www.peterjager.nete-mail: peter(at)peterjager.net
De Roel Jager bibliotheek 

 
Avonturen in het Ahrdal
door Roel Jager
geschreven circa 1958
uitgebracht door uitgeverij Jeugdland

Omslag Terug naar het overzicht

Hoofdstuk I
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VII
Hoofdstuk VIII
Hoofdstuk IX
Hoofdstuk X
Hoofdstuk XI
Hoofdstuk XII
Hoofdstuk XIII
Hoofdstuk XIV
Hoofdstuk XV
Hoofdstuk XVI


 

HOOFDSTUK I

Druk pratend stonden de onafscheidelijke vrienden bij het schoolhek. Er was stof genoeg. In de eerste plaats waren daar de rapporten die voor allen buiten verwachting gunstig waren uit gevallen. En daarna kwam het gesprek onmiddellijk op de vacantie die over enkele dagen wachtte.

Ondanks de druilerige regen was de stemming opperbest. Meneer van Driel zou zijn belofte waar moeten maken nu ze allemaal over gingen naar de tweede klasse van de H.B.S. Een jaar geleden was het al begonnen. Alle vier de jongens, Lex van Balen, Gerard Meier, Rien Noppert en Paul Beekveld waren met de diverse ouders weg geweest, ieder naar een verschillende plaats. Toen op de eerste schooldag de belevenissen verteld waren, bleek uit de verschillende verhalen dat ze het eigenlijk alle vier maar matig naar de zin hadden gehad. Ze voelden er geen van allen veel meer voor om, zoals ze dat noemden, aan de leiband van hun ouders te lopen. Die ouders wilden in hun vacantie genieten van rust, zonder overmatige inspanning. Tot een spelletje badminton of iets dergelijks waren de vaders doorgaans nog wel bereid, maar daar hield het dan ook wel mee op. Verder bepaalden ze zich tot af en toe een flinke wandeling door de bossen of langs het strand.

"Wat zouden jullie er van zeggen als we eens gezamenlijk spaarden voor de vacantie en dan een tocht maakten zonder onze ouders?" stelde Rien Noppert plotseling voor.

Het idee werd onmiddellijk in stemming gebracht. Drie waren er direct voor te vinden, alleen Lex wilde eerst wel eens iets naders weten over de uitwerking van dat plan. Hoeveel ze dachten te sparen, waar ze naar toe dachten te gaan en hoe ze zouden gaan.

"O, dat is van later zorg", zei Rien luchtig. "Het belangrijkste is tenslotte dat er geld is, de rest kunnen we nog bespreken als het zover is."

"En als iemand van onze ouders nu eens bezwaren oppert?" hield Lex vol.

"Die zijn veel te blij dat ze ons een tijdje helemaal kwijt zijn!" lachte Paul. "En als ze zien dat het ons werkelijk ernst is, vallen die mogelijke bezwaren vanzelf weg. Bovendien, in het uiterste geval, ik bedoel dus, als het beslist niet door kan gaan, verdelen we gewoon de pot en is er nog niets aan de hand."

Lex mompelde nog iets over de mogelijke onenigheid, maar gaf ten laatste te kennen dat hij geen spelbreker wilde zijn en dus zijn medewerking zou geven, al wist hij voorlopig nog niet of hij wekelijks zijn bijdrage kon leveren.

Rien werd, als initiatiefnemer, bij acclamatie benoemd tot penningmeester, een belangrijke en verantwoordelijke post. Een vast bedrag werd nog niet vastgesteld, ieder zou voorlopig bijdragen naar draagkracht.

Aanvankelijk vlotte het niet erg; het geld kwam slechts traag binnen, maar naarmate het seizoen vorderde en de volgende zomervacantie wat dichter in het verschiet lag werd iedereen enthousiast. Rien bleek een gewetensvol en secuur beheerder te zijn van hun spaarcentjes. Zorgvuldig noteerde hij onder de namen de verschillende bedragen die binnen gebracht werden, om de lasten zo veel mogelijk gelijkelijk te verdelen. Hij ging zelfs zo ver dat hij een rekening opende bij de spaarbank, zodra hij de eerste vijftig gulden vol had om het bedrag zo veel mogelijk rente op te laten brengen. Zelf kon hij het meest royaal omspringen met geld; zijn vader had een grote kruidenierswinkel en was niet karig zolang hij wist dat zijn zoon geen gekke dingen deed met zijn zakgeld. De bijdragen van Gerard bleven het kleinste, hij kreeg wel wat zakgeld, maar dat liet niet toe dat hij er ruim mee om kon gaan. Daarom deed Rien er af en toe iets van zich zelf bij, om dat dan op naam van Gerard te zetten. Eens per twee maanden was er kascontrôle. Bij die gelegenheid keek Gerard verschillende keren met een bevreemd gezicht naar Rien. Hij wist zelf doorgaans precies hoeveel hij had betaald. Bij de eerste gelegenheid die zich voor deed klampte hij Rien aan om te vragen hoe dat nu precies zat, maar die wimpelde alle vragen af en daarna hield Gerard zijn mond verder maar. Hij wist nu wel dat Rien er nooit met een woord over zou spreken en daarvoor was hij hem onuitsprekelijk dankbaar. In het voorjaar kwam langzamerhand de vraag naar voren waar ze naar toe zouden gaan.

"Ik heb een idee," zei Lex.

De anderen keken hem nieuwsgierig aan. Lex had meestal niet veel ideeën, maar als hij er eens mee aan kwam, zat er doorgaans ook wel wat in.

"Als we mijn oom eens vroegen of hij met ons mee gaat," zei Lex langzaam, alsof hij zelf zijn woorden nog eens overwoog.

"Je oom?" vroeg Paul verbaasd. "Bedoel je van Driel?"

"Juist," gaf Lex te kennen, "die bedoel ik inderdaad. Kijk eens,als we gaan, kunnen we natuurlijk het goedkoopste per fiets gaan, maar dan komen we waarschijnlijk niet verder als bijvoorbeeld de Achterhoek of hoogstens Zuid-Limburg. Maar Rien is vorig jaar naar Terschelling geweest, Gerard was in Valkenburg, Paul logeerde ergens bij Doetinchem in de buurt en zelf ben ik drie jaar achtereen naar de Veluwe geweest. Over de grenzen zijn we nog nooit geweest en daarom....."

"Nou?" drongen de anderen aan.

"Ik zou best een kijkje willen nemen in Duitsland, bijvoorbeeld langs de Rijn, en dan eventueel naar het Ahrdal. Daar moet het geweldig zijn."

"Maar hoe had je dat dan gedacht? En wat heeft je oom daar mee te maken?"

"Mijn oom heeft een wagentje, waar we precies in passen met vijf personen. Hij is niet getrouwd, zoals jullie weten en ik geloof wel dat hij genegen is om ons een paar weken rond te toeren. We zouden dan een tent moeten huren, een imperiaal op de auto moeten zetten en daar de bagage op moeten laden. Als oom Ton er voor te porren is, is dat meteen een garantie dat geen van onze ouders met bezwaren aan komt zetten. Hij heeft wel eens eerder in de bergen gereden, dus ook daarover hoeft niemand zich zorgen te maken."

Met stijgende belangstelling hadden de anderen geluisterd. Eenstemmig waren ze van oordeel dat het voorstel waard was om te worden overwogen. Het lokte ze allemaal wel aan. Het enige bezwaar kwam van Paul. Meneer van Driel, alias oom Ton, was leraar lichamelijke oefening aan de H.B.S. en uit dien hoofde hadden alle jongens verschillende keren met hem te doen gehad. Enige keren had Paul een fikse uitbrander van hem gehad en daarom lokte hem het voorstel niet zo aan als de anderen.

Er werd echter besloten dat Lex het zou vragen als zich de kans daar toe deed. Paul legde zich sportief neer bij de meerderheid.

