal speeksel uit haar mond liet lopen.

"Jakkes viezerd!" riep Binkie verschrikt uit, haastig met zijn zakdoek in zijn nek wrijvend.

Van pure schrik zette Mieke een keel op van jewelste en toen was Binkie niet zo goed of hij moest haar troosten. Maar hij waakte er wel zorgvuldig voor dat het hem nog eens gebeurde.

Dan kwamen ook vader en Marjan thuis. De laatste werkte als leerling-verkoopster in een grote kruidenierswinkel in de Haarlemmerstraat. Al enige keren had Binkie geprobeerd daar goede munt uit te slaan, maar hij kreeg geen schijn van kans bij zijn oudere zusje. Hij hoefde zijn gezicht maar om de hoek van de winkeldeur te laten zien om een grote mond te krijgen. Alleen voor thuis nam ze wel eens wat lekkers mee, maar dat nam moeder direct onder haar beheer. Teleurgesteld passeerde Binkie sindsdien de winkel, toch begerige blikken werpend naar de vele uitgestalde lekkernijen.

Na het eten schoot Binkie nog even de straat op, om te kijken naar meneer Leenders, die weer bezig was aan zijn geliefkoosde motorfiets. Af en toe oordeelde hij het nodig om eens even "proef te draaien", zoals hij het noemde en dan klonk er een oorverdovend lawaai door het kleine straatje. Het klonk Binkie als muziek in de oren en verheerlijkt stond hij toe te kijken hoe de buurman de gashandle zo ver mogelijk open draaide. De buurt scheen er deze keer maar matig mee te zijn ingenomen, want hier en daar verschenen er hoofden onder de opgeschoven ramen door. Er werden diverse weinig vriendelijke opmerkingen geplaatst aan het adres van meneer Leenders, maar die zweeg wijselijk. Hij wist langzamerhand wel dat de zaak alleen maar erger werd, als hij er op reageerde.

"Ik zou dat ding nu maar eens een keertje bij het oud roest gooien," schreeuwde een man ergens van tweehoog nijdig.

Buurman zweeg in alle talen.

"Ga er mee trainen op het circuit in Assen, dan hebben wij tenminste geen last van je!" riep nummer twee.

Meneer Leenders verwaardigde zich niet, antwoord te geven en liet de motor nog wat harder brullen.

"Mijn kinderen doen geen oog dicht door die herrie!" klonk een schelle vrouwenstem.

Nu richtte buurman zich toch op van zijn voertuig en riep terug: "Dat komt van jullie eigen geschreeuw, als je je mond houdt, wordt het zo wel beter. Met dat gekrijs hou je de hele buurt uit zijn slaap!"

Die woorden vormden de aanleiding tot een reeks verwensingen aan zijn adres en hier en daar gingen stemmen op om de motor en zijn eigenaar voorgoed het zwijgen op te leggen.

Binkie vond het langzamerhand beter, naar boven te gaan, want de gemoederen raakten danig verhit. En ofschoon hij niet afkerig was van een robbertje vechten, voelde hij er toch weinig voor in een mogelijke ruzie van volwassenen te worden betrokken. Stilletjes schoof hij naar binnen, op zijn beurt het verloop van de woordenstrijd geïnteresseerd volgend.

Het was duidelijk dat meneer Leenders de ongelijke strijd niet lang vol zou kunnen houden. Maar nu kreeg hij assistentie van zijn vrouw. Die was niet zo verstandig als haar man en probeerde iedereen zijn portie te geven.

"Jullie gunnen een mens zijn liefhebberij niet!" schetterde ze. "Je moest je schamen om met zijn allen te keer te gaan tegen iemand die in alle rust met zijn hobby bezig is."

Er volgde een luid hoongelach en verder uit de straat antwoordde iemand: "Een hobby noemt ze dat! Mens, het lijkt wel of de boel afgebroken wordt als die vent van je met dat geval bezig is!"

Intussen had meneer Leenders "het geval" afgezet, maar dat wilde niet zeggen dat daarmee de onenigheid afgelopen was. Binkie vermaakte zich kostelijk van uit zijn veilige plaatsje bij het raam. Mevrouw Leenders scheen het nodig te vinden om rustig het straatje door te wandelen en iedereen persoonlijk zijn deel te geven van haar welsprekendheid.

"Die man van je is er net bijtijds mee opgehouden," riep meneer Gorissen van nummer vijfendertig. "Als hij nog vijf minuten door was gegaan had ik de politie gebeld en had die er wel een eind aan gemaakt."

Nu draaide mevrouw Leenders zich resoluut om en riep naar haar echtgenoot: "Jan, zet die motor aan en laat hem merken dat je niet van hem bent geschrokken. Die man denkt indruk op je te maken!"

Meneer Leenders scheen daar niet voor te vinden en nu dreigde het echtpaar onderling ruzie te krijgen, tot groot vermaak van de buren.

"Je zal hem aanzetten of anders ga je in het vervolg zondags alleen maar op stap," zei ze resoluut.

En haar man was niet zo goed of hij draaide de benzinekraan open en trapte met een nijdig gezicht het ding aan. Toen waren de rollen omgekeerd en voor de tweede keer stapte mevrouw Leenders als een veldheer door de straat. Ze zei niets, doch aan haar gezicht was te zien hoe ze genoot van haar overwinning. Maar juist was ze aan het einde van de straat omgekeerd toen haar die triomfantelijkheid radicaal werd afgeleerd. Vanuit het raam ergens op de eerste verdieping kwam omzichtig een grote emmer naar buiten en op het moment dat ze passeerde werd die omgekeerd.

En het was precies raak! Mevrouw kon zich de gang naar het badhuis besparen, want ze dreef. Er ging een oorverdovend gejuich op, dat haar kreten van verontwaardiging overstemde. Toen zag mevrouw Leenders in, dat ze het verloren had. Woedend ging ze naar binnen, terwijl haar man zijn motorrijwiel afzette en wijselijk nog een straatje omging. De rust in de Tweede Spieringdwarsstraat was weergekeerd. Maar de hele buurt sprak die avond over het onvrijwillige bad van mevrouw Leenders. Behalve zij zelf......


 

HOOFDSTUK II

Het regende. Glimmend lagen de geasfalteerde straten onder een grauwe, troosteloze regenlucht. In het smalle dwarsstraatje had je daar nog niet zo'n erg in, maar hier aan de waterkant kreeg je een heel andere kijk op het egaalgrijze wolkendek, waarin geen stukje blauw viel te ontdekken. Van onder een luifel van het Centraal Station stonden Binkie en Dries een beetje verveeld te kijken naar de voortdurende bedrijvigheid op straat. Ze hadden eerst een tijdlang bij Dries thuis gezeten, maar daar waren met dit weer nog vijf kinderen aan huis gebonden. Dries' moeder was er kribbig van geworden; dat gedraai om haar heen maakte haar zenuwachtig, beweerde ze. Toen Dries dan ook had gevraagd of ze de straat op mochten, had ze niet eens naar de regen gekeken en alleen een snauw gegeven die toestemming kon inhouden. In de buurt was niet veel te beleven, verkeer was daar bijna niet. In de Haarlemmerstraat liep een politieagent op en neer, zodat ze er geen kattekwaad uit konden halen. Zo waren de beide jongens bij het IJ terecht gekomen, waar in elk geval een beetje levendigheid heerste.

"Ga mee," zei Binkie, "gaan we overvaren met de pont. Daar staan we droog en zien we weer eens wat anders."

"Mij best," stemde Dries in, "alleen moet ik uitkijken dat ik niet weer dezelfde vent van vorige keer tref, toen ik hier met Frans was. Die houdt me in de gaten, zie je."

"Waarom," vroeg Binkie belangstellend.

"O, we waren zes keer heen en weer gevaren en de zevende keer vroeg ik hem, of hij niet eens een keer het heen en weer kreeg van datzelfde tochtje steeds. Nou ja, van het een kwam het ander en op het laatst heb ik een paar lelijke woorden tegen hem gezegd. Zo van dat ie op het dak kon gaan zitten, dan had ie een mooi uitzicht. Toen wou die me een draai om mijn oren geven, maar ik was hem net te glad af, want we lagen aan de steiger. Hij mocht de straat niet op en ik wel."

Binkie lachte.

"In ieder geval is de pont vrij," zei hij. "En er is niemand die er last van heeft als wij een paar keer overvaren. Als je "kennis" er is, wachten we even op de volgende."

"Nou ja, laten we maar gaan, het zou al stom toeval zijn als diezelfde snuiter er weer staat en misschien kent ie me niet eens meer."

Met een houding, als hadden ze een belangrijke boodschap te doen aan de overkant, stapten de beide jongens op het logge vaartuig. Belangstellend keken ze toe, hoe een hele rij auto's behoedzaam aan kwam rijden en op aanwijzing van een der pontknechten een plaatsje zocht. Dries had geluk, want zijn "kennis", zoals Binkie hem had genoemd, was er niet en niemand schonk enige aandacht aan de beide knapen. Binnen weinige minuten was het dek vol en even later trok de grote pont van zijn ligplaats de drukte van Het IJ tegemoet. Ergens, verder vanuit de haven klonk mistroostig een scheepshoorn met een doffe, langgerekte toon. Sleepboten schoten bedrijvig heen en weer, schijnbaar zonder doel en alle in verschillende richtingen. Zwaar beladen binnenschepen gingen onder een der viaducten door naar de binnenstad en tussen al die bedrijvigheid door voer nog een enkele luxueuze rondvaartboot, bijna leeg vanwege het slechte weer. Tientallen keren hadden de jongens dit gezien, maar toch stonden ze altijd weer geboeid te kijken, dromend van verre reizen, die ze later gingen maken.

Illustratie op pagina 40"Ik ga later een hoop geld verdienen en dan ga ik in mijn vacantietijd naar Zuid-Amerika," fantaseerde Dries. "Daar is het mooi jôh. Oom Rinus heb er het vorig jaar een prachtige vogel vandaan gehaald, een soort kanarie, maar dan veel mooier. Alleen jammer dat ie maar drie weken geleefd heb."

"O," zei Binkie, "ging ie daarvoor speciaal naar Zuid-Amerika. Nou, dan had ie em beter hier in de stad kunnen kopen. Die beesten zijn hier toch niet gewend."

"Ja maar zo mooi koop je ze hier niet sufferd. Trouwens hij heeft em niet speciaal hier naar toe gehaald, want mijn oom vaart als kok op een grote boot, zoiets als die daar. Fijn joppie lijkt me dat. Als ik geen geld genoeg kan verdienen om er in mijn vacantie naar toe te gaan, ga ik ook varen."

"Dan zou ik eerst maar eens proberen of je zo geen geld over kan houden," zei Binkie nuchter. "Zo'n betrekking aan boord van een schip is ook niet alles, zegt vader. En die is zelf bij de marine geweest, dus die weet er alles van."

"Ach jôh, je wilt het leven aan boord van een gewoon schip toch niet vergelijken met een baan bij de marine? Die lui moeten alsjeblieft spelen om van boord te mogen gaan als ze ergens aanleggen. Mijn oom doet waar ie zin in heeft."

"Nou, mij niet gezien. Ik ga in een garage werken en dan sparen voor een nieuwe motor. Als ik daarna eens geld over hou, kom ik wel eens aan boord van het schip waar jij werkt. Kan jij voor mij koken en dan moet je het toch doen zoals ik dat wil, ook al ben je nog zo vrij in je baan."

Gelukkig ging op dat moment de klep van de pont naar beneden en werd de aandacht van de jongens afgeleid, anders zouden ze er nog ruzie over hebben gekregen. Nu liepen ze, veel minder haastig dan toen ze er op waren gekomen, onder het lange afdak van de pont door naar de wal. Bij de afrit was een kleine opstopping ontstaan. Een grote personenwagen, die vooraan op de pont stond, scheen moeilijkheden te hebben met zijn motor en kon niet op gang komen. De bestuurder zat zenuwachtig aan de starter te rukken, maar wat hij ook probeerde, hij kwam niet weg op eigen krachten. De achter hem opgestelde auto's begonnen grif een hevig concert te ontketenen en dat maakte de man achter het stuur steeds nerveuzer. Toen het enige minuten had geduurd werd er echter korte metten gemaakt. Twee gespierde pontknechten en de chauffeur van een der andere wagens zetten zich schrap achter de luxe slee en zonder veel omslag werd die van de pont afgewerkt en aan de kant van de weg gezet. Daarna mocht de bestuurder zelf zien hoe hij verder weg kwam, waar hij blijkbaar zelf nog niet achter was.

De beide knapen hadden natuurlijk vooraan gestaan bij het karweitje en toen ze even later aan de straatweg naar de af- en aanrijdende auto's stonden te kijken zei Binkie: "Als dat met een zware vrachtwagen was gebeurd, hadden we kunnen lachen. Dit ding was veel te licht, die duwen ze zo weg."

"Ja, als jij de broer van mijn vader was geweest, had ik ome tegen je moeten zeggen, maar dat is nu eenmaal niet zo," zei Dries hatelijk.

Binkie reageerde niet. Hij stond te kijken naar een zware vrachtauto, die een eind verder in de rij stond te wachten tot hij aan de beurt was voor een plaatsje op de pont. Er moest iets op te vinden zijn dat die kar straks niet van zijn plaats was te krijgen. Maar wat?

"Wat denk je van die daar?" vroeg hij.

"Wat bedoel je?" vroeg Dries weer.

"Nou, dat is nogal wiedes dunkt mij," zei Binkie zacht. "Als dat ding panne krijgt op de pont, duwen zeven van die kerels hem nog niet weg."

"Ja maar waarom zou die panne krijgen! Dat zou al heel raar moeten lopen, want die kar is zo goed als nieuw."

"Daar zouden wij een handje mee moeten helpen," grinnikte Binkie. "Als ik de kans krijg, weet ik wel een paar draadjes los te werken, waardoor ie voorlopig niet meer van zijn plaats komt."

"O, op die manier," zei Dries bedenkelijk. "Ja, dat zou jofel zijn, maar dat krijg je nooit voor elkaar en als die kerel je snapt, slaat ie je tot appelmoes!"

"Laat mij maar begaan," zei Binkie overmoedig. "Eerst maar eens afwachten. Heb je gezien dat de motorkap open staat? Ik denk dat ie warm gelopen is en dat is nou juist wat we moeten hebben."

Schijnbaar argeloos wachtten de jongens tot de rij zo ver was opgeschoven, dat de enorme auto voorzichtig op de pont werd gereden. In de cabine zaten twee mannen in blauwe overalls, waarvan de een zat te dutten, terwijl de ander al zijn aandacht nodig had om de aanwijzingen van het pontpersoneel op te volgen. Hij kwam bijna vooraan terecht, met alleen twee personenauto's voor hem. Achter hem stelden zich nog een groot aantal wagens op. Als die straks allemaal tegelijk gingen toeteren zouden ze genoeg herrie maken om het op een afstand van een kilometer te horen.

Rustig wandelden de jongens de pont op. Binkie liep direct door naar voren om zijn kans direct waar te kunnen nemen als die zich voor mocht doen. Hij had geluk. Nauwelijks was de klep van het vaartuig gesloten achter de laatste auto of de chauffeur van de vrachtwagen stapte uit, om een luchtje te gaan scheppen. Zijn collega scheen niets te merken en bleef rustig doorslapen. Behoedzaam schoof Binkie tussen de auto's door, terwijl Dries de wacht betrok om een seintje te geven als er onraad dreigde. Alle omstandigheden waren gunstig, want de vrachtauto stond tegen de kant van de houten wand geparkeerd en er stond dus slechts aan één kant een wagen naast hem. De enige, die nu nog argwaan kon hebben was de bestuurder van de voorste auto, die Binkie moest passeren om zijn doel te kunnen bereiken. Maar dat was een dikke heer in een dure slee, die zo ingenomen met zichzelf scheen, dat hij niet op zijn omgeving lette.

Dries hield in de gaten of er verder niemand aankwam en toen hij zijn duim omhoog stak ten teken dat alles veilig was, greep Binkie in de motorkast. Hij kon er ternauwernood bij en ritste in het wilde weg maar enkele draden los. Sommige kon hij in zijn geheel wegnemen en de andere maakte hij snel aan een kant los. Welk onheil hij precies had aangericht had hij geen idee van, maar het leek hem wel voldoende om de motor voorlopig buiten werking te stellen. Vervolgens maakte hij zich snel uit de voeten, maar toch weer zo onopvallend mogelijk. Het had ook niet langer meer moeten duren, want Dries begon opvallende tekenen van onrust te geven. Juist stond Binkie, zich ogenschijnlijk van geen kwaad bewust weer naar het water te kijken, toen de bestuurder aan kwam slenteren. Zonder ergens op te letten klom hij in zijn cabine en stak op zijn gemak een sigaret op.

"Gelukt?" fluisterde Dries.

Binkie knikte. Achteraf begreep hij toch niet waar hij de moed vandaan had gehaald voor dat brutale stukje en hij nam zich voor, straks een beetje uit de buurt te blijven. Als iemand hem dan ging wantrouwen kon hij zich tenminste meteen uit de voeten maken. Even later schoof het logge vaartuig weer tegen de aanlegsteiger en startten de voorste wagens. Ook de bestuurder van de grote vrachtauto dacht zijn voertuig weer op gang te brengen, maar Binkie had zijn werk grondig gedaan. Wat de man ook probeerde, de motor gaf geen kik. Een paar auto's achter hem begonnen al ongeduldig te claxonneren en de pontknecht zwaaide ongeduldig, dat hij op moest schieten. Een paar kleine auto's zagen nog kans van de pont af te komen door de opening die was overgebleven. Maar dan kwam er eentje van hetzelfde formaat als de defecte en toen was het afgelopen. De boel zat muurvast en er brak een oorverdovend lawaai los. Toen kreeg de onfortuinlijke chauffeur blijkbaar pas in de gaten dat er iets niet klopte, want hij stapte uit om eens onder de motorkap te kijken. Maar voor hij zo ver was, hadden de beide boosdoeners zich al uit de voeten gemaakt. Op de veilige wal konden ze horen hoe hun slachtoffer een rijtje verwensingen uitkraamde om van te rillen. Als de jongens maar de helft hadden gekregen van wat hij hen toewenste, waren ze niet levend thuisgekomen, maar tot hun geluk scheen niemand argwaan tegen hen te koesteren.

"Goed hè," zei Binkie trots. "Dat gaat minstens twintig minuten duren eer ze de boel weer op gang hebben."

Maar toen het toeteren afgelopen was, omdat iedereen er het nutteloze tenslotte van inzag, was voor de vrienden de aardigheid er toch ook gauw af. En toen tien minuten later een kraanwagen de auto weg kwam slepen hadden ze de benen al genomen, zonder op de afloop te wachten. Het liep tegen het spitsuur en het werd druk op de de Ruyterkade. Daarom aanvaardden de jongens langzamerhand de terugtocht in de richting van de Haarlemmerstraat. Langs een omweg gingen ze naar huis via verschillende zijstraten. Daar stond ergens op een hoek een groentekar, volkomen verlaten. De groenteman scheen ergens bij een klant binnen te zijn en er was verder niemand in de buurt op dat ogenblik.

Dries stond juist op het punt een greep te doen in een van de kisten met fruit, toen Binkie hem bij de arm greep.

"Niet doen," zei hij snel, "ik weet wat beters. Pak jij ook een kist, maar vlug."

Meteen greep hij een krat sinaasappels die hem niet al te zwaar leek, na vlug een blik om zich heen te hebben geworpen. Een paar seconden later rolde de inhoud van twee voor meer dan de helft gevulde kisten over de straat terwijl de beide jongens bliksemsnel om de hoek verdwenen, waar ze rustig hun wandeling voortzetten.

"Kom mee, dan lopen we even dit blokje rond," zei Binkie rustig.

"En dan?" vroeg Dries nieuwsgierig.

"Gaan we helpen rapen," zei Binkie laconiek.

Dries begreep het. Geen minuut later kwamen de beide vrienden van de andere kant weer het straatje in, waar de groenteman hevig scheldend bij zijn kar stond.

"Uw wagen gekiept baas?" vroeg Binkie meewarig.

De groenteman keek hem even wantrouwend aan en zei: "Nee die kisten zijn er gewoon afgegooid. Weet jij daar soms meer van?"

Maar Binkie was al bezig de vruchten bij elkaar te rapen en Dries zei schijnheilig: "Wat dacht U nou baas! Dan waren we liever een straatje om gegaan, dat voelt U toch wel."

"Ja, dat is zo," bromde de baas. "Nou help dan maar even die rommel opruimen, dan doe je tenminste wat!"

"Goed baas," zei Dries gedienstig en snel zochten ze de vruchten bij elkaar.

De groenteman keek voor alle zekerheid nog even om de hoek, op zoek naar de daders van de kwajongensstreek. In die tijd staken zijn helpers vlug nog een appel in beide broekzakken. Toen de baas schouderophalend en mopperend terug kwam, waren ze juist klaar en staken de handen in de zakken om de bobbel een beetje te camoufleren.

"Zo, 't is al gebeurd," zei Binkie. "Die rotjongens waren zeker nergens meer te zien?"

"Nee. En smeren jullie hem nu ook maar. Hier heb je een appel voor de moeite. En als jullie horen wie me dat koopje geleverd heeft, geef me dan een seintje."

"U kunt er van op aan baas. Maar eerst krijgen ze van ons nog een flink pak slaag! Dank U wel baas," zei Binkie.

En daarna vervolgden de knapen hun weg, terwijl de groenteman hoofdschuddend zijn wagen weer beklom om zijn klanten verder af te werken. Maar hij waakte er later wel voor bij een klant koffie te gaan drinken, terwijl zijn kar onbeheerd buiten stond.

En nog altijd viel er een miezerige, druilerige regen. De beide jongens waren langzamerhand doornat geworden en een beetje huiverend gingen ze verder in de richting van het ouderlijke huis.

"Zie je wel dat er meer uit te halen was," zei Binkie. "Alleen jammer dat we niet ongezien de hele kar leeg konden gooien. Dat had ons ieder minstens een kwartje opgebracht. Enfin, zo is het ook goed."

"Ik wou alleen dat die vieze regen eens ophield," zei Dries. "Ik heb natte voeten gekregen en van de warmte heb ik ook geen centje last."

"Laten we dan naar huis gaan, daar zitten we tenminste droog," stelde Binkie voor.

"Nee, ik ga niet eerder dan dat we moeten eten. Moeder is toch altijd vervelend en met dit weer is ze helemaal niet te genieten, dat heb je vanmiddag wel gemerkt," zei Dries en hij trok een lelijk gezicht.

Als Dries over thuis sprak, keek hij nooit vrolijk en Binkie wist best hoe dat kwam. Er was daar vaak onenigheid en maar weinig huiselijkheid. Dries' moeder deed nooit eens gezellig zoals de moeder van Binkie en zijn vader kwam heel vaak dronken thuis, bij welke gelegenheid het maar beter was een straatje om te gaan. Dan moesten de kinderen het vaak ontgelden en konden voor het minste vergrijp een pak slaag krijgen om van te ijzen. Misschien kwam het door deze dingen dat Dries in zijn vrije tijd meer bij de weg zwierf dan wel eens goed voor hem was. Vaak kreeg Binkie medelijden met hem en als het even kon, zaten ze bij hem thuis. Maar daar kwamen ze ook niet altijd gelegen en dan trokken ze er maar weer samen op uit. Soms maakte moeder wel eens bezwaar tegen de veelvuldige omgang met Dries. Ze wou het niet ronduit verbieden, maar waarschuwde Binkie wel eens dat Dries niet te vertrouwen was. Maar dan gaf haar zoon haar een zoen op beide wangen en verklaarde lachend dat hij wel uitkeek tot hoe ver hij kon gaan met zijn makker.

Gelukkig maakte Dries het hem gemakkelijk door te zeggen: "Ik ga nog even kijken in die loods op de Brouwersgracht waar die kennis van mijn vader werkt."

Binkie knikte. Hij wist wel, welke loods Dries bedoelde. Ze waren er wel eens samen geweest en hadden er geholpen. De chef scheen een goede vriend van Dries' vader te zijn, ook een man die graag en veel in het café zat.

"Daar kom ik niet meer," zei hij een beetje stug. "Die vent lust ik niet erg."

"Toch moet je nog eens mee gaan. Zal ik je een kunstje leren om suiker te pikken zonder dat je de zakken open hoeft te maken."

In gedachten hoorde Binkie de waarschuwende stem van zijn moeder, maar toch vroeg hij gretig: "Hoe doe je dat dan?"

Dries liet zich er echter niet verder over uit en zei alleen maar: "Zul je wel zien. Als je zin hebt, gaan we woensdagmiddag."

"Top," zei Binkie en toen gingen ze uit elkaar.

HOOFDSTUK III

Binkie was het hele geval al bijna weer vergeten, maar toen hij woensdagmiddag direct na het eten naar buiten ging, stond Dries al op hem te wachten.

"Ga je mee?" vroeg hij.

"O ja....ja dat is goed," zei Binkie zonder veel animo. "Maar lopen we geen gevaar dat we gesnapt worden?"

"Welnee jôh, de loodsbaas kent me al lang en laat me overal vrij rondscharrelen."

"O, dat is leuk! Dan ben je dus aardig bezig daar misbruik van te maken."

"Ja, of jij zo'n heilig boontje bent! Dat heb ik gezien met die appelenkar!"

"Dat was heel wat anders, die vent kende ik helemaal niet, maar deze mensen vertrouwen je helemaal," verweerde Binkie zich.

"Nou, dan ga je niet mee. Zal ik me alleen wel zien te vermaken, ook een zorg!"

Even weifelde Binkie. Zou hij Dries alleen laten gaan? Dit was eigenlijk meteen een mooie gelegenheid helemaal van hem af te komen. Maar het idee van die loods met allerhande lekkernijen lokte hem toch ook wel aan.

En zonder nog lang na te denken zei hij: "Nou vooruit dan maar, laat maar eens zien wat het oplevert."

Tien minuten later stapten ze het grote pakhuis binnen. Een paar mannen waren bezig een vrachtauto te laden met allerlei soorten kruidenierswaren en achter in de loods zat in een klein kantoortje de magazijnchef. Dries liep meteen door en stapte zonder kloppen bij hem binnen, Binkie wist niet beter te doen dan hem maar achterna te gaan. Dries scheen in elk geval niet te hebben overdreven toen hij zei dat hij hier een oude bekende was!

"Hallo, oom Joop, mogen we helpen?" vroeg Dries.

"Zo schoffie, ben je daar weer?" vroeg de baas. "Wie heb je daar bij je?"