En zo kon het gebeuren dat Lex, vlak voordat de les lichamelijke oefening zou beginnen, zijn oom op de gang aanklampte en plompverloren met zijn vraag voor de dag kwam. Hij wist wel hoe hij met hem om moest gaan; kon hij bij zijn ouders bijvoorbeeld het beste met een kleine inleiding beginnen, hier moest hij de koe meteen bij de horens vatten en oom Ton gewoon overrompelen. Die mocht zijn neef erg graag en als het even kon, willigde hij diens verzoeken wel in.

Maar deze keer ging het toch niet zo vlot als Lex wel gewend was.

"Ik wilde U iets vragen oom, heeft U een moment tijd voor Uw neefje?" begon Lex.

En toen oom Ton bevestigend knikte, vervolgde hij vlug: "We willen graag in de vacantie een week of langer naar Duitsland. We hebben het hele jaar met zijn vieren gespaard, dus het geld is er. Wat we echter zoeken, is iemand met een autootje en die iemand zou ons dan ook moeten rijden natuurlijk. We hadden gedacht, de Rijn langs te gaan, om dan verderop bijvoorbeeld naar het Ahrdal te gaan. Dat is niet zo ver uit de buurt en het moet er toch enorm mooi zijn naar ik wel eens heb gehoord. En verder..."

"Zeg, stop eens even jij!" onderbrak zijn oom hem. "Voorlopig behoef je echt niet verder in te gaan op details. Minstens een week naar Duitsland, stelt meneer voor. Was je echt in de veronderstelling dat ik hier direct ja op zou zeggen?"

"O nee oom," antwoordde Lex een beetje ontgoocheld en niet helemaal naar waarheid.

"Ik verdenk je er anders sterk van dat je me probeert te overrompelen, knaapje," lacht oom Ton. "Maar op het ogenblik heb ik echt geen tijd meer voor je. Over drie minuten precies begint de les en wat jij me daar zo terloops even vraagt lijkt me wel wat meer bedenktijd nodig te hebben."

"Maar in elk geval wilt U er wel eens over denken?" vroeg Lex een beetje gespannen.

"Er over denken kan ik natuurlijk altijd," zei zijn oom en dat antwoord gaf Lex al weer wat hoop.

Als oom Ton er helemaal niets voor voelde, had hij het meteen wel afgewimpeld.

"Kom morgen maar eens even bij me op mijn kamer en neem die vrienden van je dan mee," maakte meneer van Driel een eind aan het gesprek. "En ga je nu als een haas verkleden, anders zijn je kansen al direct verkeken."

Lachend nam zijn neef de benen om binnen de kortst mogelijke tijd weer in de gymnastiekzaal te verschijnen.

In zijn privé-leven kon Lex best een potje breken bij zijn oom, maar tijdens de les eiste hij van hem net zo veel, zo niet meer, dan de andere jongens. Toen Lex zijn vrienden zag, knipoogde hij hen veelbetekenend toe met een blik in de richting van zijn oom, die druk bezig was aan een van de toestellen.

"Doe je best bij de les," zie hij gedempt. "We hebben een behoorlijke kans."

De anderen begrepen hem. En ze deden inderdaad hun best. Ze begrepen wel dat er nog een paar woorden gesproken zouden worden alvorens meneer van Driel er definitief in toe stemde om met hen mee te gaan en ofschoon dat waarschijnlijk wel niet zou staan of vallen met de aard van hun prestaties, leek het hun toch wel gewenst dat ze een goede indruk maakten. Overigens deed je voor meneer van Driel graag je best. Hij was een jonge man, nog geen dertig, wist Lex, maar hij had er danig de wind onder bij zijn leerlingen. Als iemand niet mee kon komen bij de oefeningen aan de wandrekken, aan de brug of op het paard zou hij hem altijd op een rustige en meegaande wijze instruëren. Zodra hij echter in de gaten had dat iemand het wel geloofde en eenvoudig geen zin had, dan was hij niet mals. Zelf was hij een sportman tot en met. Hij was een uitblinker in bijna alle sporten, waarbij zijn voorkeur uit ging naar het turnen. Hij deed mee aan alle oefeningen en bleef niet, zoals bij leraren lichamelijke oefening wel eens het geval was, zelf af en toe aan de kant een beetje staan uitblazen. Bij het lopen van rondjes gaf hij het tempo aan, vooraan de sliert jongens die hem dan in rijen van drie achterna holden. De vier vrienden behoorden, met uitzondering van Paul, tot zijn goede leerlingen, met Rien Noppert als uitblinker.

Paul had er een hekel aan, zich druk te maken, zoals hij het noemde. Maar terwille van de goede zaak sloofde hij zich nu terdege uit, zelfs zo opvallend dat meneer van Driel zijn mond niet kon houden.

"Heb jij soms dezelfde vacantieplannen als Lex?" vroeg hij op zeker moment langs zijn neus weg.

Paul begreep hem direct. Dat was natuurlijk een toespeling op de vraag van Lex of hij met hen mee wilde gaan.

Hij wist niet beter te doen dan maar te knikken en verwenste haast het ogenblik waarop hij er in toegestemd had, zich bij de andere jongens aan te sluiten toen de leraar langs zijn neus weg zei: "Dan is het dunkt me de moeite waard nog even te wachten met het antwoord op de vraag van Lex."

Met een knipoogje naar zijn neef gaf hij het sein tot de volgende oefening, Paul met gemengde gevoelens achter latend. Maar hij was sportief genoeg om er verder geen woord over te reppen en dus bleef hij zijn best maar doen. Hij had tenslotte geen andere keus. Ze waren nu eenmaal met zijn vieren in zee gegaan en het kon de goede verstandhouding alleen maar bevorderen als ze allemaal in een goed blaadje stonden tegen de tijd dat de vacantie begon.

Toen de les afgelopen was, de laatste les voor dat de schoolbel die dag voor de laatste maal luidde, kwamen de drie vrienden direct naar Lex toe.

"En, wat zei hij?" begon Gerard, die hem het eerst te pakken had.

"Hij vraagt of we morgen bij hem komen," zei Lex.

"Bij hem komen?" vroeg Rien, die ook naderde. "Waar moeten we dan naar toe?"

"Naar zijn kamer natuurlijk," antwoordde Lex. "Ik geloof vast dat hij het wel doet."

Inmiddels was ook Paul genaderd.

"Hij had jou door geloof ik, is het niet?" zei Gerard lachend. "Tjonge jonge, wat heb jij gehold zeg!"

"Als je maar weet dat ik niet van plan ben om dat lang vol te houden," mopperde Paul. "Eerst moet ik er een heel jaar voor sparen en dan zou ik me de laatste weken voor de vacantie ook nog in het zweet moeten werken. Voor hij instemt, stelt hij natuurlijk eisen en dan word ik het kind van de rekening."

"Het is heel goed voor je body," troostte Gerard hem. "Trouwens, zo kinderachtig is hij vast niet, of ik zou me al sterk moeten vergissen."

"In ieder geval gaan we dus morgen op bezoek bij onze gymnastiekleraar," stelde Rien vast.

"Ja, maar dan zijn we er natuurlijk nog niet," meende Gerard. "We moeten ook nog toestemming hebben van onze ouders. Ik tenminste heb nog nergens over gesproken. Ze weten bij mij thuis alleen dat we aan het sparen zijn. Ze hebben me wel eens gevraagd wat we nu eigenlijk van plan zijn, maar daar heb ik nog geen antwoord op gegeven."

"Daar kun je ook nog geen antwoord op geven," vond Lex. "Tenslotte is er nog niets zeker. Maar ik geloof dat we al een heel eind op weg zijn als oom Ton mee wil werken. Die kennen ze allemaal wel, geloof ik. Als die niet mee gaat kunnen we het plan, wat mij betreft wel uit ons hoofd zetten, want dan weet ik wel zeker dat ik geen toestemming krijg."

"Nou ja, we zullen wel zien hoe het loopt," vond Gerard wijsgerig. "Laten we nog maar niet op de dingen vooruit lopen."

"Voorlopig ga ik naar huis," zei Paul. "Ik heb van al dat harde werken een reuze trek gekregen. En met een rammelende maag ben ik helemaal niet in staat om verstandig te praten over zulke belangrijke dingen als vacantie."

Dat was een opmerking waar weinig tegen viel in te brengen. Er werd alleen nog afgesproken dat ze de volgende dag om half vijf 's middags bij meneer van Driel voor de deur zouden staan en met die afspraak gingen de jongens ieder hen weegs.


 

HOOFDSTUK II

Meneer van Driel, alias oom Ton, keek het viertal glimlachend aan.

"Dus als ik het goed begrijp willen jullie mij charteren als chauffeur, waarschijnlijk zonder salaris."

"Niet zo zeer als chauffeur, meer als reisgenoot," zei Lex handig. "En als U dan eventueel toch mee gaat is het natuurlijk logisch, in ieder geval wel gemakkelijk, als U de auto meeneemt. Dat bespaart U en ons zelf een boel geld aan treinkosten."

"We zouden natuurlijk nog goedkoper een fietstocht kunnen maken, bijvoorbeeld naar de Achterhoek of Zuid-Limburg. Dat is nog goedkoper, dunkt me," zei zijn oom, maar aan zijn toon was best te horen dat hij het niet meende.

De jongens, behalve Lex, begonnen de moed al een beetje te verliezen. Maar de laatste wist nu wel dat hij het pleit had gewonnen. Daarom reageerde hij helemaal niet op de laatste woorden van zijn oom.

"Daar hebben we niet het hele jaar voor gespaard," was zijn enige reactie. "Zegt U nu maar gauw dat U mee gaat oom, dan kunnen we beginnen met de plannen nader uit te werken!"

"Ho ho," zei hij, "nu loop je toch werkelijk wat erg hard van stapel. Vertellen jullie eerst eens hoe het met de vooruitzichten voor het overgangsrapport staat! Kijk eens hier, in principe zeg ik mijn medewerking toe, maar ik verbind er wel een paar voorwaarden aan. En één daarvan is dat jullie alle vier over gaan, liefst met behoorlijke cijfers. En dan is er nog een zeer belangrijke voorwaarde, namelijk dat jullie ouders er geen enkel, maar dan ook werkelijk geen enkel bezwaar tegen hebben."

Wat dat laatste betrof konden de jongens nu reeds met de hand op het hart verklaren dat hun plan van die kant op geen enkel bezwaar was gestuit. Toen de respectievelijke vaders en moeders hadden gehoord wie eventueel hun begeleider zou zijn, hadden ze allemaal grif hun toestemming gegeven. Meneer van Driel was een goede bekende bij alle ouders en allemaal wisten ze dat ze hun jongens met een gerust hart één of twee weken met hem mee konden laten gaan. Toen de bevorderingen op school ter sprake kwamen stonden er wel een paar gezichten een beetje zuinig. Lex en Rien waren wel vrij zeker van hun zaak. Rien was bepaald een uitblinker in alles, Lex behoorde tot de gulden middenmaat, die ieder jaar met redelijke cijfers naar de volgende klas ging. Paul had buien waarin hij alles kom maar als iets hem een beetje tegen liep was hij al gauw geneigd om de boel in de lap te laten hangen en direct de moed op te geven. Gerard leerde uitgesproken moeilijk. Niemand kon beweren dat hij zijn best niet deed, maar het lukte hem eenvoudig niet, tenminste niet zo vlot als bij anderen het geval was.

Meneer van Driel kende zijn pappenheimers wel zo'n beetje en zijn vraag was dan ook eigenlijk een beetje overbodig toen hij zei: "Wel, hoe staat het met die bevorderingen van jullie op de vakken buiten lichamelijke oefening?"

"Tja....", zei Paul aarzelend, als was die vraag aan hem persoonlijk gericht.

"Tja..." begon ook Gerard, maar verder kwamen ze niet.

"Als het daar op vast zit, sleep ik ze er wel door, desnoods aan hun haren," zei Rien. "We gaan met zijn vieren blokken, om beurten bij iemand van ons thuis en dan moet het al gek lopen, willen we de zaak niet klaren."

"Dat noem ik nog eens flink gesproken," prees meneer van Driel. "Nou, dan heb ik verder geen bezwaren en moeten we langzamerhand maar eens gaan bespreken wat we al zo nodig hebben voor een dergelijk tochtje."

Een luid rumoer brak los. Tot nu toe hadden ze nog een beetje aarzelend om zich heen gekeken, van hun leraar naar elkaar, behalve Lex natuurlijk. Maar nu alles zo vlot verliep en meneer van Driel verder geen bezwaren opperde, was het ijs gebroken.

Er werd uitgebreid gesproken over de voor- en nadelen van slaapzakken, lucht- en veldbedden en alle mogelijke andere attributen, noodzakelijk voor een kampeerpartijtje. Meneer van Driel liet ze maar even begaan. Toen iedereen zijn argumenten naar voren had gebracht, nam hij resoluut het woord.

"Kijk eens," zei hij. "Jullie hebt nu een aardig bedrag bij elkaar gespaard, maar stel je heus niet voor dat je nu royaal met het geld om kunt springen. Het is dus gewenst dat we zoveel mogelijk spulletjes meenemen die ons niets kosten. Ik denk hierbij dus in de eerste plaats aan een tent en aan slaapgelegenheid. Is één van jullie in het bezit van een tent? Anders gesteld, is er iemand van jullie die zonder kosten een dag of veertien aan een tent weet te komen?"

"Ik," zei Gerard, "Mijn broer heeft een twee-persoons tent."

"Prachtig," zei meneer van Driel tevreden, "ikzelf heb een vier-persoons tent. Dat hoeven we dan alvast niet te huren. Punt twee, slaapzakken. Ik heb zoëven diverse bezwaren horen opperen, maar ik geloof toch wel dat dit de meest ideale oplossing is. We hebben namelijk ook rekening te houden met de beschikbare ruimte in en op de auto. Dekens nemen een enorme ruimte in. Bovendien loop je kans dat je je bloot woelt en ik beloof je dat het 's nachts knap koud kan zijn als je zo dicht bij de grond ligt."

"Mijn broer heeft een slaapzak bij zijn tent," wist Gerard.

"Dat is één. Ik zelf heb er ook een. De vraag is dus, hoe komen we zonder kosten aan de andere drie?" zei meneer van Driel.

De andere drie hulden zich in stilzwijgen. Iedereen kwelde zich met de gedachte aan een mogelijkheid, maar voorlopig kwam er verder niets positiefs uit de bus.

"Opschrijven," beval meneer van Driel. "Ga allemaal je familie en kennissen af om te zorgen voor slaapzakken."

IJverig noteerden de vrienden wat hen opgedragen werd.

Het volgende punt van bespreking vormden de luchtbedden, desnoods te vervangen door veldbedden. Rien opperde nog even het voorstel om zo op de grond te gaan liggen, maar dat werd van alle kanten zeer beslist van de hand gewezen en daarom hield hij direct zijn mond. Overigens kwamen ze hier al direct tot drie exemplaren. Meneer van Driel had zelf zo'n apparaat bij zijn kampeeruitrusting, Gerard zou weer een beroep doen op zijn broer en Paul had een neef buiten de stad die hij er wel eens over had horen spreken. Twee luchtbedden werden dus genoteerd bij de ontbrekende slaapzakken.

Meneer van Driel knikte tevreden.

"Ziezo," zei hij, "de meest urgente dingen zijn de revue gepasseerd. Verder moeten we een primus hebben. Die bezit ik zelf, pannetjes en een waterzak heb ik ook en de rest is tamelijk ondergeschikt. Verder valt er voorlopig niet te organiseren. Het enige waar we het nog over moeten eens worden, is de route, althans in grote lijnen, die we uit moeten stippelen. En nu wil ik niet op de zaak vooruit lopen, maar ik ben, zoals neef Lex al opmerkte enige keren in die streken geweest en weet er wel wat aardige plekjes. Er zijn natuurlijk enige bezienswaardigheden die jullie niet mogen missen, maar overigens meen ik dat we de zaak van dag tot dag het beste kunnen vaststellen. Naar wat ik van Lex heb begrepen, hadden jullie je voor gesteld langs de Rijn te gaan tot aan de Ahr, is het niet?"