"O, dat is mijn vriend Binkie," stelde Dries hem voor. "Hij is hier al eens eerder geweest, maar toen was U er niet, geloof ik."

"Nou, vooruit dan maar. Jullie boffen, dat de grote baas net weg is, want die had je er direct uitgeschopt. Ga maar eens voor kijken en vraag aan Toon of je wat voor hem kunt doen. Maar overal afblijven hè!"

"Tuurlijk ome Joop, dat weet U toch!"

"Ja, dat is goed! Jij weet het wel, maar je vriendje moet het ook weten!"

Binkie kreeg een rood hoofd bij die opmerking. Hij wist zelf wel, dat hij niet zo'n brave jongen was, maar van diefstal hadden ze hem nog nooit kunnen betichten. Of je moest het diefstal noemen, als je wel eens een appeltje van een kar pakte....

Gelukkig maakte Dries de situatie handig goed, door te zeggen: "Daar sta ik altijd voor in ome Joop!"

"Nou, dan zal het wel in orde zijn," zei die lachend.

Blij dat dat achter de rug was, ging Binkie mee naar voren waar de magazijnbedienden intussen klaar waren met het laden van de wagen en even uit stonden te blazen.

Dries bleek een groot aantal ome's te hebben, want hij schoot meteen op de oudste der mannen af en zei: "Dag ome Toon, de baas stuurt me naar U toe om te kijken of er wat voor ons te doen is. Maar liefst niet zo'n zwaar karweitje als de vorige keer, toen ik al die zware blikken heb versjouwd."

Lachend monsterde de man de beide jongens eens en zei toen: "O, dus jij dacht hier voor je plezier te komen! Nee knaapje er moet hier gewerkt worden, anders kun je beter thuis blijven!"

"Hè ome Toon, doe niet zo flauw, U hebt best een licht werkje voor ons," zei Dries vleiend.

"Wel, ga dan maar naar het emballagehok en zoek daar alle flessen, blikken en zakken uit, dus soort bij soort. Dan heb ik voorlopig geen last van jullie. Je weet wel waar het is hè?"

"Jawel ome Toon, het komt piekfijn voor elkaar," zei Dries.

Hij nam Binkie met zich mee en samen liepen ze door de zijdeur, die weer uitkwam in een ander pakhuis iets kleiner dan het eerste. Ook hier stonden langs de wanden grote rekken met allerlei soorten levensmiddelen, verpakt in zakken, dozen en grote blikken. Er was niemand en Binkie voelde zich nu meer op zijn gemak. Hij moest toegeven, dat het hier best gezellig was en dat Dries hier aardig ingeburgerd scheen te zijn.

Die keek hem zegevierend aan en zei: "Wat zeg je er nu van? Hier kunnen we doen wat we willen, als we het maar niet al te erg in de gaten laten lopen."

"Maar ze zullen toch zeker af en toe wel komen kijken?" vroeg Binkie, die het nog niet erg vertrouwde.

"Ja, dat wel, maar je kunt ze toch aan horen komen! Kijk daar achter is het hok voor de lege emballage, waar ze ons aan het werk willen hebben. Maar ik ben niet van plan, me de hele middag af te laten beulen. Dat heb ik vorige week gedaan, maar zo gek ben ik niet meer."

"Nee, daar ben ik ook niet voor gekomen, al zullen we natuurlijk niet de hele middag ons gemak er van kunnen nemen. Wat moeten we nu eigenlijk precies allemaal doen?"

"O, dat zien we straks wel," zei Dries luchtig. "Kom mee, dan zal ik je eerst eens wijzen, wat er hier allemaal staat. Kijk, in die vakken staan allemaal verpakte dingen, dus daar valt niet van te snoepen. Maar daar in de hoek staan de spullen waar we voor zijn gekomen. Alleen kunnen we beter nog even wachten, want het eerste half uur komt ome Toon nog wel eens neuzen. Daarna is ie wel vergeten dat we hier zitten."

Binkie begon er steeds meer zin in te krijgen, hier een middag door te brengen en hij nam zich vast voor, zich eens flink te goed te doen. De vorige keer dat hij hier geweest was, waren ze niet verder gekomen dan de andere loods en daar viel niet veel te halen, vooral omdat er steeds toezicht was.

"Zullen we dan nu maar eerst een poosje aan het werk gaan?" vroeg Dries, nadat ze een poosje hadden rondgekeken.

"Goed, laat maar eens zien wat er moet gebeuren."

"Dat is makkelijk genoeg, ga maar mee," zei Dries en hij ging voor naar het emballagehok, zoals het werd genoemd.

Daar lagen grote stapels dozen, zakken en ander verpakkingsmateriaal achteloos door elkaar en verder stonden er een massa kratten met lege flessen, welke allemaal gesorteerd moesten worden. Een tijdlang werkten ze ijverig door en toen de voorman na een kwartiertje een kijkje kwam nemen, knikte hij goedkeurend.

"Jullie doen wel je best moet ik zeggen. Als je klaar bent kom je maar naar voren, dan heb ik wel weer wat anders te doen."

En na die woorden verdween hij weer.

Hij had nog maar nauwelijks zijn hielen gelicht of Dries stopte met het werk en liet zich languit op de stapel zakken vallen.

"Zo, die komt voorlopig niet meer terug," zei hij. "Nu kunnen we het wel wat kalmer aan doen."

"Ja, vertel me nu eens hoe dat gaat met die suiker," zei Binkie. "Daar ben ik tenslotte voor gekomen. Werken kan ik overal wel maar ik wil er ook graag wat voor zien."

"O, dat gaat heel gemakkelijk," zei Dries achteloos. "Zie je dit dingetje? Dat is alles wat je nodig hebt."

Hij haalde een plastic buisje uit zijn zak met een doorsnee van ongeveer een centimeter. Alsof hij er het volste recht toe had, ging hij toen naar de stapel suiker en duwde het ding handig tussen de mazen van een der jute zakken door. Door het buisje kwam een dun straaltje suiker naar buiten stromen en Binkie hield er snel zijn handen onder.

"Handig," prees hij. "Alleen moet je het eigenlijk opvangen in een zakje of een blik."

"Blikken genoeg," zei Dries en haalde er een uit het vertrek waar ze hadden gewerkt.

Vrij vlug was het ding gevuld. Daarna trok Dries het buisje weer uit de zak en borg het zorgvuldig weer op. Genietend van de mierzoete lekkernij gingen ze toen weer op hun gemak liggen, toch luisterend of er geen onraad dreigde. Maar alles bleef rustig en met beide handen in het busje graaiend, smikkelden ze hun buit op.

Toen er geen korreltje meer in zat, zei Dries: "Zo, nu gaan we nog gauw een kwartiertje werken en dan smeren we hem. Zeggen dat we het zaterdag wel af zullen maken. Als we nu alles doen is er dan geen werk meer voor ons. Behalve het klusje, dat ome Toon aan de andere kant nog te doen heeft en daar voel ik niets voor."

"Wat zijn dat voor karweitjes?"

"Allemaal zwaar werk. Laatst heb ik een partij volle blikken in een stelling moeten zetten. Ik was doodmoe toen ik klaar was!"

"Nee, dan moesten we het zo maar laten," vond Binkie ook. "Ik zal trouwens blij zijn als we buiten zijn, want die suiker ligt me knap zwaar op de maag."

Een minuut of tien later stapten ze de grote loods weer binnen en riep Dries: "We moeten nog even een boodschap doen voor mijn moeder, ome Toon! Maar zaterdag gaan we wel verder."

"Goed jongens, ik zal straks wel eens kijken of jullie opgeschoten zijn," zei ome Toon, opkijkend van zijn werk.

Even later stonden ze weer buiten en liepen een beetje doelloos langs de waterkant, in de richting van de Marnixstraat.

"Wat gaan we nu doen?" vroeg Dries.

"Weet niet," zei Binkie schouderophalend. "Ga mee, dan gaan we winkels kijken om de hoek."

"Nogal wat leuks; wat is daar nu aan!" vond Dries.

"Weet jij dan wat beters?"

"Nee, dat niet," moest Dries toegeven, "maar ik zie niet in, wat daarmee te beleven is. Maar vooruit, jij je zin, als we uitgekeken zijn gaan we weer terug."

Voor een drogisterij bleven ze staan, toen Binkie's oog viel op een hoge stapel closetrollen, die zorgvuldig trapsgewijze was opgebouwd.

"Durf jij die onderste rol er uit te halen?" vroeg hij.

"Als er niemand in de winkel is wel," zei Dries.

"Ja, dat begrijp ik, maar dan is er ook niet veel aardigheid aan. Nee, je zou naar binnen moeten stappen en dan iets vragen wat ze af moeten wegen, bijvoorbeeld groene zeep of zoiets."

"Dat is tegenwoordig allemaal verpakt," wist Dries. "Ik ben hier wel eens geweest voor mijn moeder en toen kreeg ik het verpakt in een kartonnen doosje. Maar soda verkopen ze geloof ik wel los."

"Nou, soda dan," zei Binkie ongeduldig. "Maar durf jij het?"

"Laten we samen gaan," stelde Dries voor.

"Accoord," zei Binkie, "laat mij het woord maar doen."

Rustig stapten de jongens naar binnen en toen de winkelier naar voren kwam vroeg Binkie netjes: "Ik wou graag een kilo soda van U hebben meneer. Losse graag als het kan. Mijn moeder beweert dat die goedkoper is en ze haalt ze altijd bij U."

Intussen keek hij snel naar de hoge stellage. Drommels, dat zou nog niet eens meevallen! De etalage was wel opengelaten van achteren, maar dicht er tegen aan stond een los rek met allerhande flesjes en blikjes. Er was een tamelijk smalle kier opengelaten om in de uitstalkast te kunnen komen, waar Binkie zich doorheen zou moeten wringen. En de winkelier leek hem niet bepaald een mannetje dat met zich liet spotten. Als die hem te pakken kreeg zat er wat op voor hem! Maar Binkie was er niet de man naar om terug te krabbelen en zeker niet, nu hij tegen Dries had gezegd dat hij wel durfde. Trouwens, hij had nu eenmaal naar soda gevraagd, die hij helemaal niet van plan was aan te nemen, dus de drogist zou hem toch al niet vriendelijk aankijken. Doorzetten dus!

Toen de man zich omdraaide om het gevraagde uit een grote bak te scheppen, deed Binkie vliegensvlug een stap naar voren in de richting van de etalage en direct daarop schoot zijn hand uit. Op dat moment draaide de winkelier zich om, als voelde hij dat er iets aan de hand was. Te laat! Binkie had maar even een der onderste rollen aan te raken om het kunstige werkstuk omver te halen. Schielijk zette hij het op een lopen, maar dat zat hem bepaald niet glad. Dries was de winkel al uit, maar eer Binkie zijn arm had terug getrokken was de eigenaar van de zaak al opzij van de toonbank.

Binkie liep wat hij lopen kon! Hij paste al de foefjes toe, die hij in zijn veeljarige loopbaan als straatschoffie had geleerd en juist dacht de woedende man hem te pakken, toen Binkie een lantaarnpaal beetpakte, er omheen zwierde en terug holde. En dat zou hem nu net fataal worden! Want tot zijn grote schrik zag hij van die kant een agent aan komen wandelen, die zijn stap wat versnelde toen hij het rennende tweetal in de gaten kreeg. Hij had geen woorden nodig om te begrijpen wat er van hem verlangd werd en even later voelde Binkie een stevige hand in zijn kraag.

"Zo vriendje, wat heb jij op je geweten dat je zo'n haast hebt?"

"Dat joch heeft mijn hele etalage door elkaar gegooid," antwoordde de verontwaardigde drogist voor Binkie. "Geef hem maar hier, dan krijgt ie een pak slaag van me dat hem zal heugen!"

Als de agent hem niet had tegengehouden had hij stellig de daad bij het woord gevoegd. Maar de politieman suste de zaak een beetje.

"Daar is Uw etalage niet mee opgeknapt, denkt U wel?" zei hij kalm en op vaderlijke toon.

"Nee, maar het zal hem leren dergelijke grappen voortaan te laten," antwoordde de ander.

"Ik weet wat beters," zei de agent. "Laten we eens gaan kijken wat voor schade die aap heeft aangericht."

Tussen de twee mannen liep Binkie nu gewillig terug naar de drogisterij, benieuwd wat er ging gebeuren. Op een afstand zag hij Dries staan kijken, klaar om alsnog weer aan de haal te gaan als dat nodig mocht blijken. Maar er werd geen aandacht meer aan hem geschonken want de drogist scheen het voldoende te vinden dat hij de hoofddader te pakken had en de agent wist niet dat er twee jongens bij betrokken waren.

"Zo jongeman, je hebt daar aardig huisgehouden. Ik kan me voorstellen dat meneer hier je graag eens onderhanden zou willen nemen," zei de agent bars.

Maar Binkie meende stellig te horen dat hij zelf zijn lachen maar moeilijk in kon houden.

"Wat denk je er zelf van," vervolgde de man der wet, "zie je zelf kans, de boel weer op te zetten, of ga je liever mee naar het bureau?"

"O nee, ik wil het best weer opruimen!" verzekerde Binkie haastig, maar de drogist was minder enthousiast.

Een beetje onthutst zei hij: "Watte, die knul, in mijn etalage? Nog meer rommel maken zeker!"

"Nou, dat zal wel loslopen denk ik," antwoordde de agent. "Ik beloof U, dat ik nog wat in de buurt blijf en als onze vriend hier het hart heeft de boel weer op zijn kop te zetten zullen we hem op het bureau eens een verhaaltje vertellen dat hij beslist niet leuk vindt."

"Ik zal heus mijn best doen meneer," verzekerde Binkie de drogist en hij keek hem trouwhartig aan.

"Dan staat de beslissing aan U meneer," zei de agent.

De winkelier bromde iets binnensmonds dat waarschijnlijk een verwensing betekende aan het adres van Binkie. Maar hij scheen er toch ook bitter weinig voor te voelen zelf zijn kunstwerk weer op te zetten. En zo kon het gebeuren dat Binkie even later op kousevoeten in de etalage zat en de vreemdste grimassen maakte tegen de voorbijgangers. Hij had bekijks genoeg op dit drukke punt en de etalage had nog nooit zo'n goede blikvanger gehad. Intussen deed Binkie ook inderdaad zijn best de boel zo netjes mogelijk op te ruimen. De drogist kreeg er zelfs plezier in toen hij zag dat Binkie probeerde zijn belofte in te lossen. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om een paar nieuwe artikelen, die hij juist had ontvangen ook uit te laten stallen en het slot was, dat Binkie nog een complimentje kreeg op de koop toe.

"Als je belooft, de boel niet weer op stelten te zetten, mag je nog eens terugkomen," zei de drogist. "Je weet in elk geval je handen te gebruiken, moet ik eerlijk zeggen, en voor die mensen is er altijd wel wat te doen."

"Graag meneer," zei Binkie verrast.

Hij vond het al lang goed. Zo had hij ineens weer een adresje waar hij naar toe kon gaan als hij zich verveelde, of als het regende. En als het dan ook nog wat opleverde, had hij er helemaal geen bezwaar tegen! Zo zag je alweer wat het vreemd kon lopen. Als iemand hem dit voor een paar uur terug verteld had, zou hij hem vierkant uitgelachen hebben! Hij nam afscheid van de winkelier en diens vrouw en stapte, met heel andere gevoelens dan een half uur geleden, de straat weer op.

Dries was in geen velden of wegen meer te bekennen, en Binkie had er ook geen enkele behoefte aan, hem weer op te zoeken. Langs dezelfde weg als waarlangs hij was gekomen, toog hij huiswaarts. In een van de zijstraten werd zijn aandacht echter getrokken door een hevig tumult.

Nieuwsgierig zette hij het op een lopen, om te zien wat er aan de hand was. Er bleek een fikse vechtpartij aan de gang te zijn tussen een stel jongens en belangstellend bleef Binkie staan kijken. Er waren blijkbaar diverse groepen bij betrokken, want iedereen sloeg alle kanten uit en het was beslist niet uit te maken, wie vijanden van elkaar waren en wie vrienden. Een paar van de jongens kende Binkie wel van zijn school. Er was er een bij, met wie hij nog steeds een appeltje had te schillen, een lange knaap met een bleke kop. Het was Binkie een raadsel hoe hij in deze vechtpartij verzeild geraakt was, want doorgaans stookte hij alleen de zaak maar op om er daarna tussenuit te knijpen. Maar deze keer scheen hem dat niet glad te hebben gezeten! Wacht, Binkie zou even een handje helpen om hem zijn portie te doen krijgen van de slagen die er vielen! Dan waren de rollen deze keer eens omgedraaid....

Het robbertje werd beslist op een open stukje terrein waar vroeger een huis had gestaan. De kluwen jongens, het waren er zeker een stuk of zes, rolde over en door elkaar. Af en toe werd er eentje opzij gesmeten, maar prompt nam die dan weer iemand anders bij een arm of been. Om even prompt weer opgenomen te worden in de strijd van man tegen man. Op zeker moment zag Binkie zijn kans schoon. De lange werd opzij gewerkt, stond even beduusd te kijken. Net toen de jongen zich om wou draaien kreeg hij een harde duw in de rug. Hij verloor zijn evenwicht en viel weer languit terug in de kluwen van jongenslichamen, die hem liefdevol opnam. Er werd van alle kanten op hem los gebeukt en zo snel mogelijk probeerde hij zich weer los te werken. Als een geplukte kip, met een fikse bloedneus stond hij even later weer op de been, tenminste bijna! Want meteen gaf Binkie hem een vinnige schop onder een zeker lichaamsdeel en met een schreeuw van pijn ging hij dezelfde weg als de eerste keer. Voldaan stond Binkie toe te kijken naar het resultaat van zijn werk, maar lang zou hij er geen plezier van beleven.

"Nu is het welletjes geweest," zei een bekende stem plotseling dreigend.

Het was dezelfde agent, die Binkie eerder op de middag al eens in de kraag had gegrepen! Als in een reflex probeerde Binkie weg te schieten, maar hij had al geen schijn van kans meer, want de agent hield hem direct stevig in zijn bloes vast. Met de andere hand greep hij een van de rollende jongens beet en dat bleek voldoende. Toen die zag met wie hij te doen had rukte hij zich onverwacht los en nam de benen.

"Juut," riep hij, "een smeris!"

Die kreet deed wonderen! In minder dan geen tijd waren vriend en vijand verzoend en maakten snel dat ze weg kwamen. Behalve Binkie! Overrompeld door de snelle loop der gebeurtenissen stond hij, ongewoon gedwee voor zijn doen af te wachten wat er ging gebeuren. Had de agent de zaak van die middag nog al gemoedelijk opgenomen, deze keer was daar geen schijn van kans op, dat voelde hij wel.

"Ga jij maar eens even met me mee knaapje, dan kan de brigadier op het bureau eens een hartig woordje met je praten," zei de agent weinig vriendelijk.

Nu begon Binkie toch te protesteren en trachtte hij uit te leggen, hoe de zaak in elkaar zat.

"En ik moet om zes uur eten agent, anders weten ze niet waar ik blijf!"

Het antwoord van de agent was weinig bemoedigend.

"Dan zal het vandaag wel half zeven worden," antwoordde hij. "Ik zie jou gezicht nu voor de tweede keer vandaag, en dat bevalt me zo goed, dat ik er nog wel een poosje tegen aan wil kijken. En nu geen praatjes meer, anders worden we kwade vrienden!"

In arren moede liep Binkie mee, zijn zieligste gezicht zettend. Voor zich zelf vond hij het nog niet zo erg, maar hoe zouden ze er thuis over denken?

Onderweg hadden ze nog al wat bekijks en er werden diverse opmerkingen gemaakt aan het adres van de politieman, die niet erg vleiend waren.

"Kan je wel, zo'n jongen opbrengen; dat moet je mij doen!" riep een breedgeschouderde werkman in een manchesterpak.

En een slagersjongen zei overdreven vriendelijk: "Als ik soms moet helpen agent zeg je het maar hoor. Die arrestant van je ziet er nog al potig uit. Dat red je nooit in je eentje man!"

Maar de agent gaf wijselijk geen antwoord op al die spottende opmerkingen en liep zwijgend door, Binkie bij de hand houdend als was hij een jonger broertje van hem.

Op het bureau stapte hij naar de dienstdoende brigadier, die lachend zei: "Zo, wat heb je daar voor een boosdoener meegebracht Rovers?"

Toen keek hij bars naar Binkie en zei op een heel andere toon: "Vertel zelf maar eens knaapje, wat je uitgehaald hebt om hier te worden gebracht. Maar kort hè!"

Binkie vertelde wat er was gebeurd, maar toen hij klaar was voegde hij er snel aan toe: "Alleen had dat rotjoch mij ook al een paar keer een loer gedraaid!"

"Voor jou nog geen reden om eerst een drogisterij op stelten te zetten en vervolgens die jongen op zo'n geniepige manier af te tuigen zonder zelf risico te lopen," zei de brigadier droog.

"Klopt zijn verhaal verder agent?"

"Jawel brigadier," zei Rovers.

"Zo, vertel dan nog maar eens even hoe je heet en waar je woont," zei de wachtcommandant tegen Binkie.

"Henk Meier, 2de Spieringdwarsstraat 18, één hoog," zei Binkie kleintjes.

O jé daar had je het al. Straks moest vader hem komen halen en dan kreeg je thuis het vervolg van de geschiedenis.

"Ga jij daar eens even naar toe en zeg dat ze hun lieve zoontje om zeven uur hier vandaan kunnen halen Rovers. Vertel ze maar meteen waarvoor hij hier zit, dat bespaart meneer de moeite, zelf een verhaaltje te verzinnen als hij straks thuis komt."

Binkie kreeg een kleur van woede. Wat dacht die vent wel? Ze konden veel van hem zeggen, maar op een leugen had nog nooit iemand hem kunnen betrappen!

"Ik lieg nooit!" zei hij fel. "En zeker niet tegen mijn vader en moeder, hoogstens tegen de politie!"

Ziezo, daar konden ze het voorlopig mee doen. Als ze hatelijk tegen hem deden, zou hij bewijzen dat hij dat ook kon.

Maar de brigadier zei alleen maar: "Ja, 't is in orde, hou nou je brutale mond maar. Anders mag je hier nog een uurtje langer blijven."

De agent salueerde en verdween. Voor Binkie begon het wachten nu. Hij werd, als had hij straf op school, in een hoek gezet en daar stond hij nu te wiebelen.

Meer dan een uur stond Binkie zo te suffen in de hoek van het vertrek. De brigadier was weer aan het werk gegaan en scheen zijn bestaan vergeten. Ook verder schonk niemand enige aandacht aan de jongen, hoewel het druk genoeg was op het bureau. Ondanks de vrees voor wat hem thuis te wachten stond was het dan ook een verademing voor Binkie toen hij om even over zevenen de stem van zijn vader hoorde. Die kreeg nog enige vermaningen en aanwijzingen voor de opvoeding van zijn zoon en vijf minuten later stonden ze op straat. Er werd niet veel gesproken en een beetje stilletjes zat Binkie achter op de fiets. Maar thuis veranderde dat snel! Ze waren nauwelijks binnen toen vader aan een aframmeling begon, die er wezen mocht. En eindelijk mocht hij dan naar bed gaan, waar moeder hem na een kwartiertje zijn bordje warm eten nog kwam brengen. Dat was de enige troost voor die avond, dat moeder voor hem was afgeweken van haar stelregel, geen warm eten meer op te scheppen voor wie na zessen binnen kwam.

HOOFDSTUK IV

"Geef mij een pak lucifers van je jongeman, en dan moet ik nog een paar stukjes goeie zeep hebben."

"Jawel mevrouw. Hier zijn de lucifers wat denkt U van deze zeep? Die moet heel goed zijn."

"Kan wel zijn, maar heb je niet wat anders? Je baas weet wel wat ik moet hebben, vraag die maar eens."

"Goed mevrouw," zei Binkie en hij holde naar boven om meneer Halewijn te roepen, die bezig was aan zijn middagboterham.

Leuk werk vond Binkie het, alleen moest je er niet van dergelijke klanten tussendoor hebben. Die beschouwden hem blijkbaar nog niet voor vol, terwijl Binkie zich toch een volleerde winkelbediende voelde. Hoe vaak had hij nu al niet geholpen! Hij wist bijna alle prijzen langzamerhand uit zijn hoofd en meneer Halewijn, de drogist, liet niet na de loftrompet over hem te steken zodra het te pas kwam. Nu, dat mocht dan ook warempel wel, want Binkie werkte zich vaak in het zweet en van een geldelijke beloning had hij nog niet veel gezien tot nu toe. Wat dat betrof, zat het hem toch niet erg mee, de laatste tijd.

Al enige keren was hij nu op vrije woensdagmiddagen in de loods aan de Brouwersgracht geweest met Dries. Het enige wat ze hadden gekregen waren een paar repen chocola geweest en daar hadden ze nog voor moeten pingelen ook, want de magazijnbedienden mochten niets weggeven. En de chef zelf was niet zo scheutig, behalve dan voor zich zelf. Niet dat ze te kort waren gekomen, daar zorgden de jongens zelf wel voor! Maar het ging op die manier toch niet steeds met plezier en Binkie ging dan ook eigenlijk veeleer mee omdat Dries er steeds weer op aandrong dan dat hij het zelf nog leuk vond.

Het werk in de winkel vond hij veel aardiger, al leverde dat ook weinig op. Hij vond het er gezellig en hield van eigenaardige geur die er altijd hing. De nadere kennismaking met de drogist was van beide kanten best bevallen en langzamerhand was het zo geworden dat de man Binkie een beetje als zijn zoon beschouwde, waarschijnlijk omdat hij zelf geen kinderen had. Zijn enige kwade eigenschap, vond Binkie, was zijn zuinigheid, soms bij het schriele af. Over een fooitje had hij nog nooit gesproken en alleen als een klant eens een enkele keer een extraatje gaf, was dat vanzelfsprekend voor Binkie. Van de baas zelf had hij nog nooit iets anders gezien dan bijvoorbeeld een doosje zeep of iets dergelijks, waarvan de verpakking beschadigd was. Daar maakte hij dan zijn moeder blij mee, die hem op haar beurt wel eens een paar kwartjes in de handen drukte. In het begin had ze wel eens gevraagd of Binkie wel eerlijk aan die dingen kwam, maar nu was ze er aan gewend en vroeg niets meer.

"Hebt U iets voor een dubbeltje meneer?"

Voor de toonbank stond een peuter van een jaar of vijf, die zijn smoezelige hand naar voren stak, waarin een kleverig dubbeltje lag.