"Tenzij U een andere route weet die mooier is," merkte Lex op. "Maar ik heb U daar zelf wel eens enthousiaste verhalen over horen vertellen en daarom heb ik dat zo eigenlijk voorgesteld."

"Als je nog nooit een dergelijk landschap hebt gezien is er geen verschil tussen dat gedeelte van Duitsland en bijvoorbeeld de Ardennen," vond meneer van Driel. "Die kunnen we misschien op de terugweg nog even "doen", zoals dat tegenwoordig heet. In principe houden we het er dus maar op dat we als voorlopig einddoel de Ahr nemen. Dat is niet zo ver, en van daaruit kunnen we, als het moet, in één dag weer terug zijn. Is dat afgesproken?"

Niemand opperde bezwaren en daarmee verklaarde meneer van Driel de vergadering voor gesloten. Weldra stonden de jongens weer buiten en nu pas kwamen de tongen goed los. Ze waren het er allemaal roerend over eens dat het een "moordvacantie" beloofde te worden.

"Maar één ding heeft oom Ton toch vergeten," zei Lex plotseling.

De anderen keken hem nieuwsgierig aan.

"Grenspapieren," zei Lex laconiek. "Ik geloof niet dat je tegenwoordig nog een paspoort nodig hebt, maar je zult toch wel niet helemaal zonder enig document de grens over komen, denk ik."

Op dat idee was niemand nog gekomen,maar gelukkig hadden ze nog tijd genoeg om dat in orde te maken. Voorlopig moesten ze echter naar huis. Gerard beloofde, meteen zijn broer te zullen bewerken om van hem de zo fel begeerde attributen los te krijgen. Hij had er bij meneer van Driel wel over gesproken, alsof dat al in kannen en kruiken was, nog voor hij het had gevraagd, maar in zijn hart was hij daar toch nog niet zo heel zeker van. Maar hij begreep, dat hij zijn belofte in zou moeten lossen, wilde hij niet een enorme flater slaan.

Gelukkig, het viel allemaal reusachtig mee. Jan, zijn drie jaar oudere broer, had een maand eerder dan hij vacantie van het kantoor waar hij werkte. Hij was zelfs erg meelevend en gaf nog allerlei wenken, die Gerard voor deze keer geduldig aan hoorde, ofschoon hij er van overtuigd was dat hij al die tips wel meteen weer kon vergeten. Terwille van de nu zo noodzakelijke goede verstandhouding met Jan deed hij echter maar, alsof hij aandachtig naar diens goede raadgevingen luisterde.

Zo verstreken de dagen en weken. Er ging bijna geen dag voorbij dat één van de vier vrienden het gesprek niet op de komende vacantie bracht. De enige zorg was nog steeds, vooral bij Gerard, hoe zijn rapport uit zou vallen. Gelukkig hield Rien zijn woord. Eensgezind zaten ze avond aan avond te blokken dat het een lieve lust was en legde hij glashelder, zij het dan op een echte jongensmanier uit, waar het om ging.

"Kerel," zei Gerard wel eens, "ik zou mijn hele vacantie er aan willen geven als ik zo gemakkelijk leerde als jij! Daar heb ik anders avonden voor nodig om het er in te krijgen en jij hebt het er in een paar uur tijd in!"

"Zorg maar liever voor een goed rapport, daar doe je me een groter plezier mee dan met al die complimentjes," gaf Rien te kennen.

Nu, het dient gezegd dat Gerard zijn best deed om geen spelbreker te zijn. Ze kenden meneer van Driel nu goed genoeg om te weten dat hij niet mee deed als ze niet alle vier met behoorlijke cijfers uit de bus kwamen. Maar ze kwamen met goede rapporten! Gerard had zelfs een flinke vordering gemaakt ten opzichte van het Paasrapport, dank zij die laatste maanden van serieuze studie en de hulp van Rien.

De eerste gang was naar de kamer van meneer van Driel, om hem het heugelijke nieuws te melden. Ofschoon die het al een paar dagen eerder wist, deed hij alsof hij enorm verrast was.

Toen het stel uitgejubeld was, zei hij resoluut: "Vanavond om zeven uur vergadering jongens! We moeten nu spijkers met koppen slaan en de laatste details bespreken. We moeten nog wat mondvoorraad meenemen, om zoveel mogelijk geld in ons zak te houden als we eenmaal op reis zijn. En nu eerst allemaal naar huis. Tenslotte gaat het je ouders meer aan dan mij, met welke cijfers jullie uit de bus komen."

Dat was een argument wat geen tegenspraak duldde. Een beetje rustiger nu, maar toch nog druk pratend gingen ze naar huis. Voor dat ze uit elkaar gingen, werden er nog de noodzakelijke vriendschappelijke porren uitgedeeld waarmee ieder zijn vreugde over het vooruitzicht van een prettige vacantie wilde uiten.

Rien had de woorden van meneer van Driel over het meenemen van mondvoorraad goed in zijn oren geknoopt. Hij nam zich voor het ijzer te smeden als het heet was, om zijn vader eens flink wat blikken levensmiddelen te ontfutselen. In diens kruidenierswinkel stonden tientallen soorten geconserveerde groenten, soep en dergelijke. Het beste kon hij er meteen over beginnen nadat hij zijn cijfers had laten zien, iets waar zijn vader altijd erg op gebrand was.

Zijn opzet slaagde volkomen. Vader Noppert was nooit scheutig met zijn complimenten, maar aan zijn gezicht zag Rien wel hoe trots hij was op zijn zoon.

"U hebt me al een paar keer gevraagd wat ik graag wilde hebben als mijn overgangsrapport goed was, maar vorige jaren wist ik het nooit," begon hij onhandig.

"Als ik zo naar je gezicht kijk, weet je het dit jaar wel, geloof ik," zei Noppert lachend.

"Nee, dat hebt U toch mis," antwoordde zijn zoon. "Eigenlijk weet ik weer niets voor me zelf, maar U kunt wel de club een reuze plezier doen."

"Over welke club heb je het?" vroeg zijn vader, zijn wenkbrauwen ophalend.

"Nou ja, met de club bedoel ik meneer van Driel, Gerard, Lex en Paul; en dan mijn persoontje natuurlijk. Meneer van Driel heeft iets gezegd over het meenemen van blikken levensmiddelen. Dat komt er dus op neer dat ieder iets mee moet nemen. Maar dat geeft zo veel verwikkelingen, vindt U ook niet?"

"Aha," zei vader langgerekt, "dus daar wil je mij voor op laten draaien als ik het goed begrijp!"

"We zijn maar een arme club vader en U zou toch niet willen dat we ons in de vacantie dingen moeten ontzeggen of misschien terug moeten gaan omdat het geld op is?"

"Ja, stil maar, ik geef me al gewonnen,"zei de kruidenier lachend. "Overleg maar eens met moeder, wat jullie nodig denkt te hebben en vraag dan eens wat je mee mag nemen, zonder dat je invoerrechten moet betalen aan de grens."

Nu, met moeder had Rien helemaal geen moeite. Als die haar jongen ergens een plezier mee kon doen, was ze daar altijd toe bereid en zo zaten die twee even later in een zwaar huishoudelijk gesprek gewikkeld.

Het resultaat was, dat het gezelschap voor een week groenten en soep mee kreeg en verheugd ging Rien die avond met de anderen naar meneer van Driel.

Het werd een geanimeerde "vergadering", waarbij overigens weinig belangrijks meer viel te bespreken. Meneer van Driel bleek te hebben gezorgd voor allerlei kleine, maar onontbeerlijke dingetjes die allemaal netjes ingepakt stonden, klaar om in de auto te worden geladen. Paul stelde nog voor om een draagbaar radiotoestel mee te nemen, maar dat werd door meneer van Driel beslist van de hand gewezen.