"Ja, hier heb je een rolletje drop, is dat goed?" vroeg Binkie, ondanks zichzelf een beetje vereerd, dat dat jochie hem aansprak met meneer.

"Hebt U geen krijtje voor me?" vroeg het kind een beetje dreinerig.

"Jawel, maar vraag daar dan meteen om knul," antwoordde Binkie. "Asjeblieft, jij een krijtje, maar smeer hier niet de hele stoep vol."

Het liep druk vanmiddag en dan kon je dergelijke klanten eigenlijk niet hebben. Gelukkig, daar kwam meneer Halewijn ook weer beneden.

"Ga jij maar even naar boven," zei hij tegen Binkie, "Tante Mien heeft een glas limonade voor je klaar staan, dat heb je wel verdiend."

Snel wipte Binkie de trap op naar de huiskamer van de familie als was hij hier kind aan huis. Even later zat hij te genieten van zijn limonade, terwijl tante Mien of wel mevrouw Halewijn, druk bezig was in de keuken. Puk, de grote kat, sprong direct op zijn schoot om zich te laten liefkozen.

" 't Is druk geloof ik hè?" zei tante Mien. "Gelukkig maar dat jij er bent, anders had ik steeds naar beneden moeten gaan."

"Dat was goed voor Uw lijn geweest," spotte Binkie.

"Ja, lach jij er maar om. Wees blij, dat je zelf niet zo dik bent," zuchtte tante Mien.

"Dat ben ik ook," lachte Binkie.

Inderdaad was de vrouw van de drogist zo omvangrijk dat niemand haar benijdde om haar figuur. Ze was bijna even breed als lang en als iemand met een normaal postuur achter haar ging staan, zag je alleen zijn hoofd boven haar uitsteken. De rest ging geheel schuil achter haar dikke gestalte, waar ze danig over in de maling werd genomen, vooral door de "jongste bediende". Daar kon ze echter veel van hebben en dus gaf het nooit aanleiding tot werkelijke ruzie. Iets anders was het als haar man een spottende opmerking maakte, want dan vatte ze vuur. Als ze een enkele keer onenigheid hadden, schold meneer Halewijn zijn vrouw wel eens uit voor dikzak en dan was Leiden in last.

Binkie was de enige die daarvan profiteerde, want als hij dan boven kwam ging ze haar hart bij hem uitstorten. Dan knikte Binkie altijd meewarig en zei op alles ja. De ervaring had hem geleerd dat dat veelal een extra glas limonade of een andere lekkernij opleverde, omdat tante Mien hem dan liefst zo lang mogelijk boven hield. Ten dele was dat om haar man dwars te zitten daar die dan alleen was in de winkel, en ook om zelf een beetje aanspraak te hebben. Nou, Binkie vond het al lang goed. Het was wel erg leuk in de winkel maar een kwartiertje te worden volgestopt met allerhande lekkere dingen, was toch ook niet te versmaden.

Vandaag was daar echter geen sprake van en zodra Binkie zijn glas dan ook leeg had, wipte hij de kat van zijn schoot en maakte aanstalten om naar de winkel te gaan.

"Ik ga maar weer eens beneden kijken, daar zal wel wat te doen zijn," zei hij.

Inderdaad stond de winkel vol mensen, toen hij beneden kwam, en hij nam vlug zijn plaats achter de toonbank in.

"Geef mij een kilo soda, wil je?"

"Alstublieft mevrouw, achttien cent alstublieft."

Tjonge jonge, wat liep het storm. Als er één klant ging, kwamen er twee andere voor in de plaats! Er ontstond al een beetje herrie doordat mensen voor hun beurt probeerden te dringen. Een bazig uitziende vrouw met een grote boodschappentas aan haar arm, trachtte een andere vrouw te verdringen van haar plaatsje voor aan de toonbank, maar dat zat haar niet glad.

"Ik was voor U, wilt U daar rekening mee houden?" zei het kleine vrouwtje, dat bijna opzij geduwd werd.

Ze zei het heel netjes, maar de bazige huismoeder voelde zich toch schijnbaar op haar teentjes getrapt en antwoordde vinnig: "Je bent in de war mens, ik zag je net binnenkomen, maar je bent stiekum naar voren gedrongen!"

"U vergist zich, ik wacht hier zeker al een minuut of vijf," zei de ander kalm. "Maar als U zo'n haast hebt wil ik voor U nog wel even wachten. Ik heb waarschijnlijk meer tijd dan U."

Inplaats dat haar aanbod aanvaard werd, werkte het juist als olie op het vuur. Misschien omdat ze voelde dat ze ongelijk had, werd haar tegenstandster nu pas kwaad of deed ze tenminste alsof.

"Ik laat me door jouw mooie praatjes toch niet van de wijs brengen," riep ze. "Ik zag je duidelijk achterom komen en plotseling stond je voor me mens!"

Binkie, die toevallig alles had gezien, ging zich er nu ook mee bemoeien, iets wat helemaal niet in goede aarde viel.

"Hou jij je d'r buiten snotneus! schreeuwde het mens. "Moet jij me vertellen, hoe ik me moet gedragen? Je komt pas kijken!"

"U kwam veel later binnen dan die mevrouw, ik heb het toch zelf gezien!" riep Binkie verontwaardigd.

Nu keerde alle woede zich voor een moment tegen hem, het had weinig gescheeld of hij had een draai om zijn oren gekregen.

Toen vond ook meneer Halewijn het langzamerhand welletjes en rustig zei hij: "Als U hier komt om herrie te schoppen heb ik liever dat U de winkel uitgaat."

Dat was de druppel, die de emmer deed overlopen. De onruststookster had al een paar boodschappen uit een der vakken genomen, waaronder een pakje stijfselpoeder.

"Dan moet ik die boodschappen ook niet meer van je!" schreeuwde ze en voor iemand er op bedacht was, had ze het pakje uit volle kracht over de toonbank gegooid.

Meneer Halewijn zag nog net kans het projectiel te ontwijken, maar de gevolgen waren er niet beter om. Een witte wolk verspreidde zich achter de toonbank en in de verwarring die ontstond, holde de vrouw snel naar buiten. Onwillekeurig moest Binkie denken aan de eerste keer dat hij hier de winkel binnengekomen was. Een ogenblik dacht hij er nog over naar buiten te hollen, maar dan zag hij er toch maar van af. En in zichzelf grinnikend begon hij de rommel op te ruimen, terwijl zijn "baas" de klanten verder afhielp.

Zo raakte Binkie vertrouwd met het werk in de winkel en meneer Halewijn liet hem dikwijls alleen als hij zelf een boodschap moest doen. Het enige wat hem wel eens stak, was dat de drogist hem nooit anders betaalde dan met een onverkoopbaar geworden dingetje, dat te lang in de etalage had gelegen of beschadigd was. Als hij al eens een stille wenk had gegeven, deed meneer Halewijn of hij het niet begreep en een enkele keer gebeurde het wel dat Binkie kwaad de winkel uitliep, met het vaste voornemen er niet terug te komen. Een paar weken zocht hij dan soms zijn heil weer op straat met Dries en zetten ze de buurt weer eens op stelten. Maar vroeg of laat kwam hij toch weer opdagen en werkte hij weer met plezier in de winkel.

Op een van die vrije middagen, dat hij geen zin had naar de pijpen van de drogist te dansen, trok hij met Dries weer naar de loods aan de Brouwersgracht, waar Binkie ook langzamerhand een goede bekende was geworden. Als gewoonlijk werden ze weer naar het tweede pakhuis gestuurd voor het sorteren van de lege boel, een karwei dat schijnbaar nooit af kwam. Toen ze een half uurtje gewerkt hadden, was de lust er echter al weer af en een poosje lagen ze zwijgend op de stapel zakken. Dries had al als vanzelfsprekend gezorgd voor een extra groot blik met suiker en onbekommerd zaten ze daarvan te snoepen. Maar het smaakte Binkie dit keer niet. Hij had nu al zo veel suiker gegeten, dat het hem een beetje tegen ging staan. Ook Dries scheen trouwens verzadigd te zijn, want hij zat niet met zoveel smaak te eten als de eerste keren dat ze hier samen geweest waren.

"Bah, ik kan geen suiker meer zien," zei Dries plotseling. "Het komt me mijn keel uit, al dat zoete gedoe."

"Ja het gaat mij ook wel een beetje vervelen," moest Binkie toegeven. "Maar we zullen het nu wel op moeten eten! Je kan moeilijk hier een blik met twee kilo suiker laten staan en dan wachten tot ome Toon of iemand anders het vindt. Dan loop je meteen in de gaten en is de boel stuk."

"En toch eet ik die rommel niet op, ik word er misselijk van," zei Dries koppig.

"En wat ga je dan wel doen?" vroeg Binkie praktisch.

"Ja, dat weet ik ook niet. Misschien kunnen we naar oom Toon toegaan en zeggen dat we wat voor hem meegebracht hebben."

"Als je anders geen ideeën hebt, hou dan liever je mond," antwoordde Binkie wrevelig. "Laten we het dan in 's hemelsnaam maar in een hoekje zetten en wachten tot we weer trek krijgen."

"Nou, ik heb er het eerste uur mijn buik wel van vol en ik voel er niets voor hier tot zes uur te blijven zitten wachten of ik misschien nog eens weer trek krijg."

Binkie haalde zijn schouders op. Zelf had hij ook geen flauw benul, waar ze het zoete spul moesten laten, maar hij begreep toch, dat er iets moest gebeuren. Open zakken stonden er nooit, dus terug gooien in een zak ging niet. Maar wat dan? En ineens stond het hem tegen, het hele stiekeme gedoe hier. Wat een stommerd was hij ook eigenlijk geweest om er ooit aan te beginnen! Maar hij vertikte het langer. Hij ging naar de loodsbaas, mét het blik suiker, dan moest die zelf maar weten wat er mee moest gebeuren. Tenslotte konden ze toch niet veel anders zeggen dan dat ze niet meer terug hoefden te komen. Nou, dat laatste zou hem een zorg zijn, hij was er zelfs blij om.

"Ik ga naar ome Toon met die suiker," zei hij. "We zullen toch iets moeten doen en ik heb liever dat ie het hoort van ons, dan dat hij het hier later vindt en er op die manier achter komt, dat we gesnoept hebben."

"Wat, naar ome Toon?" vroeg Dries geschrokken. "Je lijkt wel gek! Die geeft ons een pak slaag als we bij hem komen met die boodschap! Als je maar weet, dat ik daar niet aan begin!"

"Dan doe ik het alleen wel, maak je maar geen zorgen," zei Binkie smalend. "Of jij moet een betere oplossing weten, maar dan moet je er wel mee voor de dag komen."

Een beetje eigenaardig keek Dries hem aan.

"Ik weet wel een betere oplossing," zei hij toen zacht. "Ik weet een adres, waar we er nog geld voor kunnen maken. Maar dan moet je wel je mond houden, anders krijg je er de grootste narigheid mee."

Nu was het de beurt aan Binkie om te schrikken.

"Wou je het verkopen?" vroeg hij een beetje onzeker. "Maar dat is een regelrechte diefstal!"

"En wat zou dat?" vroeg Dries uitdagend. "Als je maar weet, dat ik dáár voor bedank," antwoordde Binkie heftig.

"O wat een brave jongen," zei Dries spottend. "De boel opeten is niet zo erg als het verkopen hè! Maar als je het mij vraagt, geloof ik dat je er een beetje angstig voor bent, is het niet?"

"Wat jij doet, moet je zelf weten, maar ik ga niet mee. Voor mijn part eten we, totdat we misselijk zijn. Anders doe je het alleen maar en haal je ook meteen de hele buit in je eentje binnen."

"Nou, dat doe ik dan maar," zei Dries.

En rustig begon hij de suiker te verdelen in kleine porties, in allerlei zakken te doen, en het vervolgens te verdelen over verschillende plaatsen tussen zijn kleren.

Maar Binkie wachtte niet totdat hij klaar was. Met een nijdig gezicht liep hij de loods uit en zonder iets te zeggen stapte hij naar buiten, een beetje bevreemd nagekeken door het magazijnpersoneel.

"Waar is je vriend?" riep oom Toon hem na, maar Binkie gaf geen antwoord.

Blij dat hij niet voor de verleiding bezweken was stapte hij meteen door naar huis. Daar ging hij voor het raam zitten kijken en antwoordde kort op de vragen die moeder hem stelde, bevreemd als ze was over de ongewone tijd waarop hij thuis kwam.

Dus zijn moeder had toch gelijk gehad, toen ze zei dat Dries niet te vertrouwen was! Bijna was hij er ingelopen en had hij zich toch ingelaten met een van diens zaken waar een luchtje aan zat. Hij vroeg zich alleen nieuwsgierig af, waar Dries naar toe ging met zijn gestolen waar. Hij wist wel een adres, had hij gezegd, dus blijkbaar kwam hij daar wel meer. Zou hij daar nu veel voor krijgen? Dat zou bepaald wel niet, want Dries had bijna nooit geld, net zo min als hij zelf trouwens. En als het iemand was waar hij regelmatig kwam zou die wel niet veel betalen, anders moest Binkie wel gemerkt hebben dat hij meer op zak had. Eigenlijk was het ook wel te begrijpen, dat Dries tot dergelijke dingen kwam. Tenslotte kreeg hij, Binkie, altijd nog enig zakgeld al was het dan niet veel en Dries had wel eens verteld dat hij thuis helemaal geen cent kreeg. De keren, dat hij het dan had was Binkie in de veronderstelling geweest dat zijn makker het had verdiend. Verdiend ja!! Ze waren nog al scheutig, die lui waar je wel eens wat voor deed.

Een beetje bitter dacht Binkie aan de drogisterij, waar hij nu al zo vaak had gewerkt. Nog geen dubbeltje was er ooit afgevallen voor hem! Je moest het blijkbaar nog als een eer opvatten dat je iets voor ze mocht doen! Maar die vent met zijn uitgestreken winkeliersgezicht kon voortaan opvliegen voor zijn part, hij deed geen slag werk meer voor hem, zonder dat hij er voor betaald werd!

Die had een goedkope knecht aan hem en lachte in zijn vuistje omdat zijn jongste bediende zich zo fijn uit liet buiten! Eigenlijk was hij net gek dat hij niet eens een greep in de winkella gedaan had, als hij alleen in de winkel was. Dries zou er niet lang over nagedacht hebben, dat begreep hij nu wel. Maar had die niet gelijk?

Uitgesloofd had hij zich. En het resultaat was geweest dat ze hem hadden afgescheept met een vriendelijk: "Dank je wel hoor, je hebt weer flink je best gedaan."

En intussen stond nu ook Dries hem uit te lachen natuurlijk omdat hij nu de hele buit voor zich alleen opgestreken had, terwijl Binkie met een isegrimmig gezicht voor het raam zat te kijken in de straat waar niets te zien was. Eerlijkheid duurt het langst, zei men wel eens. Ja, om rijk te worden! Alleen sufferds waren eerlijk, sufferds zoals Binkie!

Ruim een uur zat Binkie zo voor zich uit te staren, totdat hij uit zijn overpeinzingen werd gewekt doordat zijn moeder hem een fikse draai om zijn oren gaf, omdat ze al drie keer iets had gevraagd zonder antwoord te krijgen. En dat gaf weer stof tot nieuwe gedachten, die ook dit keer vermengd waren met wraakzuchtige gevoelens en het voornemen, voor niemand meer hard te lopen, nu zelfs niet meer voor zijn ouders.....

HOOFDSTUK V

"En dan hoop ik dat ik jullie later nog eens terug mag zien als geziene burgers in deze maatschappij, ongeacht in welk beroep. De laatste raad, die ik jullie nog mee wil geven is deze: Doe altijd je best en werk met liefde aan de taak, die jullie opgedragen wordt, ook al zal dat wel eens moeite kosten."

De woorden van de hoofdonderwijzer klonken nog na in de oren van Binkie, nu hij over de grote speelplaats liep. Voor de laatste maal had hij de schooldeuren achter zich dicht horen vallen en niet zonder weemoed keek hij nog eens rond. Zeven jaar had hij hier doorgebracht en nu hoorde alles wat hij had meegemaakt, tot het verleden. Had hij er eerst altijd naar verlangd van school af te mogen, nu bedacht hij dat hij toch ook wel een boel prettige dingen had beleefd. Straf had hij ook genoeg gehad, maar meestal had hij het er dan ook wel naar gemaakt en daarover behoefde hij dan ook heus geen wrok te koesteren. Enfin, het zat er op en nu moest hij zien een baantje te vinden wat hem leek.

O, hij kon werk genoeg krijgen, daar niet van. Meneer Halewijn had hem al gevraagd en bij Reinders uit de groentenhal kon hij ook stellig wel terecht, maar vooral dat laatste lokte hem totaal niet aan. Dan liever in de drogisterij, achter de toonbank! Maar voorlopig hoefde hij zich nog geen zorgen te maken want vader en moeder hadden gezegd dat hij de eerste weken maar als vacantie moest beschouwen. In die tijd zou vader proberen hem als leerling in de garage te krijgen waar hij zelf ook werkte als monteur.

Want dat bleef toch altijd Binkie's liefste wens, monteur te worden, een auto uit elkaar halen, tenminste voor zo ver het mechaniek betrof en dan schroefje voor schroefje de zaak weer monteren.

Illustratie op pagina 1Op zijn gemak slenterde Binkie voort langs de waterkant. Het was zomer en rondom was alles vol leven. Een stel mussen maakte hevig kabaal om een korstje brood dat een schipper, die langs de kade lag gemeerd, op de wal had gegooid. Even bleef Binkie staan kijken. Dan liep hij verder, genietend van zijn vrijheid, langs een omweg naar huis. Hè, het was toch wel een prettig vooruitzicht dat hij morgen in bed kon blijven zo lang hij wilde. Wacht, hij zou nu eerst toch nog eens kijken bij meneer Halewijn. Hij had nog tijd genoeg voor het avondeten, want het was drie uur, een uur vroeger dan hij normaal uit school kwam.

Waar zou Dries eigenlijk naar toe gegaan zijn? Gek, dat hem dat niet eerder opgevallen was, dat die zo ongemerkt was weggegaan. Nou ja, hem ook een zorg! Die had toch de hele morgen al zo vreemd gedaan, zo schichtig. Zeker naar aanleiding van die affaire van de afgelopen woensdag, hoewel ze daar met geen woord meer over gesproken hadden. Binkie had Dries toch niet goed begrepen de laatste dagen, want stond hij hem anders veelal op te wachten als de school uit was, al een dag of drie was hij direct gevlogen, evenals vandaag. Tot nu toe had Binkie er niet zo opgelet, maar ineens bedacht hij dat hij Dries twee dagen geleden helemaal niet op school had gezien, iets waarover hij met geen woord had gerept. Terwijl hij vroeger uitgebreid verslag zou hebben gedaan over de oorzaak van zijn wegblijven! Nou ja, wat kon het hem schelen, er kwam nu gelukkig toch een eind aan hun vriendschap.

En schouderophalend trok Binkie de deur van de drogisterij open en stapte binnen. Er waren geen klanten op dat moment en de baas stond wat vakken aan te vullen.

Toen hij Binkie zag, riep hij blij: "Ha, daar hebben we mijn jongste bediende! Je komt als geroepen, want ik zit een beetje in de knoei."

"Wat moet er gebeuren?" vroeg Binkie een beetje stuurs.

Zie je wel, daar had je het al weer! Nauwelijks had hij een voet over de drempel gezet of ze hadden wel weer wat voor hem te doen! Geen woord hoorde je er over, dat hij vandaag van school af was gekomen, dat interesseerde hem niet. 't Zou hem benieuwen wat er kwam. Als het hem niet beviel liep hij zo de deur weer uit en moest die mooie meneer zich maar zien te redden.

"Tante Mien ligt ziek," zei meneer Halewijn. "En zelf voel ik me ook niet honderd procent. En nu moet er beslist iemand naar het postkantoor vanmiddag om wat geld te brengen. Je weet wel, 't is hier vlak bij. Zou jij dat even voor me willen doen? Het gaat om honderdvijftig gulden, dat kun je wel hè."

"Hoeveel?" vroeg Binkie en even trilde er iets in hem dat hij zelf niet verklaren kon op dat moment.

"Honderdvijftig gulden moet er gestort worden op mijn girorekening, het is heel eenvoudig. Ik was anders zelf wel even gegaan, maar ik mag niet van de dokter."

"O ja, dat is best," zei Binkie. "Ik loop wel eventjes heen als ik U daarmee een plezier kan doen."

Er was niets aan hem te zien, tenminste dat dacht hij zelf. Maar zijn hart klopte sneller bij de gedachte aan zo veel geld. Daar zou je wat mee kunnen doen! Een paar minuten later stond hij op straat met het geld in de binnenzak van zijn jasje. Hij had wel eens eerder een dergelijke boodschap gedaan, maar zoveel had hij nog nooit tegelijk in zijn handen gehad. Als hij nu eens....

Nee, hij zou vlug doorlopen, des te eerder was het gebeurd en was hij van de verleiding af.

Het was anders de kans van zijn leven! Zou hij niet kunnen zeggen dat hij een briefje van tien verloren had? Ze moesten dan maar eens bewijzen....

Doorlopen Binkie! Ja, maar hij had toch eigenlijk helemaal geen haast? Wat stak er voor kwaad in om hier een beetje te lopen fantaseren? Even bedenken wat hij zou doen als hij het geld voor zich zelf mocht houden. Zou hij het in zijn spaarpot doen of zou hij eerst eens flink de bloemetjes buiten zetten?

Ach, wat een onzin eigenlijk allemaal! Dat geld was niet van hem en er zou ook wel niemand komen die hem zo maar honderdvijftig pop gaf. Wat haalde hij toch voor gekke dingen in zijn hoofd! Meneer Halewijn zat te wachten op hem, die had het druk en voelde zich niet erg prettig, dus hij moest een beetje voortmaken. O, maar hij had zich voorgenomen niet meer hard te lopen voor die gierigaard, die alleen maar aan zichzelf dacht. En nou zou hij hem eens lekker in ongerustheid laten zitten over zijn lieve centjes. Het was best weer en hij ging eens op zijn gemak op die bank daar een beetje luieren. Zo, wie maakte hem wat. Hij zat hier als een vorst, de gelukkige bezitter van honderdvijftig gulden! Ach ja, was 't maar waar.....

Liefkozend bekeek Binkie de bankbiljetten eens. Dat je nu met een paar van die stomme dingen zoveel kon doen! Meneer Halewijn moest wel een grenzeloos vertrouwen in hem stellen! Maar dat zou hem dan toch deze keer wel eens lelijk op kunnen breken....

Wat? Nee, nee en nog eens nee!!! Hij ging op een holletje naar het postkantoor om zijn boodschap te doen en dan vlug terug. Afgelopen!

Resoluut stond Binkie op en als werd hij op de hielen gezeten, zo holde hij de straat door om vooral maar niet meer in de verleiding te komen. Juist wou hij een hoek omschieten toen hij tegen iemand opbotste. Zonder zich te verontschuldigen wou hij verder gaan, maar hij kreeg geen schijn van kans. De man waar hij tegen op gelopen was, droeg het uniform van de politie en scheen niet van zins het zo maar te laten. Hij pakte Binkie bij de kraag en draaide hem naar zich toe.

"Wel allemachtig, dacht ik het niet?" zei hij. "Dat is nu voor de derde keer in een paar weken, dat ik je tegen kom, en weer schijn je niet gewoon te kunnen doen. Vanwaar die haast? Zeker weer iets uitgehaald dat niet door de beugel kan!"

Verschrikt keek Binkie in het gezicht van agent Rovers, de man die hem al eens had meegenomen naar het bureau.

"Neem me niet kwalijk agent, maar ik heb erge haast," zei hij.

De agent lachte spottend.

"Welja, meneer heeft haast en daarom loopt hij de mensen maar ondersteboven. Belangrijke dingen te doen zeker dat je zo moest hollen."

"Ja agent," zei Binkie naar waarheid.

"Nou, smeer hem dan maar, maar laat ik niet weer last van je krijgen, begrepen?"

Wijselijk hield Binkie zijn mond deze keer, bang door een brutaal woord weer in conflict te komen met de politie. Maar hij kon toch niet nalaten achter de rug van de politieman zijn tong uit te steken.

Zonder verder oponthoud kwam hij nu op het postkantoor en nam zijn plaats in achter het rijtje wachtende mensen. Zo, nu vast het geld klaar houden, dan was hij zo weg als hij aan de beurt was. Even kijken, waar had hij het ook al weer gestopt? In de binnenzak van zijn jasje toch? Maar daar zat het niet! Dan zeker in zijn broekzak. Nee, ook niet! Koortsachtig zocht Binkie al zijn zakken twee keer na, maar de bankbiljetten waren nergens te vinden.

"Maar dat kan niet....!" mompelde hij halfluid en opnieuw tastte hij alles af, weer zonder resultaat.

"Verloren!" schoot het door hem heen. Maar waar? De enige mogelijkheid was, dat het was gebeurd bij de bank, waarop hij had gezeten. Daar had hij het geld in zijn handen gehad en bij het wegbergen moest hij het naast zijn zak hebben gestoken.

Zonder een moment te verliezen holde Binkie naar buiten, geen acht slaande op de verwonderde blikken van de mensen. Dat geld moest terugkomen!

Maar bij de bank was niets te vinden, hoe hij ook overal zocht en rondkeek. Een beklemmende vrees beving hem. Wat moest hij straks zeggen? Moest hij meneer Halewijn maar rustig vertellen dat zijn honderdvijftig gulden weg waren? Maar dat geloofde die immers nooit! Het moest wel erg ongeloofwaardig klinken, want de afstand van de drogisterij naar het postkantoor was hoogstens tien minuten lopen. Waarom had hij ook met alle geweld dat geld nog eens uit zijn zakken moeten halen? Als hij rechtdoor gelopen was, had hij nu het ontvangstbewijs in handen gehad en was met een rustig geweten terug gewandeld naar de winkel. En zo durfde hij niet terug.....! Ze zouden hem zien komen!

In gedachten hoorde hij de drogist al zeggen: "Zo, heb jij dat geld verloren. En dacht je dat dat zomaar geloofd zou worden, dat meneer Halewijn dat maar voor zoete koek zou slikken? Nee jong, dat gaat zo maar niet!"

En dan.....

Verder durfde Binkie niet denken. Hij zag die agent al aan de deur komen, agent Rovers, waar hij nu al drie keer mee te maken had gehad. Dan moest hij weer mee, maar nu niet voor een relletje waar hij de hand in had gehad! Maar dat mocht niet gebeuren, nooit! Hij moest weg, het kwam er niet op aan waarheen!

Zonder zich rekenschap te geven van wat hij precies deed en waar hij terecht zou komen, zette Binkie er de pas in. Als hij eerst maar uit de buurt van de drogisterij was! Hoe verwenste hij nu het ogenblik waarop hij daar voor het eerst een voet over de drempel had gezet. Dan was hem dit niet overkomen. Zou hij het wagen op een tram te gaan staan en voor de conducteur bij hem kwam, weer uit te stappen? Hij had het vaak genoeg gedaan, maar nu ontbrak het hem aan de moed. Stel je voor dat ze hem snapten en hem naar het politiebureau brachten! Dan zou hij zich niet goed kunnen houden en er alles uitflappen, dat wist hij nu al.

In zijn angst zag Binkie alles plotseling even somber.

Keek die agent daar op de stoep hem niet wantrouwend aan? Gewoon doorlopen, alsof hij van de prins geen kwaad wist! Zo, nu eens even kijken, als hij zo doorliep kwam hij het vlugst buiten de stad en dan zou hij wel verder zien. Jammer dat hij nu geen geld bij zich had voor een trammetje, dat schoot wat beter op. Gelukkig, nu deze straat nog uit en dan lag de vrijheid voor hem. De vrijheid? Arme Binkie! Wat betekende het dat hij nu het uitgestrekte polderlandschap voor zich zag? Hij voelde zich te opgejaagd om nuchter te kunnen denken. Anders had hij moeten begrijpen dat hij hier nog eerder op zou vallen dan in de wereldstad, die Amsterdam was. Daar hoorde hij thuis als echte Amsterdamse straatjongen, maar hier buiten zou iedere boer hem verwonderd en wantrouwend aankijken. Nee, de vrijheid kon dit niet zijn voor hem!

Uren liep hij door, totdat hij tegen de avond dodelijk vermoeid en hongerig in een boerenschuur kroop en zich neervlijde in een hoop stro.

Meneer Halewijn liep ongedurig door de winkel heen en weer. Al bijna een uur was dat joch nu weg met het geld! Telkens als de winkelbel ging keek hij hoopvol naar de deur, maar steeds werd hij teleurgesteld. Binkie kwam niet opdagen. Beroerd, dat hij nu zelf niet weg kon! Die jongen zou toch niet....Maar nee, dat kon niet! Daar kende hij hem langzamerhand te goed voor. Maar wat dan? Verliezen was bijna uitgesloten op dat korte stukje en hij had gezien dat Binkie het geld in zijn binnenzak wegstopte. Dus toch...?

Zuchtend ging de drogist maar weer eens naar boven om naar zijn vrouw te kijken. Nog een geluk, dat het op het ogenblik niet zo druk liep in de winkel, want zijn hoofd stond er niet naar. Hij zou er nog maar niet over spreken met Mien, want dan zou die zich maar opwinden en tenslotte zou ze waarschijnlijk nog te keer gaan tegen hem. Hoewel hij er toch ook niets aan kon doen! Anders deed hij die boodschappen altijd zelf, tenminste als het om een groot bedrag ging. Maar vandaag had hij heus geen andere mogelijkheid gezien en was hij blij geweest die leuke jongenskop om de hoek van de deur te zien verschijnen. Die jongen een dief? Nee, uitgesloten! Die haalde op het ogenblik waarschijnlijk weer de een of andere streek uit bij Joost mocht weten wie, en dacht er niet aan dat hij, meneer Halewijn, in ongerustheid zat.

Maar toch sloop de twijfel zijn hart weer binnen. Per saldo was het erg verleidelijk voor een knaap van dertien jaar, die waarschijnlijk nog nooit in zijn leven zo veel geld bij elkaar had gezien, laat staan dat hij het in zijn handen had gehad. Zuchtend deed hij de deur van de slaapkamer open.

"Hoe gaat het Mien?" vroeg hij.

"O, dat gaat wel," klonk het van ergens diep onder de dekens. "Een beetje koortsig denk ik, maar dat gaat wel weer over."

"En als het niet direct afzakt is het in elk geval goed voor je lijn, moet je maar denken, want ze zeggen dat koorts zo afneemt," trachtte haar man te troosten.

Zijn poging om grappig te zijn had niet het gewenste effect want vanuit het bed klonk een gegrom als van een verscheurd dier. De drogist wist niet beter te doen dan maar weer naar beneden te gaan. Hier vond hij toch ook geen afleiding voor zijn weinig vrolijke gedachten. In de winkel snauwde hij een jongetje af, dat voor vijf cent drop kwam halen.

" 'k Heb geen drop meer en al had ik het, dan kreeg je het nog niet jôh," blafte hij, geheel tegen zijn gewoonte in.

Het jochie brak prompt los in een hevige huilbui en dat vertederde de winkelier direct weer.

"Hier," bromde hij, terwijl hij in een trommel graaide. "Hier heb je een hele hand vol drop en hou je stuiver maar bij je."

Getroost verliet de hummel de winkel, toch nog nasnikkend over de onverwachte uitval van de zenuwachtige winkelier. Maar aan zijn vriendjes vertelde hij meteen dat je in die winkel flink moest huilen om handen vol voor niets te krijgen....

Intussen werd de ongerustheid van meneer Halewijn nog steeds groter. Om de twee minuten keek hij op de klok. Meer dan vijf kwartier was het nu geleden dat Binkie de deur was uitgegaan en nog altijd kwam de jongen niet opdagen. Dan nam hij een besluit. Resoluut pakte hij het telefoonboek en zocht het nummer van het postkantoor, om vervolgens op te bellen.

"Een jongen van jaar of dertien, veertien, die hier honderdvijftig gulden gestort heeft? Nee meneer daar is mij niets van bekend," klonk het aan de andere kant. "Ja, natuurlijk, ik zal voor alle zekerheid nog even vragen aan de andere loketten.... Nee meneer, niemand weet er iets van. Spijt me meneer. Dag meneer."

Zo, dat wist hij dus. Binkie was niet op het postkantoor geweest. Dan was de enige mogelijkheid, dat hij er vandoor was gegaan met het geld! Hoe je je ook kon vergissen in de mensen! Wat nu te doen? Zou hij dadelijk de politie bellen? Hij besloot nog een half uurtje te wachten, en als Binkie dan nog niet terug was, moest hij in 's hemelsnaam de politie er maar in mengen. Het was toch te dwaas om zoiets maar op zijn beloop te laten!

Toen na een half uur van ongeduldig wachten Binkie nog niet was verschenen, pakte meneer Halewijn voor de tweede keer de telefoon van de haak en belde het politiebureau. In het kort vertelde hij wat er gebeurd was en vroeg of men er werk van wilde maken.

"En pakt U hem maar flink aan! voegde hij er wraakzuchtig aan toe.

Hij raakte er nu steeds meer van overtuigd dat Binkie een dief was en kon er maar niet over uit, dat hij zich door zo'n kwajongen te pakken had laten nemen, iemand waar hij steeds het volste vertrouwen in had gesteld. Nog een geluk dat hij steeds de nummers noteerde van bankbiljetten van honderd gulden en hoger, zodat hij die nu aan de politie op kon geven. Hoewel hem dat nog niet de zekerheid verschafte dat hij zijn goeie geld ooit terug zou zien, was er nu tenminste een kansje dacht hij en hij informeerde er direct naar.

"We zullen zien meneer," zei de politieman. "Hoe is het signalement zei U? Juist, donkerblond, krullend haar normaal postuur, juist meneer, het staat genoteerd. Zijn adres weet U niet precies? O, daar komen we wel achter. U hoort nog van ons. Ja, dag meneer."

Zuchtend draaide brigadier van Tuin zich om.

"Weer zo'n gevalletje van een joch dat niet tegen de verleiding van een boel geld kon," zei hij tegen een collega die juist binnenkwam. "Ben jij die naam al eens eerder tegen gekomen de Ruiter? Henk Meier, dertien jaar, woont ergens bij de Haarlemmerstraat. Een drogist, waar hij op vrije middagen vaak schijnt te helpen, vertelt net dat hij er met honderdvijftig pop vandoor is."

"Ik geloof wel dat ik die naam eens eerder ben tegen gekomen," zei de ander, terwijl hij zich nadenkend achter het oor krabde. "Zeg Rovers, kwam jij hier voor een tijdje terug niet binnen met een knaapje dat zo heette?"

Rovers zat in een hoekje wat notities te maken en had het gesprek maar half gehoord. Maar toen de naam nog eens werd genoemd, werd hij opmerkzaam.

"Ja, nou U het zegt," zei hij. "En ik zal U eens wat anders vertellen, die knul heb ik vanmiddag nog gezien en toen scheen zijn geweten weer niet zuiver te zijn. Hij had erge haast en daardoor liep hij me bijna omver. Toen ik hem in zijn kraag pakte, was hij erg timide."

"Nou, dat is dan wel duidelijk," zei de wachtcommandant. "Ik zal dat gevalletje doorgeven en dan moet de baas maar uitmaken hoe hij het op wil knappen."

Nu, de baas deed geen half werk, want twintig minuten later werd er gebeld bij het huis van Binkie's ouders.

"Uw zoon Henk thuis mevrouw?" vroeg de politieagent.

"Binkie? Nee, die is haast nooit thuis overdag. Hoewel ik hem wel ieder ogenblik verwacht, want hij is vandaag van school af gekomen, dus voorlopig heeft ie vrije tijd genoeg. Bovendien loopt het tegen etenstijd en dat mist ie bijna nooit," zei Binkie's moeder. "Maar wat is er aan de hand agent, heeft ie weer iets uitgehaald?"

"Dat schijnt wel zo," zei de agent vaag.

"Wat is er aan de hand, toch niets bijzonders?" vroeg mevrouw Meier, nu ongerust wordend.

"Gaat U maar even mee naar het bureau, dan kunt U het horen," zei de agent ontwijkend. "Maar U hoeft zich heus niet ongerust te maken hoor. We wilden hem alleen graag even spreken, maar ja, als hij niet thuis is gaat dat moeilijk natuurlijk."

Snel schoot Binkie's moeder haar schort uit, bracht haar jongste dochtertje bij de buurvrouw en ging met de politieman mee. Ze was nog bijna nooit op een politiebureau geweest en voelde zich niet bijster op haar gemak. Maar alles viel gelukkig erg mee. Toen ze hoorde dat hem niets was overkomen, viel er een pak van haar hart. Rustig vertelde de brigadier wat er aan de hand was en toen mevrouw Meier begreep waar het om ging, haalde ze opgelucht adem.

"Mijn Binkie zou een dief zijn meneer?" zei ze. "Nee, dat kunnen ze me niet wijsmaken, dat geloof ik nooit."

"Ja, het spijt me wel mevrouw, maar het begint er toch erg veel op te lijken," zei de brigadier droog. "U moet denken, hij is pas veertien jaar, zoals U zegt en dan kunnen de meeste jongens nog niet tegen de verleiding, veel geld op zak te hebben."

"En toch geloof ik het niet," zei mevrouw Meier koppig. "Streken haalt ie genoeg uit, daar is ie trouwens al eens voor hier geweest, maar van iets gemeens heeft nog nooit iemand hem kunnen betichten."

"Ja, dat zal wel zo zijn allemaal, ik neem het graag van U aan," zei de brigadier zuchtend. "Maar misschien schieten we meer op als we weten waar Uw zoon op het ogenblik is, dan kan hij zelf vertellen wat er gebeurd is met dat geld en is alles opgelost. Weet U soms waar hij zijn vrije tijd altijd zoek brengt?"

"Nee, ik hoor hem wel eens over die drogisterij, maar voor het overige zou ik heus niet weten, waar hij altijd rondhangt. Daar vertelt hij nooit zo veel over."

"Dat kan ik me best voorstellen en ik was er eerlijk gezegd al een beetje bang voor. In die drogisterij zal hij overigens voorlopig niet meer komen denk ik."

De betekenis van die woorden drong maar flauw door tot Binkie's moeder. Nog altijd kon ze zich niet voorstellen dat haar jongen een dief zou zijn. Dat moest een vergissing zijn! Het kon eenvoudig niet bestaan dat haar bengel vervolgd werd voor een dergelijk vergrijp. Als hij straks thuis kwam zou ze de ware toedracht wel horen en dan zou blijken, dat de politie zich vergiste. En de vent, die haar Binkie verdacht had gemaakt, zou ze wel eens even ongenadig de oren wassen, daar kon hij staat op maken! Maar ze ging nu naar huis om voor het eten te zorgen. Alle kans dat de jongen voor de deur stond te wachten of met Mieke aan het spelen was.

De brigadier scheen haar gedachten te hebben geraden want hij stond op en zei: "Voorlopig kunt U in ieder geval wel naar huis gaan, misschien is Uw zoon daar al. Als U het goed vindt, komt er over een half uurtje nog even iemand kijken van ons en dan zal blijken of U gelijk hebt."

Maar Binkie stond niet voor de deur te wachten en binnen was hij ook niet....

Die avond gingen vader en moeder pas laat naar bed. En in de nacht die er op volgde, sliep moeder maar heel weinig, wachtend op haar zoon.

HOOFDSTUK VI

Een beetje huiverig werd Binkie wakker. Verdwaasd trachtte hij om zich heen te kijken, niet zo snel begrijpend waar hij was. Maar al spoedig drong alles weer tot hem door en meteen overviel hem weer het gevoel opgejaagd te zijn, omdat iedereen hem wel voor een dief moest houden. Een tijdlang lag hij roerloos in het stro en het huilen stond hem nader dan het lachen.

Hoe zou het thuis zijn? Vader en moeder moesten wel ongerust over hem zijn, dat hij maar niet op kwam dagen. Zouden zij hem ook verdenken? Meneer Halewijn had nu natuurlijk al lang aangifte gedaan en stellig werd hij overal gezocht! Binkie trachtte rustig te overdenken wat hem te doen stond, maar dat wilde niet erg gelukken, zo ellendig voelde hij zich. Bovendien was er nog iets anders waar hij last van kreeg; zijn maag jeukte namelijk ontstellend!

Nu realiseerde hij zich pas dat hij die avond niet had gegeten. Hij was alleen bezeten geweest van het idee dat hij weg moest uit de stad en verder had hij niet gedacht. Hoe laat zou het eigenlijk zijn? Het was nog aardedonker in de schuur en alleen door een klein raampje viel een gele streep maanlicht naar binnen. In Binkie's idee kon het nog niet later zijn dan een uur of twee. Waarschijnlijk was hij op zo'n ongewone tijd wakker geworden door de honger en zijn ongemakkelijke ligplaats. Tenslotte wist hij niet beter te doen dan op te staan en te trachten naar buiten te komen. Op de tast bereikte hij de deur zonder ergens over te vallen. Zijn knieën deden hem pijn door het prikken van het stro en in de koele nacht stond hij wat oefeningen te doen om de stijfheid kwijt te raken. Gelukkig scheen er geen hond te zijn, anders was zijn aanwezigheid stellig al verraden. Op korte afstand waren duidelijk de omtrekken van de boerderij te zien waarbij de schuur hoorde.

Ofschoon Binkie niemand had gezien toen hij 's avonds de schuur in geslopen was, veronderstelde hij toch wel dat er iemand thuis moest zijn. De deur van de schuur was namelijk niet afgesloten, terwijl er wel een hangslot aan een haakje bungelde. Verder zag hij wat tuingereedschap glinsteren dat er kennelijk achteloos neergelegd was, alsof iemand zijn werk had onderbroken. Zo, nu moest hij toch werkelijk eens kijken of er niet iets eetbaars was te vinden. De lust bekroop Binkie, gewoon op de ramen te kloppen en de bewoners een boterham te vragen, maar met geweld onderdrukte hij die neiging. Ze zouden hem vreemd aankijken zo in het holst van de nacht en het kon wel eens het einde betekenen van zijn avontuur. Behoedzaam liep hij om het huis heen in de vage hoop iets te ontdekken wat hem verder zou kunnen helpen. Opzij was ergens een deur, waarachter hij de keuken vermoedde. Zou hij brutaalweg naar binnen gaan om een kijkje te nemen in de provisiekast? Nee, beter deed hij nog eens verder te neuzen, wellicht was er een andere mogelijkheid, die niet zo riskant was.

Hij wandelde de boerderij rond maar zag niets, wat hem verder zou kunnen helpen. Dan maar weer terug naar de keukendeur om te zien of hij er in kon! Voorzichtig, heel voorzichtig lichtte Binkie de kruk van de deur omhoog. Een ogenblik dacht hij er aan dat hij nu werkelijk bezig was een dief te worden, ja zelfs een inbreker! Maar zijn hunkerende maag deed hem die gedachte snel verdringen en bovendien voelde hij zich nu zelfs een beetje verongelijkt. Het lot had hem nu eenmaal moeten treffen! En wie weet wat voor lekkernijen hem allemaal wachtten in die boerenkeuken.

Bovendien was dit geen stelen om het gewin; hij verrijkte zich er toch niet door? Zo stelde Binkie zijn geweten gerust, terwijl hij als een volleerde inbreker omzichtig trachtte de deur te openen. Hij had geluk! De boer en zijn gezin moesten wel erg argeloos zijn of in elk geval erg vergeetachtig, want de deur was niet afgesloten! Op zijn tenen sloop Binkie naar binnen. Een tijdje stond hij stil, om zijn ogen wat te laten wennen aan de duisternis. De buitendeur had hij wijd open laten staan, om althans enig licht te hebben en om direct op de vlucht te kunnen slaan als dat nodig mocht blijken. In een hoek meende hij een deur te zien, waarschijnlijk van een kast. Op goed geluk schuifelde hij er naar toe. Hij durfde zijn voeten niet op te tillen, uit vrees ergens tegen aan te zullen schoppen.

Plotseling stond hij stil. Ergens in het huis dacht hij iemand te horen hoesten. Met kloppend hart wachtte hij een paar minuten, gedurende welke tijd hij zich niet durfde te bewegen. Maar dan zette hij zijn onderzoek weer voort, hoewel de spanning hem voor een ogenblik zijn honger deed vergeten. Hij was evenwel niet van plan, zijn plan te laten varen nu hij zo ver gekomen was en behoedzaam vervolgde hij zijn weg. Gelukkig, hij was er, zonder enig lawaai te hebben gemaakt! Opnieuw begon nu het werkje, de deur geruisloos open te krijgen, al behoefde hij deze keer niet bang te zijn dat die afgesloten was. Licht piepend gaf de deur mee en even later stond Binkie voor de geopende kast. Tastend gleden zijn handen over de planken, maar een zucht van teleurstelling ontsnapte hem, toen hij alleen maar pannen en ander keukengerei vond. Dat was pech hebben.

Wat nu te doen? Hij besloot nog eens rond te kijken om te zien of er wellicht nog meer kasten waren. Werkelijk vond hij, na zich wat verder in het vertrek te hebben gewaagd, in de uiterste hoek nog twee deuren naast elkaar. Op goed geluk opende hij weer een der deuren, maar even snel, of eigenlijk even voorzichtig sloot hij die meteen weer. Het was bepaald geen kast geweest want hij voelde een luchtstroom van achter de deur, waarschijnlijk door een raam of een deur, die hier of daar open stond. Nu hoorde hij ook weer duidelijk hoesten en het hart klopte hem in de keel. En toch zette hij nu door! Met de moed der wanhoop deed hij de derde deur open en nu scheen hij meer geluk te hebben. Uit de kast kwam de onmiskenbare lucht van etenswaren, Binkie meende iets van gerookt vlees te ruiken. Het water liep hem bijna uit de mond, en de voorzichtigheid een beetje uit het oog verliezend, graaide hij op goed geluk rond. Die onbedachtzaamheid zou hem echter noodlottig worden. Van een der bovenste planken viel iets naar beneden en kwam kletterend op de betonnen vloer terecht.

Direct daarop klonk van achter de andere deur een gil, en een vrouwenstem riep, duidelijk hoorbaar voor Binkie: "Jan, ga toch eens kijken, d'r zijn inbrekers!"

Als verstijfd bleef Binkie staan. Daar had je het al!

Hij hoorde een zware mannenstem slaperig zeggen: "Ja mens, ik ga al!"

Angst overviel Binkie. Hij wou op de vlucht slaan, maar het was alsof er lood aan zijn benen hing. Hij wou schreeuwen, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Nu was het afgelopen! Dadelijk kwam de boer en die zou hem afleveren aan de politie, dat wist Binkie.

Dan kwam er iemand aanstommelen in de richting van de keuken en dezelfde mannenstem van daarnet vroeg bars: "Wie is daar, en wat gebeurt hier!"

De deur werd geopend en om de hoek zag Binkie een witte gedaante, de boer in zijn onderkleren. Bij het zien van zijn belager kwam Binkie weer bij zinnen. Snel rende hij plotseling naar buiten, onmiddellijk achtervolgd door de boer. Eerst had die een beetje angstvallig om een hoekje gekeken, maar toen hij zag dat de inbreker slechts een jongen was, vatte hij moed en spurtte achter Binkie aan. Die probeerde de weg te bereiken en holde over een smal tuinpad in de richting van het hek, dat het erf van de smalle straatweg scheidde. Daar wachtte hem een tegenslag, want dat bleek gesloten. Juist had Binkie het haakje gevonden en draaide hij het hek open, toen hij zich bij de kraag gegrepen voelde.

"Zo mannetje, zocht jij daar binnen wat?" klonk het dreigend.

Als enig antwoord probeerde Binkie zich los te rukken, maar dat zat hem niet glad. De grote handen van de boer hielden hem stevig vast en hoe hij ook worstelde, hij kreeg geen schijn van kans. De boer, die het blijkbaar koud kreeg in zijn ondergoed, wist tenslotte niet beter te doen dan Binkie op te pakken en hem naar binnen te dragen. Toen gaf Binkie het maar op; alles was nu toch reddeloos verloren. In de keuken wachtte, een beetje witjes, de boerin op de terugkeer van haar man.

"Zo," zei die tevreden, "daar hebben we de man. En nou zal hij toch vertellen, wat je daar zocht."

"Ik had honger." zei Binkie kort. De boer lachte smalend. "Zo, had jij honger," zei hij sarcastisch. "En lag er bij je moeder geen brood meer in de kast? Nee mijn jongen, je zal toch een ander verhaaltje moeten verzinnen, wil je geloofd worden! Zo kom je er niet af."

"Ach, laat die jongen toch," zei de boerin, die nu ook weer een beetje op haar verhaal gekomen was.

"Welja, ga jij hem nog een beetje voorspreken ook," viel haar man driftig uit. "Eerst jaag je iemand zijn bed uit en als ik dan zo'n kleine bandiet te pakken heb wil je hem zo weer laten gaan. Daar heb ik bijna een kou voor opgelopen!"

En zich weer tot Binkie wendend: "En nou voor de laatste keer, waarom moest jij hier zo nodig een boterham komen halen voor de honger?"

Duizenden gedachten spookten Binkie door het hoofd. Moest hij die norse boer het hele verhaal aan zijn neus hangen? Die kerel geloofde hem immers toch niet! Als hij hem alles vertelde werd hij helemaal voor een boefje aangezien. Die kerel kon voor zijn part naar de maan lopen, hij zei niks meer. Alleen moest hij nu zien, wat te eten te krijgen, want ondanks alles rammelde hij nog steeds van de honger.

Daarom vroeg hij zonder enige overgang: "Mag ik een boterham? Daar ben ik toch voor gekomen, dat zei ik immers al?"

Sprakeloos over zoveel brutaliteit stond de boer hem even aan te kijken. Maar Binkie blikte rustig terug en eindelijk gaf zijn ondervrager zich gewonnen.

Hij wendde zich af en zei tegen zijn vrouw: "Geef hem wat te eten Trui. En dan zal ik hem voor vannacht wel een plaatsje bezorgen. Dan moet de politie morgen maar uit zien te vissen wat ie allemaal op zijn kerfstok heeft. Ik ben eigenlijk net gek dat ik er zo veel tijd aan spandeer en hem niet meteen opberg."

Even later zat Binkie achter een grote stapel boterhammen en deed zich flink te goed. Niettegenstaande alle ellende moest hij lachen in zichzelf om de gekke situatie. Daar zat hij in het holst van nacht bij een vreemde boer brood te eten. Enfin, het smaakte best, dat was de hoofdzaak. Inmiddels stond de boerin meewarig met haar hoofd te schudden. Zo'n schaap toch! Dat die jongen met die leuke kop een inbreker was! Je beleefde toch gekke dingen tegenwoordig. Ze zou best zelf zo'n jongen willen hebben en hem dan alle dagen zo vol stoppen. Haar beschermeling knikte haar eens dankbaar toe, terwijl hij rustig doorging met schransen. Hè hè, daar kwam een mens van bij! Met zo'n bodempje in je maag zag je de dingen toch maar heel anders. Het zou hem alleen benieuwen wat ze nu van plan waren met hem. Als het aan de boerin lag stond hij waarschijnlijk over vijf minuten buiten, maar haar man dacht er blijkbaar anders over.

Die zat met een stuurs gezicht in een hoek te wachten tot Binkie klaar was. Hij kon er nog niet over uit dat hij die knul, die hem eerst van zijn nachtrust beroofde, nu ook nog te eten gaf. Maar als hij het niet had gegeven had Trui hem in drie weken niet aangekeken. Die was zo sentimenteel in die dingen! Maar ze kon hem nu nog meer vertellen, hij ging morgenochtend direct naar de politie met dat knaapje. De hemel mocht weten wat dat joch met zijn onschuldige gezicht al had uitgespookt in zijn korte leven. Hij nam het in geen geval voor zijn verantwoording hem zo maar vrij te laten lopen. Alle kans dat hij bij de buren hetzelfde grapje probeerde uit te halen!

Binkie had dan ook nog maar net de laatste hap in de mond gestoken toen hij bij de arm werd genomen. Hij werd naar een soort opkamertje gebracht, waar een matras op de grond lag. Wat hem direct opviel was, dat er maar een heel klein raampje was, en dat de deur afgesloten kon worden.

De boer had zijn blikken gevolgd en zei grimmig: "Nee, je hoeft niet te denken dat je hier gemakkelijk uit komt. Je kunt maar het beste je gemak hier houden, want als ik weer last van je krijg praten we anders, dat kan ik je verzekeren."