"Als de vacantie er op zit kun je weer vijftig weken lang iedere dag naar allerlei soorten muziek luisteren. Laten we deze paar weken asjeblieft verschoond blijven van lawaai."

En toen trok Paul zijn voorstel maar weer gauw in. Toen niemand nog iets belangrijks naar voren wist te brengen, stuurde meneer van Driel ze weer de deur uit. De voorbereidingen waren klaar!

HOOFDSTUK III

Braaf trok het vier-persoons auto'tje, waarin ze overigens met zijn vijven een behoorlijke zitplaats vonden, langs Neerlands vlakke wegen. Boven het snorren van de motor uit klonk het geluid van de strak gespannen riemen in de wind, die de bagage boven op het dak in de imperiaal bij elkaar hielden. Alles was deskundig vastgesjord, terwijl ook de bagageruimte in de auto zo productief mogelijk was benut. Oom Ton, zoals ze hem allemaal op zijn verzoek moesten noemen, zat vreselijk vals een deuntje te fluiten achter het stuur, terwijl de jongens zich vermaakten door elkaar allerlei bezienswaardigheden langs de weg te wijzen. Veel was dat overigens voorlopig niet. Ze reden op de grote weg tussen Utrecht en Den Bosch, waar links en rechts bouwland en weiden, voornamelijk het laatste, zich uitstrekten. De grote rivieren, die ze hier alle drie kruisten, Lek, Waal en Maas, vormden eigenlijk de enige onderbreking en dan natuurlijk de enorm hoge masten bij Lopik, die als scherpe naalden de lucht in priemden. Het was druk bij de weg. Grote personenwagens, (lelijk van mooiheid, zoals oom Ton het uitdrukte) zoefden langs hen heen met bijna roekeloze snelheid. Een Wegenwachter met zijn knalgele motor bracht groetend even zijn hand aan zijn helm bij het passeren. Voor hem was iedere auto, groot of klein, een weggebruiker die recht had op hoffelijkheid. Terwijl de jongens hem door het achterruitje van de auto na keken zagen ze hem op een afstand van een paar honderd meter datzelfde gebaar nog drie keer herhalen.

De wagen die het dichtst achter hen reed, een pronkjuweel van een Amerikaanse autoindustrie, had een bestuurder met een enorm grote sigaar tussen zijn lippen geklemd. Aan zijn hele gezicht was zelfs op deze afstand te zien dat hij zich zeer belangrijk voelde en hij nam dan ook niet de moeite, de groet van de man op de motor te beantwoorden.

"Wat een nare vent," kon Paul niet nalaten te zeggen en de anderen waren het roerend met hem eens.

De "naarling" maakte juist aanstalten hen met enorme vaart te passeren, toen uit tegenovergestelde richting een lange file auto's naderde die hem van dat plan terug deed komen. Met een grote boog kwam hij weer terug op het rechter gedeelte van de weg. Dat duurde een paar minuten zo, erg tegen de zin van de bestuurder in de auto achter de vrienden. Oom Ton zat op zijn gemak en scheen beslist niet van zins om ook maar iets harder te rijden al had hij dat gemakkelijk kunnen doen. Juist kwam er een eind aan de rij uit de tegenover gestelde richting toen een andere omstandigheid het de man in zijn dure wagen onmogelijk maakte om te passeren. Eén kant van de weg was namelijk opgebroken en daardoor ontstond een zo smalle rijbaan dat de borden met de aanduiding "inhaalverbod" er eigenlijk overbodig stonden. Geen zinnig mens zou het in zijn hoofd halen om hier te proberen een andere auto in te halen, zeker niet als die tachtig kilometer per uur reed, zoals oom Ton met zijn auto'tje. Maar de "grootgrondbezitter" zoals de jongens hem al hadden gedoopt, scheen niet tot de categorie "zinnige mensen" te behoren. Eensklaps deed hij een vertwijfelde poging om hen te passeren. Oom Ton reed zo veel mogelijk naar rechts om hem daartoe gelegenheid te geven. Het mocht hier wel niet, maar als die man daar nu beslist prijs op stelde, zou hij hem niet tegen werken. Maar weer kon die zijn voornemen niet tot uitvoer brengen. Een tegenligger bracht hem tot andere gedachten en opnieuw in het spoor van het kleine wagentje voor hem.

Met zijn geduld was het nu echter gedaan. Hevig toeterend gaf hij te verstaan dat er wat meer haast gemaakt moest worden. Maar daarmee was hij precies aan het verkeerde adres! Van achter het stuur bleef het schelle gefluit voortduren en zat oom Ton tergend kalm voor zich te kijken op de weg zonder het gaspedaal ook maar een greintje verder in te drukken. Hij onderbrak zijn fluitconcert alleen even door grinnikend op te merken: "En dan te weten dat hij nog zo vijf kilometer achter ons moet blijven!"

"Dat zal hij zeker wel weten," veronderstelde Rien. "Daarom maakt hij natuurlijk ook zo'n herrie."

"Tachtig kilometer per uur is een mooie snelheid," stelde oom Ton nog even vast en hervatte zijn marsliedje waar hij het had afgebroken.

"Toet toet!" loeide achter hen de machtige claxon van de haastige bestuurder in zijn slee.

Lex kon het niet nalaten; ergens uit één van zijn zakken toverde hij een flink papier en schreef er met scheve, maar duidelijke letters iets op om het vervolgens tegen het achterruitje van de auto te drukken.

Vanuit zijn plaatsje kon de heer Verbink, directeur van een grote fabriek duidelijk lezen: "DE BRAND IS AL GEBLUST".

"Wat gebeurt daar?" vroeg oom Ton streng, toen de drie jongens op de achterbank schaterlachten om de reactie van de woedende man achter het stuur.

"Een kalmerend briefje oom," zei Lex.

Op dat moment begon weer de claxon achter hen hevig te loeien.

"Een kalmerend briefje zei je toch hé?" zei oom Ton droog. "Wacht, hier zal ik wat dichter langs de kant gaan rijden. Ik geloof dat dat veel beter helpt dan dat briefje van jou."

Een paar seconden later raasde de grote auto langs hen heen. Oom Ton had gelijk, dat scheen hem inderdaad geheel te kalmeren. Toen....

De arm van een geüniformeerd iemand, een paar honderd meter voor hen, ging gebiedend omhoog toen de heer Verbink met grote snelheid naderde. Nog juist konden de jongens achterom kijkend, zien hoe de onfortuinlijke fabrikant zijn papieren aan de politieman gaf en ofschoon hem altijd was voor gehouden dat leedvermaak een uiting is van een lelijk karakter zat iedereen te genieten, oom Ton incluis.

"Wedden dat we eerder in Den Bosch zijn dan hij," zei de laatste. "Die heeft op dit stuk geen last meer van ons."

Een paar kilometer verder splitste de weg zich in een dubbele rijweg en hier gaf oom Ton wat meer gas, zodat ze al spoedig de hoofdstad van Noord-Brabant naderden. Je kon hier duidelijk merken dat het hoger was. Had tot nu toe weiland overheerst, hier was het meest akkers met rogge en aardappelen wat ze zagen, behoudens dan de parken die bij de grote villa's links en rechts van de weg hoorden. Zonder hindernissen trokken ze door Brabant in de richting Weert.