Zwijgend zocht Binkie zich een plaatsje op de matras en even later hoorde hij de sleutel omdraaien. Mistroostig bedacht hij, dat dit vast een voorproefje was van wat hem misschien nog te wachten stond. Zouden ze hem op het politiebureau ook opsluiten; of erger nog, in de gevangenis? Dan moest hij toch even lachen om zijn eigen zwaarmoedige gedachten. Ach nee, daar was hij gelukkig nog te jong voor. En in elk geval lag hij hier beter dan op het harde stro in de schuur. Met die troost sliep Binkie in.

De volgende morgen werd hij echter al weer vroeg gewekt door zijn "bewaker". In de keuken zat de boerin al zwijgend te wachten met een groot bord pap en een paar boterhammen. Verwijtend keek ze haar man aan, maar die deed alsof hij niets merkte en zwijgend werd alles naar binnen gewerkt. Daarna verloor de boer geen tijd meer. Hij trok zijn jas aan en wenkte Binkie met hem mee te gaan. En even later waren ze op weg naar het naburige dorp, een wandeling van ongeveer een half uur. Af en toe bekroop Binkie de lust er vandoor te gaan, maar hij zag er het nutteloze van in. De boer was nog vrij jong en waarschijnlijk wel in staat harder te lopen dan een jongen van veertien jaar.

Bij de politiepost gekomen liet hij, als een ervaren gevangenbewaarder, Binkie voor zich uit gaan naar binnen.

"Dit knaapje kwam vannacht bij me binnen zonder dat ik hem had uitgenodigd," zei hij tegen de politieman. "Hij beweerde dat ie alleen maar honger had, maar hij zal nog wel wat meer op zijn kerfstok hebben denk ik. Enfin, dat zoeken jullie maar uit. Hij heeft mij al tijd genoeg gekost."

"Ik denk wel dat ik weet met wie we te doen hebben," zei de ambtenaar. " 't Is goed dat U hem hier gebracht heeft."

En vervolgens tot Binkie: "Jij bent zeker Henk Meier uit Amsterdam?"

"Jawel meneer," zei Binkie.

"Dat dacht ik al. Ik kreeg gisteravond een telefoontje om naar hem uit te kijken," richtte de politieman zich weer tegen de boer. "Deze jongen schijnt met een vrij groot bedrag te zijn weggestuurd en kon niet tegen de verleiding, het voor zichzelf te gebruiken."

"Dat is heus niet waar meneer. Ik heb het verloren," verweerde Binkie zich.

De boer lachte weer zijn smalend lachje.

"Nee, hij zal direct zeggen, dat ie het wel gedaan heeft. Dat zal ik mijn vrouw eens vertellen, die vond het zo'n leuke jongen, zei ze. Ze zal er nu wel anders over denken, veronderstel ik."

"Misschien wel, maar we zullen de zaak wel eens bekijken. Ik zal hem naar Amsterdam laten brengen, daar kennen ze hem beter," maakte de politieman er een eind aan. "U wordt in elk geval bedankt voor de moeite."

"Niet te danken," zei de boer.

En trots op zichzelf verdween hij met het voornemen, zijn vrouw haar overdreven zachtzinnigheid eens flink in te peperen.

Binkie werd op een stoel gezet, terwijl de postcommandant naar Amsterdam belde. Een uurtje later stond er een politieauto voor de deur en mocht Binkie instappen. Ondanks alle narigheid genoot hij toch van de snelle rit in de luxe personenwagen. De politieman achter het stuur maakte het hem niet lastig met allerlei vragen, maar was integendeel heel gemoedelijk.

"Zo, jong," zei hij, "nou zal oom agent jou eens netjes naar de stad rijden. Dat had je niet gedacht hè?"

Die toon deed Binkie zich weer op zijn gemak voelen. Dat was de vaderlijke manier, waarop bijna iedere Amsterdamse "smeris" je aansprak als je tenminste niet al te gekke dingen had uitgehaald. En dat had hij toch immers niet?

"Best agent," zei hij. "Hij rijdt lekker hè?"

Bijna had hij gevraagd ook eens te mogen rijden, maar hij begreep dat daar toch niets van in kwam. En hij was veel te blij dat er tenminste weer iemand was, waarmee hij rustig kon praten. Veel te gauw naar zijn zin waren ze in de stad en nu ging het recht door naar het politiebureau, waar vader hem al op zat te wachten.

"Zo," zei de politieambtenaar tegen Binkie, toen vader en zoon elkaar hadden begroet. "Vertel nu maar eens, wat er met dat geld is gebeurd en waar je vannacht bent geweest. Iedereen heeft hier in ongerustheid gezeten."

En toen vertelde Binkie het hele verhaal. Hoe hij bijna was bezweken voor de verleiding, hoe hij in angst had gezeten toen hij het geld had verloren en in paniek er vandoor was gegaan. En vervolgens hoe hij er toe gekomen was, "in te breken" in die boerderij.

Nadat hij uitgepraat was, zei zijn ondervrager rustig: "Maar waarom was je zo bang, toen je tot de ontdekking kwam dat je dat geld kwijt was? Dan had je toch veel beter meteen aangifte kunnen doen bij de politie, of in elk geval naar die meneer Halewijn kunnen gaan. Of is het soms wel eens meer gebeurd dat je reden had om een beetje uit de buurt te blijven van de politie? Ik bedoel niet het laatste geval, waar je hier voor bent geweest, maar is het wel eens gebeurd dat je je handen niet af kon houden van andermans goederen?"

Een beetje verbaasd keek Binkie zijn ondervrager aan. Wat wilde die man van hem?

Zonder aarzelen zei hij: "Nee meneer, nog nooit."

"Denk nog eens goed na, voor je antwoord geeft," zei de politieman. "Ben je niet erg goed bekend in die loods op de Brouwersgracht, waar al die levensmiddelen liggen opgeslagen?"

Nu sloeg Binkie de ogen neer. Hoe wisten ze dat? Maar dan nog, wat konden ze hem verwijten?

Na enige tijd zei hij: "Daar ben ik wel goed bekend meneer, en ik heb er ook wel eens gesnoept, maar gestolen, iets mee genomen, dat heb ik nooit gedaan."

"Dan zal ik je eens wat zeggen," zei de ander nu een beetje scherp. "Ik heb hier de afgelopen week ook al een gesprek gehad met een vriend van je, Dries Vermeulen. Die heeft me een verhaal verteld over suiker, die jullie onder je kleren hebt meegenomen in kleine porties. Je moet namelijk weten, dat hij gesnapt is bij een dergelijke gelegenheid en toen hebben we hem eens aan de tand gevoeld."

De vlammen schenen Binkie uit zijn gezicht te slaan en fel riep hij: "Dat is gelogen, dat heeft ie alleen gedaan! Ik heb direct gezegd, dat ik daar niet aan mee deed!"

"De schijn is anders wel erg tegen je, vind je ook niet?" zei de rechercheur.

"Ja, dat zal wel," zei Binkie moedeloos ineens.

Hij begreep niet eens wat die man eigenlijk precies bedoelde met zijn laatste opmerking en het interesseerde hem ook niet. Dat Dries een dergelijke lage streek had uitgehaald kon hij niet verwerken. Iedereen en alles scheen wel tegen hem samen te spannen. Maar waarom dan toch? Hij deed toch geen slechte dingen? Ach, wat gaf het ook allemaal, het kon hem niet meer schelen. Dries had natuurlijk geprobeerd zijn eigen straatje zo schoon mogelijk te vegen en daarom had hij hem ook maar beschuldigd van dingen, waar hij niet aan mee had gedaan. Een beetje hulpeloos keek hij naar zijn vader die er al die tijd zwijgend bij had gezeten. Maar vader zei niets en keek hem alleen maar aan, net zoals die man daar voor hem. Een tijdje bleef het stil in het vertrek en zat Binkie wezenloos voor zich uit te staren.

De politieman verbrak tenslotte het zwijgen en vroeg niet onvriendelijk: "Kun je je nu alles weer herinneren?"

"Ik weet het niet meer meneer," zei Binkie zacht.

Hij wilde alleen maar weg van hier, waar de muren op hem af schenen te komen en waar die man hem maar onbewogen aan zat te kijken. Hij haatte die vent, hij haatte iedereen op dit ogenblik.

"Het is goed, neemt U hem maar mee naar huis," zei de ambtenaar tegen vader. "We zullen het zo voorlopig laten, maar U hoort er natuurlijk nog wel van."

Twintig minuten later zat Binkie thuis en toen brak de spanning door een fikse huilbui in moeders schoot.....


 

HOOFDSTUK VII

Er volgde een nare tijd voor Binkie. Hoe anders had hij zich zijn vacantietijd voorgesteld! Inplaats van bij de straat te zwerven, zat hij nu de hele dag thuis en hielp moeder wat in het huishouden. Van de politie hoorde hij niets meer, ze schenen zijn uitlatingen op het politiebureau tijdens het verhoor opgevat te hebben als een bekentenis en alleen vader had een paar keer bericht gehad dat hij moest komen. Maar die vertelde thuis niets waar Binkie bij zat en hij zelf vroeg nergens naar, om de eenvoudige reden, dat het hem niets kon schelen wat er besproken was. Het enige waar hij naar had verlangd was, Dries een keer te ontmoeten en hem ongenadig op zijn gezicht timmeren. Maar als hij wel eens een enkele keer een boodschap deed voor moeder, was hij toch ook weer blij dat hij hem niet gezien had, want wat schoot hij er tenslotte mee op? Ze schenen hem toch voor een dief te houden en dan kon dit er ook nog wel bij. Toen hij toevallig een jongen sprak die bij hem op school had gezeten, hoorde hij dat Dries voor de kinderrechter had moeten komen en in een opvoedingsgesticht terecht was gekomen. Blijkbaar waren er vele gevallen bekend geworden waarin hij betrokken was geweest, iets, waarover Binkie zich totaal niet meer verwonderen kon.

Zo was hij nu al een week of vier thuis en langzamerhand begon het tot hem door te dringen, dat er eens iets moest gebeuren. Hij moest aan het werk zien te komen, want het leeglopen verveelde hem langzamerhand.

Maar als hij er met moeder over sprak zei die: "Heb je het zo slecht bij me, dat je ineens weg wilt? Doe nu maar even kalm aan, je hebt nog alle tijd."

Dan legde Binkie zich er maar weer bij neer en schilde de aardappelen of speelde met de kleine Mieke.

En toen lag er op zekere morgen een officieel uitziende brief in de bus. Een beetje zenuwachtig maakte moeder hem open en liet toe dat Binkie over haar schouder mee las. Hij begreep de ambtelijke stijl niet helemaal, maar een paar woorden waren voldoende om de betekenis er van tot zich door te laten dringen.

"2....zal er iemand Uw zoon Hendrik begeleiden naar het kamp.......en wij verzoeken U er zorg voor te dragen dat hij om tien uur v.m. reisvaardig is......."

Hij moest naar een kamp! Duizend vragen bestormden Binkie, maar er wilde er niet een over zijn lippen komen. Daarom behoefde hij geen haast te maken met het zoeken naar een baantje. Omdat het toch maar voor tijdelijk kon zijn! Zijn ouders hadden dat natuurlijk al langer geweten of althans vermoed. Maar wat was dat dan voor een kamp? Ook een opvoedingsgesticht soms? Dat was het, wat hem het meest interesseerde.

"Is dat een opvoedingsgesticht moeder?" vroeg hij eindelijk een beetje onzeker.

"Nee jongen, een opvoedingsgesticht is het beslist niet. De kinderrechter vindt het alleen beter dat jij een poosje in een andere omgeving komt en je zult het er heus niet slecht hebben. Het zijn daar allemaal jongens van jouw leeftijd, die veel bij de straat gezworven hebben en dat is het enige wat ze je daar een beetje af willen leren," zei moeder vergoelijkend.

Opgelucht haalde Binkie adem. Nou, dan zou het hem een zorg zijn. De gedachte aan een ander leven lokte hem zelfs wel aan nu hij wist dat het eigenlijk niet zo zeer als een straf was te beschouwen. Hij zou er toch geen aardigheid meer in hebben om zijn dag te vullen met allerlei kwajongensstreken sinds de gebeurtenissen van een paar weken geleden. En stellig zou hij daar weer andere vrienden maken, al zou hij deze keer wel uitkijken, met wie hij in zee ging....

Zo raakte Binkie al gauw verzoend met het idee, de grote stad voor een half jaartje te moeten verlaten en tenslotte wachtte hij zelfs met spanning op de dag, waarop hij afgehaald zou worden.

Met grote snelheid daverde de trein door het Hollandse landschap. Een beetje stil zat Binkie in de hoek van de coupé, toch nog een beetje onder de indruk van het afscheid. Hij was nog nooit langer van huis geweest dan een paar dagen in de vacantie en nu het er op aan kwam, het vertrouwde buurtje voor zo lange tijd te moeten verlaten kreeg hij het toch wel even te kwaad. Gelukkig maar dat zijn begeleider, die zich voorstelde als meneer Wessels, een leuke man was, die begrip toonde voor die dingen. Om kwart voor elf waren ze in de trein gestapt en nu waren ze Utrecht al gepasseerd, op weg naar het Zuiden van het land. Meneer Wessels zat naast hem en wees hem ongevraagd verschillende bezienswaardigheden. Maar langs het gedeelte waar ze nu reden, was weinig anders te zien dan het wisselende landschap.

Geboeid zat Binkie nog een poosje te kijken, maar zijn speelse karakter deed hem al gauw uitzien naar een andere afleiding. Nieuwsgierig nam hij zijn medepassagiers eens op, waarvan er verschillende in Utrecht waren ingestapt. Veel leverde dat niet op, want de meesten waren verdiept in een boek of tijdschrift. Alleen op de bank schuin tegenover hem zat een klein mannetje naar buiten te kijken. Naast hem zat een dikke man in een krant te lezen, die hij helemaal opengevouwen had. Bij het omslaan van het blad haalde hij steeds zijn arm ver uit, waardoor hij bijna zijn medepassagier in het gezicht sloeg. Die durfde daar blijkbaar niets van te zeggen en wist niet beter te doen, dan zo ver mogelijk in zijn hoekje te kruipen steeds als de dikke weer uithaalde. In spanning wachtte Binkie af, of het kleine mannetje nog eens een klap zou krijgen, maar ook daar was de aardigheid gauw af. Wat nu te doen?

Onder het voorwendsel naar het toilet te moeten, stond hij op en slenterde de gang door. Een paar coupé's verder zaten een paar mannen te kaarten, waarbij het heftig toe ging. In een dialect, dat veel op Brabants leek en dat Binkie maar moeilijk kon verstaan, werden over en weer de grofste verwijten gemaakt.

Het spel waar ze mee bezig waren, had Binkie wel eens meer gezien en om het hoekje van de doorgang bleef hij staan kijken.

"Sufferd, je had schoppen voor moeten spelen. Op die manier is het geen wonder dat we er steeds in gaan," zei een der mannen weinig vriendelijk tegen een medespeler.

"En dan met al mijn harten blijven zitten!" zei de ander. "Als je wilt kaarten moet je het goed doen en niet van die stomme dingen zeggen!"

Er werd blijkbaar om grof geld gespeeld, want een der mannen, een kerel met een weinig prettig gezicht zat te rekenen en zei zacht: "Met al jullie geklets wordt het nu zevenentwintig gulden. Moeten we nog doorgaan?"

"Natuurlijk! Of dacht jij zo de poet te hebben gewonnen? We hebben nog twintig minuten tot Den Bosch, en er kan nog van alles gebeuren!"

Snel werden de kaarten geschud en opnieuw verdeeld. Het spel zou juist weer beginnen, toen een der mannen Binkie in de gaten kreeg.

"Zoek je iets jôh? Loop liever door! Pottekijkers hebben we niet nodig!" zei hij.

Ze zaten alleen in de coupé, maar met meneer Wessels achter zich, iets verder op, voelde Binkie zich sterk genoeg om brutaal te durven zeggen: "D'r is voor mij ook betaald, dus ik heb net zoveel recht als iemand anders!"

Ja, hij liet zich zo maar wegjagen! Dan hadden ze toch precies de verkeerde voor!

Even wisselden de mannen enige blikken van verstandhouding met elkaar, maar ze schenen toch tegen dat strijdlustige joch verder niet veel te durven beginnen. Plotseling scheen een van hen iets te bedenken.

Veel vriendelijker dan de ander vroeg hij zonder enige overgang: "Heb je daar al lang gestaan vriendje?"

"O ja, al van af Utrecht," loog Binkie, waarom wist hij eigenlijk zelf niet.

Hij vroeg zich af, waarom dat die vent interesseerde.

Opnieuw keek het viertal elkaar snel aan en dezelfde man begon weer: "Vond je leuk, wat er allemaal besproken is door ons?"

Binkie's hersens werkten snel. Hij begreep meteen dat er iets gezegd was wat hij niet mocht horen, maar wat?

Waar hij het zo ineens vandaan haalde wist hij zelf niet, maar gevat antwoordde hij, haast zonder aarzelen: "Nou, leuk kan ik niet zeggen, maar ik heb er in ieder geval heel wat van geleerd!"

Ziezo, daar konden ze van denken, wat ze wilden! Nu maar eens afwachten wat er ging gebeuren.

Toen kwam de grootste verrassing, want zo mogelijk nog vriendelijker, maar toch met iets dreigends in zijn stem, begon de kerel weer, nu bijna fluisterend: "Kom eens hier!"

En terwijl Binkie wantrouwend en op zijn hoede tussen de banken door schoof naar de hoek, greep hij in zijn zak en haalde er een rijksdaalder uit.

"Hier, dat is voor jou! Maar dan nergens over praten hè! Want je kunt er op rekenen dat we je dan weten te vinden, goed begrepen?"

Even weifelde Binkie. Een knaak! Daar had hij eens een hele middag voor moeten werken als een paard. En dat werd hem nu zo maar aangeboden, zonder dat hij er een hand voor uit hoefde te steken.

Op dat ogenblik drong het eigenlijk pas goed tot hem door dat dit geen zuivere koffie was en hardop zei hij: "Nee, dank je feestelijk, hou je geld zelf maar."

Meteen wou hij zich omdraaien, maar de vent pakte hem bij de arm en siste tussen zijn tanden door: "Je krijgt hem al niet meer, maar ik zal je in de gaten houden, hou daar rekening mee, brutale aap!"

Ondanks zijn uitdagende houding schrok Binkie nu toch wel even. Wat wilde die vent van hem? Hij achtte hem tot alles in staat, zo gemeen stond zijn gezicht nu. Zou hij gaan schreeuwen? Maar wat moest hij dan zeggen als de andere passagiers zich er mee gingen bemoeien? Gelukkig werd hem die vraag verder bespaard, want op dat moment begon de trein af te remmen, als bewijs dat ze Den Bosch naderden. En direct daarop hoorde hij de stem van meneer Wessels, die hem aanmaande zijn spulletjes bij elkaar te zoeken omdat ze over moesten stappen. Toen de kerel, die Binkie vast hield, meneer Wessels zag, veranderde zijn gezicht als bij toverslag.

"Dat blijft dan afgesproken," zei hij luidruchtig. "Ik hou je aan je woord hoor! Kom mannen, we gaan ook eens aanstalten maken."

"Ja ja, dat is goed," zei Binkie een beetje dwaas, en keerde zich om, om met zijn begeleider mee te gaan.

"Wat blijft afgesproken?" vroeg die een beetje verwonderd. "Ken je die meneer?"

"Nee, dat niet," zei Binkie vaag. "Maar hij was erg aardig tegen me."

Hij voelde dat zijn woorden niet erg overtuigend klonken, maar wat moest hij anders zeggen? Het moest wel erg ongeloofwaardig klinken als hij vertelde, dat die vent hem zo maar een rijksdaalder had aangeboden zonder enige aanleiding. Trouwens, waar zou hij zich ook verder druk over maken, hij zag die kerels waarschijnlijk nooit meer. Meneer Wessels keek hem eens onderzoekend aan. Vreemde jongen was dat toch! Een uur lang had hij gezellig zitten babbelen en nu ineens deed hij zo terughoudend!

Enfin hij zou maar niet verder aandringen, want dan bereikte hij helemaal niets. Trouwens, ze moesten voortmaken, want ze hadden maar een paar minuten speling bij het overstappen. En hij kon het zich niet veroorloven, zijn aansluiting te missen, want hij moest vandaag ook nog terug. Knarsend schoof de trein het station binnen en even later stond Binkie aan de hand van meneer Wessels onder de overkapping. Terwijl ze het perron overstaken kon hij nog juist zien dat twee van de mannen, waarmee hij die vreemde ontmoeting had gehad, dezelfde richting uitgingen als zij. De man die hem had vastgegrepen, was er ook bij, maar scheen hem niet op te merken. Nu, dat speet hem niets, want hij had geen enkele behoefte om nog eens met hem in contact te komen. Tot zijn opluchting gingen ze in een der voorste wagens zitten, terwijl meneer Wessels hem meenam naar een rijtuig in het midden.

Ze hoefden nog geen vijf minuten te wachten alvorens de trein zich weer in beweging zette en zijn weg vervolgde, steeds dieper het Zuiden in. Het landschap was vrij eentonig, vond Binkie, en hij was er dan ook gauw op uitgekeken. Maar meneer Wessels wist hem toch te boeien door hem verschillende bijzonderheden van de streek te vertellen, want hij deed dat op een leuke manier, en Binkie amuseerde zich best. Hoewel de ontmoeting van daar straks hem nog steeds niet uit het hoofd wilde, hoezeer hij er ook zijn best voor deed. Bij ieder station waar ze stopten, lette hij op of de mannen uitstapten. Dat ging vrij gemakkelijk want er gingen nergens veel mensen uit en het tweetal was er nog steeds niet bij.

"Ziezo," onderbrak meneer Wessels op zeker ogenblik zijn verhaal, "het volgende station stappen we uit. Dan nog een half uurtje met de bus en we zijn bij ons einddoel. Je zult het er best naar je zin hebben, want het is een prachtige omgeving en een prettig kamp."

Einddoel? Ach ja, dat was waar ook! Hij zou haast vergeten zijn waarvoor ze in de trein waren gestapt, zoveel indrukken had hij opgedaan op deze reis. Binkie was onderweg naar die inrichting, of wat het dan ook maar mocht zijn! Vannacht zou hij niet thuis slapen in het alkoofje maar in een bed, onder of boven een ander. Stapelbedden, had meneer Wessels gezegd. Hij moest voor elkaar zien te krijgen dat hij boven mocht slapen, dat leek hem het meest rustig. Hij was vastbesloten zich te laten gelden in zijn nieuwe omgeving, ook al zou het in het begin dan wat onwennig zijn.

Tien minuten later passeerde ze de contrôle van het kleine stationnetje, op weg naar de bushalte voor het laatste traject. Omkijkend over zijn schouder zag Binkie met een schok dat de onbekende mannen ook uitgestapt waren, maar gelukkig gingen ze niet met dezelfde bus mee als zij. Met een zucht van verlichting zag hij de kerels in een café verdwijnen, vlak tegenover het station. Die was hij kwijt!

Nog geen half uur later stapte Binkie zijn nieuwe, tijdelijke verblijfplaats binnen.

Het was een barakkenkamp, waarvan de houten gebouwtjes rondom een groot grasveld stonden, dat afgezoomd was met kleurige bloemenperkjes. Enkele jongens waren bezig met het wegschoffelen van het onkruid tussen de plantjes. Ze staakten even hun werk toen Binkie aankwam en namen hem nieuwsgierig op.

"Hallo nieuwlichter," riep er een ter begroeting, "waar kom je vandaan?"

Binkie vond het beter voorlopig maar te zwijgen en stapte achter zijn begeleider een klein kantoortje binnen. Daar zat een vriendelijke meneer achter een schrijfbureau en moest Binkie weer eens zijn naam, adres en zijn leeftijd opgeven.

Toen de nodige formaliteiten waren verricht, werd Binkie weer naar een andere meneer gebracht. Of eigenlijk vond Binkie het helemaal geen meneer, want het was een nog jonge man, gekleed in een rijbroek met daarboven een kleurig shirt, die zich voorstelde als zijn groepsleider meneer Hannema. Toen nam meneer Wessels afscheid van hem en ging nog even naar de kampleider, die in een der barakken woonde.

Nieuwsgierig bekeek Binkie zijn nieuwe omgeving eens. Op het eerste gezicht beviel het hem hier wel. Wat hem opviel, was de stilte hier. Het kamp lag een eindje van de weg af, een weg waarvan blijkbaar alleen gebruik gemaakt werd door de bus, die hem hierheen had gebracht. Aan een kant lag het kamp tegen een bos aan, dat zich uitstrekte zo ver Binkie kon kijken.

"Zo," zei meneer Hannema, "nu zal ik je je kamer eens wijzen en je een plaatsje aanwijzen waar je je kleren op kunt hangen. Heb je honger?"

"Een beetje," zei Binkie.

"Goed, dan zal ik de kok vragen of er nog wat te eten is voor je."

Zo werd Binkie opgenomen in de jongensgemeenschap, die het kamp "Dennenheuvel" vormde.

HOOFDSTUK VIII

Het was erg vreemd voor Binkie de eerste dagen. Hij miste het lawaai van het woelige Amsterdamse verkeer dat hem zo vertrouwd was geworden. En al woonden zijn ouders dan ook in een smalle zijstraat, steeds had hij toch van ver altijd wel het geluid gehoord van bellende trams of van een auto waarvan de bestuurder zo nodig zijn claxon moest gebruiken. Vooral toen hij de eerste avond in bed lag en de herrie van de overige jongens wat bedaard was, viel de stilte op hem. Voor het echter zo ver was, verliep er nog al enige tijd, want hij had nog maar net zijn been over de rand van zijn bed gebracht, toen hij met bed en al weer naar beneden kwam. Er ging een luid gejuich op uit de andere bedden, toen hij een beetje beduusd overeind krabbelde. Zijn kamergenoten hadden zijn bed "scherp gezet", zoals ze dat noemden, wat hierop neerkwam dat ze de pennen waarmee de vier wanden aan elkaar waren bevestigd zo waren afgesteld, dat ze bij de minste aanraking direct loslieten. Het was een geluk dat Binkie zijn zin niet had gekregen, en in het onderste bed lag, anders had hij een lelijke val gemaakt. Nu kon hij gelukkig zelf meelachen om het geval, en daarmee was hij opgenomen in de kring. En toen moest hij alle vragen beantwoorden, die op hem afgevuurd werden.

"Jij bent zeker Amsterdammer?" vroeg zijn bovenbuurman over de rand van het bed hangend.

En toen Binkie bevestigend antwoordde, vervolgde hij: "Ik ook. Zit hier al vier maanden. Saaie boel hier jôh, vergeleken bij Mokum. Enfin, nog een paar maanden, dan ga ik weer naar huis en zal ik wel zorgen, dat ik hier niet terug hoef te komen. Al heb ik het hier niet slecht gehad."

"Waarvoor zit je hier?" vroeg Binkie.

"Baldadigheid. En omdat ik thuis nooit een cent kreeg heb ik tenslotte een paar keer gegapt. Maar dat gebeurt me niet weer, want ik heb er achteraf spijt genoeg van gehad."

Vanuit een der andere bedden klonk het spottend: "Brave jongen hoor!"

Maar Binkie's buurman, die zich voorgesteld had als Dirk van der Panne, trok zich daar schijnbaar niets van aan en vervolgde: "Als ik bedenk hoe mijn moeder zat te huilen, kan ik mezelf wel voor mijn hoofd slaan."

Binkie vatte meteen een warme sympathie op voor de jongen, want vertoonden hun ervaringen niet veel overeenkomst? Maar toch stak het hem een beetje dat hij hier tussen een stel diefjes zat, want aan hun uitlatingen te horen was Dirk hier een van de "lichte gevallen". Eigenlijk zat hij hier dus toch in een soort strafinrichting, al hadden zijn ouders en meneer Wessels dan wel het tegendeel beweerd. Het viel hem overigens op dat niemand hem vroeg, waarvoor hij hier gekomen was, maar hij was er niet rouwig om.

Toen klonk plotseling de stem van meneer Hannema in de deuropening: "Afgelopen nu jongens, ik hoor jullie vanavond niet meer hè!"

"Nee meneer," werd er van verschillende kanten gemompeld en inderdaad was het even later doodstil op de zaal, de stilte die Binkie zo vreemd aandeed.

Maar betrekkelijk vlug viel hij toch in slaap, vermoeid door alle emoties van die dag.

De volgende ochtend om zeven uur werden ze gewekt en korte tijd later stonden de jongens allemaal buiten aangetreden voor de ochtendgymnastiek. Meneer Hannema, gekleed in een trainingspak, ging het groepje voor bij een veldloopje in de omgeving. Naast Dirk liep Binkie mee en op een sukkeldrafje holden ze over een smal landweggetje. Na vijf minuten werd halt gehouden en deden ze nog wat oefeningen, waarna ze weer terug wandelden naar het kamp.

"Lekker geslapen?" informeerde Dirk.

"Gaat wel," zei Binkie, "ik had alleen gisteravond wat moeite in slaap te komen. Je hoort hier niets en dat ben ik niet gewend."

"Nee, dat kan ik me voorstellen, maar daar heb je al gauw geen erg meer in. Ik heb best geknord, dat kan ik je verzekeren."

"Wat gaan we nu doen?" vroeg Binkie.

Illustratie op pagina 90"Eerst wassen en dan de zaal opruimen. Daarna gaan we naar de eetzaal. Het eten is hier prima. Alleen hebben we de vorige maand een poosje een andere kok gehad en dat was een knoeier. Toen heb ik nog een tijdje geholpen in de keuken dus ik heb het niet slecht gehad. Maar de andere jongens zijn vreselijk te keer gegaan en het had niet veel gescheeld of ze hadden hem een pak slaag gegeven. Een keer zijn er een paar knapen 's avonds stilletjes het dak van de keuken opgekropen en die hebben een ijzeren plaatje op de schoorsteen gelegd. Ik wist er van, maar die kok niet en die is de volgende dag vreselijk uitgevaren, omdat zijn vuur niet wilde branden. En roken dat het deed! Hij hoestte zich gek, maar ik ben hem gesmeerd."

Binkie schoot in de lach om het verhaal.

"En hoe liep dat af?" vroeg hij.

"Wel, hij is tenslotte op het dak gekropen. Dat viel hem niet mee met zijn tweehonderd pond, maar hij moest wel want niemand anders deed het voor hem! Alleen met mijn baantje in de keuken was het meteen afgelopen, want hij verdacht mij er van, die plaat er op te hebben gelegd. Jammer genoeg, want het was geen slecht joppie."

Ze waren weer in het kamp en snel wasten ze zich in het grote waslokaal bij een grote gezamenlijke wasbak, waarboven een twintigtal kranen was aangebracht.

Na het opruimen van de boel werd er gegeten en daarna was er vlaggenparade, dat tegelijkertijd diende als een soort appèl. Toch een beetje onder de indruk stond Binkie te kijken hoe de Nederlandse driekleur statig omhoog ging langs de vlaggenmast, wapperend in de koele morgenwind. Het deed je toch iets, al zou hij dat nooit erkend hebben en blijkbaar dacht iedereen er zo over, want met ernstige gezichten stonden ze allemaal toe te kijken.

En daarna begon het eigenlijke programma van die dag. De groep waarin Binkie was opgenomen, moest bij een boer werken in de buurt van het kamp. Binkie en drie andere jongens, waaronder Dirk, moesten helpen bij het sorteren van aardappelen naar de verschillende grootte.

De overige jongens gingen onder leiding van meneer Hannema en een der boerenknechts naar de andere kant van de boerderij. De boer zelf, een norse kerel, bleef bij het viertal dat zwijgend aan het werk ging. Het was een karweitje dat Binkie maar matig aanstond en aan het gezicht van Dirk was te zien, dat hij er ook niet erg mee ingenomen was. Die stond meteen al op middelen te zinnen om er tussen uit te knijpen, maar hij begreep wel dat daar niet veel kans op was zo lang die stugge boer in de buurt was. De twee anderen, die Binkie Sjoerd en Gerard had horen noemen, stonden aan weerszijden van een grote zeef en schenen nog al ingenomen te zijn met het werk.

Toen de boer zich even omdraaide zei Dirk zachtjes: "We moeten hier vandaan zien te komen! Bah, is me dat een baantje!"

"Ja, maar hoe?" vroeg Binkie.

"Weet ik niet, maar ik zal wel zien. Er komt straks wel een gelegenheid."

Een beetje balorig gaf Dirk een schop tegen een grote aardappel, die vlak voor zijn voeten viel, zonder er een bepaalde richting aan te geven. Had hij dat wel gedaan, dan was het ding zeker niet tegen het been van de boer gekomen, die op korte afstand stond, zijn rug naar de jongens toegekeerd. Nu gebeurde dat wel, tegen zijn bedoeling in.

"Wie doet dat?" vroeg de boer, zich kwaad omdraaiend.

De jongens zwegen.

"Denk er aan dat dat niet weer gebeurt, want dan kan de dader zich bij jullie leider melden!"

Dirk wisselde snel een blik met Binkie en die begreep hem onmiddellijk. Als rechtgeaarde Amsterdamse straatjongen had hij geen woorden nodig bij dergelijke gevallen. De boer bleef even zwijgend bij de jongens staan kijken en draaide zich toen weer om. Dat was het moment waarop Binkie had gewacht. Zo, hij zou eens even laten zien dat ze helemaal niet ingenomen waren met de hen opgedragen taak! Rustig pakte hij ook een aardappel en volgde het voorbeeld van zijn nieuwe vriend, die hem waarderend toeknikte. Het schot was slecht gericht, maar de uitwerking was er niet minder om. Verstomd over zo veel brutaliteit keerde de boer zich weer woedend om, maar hij hoefde niets te vragen.

"Dat deed ik, en de eerste keer was hij het," zei Binkie op Dirk wijzend. "Nou kunnen we wel gaan zeker?"

En voor de sprakeloze boer tot bezinning kwam, had hij Dirk al bij de arm meegetrokken.

"Ziezo," zei hij voldaan, toen ze de hoek van de boerderij om waren, "dat hebben we netjes gedaan, vind je ook niet?"

"Nou, jij hebt lef zeg," zei Dirk bewonderend. "Maar wat zeggen we nu tegen meneer Hannema?"

"Niks. Als je even wacht doet de boer het woord wel voor ons," zei Binkie laconiek.

Hij kreeg gelijk, want dreigend kwam die juist de hoek om om ze de les te lezen.

"Jou brutale aap, ik zal over jou eens een boekje open doen!" zei hij. "En geen stap meer op mijn erf begrepen?"

"Dat was de bedoeling ook niet," zei Dirk.

Hun opzet slaagde inderdaad geheel. Het gevolg was alleen dat meneer Hannema tien minuten later met de beide belhamels naar het kamp terug ging, waar ze bij de kampleider op het matje moesten komen.

"Zo, dus onze vriend Dirk heeft een waardige makker gevonden," zei meneer de Vries, toen de groepsleider verslag had uitgebracht. "Hebben jullie nog wat toe te voegen aan het verhaal van meneer Hannema?"

"Nee meneer, dat klopt precies," zei Binkie en ook Dirk knikte bevestigend.

"Ik moet zeggen dat jullie inderdaad wel succes hebben gehad met je poging om van dat werk af te komen. Zeker bang voor vuile handen?" vroeg meneer de Vries scherp.

Een beetje bedremmeld zwegen de knapen.

"Maar wie niet werkt zal niet eten, dat begrijpen jullie zeker wel," vervolgde meneer de Vries. "Vooruit, ga je bij de kok melden en zeg dat je aardappelen moet schillen. En denk er om dat ik geen klachten meer over jullie krijg, is dat afgesproken?"

"Ja meneer," klonk het eenstemmig.

Zo had Binkie zich in een paar dagen de kwalijke reputatie opgebouwd, de grootste belhamel van het kamp te zijn en was hij de schrik van meneer Hannema.

Maar niemand wist dat diezelfde Binkie 's avonds in zijn bed soms lag te huilen van heimwee naar zijn huis......

Naar zijn ouders en zijn beide zusjes, naar heel de vertrouwde omgeving met de smalle straatjes, waar haast nooit een sprankje zon doordrong, maar waar hij altijd pret gemaakt had. Alleen Dirk had er misschien enig vermoeden van omdat hij in het begin, toen hij hier pas was, hetzelfde had meegemaakt. Instinctief trokken de beide jongens elkaar toe en binnen korte tijd waren ze gezworen vrienden.

Binkie was ongeveer een week in het kamp toen de beide knapen het op een dag zo bont gemaakt hadden dat ze de hele middag kamer-arrest hadden gekregen. Uit voorzorg had meneer de Vries ze op een verschillende kamer neergezet, zelfs boeken en dergelijke, waren van de kamer gehaald en zo moesten de beide zondaars maar zien dat ze de middag doorkwamen.

Als om te demonstreren dat hij zich er niets van aantrok, liep Binkie schel fluitend de kamer op en neer, maar dat verveelde hem al spoedig. Toen ging hij een poosje voor het raam staan kijken over de binnenplaats en naar de andere barakken, maar daar was ook niet veel te zien. Alleen de administrateur en de kok zag hij een paar keer het grasveld oversteken, maar die letten niet op hem. De enige die af en toe even kwam kijken was meneer de Vries zelf. Maar als die zag dat Binkie zich rustig gedroeg, ging hij meteen weer weg. Toen hij voor de derde keer was geweest ging Binkie eens aan de achterkant van het gebouwtje voor de ramen kijken, zinnend op en poging ongemerkt weg te komen. De deur was afgesloten en de ramen konden alleen van boven open, zodat het niet eenvoudig zou zijn daaruit te klimmen. Als hij eens op de tafel ging staan? Wanneer hij dat zware ding ongemerkt voor het raam kon krijgen moest het mogelijk zijn, naar buiten te komen, zonder dat iemand iets merkte. Vlak achter de barakken begon het bos, waarvan men zei dat het zich kilometers ver uitstrekte.

Toen Binkie zo ver was met zijn gedachten, hield hij even de adem in. Zou hij het wagen te ontvluchten? Maar waar moest hij naar toe! Uit ervaring wist hij nu dat het niet eenvoudig was, onderweg aan eten te komen. En ook al zou het hem gelukken thuis te komen, dan zouden ze hem toch direct weer halen. Hij zat hier dan zogenaamd niet voor straf, maar ze zouden hem toch niet vrijwillig laten gaan. En toch begon vooral dat feit hem steeds meer te steken. Tenslotte had hij niets gedaan wat zijn verblijf hier rechtvaardigde, tussen al die diefjes en wat er nog meer was. Al geloofden ze dan ook in de diefstallen van het geld en die suiker; hij zelf wist toch beter?

En plotseling stond Binkie's besluit vast. Hij bleef hier niet langer! Hij ging Dirk vragen of die met hem meeging; die kon hij wel in vertrouwen nemen. Maar als die er niets voor voelde, ging hij alleen en daarmee basta! Bij de eerste de beste gelegenheid was hij gevlogen en hij zou zelf wel zorgen, dat die gelegenheid niet te lang op zich liet wachten! Als ze hem te pakken kregen, was er nog niets aan de hand; voor een beetje straf schrok hij langzamerhand niet meer terug. Tenslotte kon hem niets anders gebeuren dat dat ze hem terug stuurden!

Toen ze die avond terugkwamen uit de eetzaal, greep hij Dirk bij de arm en trok hem met zich mee naar een stil hoekje.

"Ik ga er van door," zei hij zacht. "Ga je mee?"

"Er van door? Wat bedoel je?" vroeg Dirk verwonderd.

"Nou, dat is nog al wiedes dunkt me," zei Binkie ongeduldig. "Ik smeer hem. Het bevalt me hier niet, en daarom ga ik naar huis."

"Maar hoe wil je dat doen? Je hebt toch geen geld voor de trein? Over drie weken gaan we met verlof naar huis! Dan kun je veel beter wegblijven, als het je daar om begonnen is."

"Drie weken," zei Binkie met afschuw. "Ik zit hier pas een week, dat hou ik niet uit hoor. Ik zal wel een lift zien te krijgen. Ik heb wel eens gehoord van jongens, die naar Parijs gelift zijn."

"Ja, maar dat is heel wat anders. Als wij hier vanavond weg gaan worden we morgen overal gezocht en dan zitten we zo weer hier."

"Nou en wat dan? Ze kunnen je hoogstens een paar dagen op de kamer houden, zoals vandaag."

"Dat schijnt je anders slecht bevallen te zijn, dat je nu al met die plannen rondloopt."

"Dat is het ook. Maar ze hebben ons nog niet! Stil, daar komt Hannema aan."

"Vooruit jongens, wat staan jullie daar geheimzinnig te doen," klonk de stem van hun leider. "Staan jullie nu soms al weer boze plannen uit te broeden?"

"N...ee, ja meneer," zei Binkie een beetje bedremmeld.

Zou meneer Hannema soms iets vermoeden?

Maar die zei alleen maar: "O, dat is wel leuk! Je weet zeker dat de straf voor jullie laatste streek nog niet eens afgelopen is? Vanavond doen jullie niet mee aan de ontspanningsavond."

"Dat is gemeen," viel Dirk uit. "U heeft zelf gezegd dat we daar naar toe mochten!"

"Ja, maar meneer de Vries heeft anders beslist en jullie hebt het er zelf naar gemaakt vind je niet?"

"En ik moet vanavond meespelen in dat toneelstukje!"

"Inderdaad, en daarom heb ik ook aangedrongen bij meneer de Vries, jullie je straf kwijt te schelden. Maar hij was niet te vermurwen en dus hebben we ons daar maar bij neer te leggen. Maar kom, we gaan naar binnen."

Achter meneer Hannema aan gingen de jongens naar binnen, Dirk mokkend, Binkie inwendig blij. Dit was net de druppel die de emmer deed overlopen bij zijn vriend, dat voelde hij. Zelf kon hem de kamer-arrest voor die avond niet zo veel meer schelen, want zijn besluit stond toch vast, maar Dirk dacht er anders over. Iedere week werd er zo'n avond gehouden, die helemaal verzorgd werd door de jongens. Er werden voordrachten gehouden door de leiders en korte toneelstukjes opgevoerd door de knapen. Het was een hele eer als je daarvoor uitgezocht werd en voor Dirk zou het de eerste keer geweest zijn.

Binkie had goed geraden toen hij dacht dat Dirk voor zijn plan gewonnen was.

Zodra de gelegenheid zich voor deed nam hij Binkie apart en zei kort: "Ik ga mee!"

"Goed," zei Binkie. "Vanavond, direct na het appèl."

Zo werd afgesproken en nu hoopten ze maar dat ze die avond samen op de kamer mochten blijven om hun spullen bij elkaar te zoeken. Ze hadden geluk. Na enig aandringen gaf meneer Hannema toestemming, op voorwaarde dat ze zich rustig zouden gedragen.

"Komt in orde meneer," zei het tweetal eenstemmig en naar waarheid.

Ze waren toch niet van plan herrie te schoppen? Alleen hun boel zouden ze bij elkaar zoeken, maar verder haalden ze absoluut geen kattekwaad uit.

Twintig minuten later waren ze alleen en overlegden wat hen te doen stond.

"We moeten zien op de grote weg te komen en vandaar gaan liften," opperde Binkie.

"Ben je gek jôh, dat kan je zo laat 's avonds niet doen. Als iemand je dan vraagt waar je vandaan komt, val je meteen door de mand. Nee, dan kun je beter thuis blijven, want die brengen je meteen naar de politie."

"Verzin jij dan wat beters," zei Binkie.

"Het beste wat we kunnen doen is ons ergens in de een of andere vrachtwagen te verstoppen," zei Dirk practisch. "In het dorp is een vrachtrijder die drie keer per week naar Utrecht rijdt. Meneer van Buren heeft eens een lift van hem gehad, maar toen moest hij 's morgens om vier uur al weg, omdat die man 's nachts rijdt. Als wij, voor hij vertrekt, in die auto kruipen, zijn we al een heel stuk verder."

"Best," antwoordde Binkie optimistisch. "Laten we dan in elk geval maar beginnen met onze kleren aan te houden als we naar bed gaan. Dan hoeven we straks geen herrie te maken. We kunnen beter de anderen er buiten houden, want tenslotte weet je niet hoe die er over denken."

Zonder verder gepraat pakten de jongens de dingen bij elkaar die ze gemakkelijk mee konden nemen. Toen doken ze in hun bedden, diep onder de dekens, opdat niemand er erg in zou hebben dat ze zich niet uitgekleed hadden. Binkie was zowaar bijna ingeslapen toen hun kamergenoten binnen kwamen met veel lawaai.

Vanuit het bed van Dirk klonk brommerig: "Houden jullie je kiezen een beetje op elkaar, ik wil slapen!"

Het klonk zo echt, dat zelfs Binkie er bijna ingelopen was. Zijn vriend zou toch niet op het laatste moment terug krabbelen? Maar dan begreep hij dat Dirk er alleen maar op uit was de anderen zo spoedig mogelijk stil te krijgen. En werkelijk had hij succes, want een kwartier later was iedereen in diepe rust verzonken op de kamer.

Iedereen? Nee, want korte tijd later schoven twee jongensgestalten voorzichtig naar buiten, achter de barak om. Het donkere bos nam hen op, totdat ze via een klein paadje een hoek afsneden en even later in het open veld op een smalle landweg stonden. De vlucht was begonnen.....

HOOFDSTUK IX

Een beetje huiverig liepen de beide vrienden via een kleine omweg in de richting van het dorp. Het was volle maan en dat was de eerste meevaller. Want hoewel Dirk vrij goed bekend was in de omgeving van "Dennenheuvel", viel het niet mee in donker wijs te worden uit de wirwar van landweggetjes waar ze langs moesten. In de verte tekende zich recht voor hen uit een donkere vlek af, gevormd door de huizen van het dorp, terwijl achter hen het bos zich uitstrekte.

Zwijgend gingen de jongens hun weg, Dirk voorop als gids. Slechts een keer onderbraken ze hun wandeling even toen Binkie struikelde over een grote kei, die midden op de weg lag. Hij slaakte een kreet van pijn door de onzachte aanraking met zijn grote teen. Maar gelukkig viel het nog al mee en konden ze hun tocht bijna zonder oponthoud voortzetten. Het was doodstil om hen heen, een stilte die slechts af en toe werd onderbroken door het geluid van een vogel. Eenmaal schrokken ze hevig toen op korte afstand van hen een haas of een konijn opsprong.

"Ik zal blij zijn als we wat meer in de bewoonde wereld zijn," zei Binkie halfluid. "Ik vind het hier niet bepaald prettig wandelen om deze tijd van de dag."

"Nog even doorzetten, we zijn zo tussen de huizen," troostte Dirk. "Niet direct....verdraaid, wat is dat?"

Meteen bleef hij staan.

"Wat is er aan de hand?" vroeg Binkie een beetje geschrokken.

"Daar staat een auto! Kijk, daar bij die oude schuur."

Nu zag Binkie het ook. Even terzijde van het smalle weggetje, dat hier gebrekkig geplaveid was stond, naast een bouwvallige schuur, een auto met gedoofde lichten.

"Nou, en wat zou dat?" vroeg Binkie zacht. "Daar is toch niets vreemds aan?"

"Misschien niet," antwoordde Dirk. "Maar dat schuurtje ken ik. Ik heb er eens een tijdje ingezeten toen ik me gedrukt had van het werk. Er kan geen blind paard iets vernielen, of het moest al zijn dat hij het hele ding in elkaar trapte, zo bouwvallig is het."

"Het zal opgeknapt zijn, en nu wordt het misschien als garage gebruikt," opperde Binkie, maar zijn makker haalde de schouders op.

"Daar geloof ik niets van," zei hij. "Wie laat er nu hier midden op de hei een oude boerenschuur opknappen om er zijn auto te stallen. Nee, ik blijf het maar gek vinden op zo'n afgelegen plaats."

Zo fluisterend waren ze de schuur genaderd. Er was geen levend wezen te bekennen en daardoor min of meer gerustgesteld verkenden de jongens de zaak eens wat beter. Het was louter toeval dat Dirk de auto had opgemerkt, want het voertuig stond enigszins verborgen achter hoog struikgewas, dat het van de weg af bijna onzichtbaar maakte. Slechts door de weerkaatsing van het maanlicht in de ruiten was het Dirk opgevallen. De auto, een kleine vrachtwagen, was van achteren afgesloten met een zeil. Door een der hoeken op te lichten, konden de jongens vaag onderscheiden dat het gedeeltelijk volgeladen was met dozen.

"Zullen we eens kijken wat er in zit?" zei Dirk, maar Binkie voelde er weinig voor, hun kostbare tijd hier nog langer te verbeuzelen met iets waar ze niets mee opschoten.

"Laten we maar liever doorlopen," zei hij. "Het zal nu half tien zijn en we kunnen onze tijd best gebruiken. Je hebt zelf beweerd dat we niet te laat aan de grote weg moesten zijn. Bovendien komt er straks haast geen verkeer meer langs en is je kans helemaal verkeken. Als je nu zeker wist dat die vrachtrijder uit het dorp vannacht reed, hadden we geen haast, maar dat is nog maar de vraag."

Zo liepen ze even later weer in de richting van het dorp, dat ondanks het betrekkelijk vroege uur al uitgestorven leek te zijn. Na wat zoeken vonden ze de garage van de expediteur, maar de auto's stonden blijkbaar binnen, want voor de deur was niets te zien en alles was gesloten.

"Pech," zei Dirk, "hij rijdt vannacht niet."

Zijn woorden werden nog bevestigd door een bord naast de garagedeur. "Drie maal per week diensten op Utrecht; op maandag, woensdag en vrijdag," stond er op.

"Nou, dat weten we dan," zei Binkie. "Als jij nog eens een bode weet, die op Utrecht rijdt."

"Dat heb ik toch gezegd," verdedigde Dirk zich. "Ik heb helemaal niet beweerd dat ie vandaag die kant uit gaat. Maar wat doen we nu? Of we hier blijven staan, helpt ons geen zier."

"Laten we de grote weg maar opzoeken. Hier in het dorp is verder toch geen auto te vinden."

Een beetje ontmoedigd door deze eerste tegenslag gingen ze op pad naar de buiten het dorp om lopende verkeersweg. In hun hart hadden ze er al een beetje op gerekend dat ze meteen naar Utrecht hadden kunnen rijden.

De enige zorg was eigenlijk geweest, hoe ze ongemerkt in de auto hadden kunnen komen.

De grote weg bleek die aanduiding nauwelijks waardig, althans niet wat de drukte betrof. Tien minuten stonden de jongens te wachten alvorens de eerste auto langs kwam, en dan nog uit de verkeerde richting. Maar even later werden dan toch de felle lichtbundels van een personenwagen zichtbaar. Hoopvol bewogen de jongens hun duim omhoog, zoals ze dat ervaren lifters wel eens hadden zien doen. Maar ze hadden de handen evengoed in de zakken kunnen laten, want de luxe slee joeg met onverminderd tempo door.

"Naarling," schold Binkie, maar Dirk haalde zijn schouders op.

"Had jij gedacht dat het zo gemakkelijk zou gaan? Nee mannetje, dat zou al te mooi geweest zijn."

De volgende auto liet niet zo lang op zich wachten, en het spelletje herhaalde zich weer, met hetzelfde resultaat. Daarna stonden ze weer een kwartiertje te wachten voor dat er een grote vrachtauto aankwam. Twintig meter voor de plaats waar de jongens stonden begon hij af te remmen en blij begonnen ze al vast te hollen. Maar direct daarop gaf de chauffeur weer vol gas, alsof hij hen alleen maar blij had willen maken met een dooie mus. Teleurgesteld bleven de vrienden staan en keken de auto na. Dirk begon er nu toch ook een hard hoofd in te krijgen.

"Dat wordt niks," zei hij. "En het ergste is nog dat je steeds minder kans hebt want het wordt natuurlijk aldoor stiller. Bovendien vertrouwen de meeste mensen het niet als er zo laat 's avonds nog lifters bij de weg staan. We zullen het nog een keer aanzien en dan kunnen we er wel mee uitscheiden."

"En wat dan?" vroeg Binkie pessimistisch.

"Dan kunnen we twee dingen doen: terug gaan naar het kamp, of gaan lopen en het morgen nog eens proberen."

"Terug gaan doe ik in geen geval," zei Binkie vastbesloten. "Ja zeker, ik laat me een beetje uitlachen door de anderen! Trouwens, we zijn pas goed en wel op pad en ik voel er niks voor om het nu al op te geven."

"Goed, laten we dan maar gaan lopen," zei Dirk. "Maar ik beloof je dat dat niet mee zal vallen jongetje. Vergeet niet dat we hier een paar honderd kilometer van Amsterdam af zitten."

"Laten we dan zien voor vannacht een plaatsje te vinden waar we kunnen slapen en morgen vroeg in een auto zien te komen," stelde Binkie voor. "Wacht, ik weet al iets! We gaan terug naar die schuur op de hei en stappen rustig in die auto! Er kan ons tenslotte niets anders gebeuren dan dat hij vannacht weg rijdt en dan zien we vanzelf waar we terecht komen. Verder uit de buurt kan bijna niet, en misschien hebben we geluk en breng ie ons een eind op pad."