Van Weert ging het naar Roermond en daar zouden ze grens passeren. Maar alvorens dat te doen, besloot oom Ton, eerst nog op vaderlandse grond de benen wat te strekken. Op een terrasje even voorbij Roermond streken ze neer. Genietend als kinderen zogen de jongens aan hun flesje limonade. Oom Ton liet zien wat de eerste flinke plaats op Duitse bodem zou zijn, Mönchen-Gladbach. Geïnteresseerd volgden de vrienden de loop, die zijn vinger beschreef langs de autokaart. Het voorlopige doel was Keulen. Niemand van het viertal had nog ooit de beroemde Dom gezien en dat wilde oom Ton hen niet onthouden. Al wilde niemand van hen het bekennen, toch waren de knapen een beetje zenuwachtig nu ze voor het eerst de grenzen met het buitenland zouden passeren. Nog een kwartiertje en ze zouden voor het eerst van hun leven die sensatie beleven. Nadat oom Ton had afgerekend stonden ze meteen op en namen hun plaatsje weer in. Alleen werd er nu geruild. Gerard, die tot nu toe voorin had gezeten naast oom Ton, moest zijn plaats afstaan aan Rien en kwam nu op het meest ongunstige plekje te zitten, tussen de twee anderen in op de achterbank. En haast voor ze er erg in hadden waren ze bij de grenspost van de Nederlandse douane. Een stoer uitziende marechaussee stond aan de kant van de weg zich blijkbaar grondig te vervelen. Toen het kleine wagentje naderde, keek hij even vorsend naar de inzittenden om vervolgens een breed gebaar te maken ten teken dat ze door konden rijden.

"Dat gaat nogal gemakkelijk," vond Paul.

"Op de terugweg zal het wel anders gaan," voorspelde oom Ton. "Nu hebben we ons alleen te verantwoorden tegenover de Duitse douane die natuurlijk zo veel mogelijk moet beletten dat er contrabande het land wordt binnengevoerd. Overigens hebben die heren je al gauw door; ze weten langzamerhand wel, wat voor vlees ze in de kuip hebben. De mensen waar ze op moeten letten staan wel gesignaleerd en voor het overige zijn het over het algemeen uitstekende mensenkenners; een kwestie van routine."

Hij had de woorden nog maar net gesproken toen het eerste contact met een Duits onderdaan tot stand kwam. Met een brede armzwaai naar rechts beduidde een in grijsgroen uniform gestoken grensbeambte dat ze moesten stoppen.

"Grenspapieren voor U en de auto alstublieft," klonk het.

Toen dat in orde bleek te zijn keek de douanier nog even onderzoekend rond in de auto.

"Niets aan te geven zeker?" vroeg hij.

Het antwoord luidde natuurlijk ontkennend en daarmee was de zaak al in orde.

"Goede reis en prettige vacantie," wenste de man der wet vriendelijk.

Het hele geval had nauwelijks twee minuten geduurd en weldra trokken ze de onbekende verte in. Vooralsnog verschilde het landschap niet veel met dat in Limburg. Het werd wel iets meer heuvelachtig, maar opvallend was dat nog niet. Wat wel opviel was de bouw van de huizen. Die werden over het algemeen iets grauwer van kleur en hadden bijzonder kleine raampjes vergeleken met de woningen in Holland waar alles op licht en lucht gebouwd was. Oom Ton bleek een onderhoudend verteller. Voor zover hij zijn aandacht niet te veel bij het verkeer op de weg moest bepalen, vertelde hij zo veel mogelijk bijzonderheden over alles wat ze onderweg zagen.

Gladbach-Rheydt was de eerste flinke plaats waar ze doorheen moesten, van Roermond af een kleine vijftig kilometer. Veel moois was er voorlopig eigenlijk nog niet te zien en al zei niemand het, in hun hart voelden de jongens zich alle vier een beetje teleurgesteld. Moesten ze nu zo ver van huis gaan om iets dergelijks te zien? Langzamerhand werden de reacties op hetgeen oom Ton vertelde dan ook wat minder enthousiast en gesprekspauzen langer. Zo naderden ze zwijgend Gladbach-Rheydt.

"Br, wat een troosteloze boel is het hier," zei Lex.

Het was alles wat er van gezegd werd want het antwoord op die opmerking was slechts een zwijgend knikken van zijn makkers. Oom Ton reageerde in het geheel niet. Hij kon zich de teleurstelling wel enigszins begrijpen. Gelukkig wist hij wat voor moois hen nog allemaal te wachten stond na deze weinig opwekkende rit. Zodra ze buiten de stad waren verhoogde hij het tempo iets, om zo spoedig mogelijk Keulen te bereiken. Dan zouden de reacties wel anders worden, veronderstelde hij.

Hij bleek het bij het rechte eind te hebben. In Keulen reed hij zonder omwegen in de richting van de imposante kathedraal, de beroemde Dom. Geweldig stond het enorme gebouw daar midden in de stad, met zijn duizenden uitgebouwde torentjes, die alle loodrecht naar de hemel wezen. Rien stond al direct klaar met zijn fototoestel dat hij had meegenomen, als een echte tourist die er op uit is, van alles een zichtbare herinnering mee naar huis te nemen. Maar om het hele gebouw in zijn lens te krijgen had hij minstens honderd meter terug moeten lopen en daarom gingen ze voorlopig eerst maar naar binnen.

Eerbiedig voor de bouwkunst van die oude bewoners hier stonden ze vluchtig in het rond te kijken. Maar oom Ton ging hen al spoedig voor om te wijzen op alle bezienswaardigheden. Tussen de talloze pilaren door viel het daglicht via de gebrandschilderde ramen in duizenden kleurfacetten naar binnen en oom Ton legde hen uit wat de figuren die er in uitgebeeld waren, moesten voorstellen. Levensgrote standbeelden, liggend op hun graftombe, toonden de beeltenissen van lang geleden overleden kardinalen en bisschoppen. Achter de kathedraal waren verschillende kamertjes afgezet, met daarin de biechthokjes, zoals oom Ton uitlegde, die nog steeds in gebruik waren. In een andere hoek van het gebouw was een ingang naar een speciaal vertrek, waar enige tientallen mensen samen groepten.

"Daar ligt voor een paar millioen opgeslagen," wist oom Ton te vertellen.

"Voor een paar millioen?" vroeg Gerard.

"Hier liggen al de sieraden van de verschillende kardinalen en andere hoogwaardigheidsbekleders uit vroeger dagen," legde oom Ton uit.

Nieuwsgierig bleven de knapen ook even stil staan, maar op een afstand was er natuurlijk niets te zien van alle kostbaarheden.

Het was druk in de kathedraal. Tientallen mensen schuifelden voorwaarts, elkaar fluisterend wijzend op bijzonderheden. En ofschoon de knapen erg onder de indruk waren van alles wat ze hadden gezien, waren ze toch weer blij toen ze buiten stonden in de frisse lucht en hun stemmen weer luider konden doen klinken. Rien kreeg nog even gelegenheid om zijn kiekje te nemen en daarna gingen ze weer vlug naar de auto. Ze wilden iets anders zien dan veel mensen om zich heen en hoge huizen in een stad, die nog de sporen droeg van de laatste wereldoorlog. Nog een half uurtje was het rijden naar Bonn en van daar af zouden ze het gezicht krijgen op de uitlopers van het Zevengebergte dat zich vanuit het binnenland uitstrekte tot aan de boorden van de Rijn. Langs de machtige Autobahn bereikten ze weldra de hoofdstad van de Duitse Bondsrepubliek, een bijzonder mooie stad. Maar nog hadden ze geen rust, over de Rijnbrug ging het langs de andere kant van de Rijn in de richting van Königswinter. Het was inmiddels drie uur in de middag geworden en oom Ton stelde voor dat ze regelrecht naar een camping, een kampeerplaats zouden gaan om hun bivak voor de nacht op te slaan. Daarna konden ze dan altijd nog zien hoe ze de rest van de dag door wilden brengen.

De jongens legden zich stilzwijgend bij zijn voorstel neer. Geen van hen had eigenlijk een idee, wat ze anders moesten doen en ze lieten alles maar over aan hun oudere en meer ervaren reisgezel.

Hier, tussen de bergen van een zes- á zevenhonderd meter begonnen ze de tocht pas interessant te vinden. Met totaal onoverzichtelijke bochten slingerde de weg zich dwars door de bergen heen naar het Zuiden.