"Ja en als de chauffeur dan komt en de boel controleert grijpt ie je in je kraag. Als je geluk hebt schopt ie je alleen maar naar buiten, maar je hebt ook kans dat je binnen het half uur bij meneer de Vries op het kantoortje zit."

"Dat had je met die expediteur ook kunnen gebeuren," wierp Binkie tegen. "En waarom zou hij de boel nakijken! Er stond een stel dozen in die wagen, waar we ons makkelijk achter kunnen verschuilen. Laten we maar opschieten, anders komen we daar ook nog te laat."

"Nou vooruit dan maar," zei Dirk met enige tegenzin. "Het is in elk geval beter dan de hele nacht te moeten tippelen, want daar voel ik helemaal geen spaan voor."

Aanmerkelijk minder vlug dan op de heenweg, aanvaardden ze de terugweg naar de schuur. Er werd weinig gesproken, want langzamerhand deed de vermoeidheid zich een beetje gelden. Bovendien begon het tot overmaat van ramp te regenen, een vieze druilerige regen. De maan had zich verscholen achter een egaal wolkendek en dat maakte het ook nog donkerder. En hoewel hun ogen daar langzamerhand wel aan gewend waren, was het toch uitkijken op de hobbelige landweg, die vol kuilen zat.

Ze waren de schuur tot op een afstand van ongeveer honderd meter genaderd toen Binkie Dirk plotseling bij de arm greep en hem staande hield. Gespannen keek hij voor zich uit.

"Wat is er?" fluisterde Dirk.

"Ik zag licht branden daarnet. Heel even maar, het was meteen weer weg," gaf Binkie zacht ten antwoord. "Kijk, kijk, daar is het weer; nu is het weer weg!"

Nu zag Dirk het ook. Bij de schuur was blijkbaar iemand. Af en toe flitste het licht van een sterke electrische lantaarn even aan.

"Kom op," zei Dirk. "Dadelijk gaat ie weg en dan grijpen we weer mis. We moeten achter om zien te komen. Tussen die struiken door hebben we de minste kans op ontdekking. Daar kunnen we rustig de zaak bekijken en als de kust veilig is, werken we ons naar binnen."

Zo snel mogelijk zochten de jongens zich een weg door de hei, voorzichtig, om geen lawaai te maken. Ze zagen nu geen licht meer, maar het kon natuurlijk best zijn dat de man, of misschien waren het er meer dan een, aan de andere kant bezig waren. Als sluipschutters zochten ze gebukt een gunstige plaats, zo dicht mogelijk bij de auto, Dirk voorop. Zwiepend sloeg plotseling een tak tegen Binkie's wang, toen Dirk die opzij had geduwd en hem daarna weer liet schieten. Bijna had hij een schreeuw van pijn gegeven, maar hij wist zich nog juist te beheersen. Gehurkt bleven ze achter een hoge bremstruik wachten tot zich een gunstige gelegenheid voor deed om de sprong te wagen. De eigenaar van de wagen had blijkbaar niets bespeurd van hun komst en een paar keer zagen de jongens zijn schim vlak langs zich gaan.

Het water droop langzamerhand uit hun kleren en met een beetje weemoed dacht Binkie toch aan zijn warme bed, waar het stellig beter was dan hier.

Eensklaps hoorden ze voetstappen naderen.

Met een fiets aan de hand zagen ze een man het erfje op komen lopen, en dan hoorden ze een mannenstem zeggen: "Zo, daar was ik dan. Is de boel klaar?"

Zo dicht bij was die stem, dat de jongens het idee hadden alsof er tegen hèn gesproken werd. Maar dat bleek niet het geval want direct daarna hoorde Binkie een stem die hij uit duizenden herkend zou hebben. Met een schok realiseerde hij zich dat het de kerel uit de trein was, die hem in bedekte termen bedreigd had na zijn vreemde handelwijze. Wat nu te doen? Zou hij Dirk zeggen dat hij af zag van hun plan?

Als die kerel hem in de gaten kreeg dacht hij stellig dat hij bespioneerd werd en Binkie huiverde bij de gedachte aan de sinistere kop, die hem toe siste: ".....maar ik zal je in de gaten houden, daar kun je van op aan!"

Als hij zich uit de voeten wou maken zou hij in elk geval moeten wachten tot de auto vertrokken was, want de mannen bleven nu bij het voertuig rondscharrelen, dat blijkbaar aan een laatste inspectie onderworpen werd.

"Hoe kom je zo vervloekt laat?" hoorde Binkie de man vragen, die hij al eerder had ontmoet.

Hij scheen de baas te zijn, want de ander mompelde binnensmonds een verontschuldiging, die de jongens niet konden verstaan.

Nog steeds zat Binkie te overwegen, wat hem te doen stond. Dirk zou er waarschijnlijk weinig voor voelen nu weer terug te krabbelen en dat was begrijpelijk. Eerst had Binkie er zelf op aangedrongen hier naar toe te gaan en nu zou hij er plotseling van af zien! En toen voelde Binkie plotseling een strijdlustig gevoel in zich opkomen. Wat drommel, dit was voor vannacht hun laatste kans, en die zouden ze zo maar laten lopen na eerst een paar uur te hebben rondgesjouwd? Natuurlijk niet! Al zouden ze gesnapt worden, dan wilde hij nog wel eens zien wat er gebeurde! Tenslotte waren ze met zijn tweeën en Dirk stond ook wel zijn mannetje als het nodig mocht blijken. Bovendien wilde hij nu ook wel eens weten wat die vent in zijn schild voerde, want dit was beslist geen zuivere koffie! Wie ging er nu laat in de avond een wagen laden op zo'n afgelegen plaats, als hij niets te verbergen had! Die kerel dacht dat hij bespied werd? Nou, hij zou gelijk krijgen!

Juist toen de mannen in de auto gestapt waren en de motor gestart werd holden de jongens als op een afgesproken teken vooruit en klampten zich vast aan de houten klep die de laadbak gedeeltelijk afsloot. Ieder aan een kant wurmden ze zich naar binnen. Eenvoudig was dat niet, want de auto hobbelde geducht. Dirk was de eerste die slaagde en daarna trok hij op de tast Binkie omhoog. Even later zaten ze boven op de dozen uit te blazen van de inspanning. Het was aardedonker in het voertuig. Alleen door een klein ruitje in de wand die hen van de cabine scheidde viel een beetje licht, dat nog gedeeltelijk werd tegengehouden doordat er een doos was voor geschoven. Binkie zocht zich direct een plaatsje, zo dicht mogelijk bij het ruitje om op de weg te kunnen kijken. Inderdaad kon hij nu iets zien in het licht van de koplampen. Het was een geluk dat de wagen zo hevig schommelde, anders hadden de mannen hen wel haast moeten horen toen ze naar binnen klauterden. Nu zaten die, zich onbewust van de aanwezigheid der ongevraagde passagiers, voor zich uit te kijken. Een gesprek was bijna onmogelijk door de herrie, maar Binkie had zich voorgenomen zijn oren goed open te houden als er eventueel gesproken zou worden. Zelf durfde hij niets te zeggen, uit vrees hun aanwezigheid te zullen verraden. Dirk scheen trouwens ook geen behoefte te hebben aan een gesprek en had het zich zo gemakkelijk mogelijk gemaakt tegen een der zijwanden.

Ze kwamen op een vlakke straatweg, die Binkie meende te herkennen als de weg, waaraan ze kort te voren hadden staan liften. Maar hij had er totaal geen idee van, in welke richting ze gingen en kon alleen maar hopen dat ze niet nog verder uit de koers raakten. Dan spitste hij zijn oren. Boven het geluid van de motor hoorde hij de stem van de man die achter het stuur zat.

"Hoe laat had je afgesproken met Sjaak?" vroeg hij.

"Om één uur zou hij op hetzelfde plaatsje staan, maar als we er om half twee nog niet zijn, belt hij Frans op en wacht die ons op bij dat café op de driesprong."

"Ik hoop anders dat we meteen door kunnen rijden. Het is op het ogenblik geen pretje achter het stuur te zitten met die natte boel!"

"Hoe slechter het weer, hoe meer kans we hebben dat de douane binnen blijft," zei de ander luid, om zich verstaanbaar te maken.

Opeens werd Binkie nu alles duidelijk. Smokkelaars!

Daarom was die auto op zo'n geheimzinnige plaats geladen! Ze zaten hier immers in de buurt van de grens, waar velen er een beroep van maakten, goederen de grens over te smokkelen. Dat hij daar niet eerder aan gedacht had! Wacht, daar moest hij Dirk toch ook bij halen, wie weet wat ze nog meer hoorden. Hij trok zijn vriend aan zijn jasje. Die was warempel in slaap gesukkeld, maar hij was direct klaar wakker toen hij begreep waar het om ging.

"Hoeveel hebben we bij ons?" klonk weer de stem van de chauffeur en woordelijk konden de jongens verstaan: "Driehonderd doosjes, de rest heb ik maar zo lang in de kelder gezet, want daar wist Sjaak op het ogenblik geen weg mee. Tenslotte kunnen we hem niet overvoeren, want dan loopt hij in de gaten."

De stem die steeds de antwoorden gaf was die van de man uit de trein, de baas van het complot. Ze reden nu door een dorp, waar een enkele straatlantaarn een spaarzaam licht verspreidde. Een tijd lang werd er gezwegen. Dan, een paar kilometer voorbij de laatste huizen, sloegen ze een zijweg in. Het eerste gedeelte was tamelijk vlak, maar dan werd het steeds slechter en zagen de jongens, hoe het water in diepe kuilen tegen de auto spatte. Het was bepaald geen pretje hier te rijden in een auto, die allerminst ingericht was voor het vervoer van passagiers. De jongens werden door elkaar geschud en hadden alle aandacht nodig om zich vast te houden. Dat duurde zo een minuut of tien en toen stond de wagen plotseling met een schok stil. Ze hoorden de bestuurder uitstappen en even later vloekend terugkeren.

"Ze hebben de boel opgebroken," hoorden ze hem zeggen. Het is uitgesloten dat we daar langs komen."

Nu kwam ook de aanvoerder naar buiten en samen stonden ze in de regen te overleggen wat hen te doen stond.

"Dat je dat ook niet van te voren hebt bekeken sufferd," schold de baas. "Daar staan we nu!"

"Ik ben hier een paar dagen geleden nog langs gekomen om de weg te verkennen en toen was er nog niets aan de hand. Kan ik het helpen dat de een of andere idioot nu juist hier moest gaan graven?" verweerde de ander zich.

Zijn makker gromde iets waaruit niet was op te maken of het een verwensing dan wel een verontschuldiging was. Met kloppende harten wachtten Binkie en Dirk af wat er ging gebeuren. Zouden ze terug moeten of was er nog een andere weg hier in de buurt? Waarschijnlijk was dit een straatje waar langs ze op een stille plek de grens wilden passeren, anders hadden ze de grote verkeersweg wel aangehouden. En hoe zouden ze ongemerkt naar buiten komen als die kerels wellicht toch nog een gaatje wisten en op de bestemde plaats aankwamen? Dat was een vraag, waar ze nu eigenlijk pas over gingen denken. Toen ze de auto binnen klauterden hadden ze daar niet aan gedacht, onwetend van het feit, dat het een smokkelwagen was die ze voor een lift hadden uitgezocht.

"Er zal niets anders opzitten dan terug te gaan en de weg langs Haarwoudenberg te nemen. Sjaak moet dan Frans maar bellen, zodat die ons opvangt," hoorden de vrienden zeggen.

Zonder veel omslag stapten de mannen weer in, en uiterst behoedzaam werd de wagen gedraaid. Het moest geen gemakkelijk karweitje zijn, maar de chauffeur scheen zijn werk wel te verstaan. Zonder moeilijkheden slaagde hij er in het voertuig te keren en hobbelend gingen ze de weg terug. Toen ze weer reden kroop Dirk zo dicht mogelijk naar Binkie toe om zich verstaanbaar te maken.

"Kom op," zei hij. "We moeten er uit! Bij de bocht naar de grote straatweg moet hij langzaam rijden en dan moeten we het wagen. We kunnen nog wel verder mee gaan, maar daar schieten we niets mee op!"

Het was niet mogelijk nu al te bespreken wat hun daarna te doen stond, en daarom stemde Binkie toe zonder iets te vragen. Voorzichtig kropen ze naar achteren en lichtten vervolgens het zeil op. Binkie begon al vast zijn benen naar buiten te werken om zich meteen te kunnen laten zakken op de afgesproken plaats en Dirk volgde zijn voorbeeld. Zo bleven de jongens hangen, het bovenlichaam in de auto en de benen over de rand. Zodra ze voelden dat de wagen aan de bocht begon, werkten ze zich snel naar buiten. Dirk kwam tuimelend op de grond terecht gelukkig zonder zich te bezeren, maar Binkie was minder fortuinlijk. Tot zijn schrik bleef zijn bovenkleding achter een uitstekende pen haken. Hij had geen hand vrij om zich los te maken, trouwens hij had er ook de tijd niet voor! Zodra de bestuurder de bocht was gepasseerd, zou hij ongetwijfeld direct vol gas geven, dat begreep Binkie wel. Dan stond Dirk hier op de weg en hij kwam wie weet waar terecht in zijn eentje. Reeds voelde hij, hoe ze snelheid vermeerderden en hoorde hij de chauffeur overschakelen in een hogere versnelling! Dan nam hij een kort besluit en rukte zich los. Wat het zwaarst was, moest dan maar het zwaarst wegen!

"Krrak," zei het kledingstuk, en met een smak kwam Binkie op het harde wegdek terecht.

Even bleef hij versuft liggen. Zijn knieën schrijnden verschrikkelijk. Blijkbaar had hij een fikse schaafwond opgelopen, maar verder voelde hij voorlopig nergens pijn. En eer Dirk bij hem was, krabbelde hij weer overeind. Zijn bloes bleek finaal in flarden gescheurd en er moest bepaald een grote vlag aan de auto hangen. Maar de vrienden gunden zich de tijd niet zich daar in te verdiepen, want er moest nu snel gehandeld worden.

"Laten we direct de politie waarschuwen," zei Binkie, zodra hij weer bij zijn positieven was.

"Ja, maar dat lijkt me vlugger gezegd, dan gedaan. Weet jij hier een politiebureau in de buurt? Er is hier geen huis te zien, en ik heb geen idee waar we ergens zitten," antwoordde Dirk.

"We zullen in elk geval beginnen met naar het dorp terug te gaan, waar we daar straks door zijn gekomen. Dat is hoogstens twintig minuten lopen als we de pas er even inzetten."

"Nou, vooruit dan maar," zuchtte Dirk. "Hoewel ik langzamerhand schoon genoeg heb van het wandelen. Maar er zal wel niet veel anders opzitten."

Vermoeid en een beetje rillerig stapten ze even later weer langs de grote verkeersweg. Hun poging om naar Amsterdam te liften, werd niet meer over gesproken.....

HOOFDSTUK X

Doodstil was het in de natuur, een stilte die slechts even werd verbroken toen een kikker in de sloot plompte, die naast de weg liep. Zwijgend en in gedachten verdiept liepen de jongens voort. Het moest toch wel een hele afstand zijn die ze nog te lopen hadden, want nog steeds was er niets te zien wat er op wees, dat hier mensen woonden. Maar dan gebeurde plotseling het wonder, waar ze helemaal niet op hadden gerekend! Achter hen werden de lichtbundels van een auto zichtbaar, die hen in snelle vaart naderde.

"Midden op de weg blijven staan, dan moet hij wel stoppen!" riep Binkie.

Zelf gaf hij het voorbeeld, en zwaaiend met hun armen trachtte ze de auto tot stoppen te dwingen. Gelukkig dat de wagen zulke sterke lampen had, anders had de chauffeur hen waarschijnlijk niet eens tijdig opgemerkt. Nu remde hij tijdig af en vlak bij de jongens stond hij stil. Een beetje wantrouwend nam hij de beide vrienden op, die er niet bepaald op hun voordeligst uitzagen; doorweekt van de regen en Binkie bovendien haveloos door zijn gescheurde kleren.

"Wat moeten jullie?" klonk het weinig vriendelijk.

Het was een jonge vent, die blijkbaar haast had, want nog voor de jongens antwoord hadden kunnen geven schakelde hij zijn versnelling al weer in om weg te rijden. Maar toen Binkie snel het verhaal had gedaan van hun avontuur veranderde zijn houding.

"Zo," zei hij, "dus jullie waren in de verkeerde auto gestapt! En wat dacht je nu te doen?"

"De politie waarschuwen. Misschien is U hier bekend in de buurt en kunt U ons even brengen," zei Dirk.

"Nou vooruit, schiet dan maar op," zei de man resoluut. "Als we nog een kans willen maken, hebben we weinig tijd te verliezen."

Snel stapten de jongens in de grote personenauto, die direct in snelle vaart optrok en korte tijd later stonden ze al voor de deur van de postcommandant der politie. De man met wie ze gelift hadden drukte zelf lang en dringend op de bel.

Even later ging de deur open en een slaperige mannenstem vroeg: "Wie is daar?"

"Wijnands hier, van om de hoek. Er is werk aan de winkel waar haast mee is Barends!" riep de autobestuurder.

Hij scheen hier een goede bekende te zijn, want de politieman vroeg niets meer.

"Ik kom direct!" riep hij en inderdaad stond hij luttele minuten later gekleed buiten.

Een beetje verwonderd keek hij naar de beide jongens, maar die hoefden niets te zeggen. Wijnands vertelde in het kort wat er aan de hand was en toen hij uitgesproken was, werd de wachtmeester meteen actief.

"Ik ga direct mee," zei hij. "Even mijn vrouw op laten bellen naar de douanepost bij Haarwoudenberg en naar mijn collega Westra, dan kunnen we die onderweg oppikken."

Zijn vrouw scheen ook al niet veel woorden nodig te hebben om te begrijpen wat er van haar verlangd werd. Amper vijf minuten nadat ze gebeld hadden werd er weer gestart. De bestuurder scheen het als vanzelfsprekend te beschouwen dat zijn auto gecharterd werd en er werd geen minuut meer verspild dan strikt noodzakelijk was. De smokkelaars moesten een voorsprong hebben van ongeveer een kwartier en het zou niet meevallen, die te niet te doen. Maar aan Wijnands zou het niet liggen, want met onverantwoordelijke snelheid raasde die over de straat. Hij scheen de weg op zijn duimpje te kennen en practisch zonder vaart te minderen nam hij feilloos iedere bocht. De wachtmeester was achterin gaan zitten bij de jongens en vroeg zo veel mogelijk bijzonderheden.

"Hebben jullie soms het nummer van de auto opgenomen?" was zijn eerste vraag, zodra ze zaten.

"Nee meneer, daar hebben we heus geen gelegenheid voor gehad, zeker niet toen we wisten, met wie we te doen hadden," zei Dirk.

"Nog namen horen noemen door een van die kerels?"

"Ja," herinnerde Binkie zich, "ik meen dat die een aangesproken werd als Bas of zoiets, maar van de ander heb ik geen naam gehoord."

"Wat, is onze vriend Bas weer op pad?" zei de politieman. "Hoor je dat Wijnands? Ik dacht dat die nog in de gevangenis zat voor het laatste geval waar hij bij is gesnapt. Dat kan leuk worden!"

Wijnands scheen het niet te interesseren voor het moment. Hij had al zijn aandacht nodig bij de weg en bromde alleen maar wat.

"Is dat zo'n goeie bekende van de politie?" informeerde Dirk belangstellend.

"Nou en of, maar we zullen dat mannetje wel weten te vinden!" antwoordde de wachtmeester grimmig. "Vertel eens zouden jullie die auto nog herkennen?"

"O ja, uit honderden anderen," zei Binkie en zo nauwkeurig mogelijk beschreven ze het voertuig. "Ik denk trouwens, dat er wel een vlag aan zal hangen. Hij heeft mijn halve bloes meegenomen aan die pen, of wat het maar was," voegde Binkie er aan toe.

"Dan zullen we hem wel krijgen, al zal het erom gaan spannen. Als jullie soms dadelijk liever uit wilt stappen kun je wel overnachten bij mijn collega," zei Barends.

"O nee meneer, we rijden veel liever mee!" klonk het eenstemmig.

Ja zeker, zo'n kans zouden ze laten lopen! De hele avond hadden ze gesjouwd en zich door elkaar laten hossen en nu er werkelijk avontuur viel te beleven zouden ze zich naar bed laten sturen!

"Ik dacht wel dat jullie dat zouden zeggen," lachte de wachtmeester. "Alleen," vervolgde hij ernstiger, "ik waarschuw jullie wel, precies te doen wat er gezegd wordt. Dit is heus geen grapje, dat kan ik je verzekeren!"

"Daarom gaan we juist graag mee," zei Dirk.

"Dat is dan afgesproken. Zo, dan zullen we nu eens kijken of mijn collega al klaar is."

Ze waren in het dorp gekomen, waar wachtmeester Westra woonde. Met gierende remmen stonden ze even later stil voor diens huis, waar Westra al buiten stond te wachten. Hij stapte vlug in en bijna zonder tijdverlies ging het onmiddellijk weer verder.

Wijnands had nog steeds bijna niets gezegd. Voorover gebogen achter het stuur tuurde hij voor zich uit in de felle lichtstraal van de koplampen. Eenmaal, in een flauwe bocht, scheerde hij rakelings langs een boom en Binkie kon een kreet niet onderdrukken. Maar onverstoorbaar gaf de bestuurder weer vol gas en schoot de snelheidsmeter weer omhoog; zestig, zeventig, tachtig, vijfentachtig kilometer per uur.

"Hoe laat hadden ze afgesproken, zei je?" vroeg Westra.

"Om half drie zouden ze over de grens zijn volgens de jongens," antwoordde Barends. "Dan kunnen we dus aannemen dat ze om ongeveer kwart over twee aan de grens willen zijn. Het is nu kwart voor twee, dus veel tijd hebben we niet meer."

Alsof Wijnands zich die opmerking aantrok, trapte hij het gaspedaal nog iets dieper in en brullend schoot de auto met roekeloze vaart over de weg. Negentig, vijfennegentig kilometer wees de meter nu aan, en alleen in de bochten zakte hij iets terug. Nooit zouden Binkie en Dirk deze nachtelijke rit vergeten, waarin ze hun gezichten voelden gloeien van spanning en even later weer ijskoud waren als de wagen al te dicht bij een obstakel kwam. Maar onverstoorbaar en met feilloze zekerheid wist Wijnands steeds weer op het juiste moment bij te zwenken. Maar de tijd verliep en nog altijd zagen ze nog niets voor zich op de weg rijden wat er op duidde dat ze hun achterstand ingelopen hadden. Maar dan plotseling......

"Dat moet hem zijn!" zei wachtmeester Westra, die voorin zat. "Hier rijdt haast nooit verkeer om deze tijd en het zou dus al stom toeval zijn als dat iemand anders is."

Ze reden nu op een lineaalrechte weg en inderdaad zagen ze op grote afstand voor zich uit een rood achterlicht. Plotseling doofde het echter, alsof de inzittenden begrepen, dat ze achtervolgd werden, of wel dat ze een zijweg ingeslagen waren . Links van de weg was het zicht geheel vrij, maar rechts verhief zich de donkerte van een groot bos. Als de vrachtauto daar een weg had gevonden, was het onmogelijk dat ze van hier uit nog te zien waren.

"Ongeveer een kilometer verderop loopt de weg vlak langs de grens," zei Barends. "Daar is een strook open terrein tussen de bomen. Alle kans dat de heren proberen daar door te komen. Maar dan moeten ze welhaast stapvoets rijden. Ik ben hier geboren en ken de weg op mijn duimpje. Van de straatweg tot aan de grens is nog ongeveer een kilometer."

"Rij eens wat langzamer als U wilt chauffeur," zei Westra en snel minderden ze nu vaart.

Bij een open plek zei Barends: "Hier moet het zijn. Zullen we het er maar op wagen? Verder zoeken heeft toch geen zin!"

Wijnands wachtte niet op een beslissing maar draaide meteen het stuur om. Het was een soort brede laan waarin ze nu reden, maar dan zonder enig plaveisel. Met gedoofde lichten reden ze, zo snel de omstandigheden dat toelieten, voort.

Toen ze zo een paar honderd meter schokkend en stotend hadden gereden, zei Westra plotseling: "Zet de motor eens af!"

Direct stopten ze en meteen viel de stilte haast onwezenlijk op hen. Heel de omgeving leek plotseling uitgestorven te zijn na het voortdurend draaien van de motor, en er was in de wijde omtrek niets te zien of te horen. Maar eensklaps hoorden ze het allemaal tegelijk! De diepe stilte werd verbroken door het geluid van een startende auto, niet ver van hen vandaan.

"Zet hem op Wijnands, nog even!" zei Barends gespannen. "Dat zijn ze, en ze moeten hier vlak bij wezen, we zitten ze op de hielen!"

Opnieuw werden de veren van de grote auto op een zware proef gesteld en verder ging het weer! Toen kregen ze onverwachte hulp; de maan, die zich steeds schuil had gehouden, kwam van achter een grote wolk om een hoekje kijken en verspreidde een gelig licht. En in dat licht zagen ze op korte afstand het donkere silhouet van een vrachtauto, die Binkie en Dirk onmiddellijk herkenden.

"Dat is hem!" klonken twee jongensstemmen tegelijk.

Op dat moment draaide de smokkelauto juist linksaf, alsof de inzittenden nog een laatste poging ondernamen om te ontkomen. Toen klonk er boven het geluid van de motor uit een stem.

"Halt, douane!"

Ze waren bij de grens gekomen, waar de smokkelaars op een der gewaarschuwde ambtenaren van de douane waren gestuit! Daarna volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. Wat er allemaal precies gebeurde konden Binkie noch Dirk ooit precies navertellen. De auto waarin ze zaten hield met een schok stil en meteen sprongen de twee politiemannen en Wijnands naar buiten, de eerste twee met het pistool in de vuist.

"Jullie blijven binnen," beet wachtmeester Barendse kortaf tegen de vrienden.

Direct daarop verdwenen ze op verschillende plaatsen in het bos om de smokkelaars te omsingelen bij een mogelijke ontvluchtingspoging te voet. De achtervolgde auto was nu blijkbaar ook verlaten, want de jongens hoorden niets anders dan het geluid van de brekende takken.

Waarschijnlijk hadden de smokkelaars hun boel in de steek gelaten om althans zichzelf nog te redden. Ze werden echter van twee kanten belaagd, nu ze door een of meer douaniers opgewacht werden. Af en toe hoorden de jongens een schreeuw en dan werd er geschoten, tot twee keer toe.

Van pure spanning kneep Dirk zijn vriend in de arm, popelend, omdat zij hier werkeloos moesten afwachten, maar toch ook een beetje angstig. Trouwens, wat zouden ze moeten beginnen?

"Daar komt iemand aan!" fluisterde Binkie eensklaps. "Zou dat...."

Hij maakte zijn zin niet af, maar keek ademloos naar de donkere gestalte die zich losmaakte van de bosrand, ongeveer vijftig meter van hen verwijderd. Gebukt liep de man snel in hun richting, zich toch nog zo veel mogelijk schuil houdend achter wat struikgewas. Er was geen twijfel mogelijk, dat moest een der smokkelaars zijn! Dirk wou opspringen, maar nog net bijtijds wist Binkie hem terug te trekken.

"Blijf zitten," siste hij. "En bukken, hij mag ons niet zien!"

Later begreep hij nooit waar hij de tegenwoordigheid van geest vandaan had gehaald, maar in een flits drong het tot hem door dat die vent ging proberen er met hun wagen vandoor te gaan. Juist hadden ze zich zo klein mogelijk gemaakt achter de voorste bank, toen het portier opengerukt werd en de kerel achter het stuur schoof. Snel draaide hij het contactsleuteltje om, dat in de haast was blijven zitten, en schakelde de motor in. Op dat moment had Binkie gewacht. Met een snelle beweging schoot hij overeind en sprong de smokkelaar op de rug. Even schokte de auto weg, dan sloeg hij met een plof af. Dirk had geen aansporing nodig om zijn vriend te helpen en even later rolden twee jongens worstelend met een man, over het bospad. De man schopte en trapte als een bezetene in het rond en bijna was het hem gelukt zich vrij te maken. Bijna!! Toen hij zich losgeworsteld had, lichtte Binkie hem op echte straatjongensmanier een beentje en plofte zijn tegenstander languit weer op de grond. Twee stevige knapen vatten onmiddellijk post op zijn rug en toen was de strijd wel beslist. Luid schreeuwend trokken ze de aandacht van hun vrienden in het bos en weldra kwam er assistentie opdagen. Het waren wachtmeester Westra en iemand van de douane, die zich ontfermden over de man.

Tot zijn voldoening zag Binkie dat het de vent was die hij nog geen twee weken geleden in de trein had gezien. De man scheen hem ook te herkennen, want woest keek hij voortdurend in zijn richting, al liet hij geen woord los.

"Zo Bas, was jij weer eens op pad?" vroeg Westra, nu heel gemoedelijk. "Ik moet zeggen dat je er weer vlug bij bent, want je was pas vrij, is het niet? Enfin, voorlopig zal het wel weer even afgelopen zijn denk ik."

Nu kwamen ook Barends en Wijnands aanlopen, de tweede smokkelaar tussen hen in. En in optocht ging het vervolgens naar het grenskantoor. De twee mannen voorop met achter hen de twee politieambtenaren en de man van de douane, en daarachter de auto van Wijnands, die langzaam met hen mee reed. De jongens hadden hun plaatsje achterin weer ingenomen en zaten vorstelijk breeduit. De auto van de smokkelaars was in een verborgen hoekje neergezet en tijdelijk onklaar gemaakt, om later in de nacht te worden gehaald.

In het verwarmde grenskantoor kwam iedereen weer wat op verhaal, hoewel de jongens nu ook pas eigenlijk voelden hoe vermoeid en slaperig ze waren. Maar toch straalden ze bij de lof, die hen toegezwaaid werd. En onwillekeurig moest Binkie denken aan de vorige keren, dat hij met de politie in aanraking was geweest....

"Zo," zei wachtmeester Barends, toen ze een kopje koffie hadden gedronken, "dan zullen we nu maar eens de terugreis aanvaarden." Even gleed er een glimlach over zijn gezicht, maar dan vervolgde hij ernstig: "En waar dachten jullie naar toe te gaan jongens? Meneer Wijnands heeft me verteld hoe jullie eigenlijk bij die twee heren, die daar in de cel zitten, verzeild zijn geraakt, maar hoe moeten we nu verder?"

Een beetje hulpeloos en ongelukkig staarde Binkie naar Dirk en op zijn beurt keek die van de een naar de ander. Dat was waar ook! Ze zaten hier nu wel heel genoeglijk, maar ze zouden helemaal vergeten dat ze ontvlucht waren uit het kamp, met de bedoeling er niet terug te keren!

"Ja," verbrak Binkie een beetje onzeker het stilzwijgen, "waar gaan we nu naar toe?"

Weer was het even stil.

Toen zei Dirk zacht, terwijl hij het zorgvuldig vermeed Binkie aan te zien: "Ik wil wel weer terug naar het kamp. Liever zit ik daar nog een paar maanden dan dat ik weer op zo'n manier moet proberen weg te komen!"

Even aarzelde Binkie. Was dan al hun moeite tevergeefs geweest? Moesten ze nu maar als brave jongens terugkeren naar die omgeving, waar hij zich niet thuis voelde? Ach, misschien was het ook wel beter en had Dirk gelijk. Op deze manier was het toch niets geworden, dat begreep hij nu ook wel.

"Dan ga ik maar met Dirk mee," zei hij, toch nog een beetje stroef en onwillig. "Ze zullen ons anders toch wel weer te pakken krijgen."

"Ik ben blij dat je er zo over denkt," zei wachtmeester Barends vriendelijk, de laatste woorden van Binkie negerend. "En ik geef jullie de verzekering dat je gedrag van vannacht bekend wordt bij de mensen die over jullie naaste toekomst hebben te beslissen. Wellicht dat jullie dan toch in ieder geval een paar dagen extra verlof krijgen. Dan heeft deze poging tenminste iets opgeleverd, al is het niet, wat jullie er van verwachtten."

Daarna werd er opgebroken en werd de terugreis aanvaard. Met heel wat minder haast dan op de heenweg reden ze in de richting van het kamp "Dennenheuvel".

Veel merkten de jongens daar overigens niet van. Want ondanks heldhaftige pogingen, de ogen open te houden, sukkelde ze al spoedig in slaap op het regelmatige zoemen van de motor.

En ze merkten niet eens dat wachtmeester Barends met een vaderlijk gebaar een wollen auto-plaid over het heen legde tegen de kou.....

HOOFDSTUK XI

Een week was al weer verstreken sinds het gedenkwaardige avontuur van de beide vrienden en er werd weinig meer over gesproken.

Meneer de Vries had de zaak nogal laconiek opgenomen. Toen de jongens vroeg in de morgen in het kamp arriveerden, begeleid door wachtmeester Barends, had hij eerst zwijgend geluisterd naar diens verhaal.

Toen de politieman uitgesproken was zei hij tegen de jongens: "Eigenlijk moet ik jullie straffen, maar ik heb toch bewondering voor jullie gedrag van vannacht en daarom zullen we er verder niet meer over spreken. Jullie gaan nu naar je bed en slaapt eerst maar eens flink uit."

Vervolgens had hij de wachtmeester hartelijk bedankt voor zijn bemoeiing en daarmee scheen de zaak voorlopig afgedaan te zijn voor hem.

Onder de jongens was er de eerste dagen wel druk gesproken over het geval en Binkie en Dirk waren de onbetwiste aanvoerders van de kampbewoners. Maar de gewone gang van zaken eiste alle aandacht weer op en slechts een enkele keer werd er nog op gezinspeeld.

Als de beide vrienden nog wel eens vroegen aan meneer Hannema, of ze in aanmerking kwamen voor wat extra vrije dagen, antwoordde die vaag: "Dat is iets waar meneer de Vries in moet beslissen, daar weet ik niets van jongens."

Binkie werd soms wel eens obstinaat als ze zo met een kluitje in het riet gestuurd werden, maar Dirk suste de zaak meestal en zei hoopvol: "Wacht maar even af, het komt vast wel voor elkaar."

Zo zaten ze op een ochtend aan het ontbijt in de eetzaal, bij welke gelegenheid de post altijd rondgedeeld werd. Zonder veel belangstelling keek Binkie toe, hoe een der leiders de tafels rond liep en hier en daar een brief of een ansichtkaart uitdeelde. Hij had pas één keer een brief gehad van zijn moeder en verwachtte van niemand anders een blijk van belangstelling. Moeder was nu niet bepaald een vlotte schrijfster en de eerste week zou er dan ook wel niets bij zijn voor hem. Verwonderd keek hij dan ook naar meneer Hannema, toen die hem een brief toeschoof. Hij herkende direct het handschrift van zijn moeder. Hè, er moest bepaald iets bijzonders aan de hand zijn, dat ze nu al weer geschreven had. Snel scheurde hij de enveloppe open, benieuwd naar de inhoud, en las vluchtig over de regels heen.

"Hé, wat scheelt jou?" vroeg de jongen die naast hem aan tafel zat.

Hij vroeg het niet zonder reden, want Binkie zag beurtelings rood en bleek bij het lezen van de brief. Las hij dat goed?

"Meneer Halewijn, je weet wel, die drogist waar je altijd hielp, is hier geweest. Hij heeft ons adres gevraagd op het politiebureau en hij vertelde dat het briefje van honderd gulden dat hij je had meegegeven was aangeboden aan het postkantoor of bij de een of andere bank, dat weet ik niet en nu denken ze dat jij het geld niet gestolen hebt, maar ze zitten de man achterna die het gevonden heeft want degene die het op die bank afgaf had het weer van iemand anders gehad."

In één adem door had moeder het verteld in de brief, in haar kleine, kriebelige schrift. En verderop, "....meneer Halewijn vertelde nog, dat hij het nummer van dat bankbiljet had opgeschreven voor hij het jou mee gaf en dat nummer is doorgegeven aan alle postkantoren en alle banken, maar de man die het heeft gevonden heeft het natuurlijk niet meteen weer uit durven geven en daarom heeft het zo lang geduurd voor dat je er wat van hoorde. En meneer Halewijn had er zo'n spijt van dat het zo afgelopen is en hij wou het nu zo graag weer goed maken.
Hartelijke groeten van je liefhebbende moeder."

Tweemaal moest Binkie de brief overlezen alvorens het tot hem doordrong, wat het allemaal betekende. Dan voelde hij een gevoel in zich opkomen alsof hij moest juichen en zingen! Waar hij niet meer op had durven hopen, was dus toch gebeurd, zijn onschuld zou bewezen worden! Wat kon het hem nu nog schelen dat hij hier in het kamp zat, waar hij eigenlijk helemaal niet thuis hoorde! Trouwens, als ze de man te pakken hadden die oorzaak was dat ze hem hier naar toe gestuurd hadden, zou hij stellig ook spoedig naar huis mogen. Niet langer zijn tijd hier nutteloos verdoen maar een vak leren, zijn lievelingsvak, monteur. Als hij daaraan dacht werd iedere dag die hij hier doorbracht, hem te veel.

En plotseling kon hij het niet meer voor zich houden. Hij moest iemand deelgenoot maken in zijn geheim. Tegen alle regels in sprong hij van zijn stoel op en rende om de tafel heen naar Dirk.

"Hier, lees dit eens!" zei hij tegen de verbouwereerde Dirk, terwijl hij hem de brief onder zijn neus hield.

"Wat gaat daar gebeuren?" klonk een beetje scherp de stem van meneer Hannema. "Henk Meier, je bent toch niet van plan de boel weer eens op stelten te zetten?"

Maar Binkie was niet te houden, en nog voor Dirk de brief door had kunnen lezen had hij hem al weer weggegrist en gaf hem met een triomfantelijk gebaar aan zijn groepsleider.

"Ze hebben het nooit willen geloven, maar nu zullen ze wel moeten!" riep hij overmoedig.

Meneer Hannema begon vluchtig de brief te lezen, maar al spoedig, na de eerste regels, werd hij oplettender.

En toen hij klaar was, was zijn houding helemaal veranderd.

Hij gaf Binkie een hand en zei hartelijk: "Dat is goed nieuws jongen! Daar zullen we direct ook meneer de Vries mee in kennis stellen."

Hij voegde meteen de daad bij het woord en nieuwsgierig nagekeken door de andere jongens nam hij Binkie mee naar de kampleider, die in zijn woning zat te eten. Meneer de Vries ging onmiddellijk mee naar zijn kantoortje waar hij, net als Binkie zelf, de brief twee keer las voor hij er commentaar op gaf. Evenals meneer Hannema was zijn reactie erg hartelijk en Binkie had hem nog niet zo meegemaakt.

De strenge meneer de Vries, die altijd een beetje terughoudend deed, klopte Binkie op de schouders en zei vriendelijk: "Dat is fijn voor je Henk. Nu ze zo ver zijn, zullen ze de oneerlijke vinder wel spoedig opgespoord hebben. We zullen nog even afwachten, want ik verwacht, dat er nu vandaag of morgen wel een brief zal komen van de politie. En ik verzeker je dat ik er dan werk van zal maken, je zo snel mogelijk naar huis terug te krijgen."

"Als nou Dries zijn leugens nog intrekt kunnen ze me helemaal nergens meer van verdenken," zei Binkie.

En toen meneer de Vries hem vragend aankeek, vertelde hij het hele verhaal tot in bijzonderheden. Hoe hij door zijn vroegere vriend in het pakhuis was gekomen, van de suiker die ze er regelmatig gesnoept hadden en de gevolgen daarvan. Met een rood hoofd vertelde hij, hoe hij vaak zelf in de verleiding was geraakt maar gelukkig nog nooit voor die verleiding tot regelrechte diefstal was bezweken. Zelfs sprak hij nu over zijn ontmoeting in de trein toen hij hier naar toekwam, hoewel dat er eigenlijk niets mee te maken had.

Maar hij moest nu zijn hart eens luchten en meneer de Vries luisterde aandachtig. Toen Binkie uitgepraat was, keek hij hem recht aan.

"Ik zal zorgen voor jou mijn best te doen, daar kun je van op aan," zei hij. "Je hebt zelf al gezegd, hoe je ouders over dit kamp dachten. Het is geen strafkamp, maar een inrichting voor jongens die een beetje in het gareel gebracht moeten worden. Maar dat heb jij niet nodig! Jij kunt best op eigen benen staan, dat is me gebleken. En daarom zal ik er voor zorgen dat de politie die gewezen vriend van je nog eens stevig aan de tand voelt, en dat je hier geen dag langer behoeft te blijven dan de formaliteiten vereisen. Is die belofte voldoende, of moet je hals over kop weg?"

Even moest Binkie iets wegslikken, want het begon verdacht te branden achter zijn ogen.

"J..ja éh, nee, nee meneer," zei hij en toen moest hij weg, naar zijn kamer, omdat hij in het bijzijn van de twee mannen niet wilde huilen, niet kon huilen....!

Nog drie dagen duurde het voordat de door meneer de Vries verwachte brief kwam. Maar dan kwam op een ochtend, nog voor dat de jongens naar de eetzaal waren gegaan, hij zelf de kamer binnen en wenkte Binkie, met hem mee te gaan. Zonder iets te zeggen gaf hij hem een officiële brief in zijn handen.

"Dienst. Gemeentepolitie van Amsterdam," stond er op de enveloppe.

"Lees zelf maar," zei meneer de Vries eenvoudig, toen ze voor de zoveelste keer in het gezellige kantoortje zaten, nu niet als leider tegenover "gestrafte", maar als vrienden bijna.

"....delen U mee, dat vinder van het door voornoemde Henk Meier verloren geld terecht is en dat de vinder is opgespoord. Voorts, dat inderdaad gebleken is, dat hij onschuldig is aan de suikerdiefstal, waarvan hij verdacht werd....
....verzoeken U vriendelijk stappen te willen ondernemen, dat voornoemde Henk Meier zo spoedig mogelijk naar zijn ouders kan terugkeren, waartoe wij uiteraard ook onze volle medewerking zullen verlenen....."

"Wanneer mag ik weg meneer?" vroeg Binkie ademloos, nadat hij het ambtelijke schrijven doorgeworsteld had.

Alles had hij niet eens begrepen, maar wat hem bovenal duidelijk was, was het feit dat alle narigheid nu achter de rug was.

"Even rustig aan jongen," zei meneer de Vries glimlachend. "Een paar dingen moeten er toch nog in orde gemaakt worden. Tenslotte ben je hier niet door de politie of door mij heen gestuurd, maar door anderen. En die anderen zullen toch ook nog even verwittigd moeten worden."

Berustend knikte Binkie. Ja, hij begreep inderdaad ook wel dat het allemaal niet zo heel eenvoudig was, maar het wachten duurde hem te lang, hij wilde nu weg!

Maar nog ruim een week moest hij geduld oefenen, een week, waarin hij door de leiders haast met iets van achting werd behandeld. Hij deed gewoon mee met het programma van alle dag, maar met een knipoogje gaf meneer Hannema hem de minst eentonige karweitjes bij het werk in of buiten het kamp. Van de meeste jongens bezorgde hem dat wel eens een paar schele ogen, maar enkelen, waaronder Dirk, hadden hem luidruchtig gefeliciteerd en gunden hem graag zijn geluk.

"Het enige wat ik jammer vind is, dat ik voorlopig mijn vriend kwijt ben," zei Dirk eens en Binkie voelde dat hij het meende.

"We zien elkaar nog wel in Amsterdam," zei hij hartelijk. "En over een week of zes zit het er toch voor jou ook op niet waar?"

"Ja, jij praat goed. Een paar weken geleden haalde je me nog over om hem te smeren en nu praat je over zes weken, of het een paar dagen zijn."

Daar moest Binkie bij zwijgen, tegen dergelijke argumenten was hij niet opgewassen.

"We hebben in elk geval elkaars adres en ik kom je beslist wel eens opzoeken," zei hij tenslotte.

En met die afspraak besloten ze hun gesprek, maar niet nadat ze hem bezegeld hadden met een ferme handdruk.

In zijn eentje zat Binkie deze keer in de trein. Het was een regenachtige dag, maar dat interesseerden hem deze keer niet. Hij ging naar huis, dus wat maakte het hem uit of er dikke druppels langs het portierraampje gleden?

Over een paar uur zou de trein waarin hij zat, het Centraal Station binnenrijden, en nog een kwartier later zou hij het vertrouwde buurtje weer binnen stappen.

Het was een vrolijke boel in de coupé. Er zat een stel jongelui in, waarvan er een op een gitaar tokkelde, terwijl de anderen lustig meezongen. Maar Binkie zat zwijgend in zijn hoekje en keek alleen belangstellend toe hoe het stelletje zich vermaakte. Hij amuseerde zich kostelijk om de vrolijke grappen die er af en toe gemaakt werden. Het kortte hem de tijd wat, want hij zat te popelen!

Maar eindelijk zag hij dan toch weer bekende dingen; vanuit de trein zag hij weer de bedrijvigheid in de Amsterdamse havens, de grote loodsen langs de kaden en de grote hijskranen, die gulzig hun zware vrachten schenen op te slokken, om ze even later weer prijs te geven. Hoe vertrouwd klonk hem de scheepshoorn van de een of andere sleepboot in de oren! En het leek hem, of hij helemaal niet weg geweest was, zo voelde hij zich al weer opgenomen in de grote stad met zijn hoge verdieping-woningen en zijn nooit tot rust komende verkeersstroom.

Op het perron wachtte hem een verrassing. Dat moeder hem af zou halen, had hij wel verwacht, maar naast haar liep een man die hij niet direct herkende. Naast de wagon, waar Binkie vanuit een der raampjes heftig zwaaide, holden ze mee. Pas toen de trein stopte en Binkie uitgestapt was zag hij wie het was; meneer Halewijn! Binkie was gewend hem te zien in een witte stofjas achter de toonbank, maar voor deze gelegenheid had hij blijkbaar zijn beste kleren aangetrokken en een hoed op gezet.

Na dat moeder haar zoon hartelijk had begroet, stond Binkie even te twijfelen. Maar meneer Halewijn greep zijn beide handen en drukte die stevig. Binkie liet maar met zich doen en keek lachend om zich heen.

"Ik ben blij dat je weer terug bent, mijn jongen," zei meneer Halewijn. "Ik wilde je direct zeggen hoe het me spijt, dat alles zo is afgelopen, maar de feiten spraken te zeer tegen je. Gelukkig is alles nu voorbij en ik wil proberen goed te maken wat ik fout heb gedaan. Maar daar spreken we nog nader over, eerst gaan we naar huis. Er zijn er tenslotte meer die op je wachten."

Tussen moeder en meneer Halewijn stapte Binkie door de drukte van het verkeer. Hè, het was toch wel even vreemd na de stilte van de smalle landwegen in het Brabantse land. Van alle kanten kwamen de auto's en de fietsers op je af, zodat ze af en toe op zij moesten springen om het vege lijf te redden. Pas toen ze in de bus zaten, voelde Binkie zich weer geheel op zijn gemak en kwam zijn tong een beetje los. Smakelijk vertelde hij honderduit over zijn belevenissen van de laatste weken.

Toen hij begon over het avontuur met de smokkelaars, schudde moeder haar hoofd eens, en meneer Halewijn zei: "Zo'n aap toch!"

Een kwartier later waren ze thuis in de oude, vertrouwde huiskamer. Vader en Marjan waren wat vroeger van hun werk gekomen en zaten al te wachten.

Vader begroette zijn zoon door hem een flinke por in de schouder te geven en alleen maar drie keer te zeggen: "Zo jongen, daar zijn we weer compleet hè!"

Meer wist hij blijkbaar niet te zeggen maar voor Binkie was het meer dan genoeg. En toen moest hij weer vertellen hoe hij het had gehad in "Dennenheuvel", hoe het eten was geweest en hoe de leiders voor hem waren geweest. En Binkie vertelde graag.

Achteraf was hij er zelfs wel een beetje trots op, dit te hebben meegemaakt en hoe meer hij vertelde, hoe prettiger hem de tijd leek, die hij in het kamp had doorgebracht.

Tegen zessen ging meneer Halewijn naar huis, met de afspraak 's avonds terug te komen, samen met zijn vrouw.

"Dan gaan we eens ernstig praten," zei hij en zette een geheimzinnig gezicht. Toen iedereen hem vragend aankeek maakte hij zich er af door te zeggen: "Ik heb nog wat goed te maken en daar moeten we eens rustig over praten. U vindt het toch wel goed hoop ik?"

"Ik vind het uitstekend dat U komt, maar wat ik verder goed moet vinden, is me niet duidelijk," zei moeder.

"Daar zullen we het dan juist over hebben," zei meneer Halewijn en met die woorden vertrok hij.

"Vreemde man is dat toch," zei moeder. "Dat is al de vierde keer in een dag of tien dat hij hier komt. Hij schijnt bepaald iets in zijn schild te voeren."

Vader haalde de schouders op.

"We zullen wel horen wat hij te vertellen heeft," zei hij. "Laten we eerst maar gaan eten."

Om acht uur was meneer Halewijn al weer de gast in huize Meier, deze keer in gezelschap van tante Mien. Marjan was naar een vriendinnetje en Mieke was naar bed gebracht.

Ook Binkie wilde, op een wenk van moeder de kamer uit gaan, maar meneer Halewijn zei lachend: "Nee, dat was nu juist de bedoeling niet. Tenslotte is hij het onderwerp van gesprek en als U het erg niet vindt, wilde ik hem er graag bij hebben, dan kan hij ook zijn mening geven. Hij gaat toch anders ook niet zo vroeg naar bed zeker?"

"Dat niet," gaf moeder toe, "maar hij zal wel moe zijn denk ik."

"O, dat valt wel mee," haastte Binkie zich te zeggen.

Na wat gepraat over koetjes en kalfjes, over het slechte weer en de politiek, vroeg meneer Halewijn plotseling zonder enige overgang: "En nu wilde ik het eens over de toekomst van mijn knechtje hebben." En rechtstreeks tot Binkie: "Heb je er al eens over nagedacht wat je nu eigenlijk wilt worden jongen?"

"O ja, ik ga solliciteren in een garage als leerling-monteur. Om U te helpen zal dan wel niet veel meer van komen!" zei Binkie een beetje vinnig.

"Maar als je nu eens werk kon krijgen waar je wat vrije tijd bij hebt, zou je er dan niets voor voelen om af en toe eens bij te springen?" vroeg meneer Halewijn, alsof hij Binkie's scherpe opmerking niet begreep.

"Dat wel," zei Binkie, met meer enthousiasme dan hij eigenlijk zelf gewild had. "Maar die baantjes liggen niet opgescheept denk ik!"

"Nee, dat denk ik ook niet," moest de ander toegeven. "Maar kijk eens, ik zal open kaart spelen. Eerlijk gezegd had ik gehoopt dat je bij me in de winkel zou willen komen. Je had je dan helemaal in kunnen werken en te zijner tijd de hele boel over kunnen nemen. Zoals je weet, hebben we zelf geen kinderen, en omdat ik weet dat jij van aanpakken weet, hebben we het eerst aan jou gedacht. Maar nu blijkt dat je er niets voor voelt, zullen we daar maar van afstappen. Dan heb ik een ander voorstel en ik geloof wel, dat je daar beter voor te vinden bent. Als je gewoon in een garage begint als, laten we het maar gewoon noemen, loopjongen, en je leert er niets bij, dan zul je het nooit verder brengen dan gewoon monteur. Nu heb ik alle respect voor een monteur die zijn vak verstaat. Maar jij, die een goed stel hersens bezit, jij kunt het nog verder brengen, mits je daarvoor een behoorlijke opleiding krijgt, een schoolopleiding, wel te verstaan. En die opleiding zouden wij nu graag voor je verzorgen. Mocht je studie je wat vrije tijd laten dan kun je altijd, als kleine tegenprestatie, in de winkel komen helpen. Is dat accoord?"

Na die lange redevoering was het even stil in de kamer.

Toen vroeg Binkie aarzelend: "Naar wat voor een school moet ik dan?"

"Wel, ik had gedacht aan Mulo of H.B.S. en daarna, als er tenminste niets tussen komt, een technische studie."

Beurtelings keek Binkie zijn beide ouders aan. Die knikten zwijgend als teken van instemming.

Spontaan liep Binkie toen op het echtpaar Halewijn af, gaf tante Mien een klinkende zoen op beide wangen en zei dolgelukkig: "Graag meneer Halewijn, en ik hoop dat U er nooit geen spijt van zult krijgen. Maar daar zal ik mijn best voor doen, dat beloof ik U!"

"Mooi, dat is dan afgesproken," zei de drogist tevreden. "Ik reken op je!"

EINDE

 
R. Jager, 1957 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003