"Kurvenreicke strecke" lazen ze om de paar kilometer; bochtige weggedeelten. Nu, ze merkten het! Op sommige plaatsen zagen ze een straatweg plotseling vijftig meter diep onder zich liggen. Een minuut later kwamen ze dan tot de ontdekking dat het de weg was, die zij te volgen hadden. Via een bocht van soms honderdtachtig graden, een zogenaamde haarspeldbocht, reden ze dan plotseling in omgekeerde richting een heel eind de laagte in. Oom Ton zei hier niets meer, de opmerkingen die de jongens maakten over het waarlijk fantastische uitzicht scheen hij niet te horen en al zijn aandacht was gericht op de weg. Hier en daar passeerden ze een klein dorpje, dat als verdwaald tegen de hellingen lag.

Dan, tussen twee toppen door, kregen ze plotseling het gezicht op een oude, vervallen ruïne, die op het uiterste puntje van een andere berg was gebouwd.

"De Drachenfels," zei oom Ton zonder op te kijken, toen hij de opmerkingen van de jongens hoorde. "Van daar komt de bekende legende van de Lorelei, die passerende schippers in de ban bracht van haar prachtige stem, waardoor ze met hun schip verongelukten door tegen de rotsen aan te varen."

Met hernieuwde belangstelling bekeken de vrienden de ruïne, die scherp afstak in de heldere lucht, als een eenzame wachter bij vader Rijn. Een beeld van vergane glorie der Middeleeuwse roofridders, die op dergelijke strategische plaatsen hun beruchte roofnesten bouwden, vanwaar ze de hele omgeving tot op kilometers afstand konden overzien. Menige karavaan, beladen met eerlijk gekochte koopmansgoederen, was van daar uit bespied om ten prooi te vallen aan de roofzucht der barbaarse "edellieden". Het hele gebied langs de Rijn was toen trouwens bezaaid met dergelijke kastelen, daar gebouwd door duizenden slaven, waarvan er honderden de dood hadden gevonden omdat ze het onmenselijke zware sjouwen met de enorme steenblokken niet vol konden houden langs de toen schier onbegaanbare bergpaden die zich in die tijden tegen de steile hellingen slingerden.

Dat alles realiseerde ons viertal zich gelukkig niet direct toen ze de eenzame steenmassa daar hoog in de ijle lucht zagen oprijzen, nog, na zoveel eeuwen, ongenaakbaar naar het scheen.

Op een parkeerplaats liet oom Ton de auto even stoppen. Volgens de kaart die hij bij zich had, moesten er in de buurt van Königswinter verschillende plaatsen zijn waar ze hun tent konden opslaan. De keus viel tenslotte op een "Campingplatz" bij Honnef, een paar kilometer voorbij het touristencentrum, dat Königswinter vormde. Oom Ton veronderstelde dat het daar wat rustiger zou zijn dan hier, zo dicht onder de omgeving van de stad, terwijl ze toch vandaar uit in korte tijd alle bezienswaardigheden in de buurt konden bezoeken.

Een half uurtje later draaide het auto'tje met een grote bocht een hobbelig weggetje in, de toegang tot de Campingplatz van Mutter Veronica.

HOOFDSTUK IV

De eerste indruk, die ze kregen van het kampeerterrein was niet bepaald gunstig te noemen. Een met prikkeldraad afgezet terreintje met aan één kant een paar lage, houten gebouwtjes, dat was ongeveer de gehele outillage, waarover men hier beschikte, naar het scheen.

"Dat ziet er niet zo uit als in Nederland," merkte Lex op, doelend op de weinig zindelijke staat waarin die gebouwtjes dan nog verkeerden.

"Misschien valt het bij nader inzien wel mee," troostte oom Ton. "Je moet de dingen tenslotte niet zo veroordelen alvorens je ze goed hebt gezien!"

Maar het bleek niet mee te vallen. Het enige wat prettig aandeed, was het welkom dat hen werd toegeroepen. Mutter Veronica, een klein vrouwtje op leeftijd, kwam al naar hen toe zodra oom Ton het contactsleuteltje had omgedraaid en het auto'tje voorlopig rust kreeg.

In bijna onberispelijk Nederlands sprak ze het gezelschap toe.

"Goedendag Hollanders en welkom op de kampeerplaats", zei ze onweerstaanbaar vriendelijk.

"Goedenmiddag" zei oom Ton. "Kunnen we hier vannacht onze tent opzetten?"

"Natuurlijk, natuurlijk," riep het vrouwtje ijverig. "Zoekt U toch vooral een goed plaatsje. Dan zie ik U straks wel in de winkel terug."

Een goed plaatsje! Dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan want het terrein was er oneffen. En wat ze bij de eerste aanblik nog niet hadden gezien, dat zagen ze nu. Langs een kant van de kampeerplaats liep een klein stroompje niet breder dan een meter. Daarlangs, of liever, daarachter liep de grond tamelijk steil omhoog. Had oom Ton eerst een goede hoop gehad dat alles wel mee zou vallen, nu was hij de eerste die begon te mopperen.

"Zoiets noemt men hier een camping," bromde hij, terwijl hij nog eens rond keek om de meest gunstige plaats uit te zoeken die er nog vrij was.

Nog een stuk of tien andere tenten stonden namelijk verspreid over het terreintje. Er was echter bij al die tenten bijna niemand te zien. De meeste tijdelijke bewoners hadden kennelijk de boel afgesloten en waren op stap gegaan in de omgeving.

Achter het riviertje, tegen de helling besloot oom Ton tenslotte de twee tenten op te slaan. Mocht het dan gaan regenen, dan zouden ze niet direct last van het binnenstromende water krijgen want onder die weersomstandigheden zag het er voor de bewoners van de tenten op het middenterrein maar droevig uit. Met zijn vijven stonden ze even later alles op poten te zetten voor de nacht. Aan de hoge kant van de tenten werd veiligheidshalve nog een dammetje opgegooid om eventueel regenwater in een andere richting te leiden. Binnen drie kwartier was alles in orde en stond oom Ton goedkeurend te knikken.

"Ziezo, er kan ons tenminste vannacht niets gebeuren," zei hij tevreden. "En nu gaan we eens horen wat onze gastvrouw allemaal te vertellen heeft. Gaan jullie mee?"

Iedereen stemde in, om de eenvoudige reden dat ze anders toch niet wisten wat ze moesten doen.

De winkel bleek te bestaan uit een afgesloten ruimte in een soort cantine. Het meubilair in die cantine bestond uit wat wrakke tafels, een paar stoelen die die naam eigenlijk niet waard waren en verder een paar grote tafels met wat speelmateriaal, voornamelijk apparaten met veel knoppen en handles waarvan de werking hen voorhands niet duidelijk was. Alles zag er onfris uit en het geheel maakte meer de indruk van een schuilgelegenheid voor arbeiders ergens midden op het land.

Nadat oom Ton het financiële gedeelte van hun verblijf had afgehandeld werden meteen de wasgelegenheid en de toiletten aan een inspectie onderworpen. Die wasgelegenheid bestond uit een serie oude wastafels van verschillend formaat en daarboven een heel stel even verschillende spiegels. Dat alles had slechts één ding gemeen; het was allemaal gebarsten, althans alles wat van porcelein of glas was.

Rien haalde zijn neus eens op.

"Als ik een voorstel mag doen," zei hij, "dan doen we hetzelfde als het grootste deel van kampeerders hier en gaan we er gauw vandoor, de bergen in."

"Ik voel er meer voor om eerst wat te eten," zei Gerard. "Na het eten kunnen we altijd nog wat gaan wandelen."

Dat idee vond algemene instemming. Weldra stond de primus met veel geraas zijn hitte te verspreiden voor de ingang van de tent en kwam er uit een fikse pan de onmiskenbare geur van bruine bonen, in een paar blikken rechtstreeks uit Nederland gekomen. Een enorme worst, die oom Ton ergens uit de auto haalde zorgde voor een welkome aanvulling van de anders wat eenzijdige maaltijd.

In recordtempo werd alles soldaat gemaakt. De pan en de borden werden voorlopig afgespoeld in het stroompje en vervolgens maakten ze zich op om de bergen in te gaan.

Het was een van de weinige positieve kanten die het kampeerterrein had, dat het gunstig lag tegen de voet van de bergen. Onmiddellijk buiten het hek begon de weg al te stijgen, eerst nog vrijwel onmerkbaar, maar allengs werd het lopen moeilijker.

"Kalmpjes aan," waarschuwde oom Ton, toen Paul begon te hollen. "Over een half uurtje heb je je adem heus nodig, dus span je nog niet te veel in."

"'t Zou wat," zei Paul overmoedig en hervatte meteen zijn holpartij. Gerard volgde zijn voorbeeld en als twee uitgelaten veulens holden die twee langs het allengs smaller wordende bergweggetje.

Rien en Lex gedroegen zich wat bezadigder en volgden de raad van oom Ton op. Het wegdek bestond hier uit ruwe steentjes met verraderlijk scherpe kanten en het was maar goed dat ze allemaal een paar stevige schoenen aan hadden, waardoor ze daar niet zoveel last van hadden. Ze keken van hieruit al neer op de camping en op een afstand konden ze zien hoe de Rijn zich slingerend een weg zocht tussen de bergen door. Weliswaar was het hoogteverschil op de andere oever niet zo groot als aan deze zijde, maar men kon toch nog gerust spreken over bergen, want voor Nederlandse begrippen waren ze nog behoorlijk hoog.

Last van verkeer hadden ze hier niet, in de hele omgeving was geen mens te zien. Paul en Gerard hadden hun holpartij wijselijk ook maar gestaakt en genietend van de prachtige omgeving liep het vijftal verder.

Plotseling scheidde de weg zich in tweeën. Linksaf kon men blijkbaar weer naar beneden, terwijl de weg naar rechts, de smalste van de twee, verder naar boven voerde.

"Wat willen jullie," vroeg oom Ton lachend, "moeten we nog hoger gaan of hebben jullie voor vandaag je portie gehad?"

Dat laatste had hij er niet bij moeten zeggen, want dan kwam het hele viertal in zijn eer te na. In hun hart waren ze misschien liever naar beneden gegaan, maar die uitdaging aanvaardden ze direct.

"Hoger," zei Paul vastbesloten. "Als U denkt dat U ons nu al klein heeft, dan zit U er toch glad naast."

Ook zijn makkers stemden direct mee in en aldus werd de weg naar rechts gekozen. Het begon nu pas goed ernst te worden naar het scheen. Af en toe kwamen ze langs hellingen, bij welke ze amper naar beneden durfden te kijken, zo steil waren ze. Enorme rotsblokken rezen hier en daar omhoog soms schuin over het smalle weggetje hangend alsof ze ieder ogenblik voorover konden storten.

"Ik vraag me af waar we terecht zullen komen."

Het was Rien die de stilte verbrak, nadat ze een tijdlang zwijgend door waren gelopen. Ze waren langzamerhand het hoogste punt genaderd van de berg die ze beklommen. Op hetzelfde moment kwam het antwoord. Vlak voorbij een scherpe bocht eindigde het weggetje bij een klein hotelletje. Het stond op een plateau en vanaf het terras had men een overweldigend uitzicht op de omgeving. Als op een afgesproken teken stapten ze zonder aarzelen het terras op en namen plaats op een van de stoeltjes.

Het vreemde was, dat er niemand te voorschijn kwam om te vragen wat ze wensten. Niet dat ze daar nu direct behoefte aan hadden, maar het was toch wel erg zonderling dat ze zo lang alleen gelaten werden, terwijl ze toch kennelijk de enige bezoekers waren.

Toen ze zo een paar minuten hadden gezeten, ging oom Ton eindelijk eens poolshoogte nemen om te zien waar de waard, of wie het dan ook mocht zijn, toch bleef. Op zijn gemak slenterde hij naar binnen, terwijl de vier knapen achter bleven.

"Gekke bedoening is het hier," vond Lex. "Als je bij ons ergens gaat zitten, is er meteen een kellner bij je. En zeker als er verder niemand is die hij moet bedienen."

"Misschien hebben ze ons nog niet gezien," veronderstelde Paul, maar hij geloofde zelf niet erg wat hij zei.

Op dat ogenblik kwam oom Ton naar buiten. In een oogopslag zagen de jongens dat er iets aan de hand moest zijn. Oom Ton keek een beetje strak en hij scheen niet te weten wat hem te doen stond.

"Wat is er aan de hand?" vroegen vier stemmen tegelijk.

"Kom maar mee, dan zal ik het je laten zien," zei oom Ton. "Het schijnt hier rumoerig te zijn toe gegaan."

Binnen werd duidelijk, wat hij bedoelde met die woorden. Toen de vrienden nieuwsgierig en een beetje gespannen de gelagkamer in keken moesten ze eerst even wennen aan het halfduister dat er hing. Maar toen hun ogen daar aan gewend waren, zagen ze een enorme ravage. De vloer was bezaaid met glasscherven en gebroken bierglazen, stoelen lagen schots en scheef door het vertrek en bij een ervan ontbrak er een poot. De meeste aandacht ging echter direct uit naar een man, die in een hoek van het vertrek op de grond zat, temidden van al die rommel. Hij was kennelijk een beetje versuft, want hij zat verwezen voor zich uit te staren. Op zijn linkerarm, zichtbaar onder de opgestroopte mouw, zat een grote bloedvlek en ook aan zijn gezicht waren de sporen te zien van een bloedig gevecht. Het was duidelijk genoeg wat er was gebeurd; er was hier een hevige vechtpartij aan de gang geweest. Het hoe en waarom deed er voorlopig niet zo veel toe, belangrijker was dat er geholpen werd.

Oom Ton knielde bij de man neer.

"Hoe voelt U zich?" vroeg hij in het Duits.

De man knikte hem eens vaag toe, alsof hij wilde zeggen dat alles in orde was.

"Niets gebroken? Kunt U staan?" informeerde oom Ton verder.

"Ik zal het eens proberen," zei de ander moeizaam en begon pogingen in het werk te stellen om overeind te komen.

Verder dan tot op zijn knieën kwam hij echter niet, toen dreigde hij weer achterover te zakken. Oom Ton greep hem echter onder de oksels vast en hees hem overeind.

"Een stoel," zei hij tegen Rien, die ijlings zorgde voor een zitplaats voor de gewonde.

Die glimlachte dankbaar naar de kennelijk onverwachte hulp.

"Dat is beter," zei hij met een vage glimlach.

"Bent U alleen?" vroeg oom Ton, nadat hij de man zo gemakkelijk mogelijk had neergezet.

Even kwam een pijnlijke trek op het gezicht van de man, toen knikte hij bevestigend.

"Maar U moet naar bed, U moet verzorging hebben!" zei oom Ton. "Hoe lang heeft U daar op de grond gezeten of gelegen?"

De waard of wie de gewonde ook mocht zijn, haalde de schouders op.

"Ik weet het niet," zei hij, "ik schijn een poosje buiten bewustzijn te zijn geweest. Maar nu gaat het al wat beter; laat U mij maar verder begaan."

Maar dat weigerde oom Ton beslist.

"Vertelt U me maar, waar Uw bed is, dan zal ik U er heen brengen. En dan moet er een dokter komen. Heeft U hier telefoon?"

De man schudde het hoofd. "Bij het hotel voorbij de splitsing, achthonderd meter hier vandaan," zei hij.

"Daar ga ik wel naar toe," zei Lex.

"Ik ga met je mee," zei Rien onmiddellijk.

"Goed." knikte oom Ton. "Dan blijven Paul en Gerard hier om me te helpen als dat nodig mocht zijn."

Terwijl hij aanstalten maakte om de man naar bed te brengen, stapten Rien en Lex meteen op om deskundige hulp te halen.

Aan de overkant van de Rijn, op de Westelijke zijde, begon de zon al lager te zakken en toverde een geweldige gloed op het water maar de twee vrienden hadden er geen enkele belangstelling voor. Ze begrepen wel niets van de omstandigheden waaronder de man in de herberg in zo'n netelige situatie was gekomen, maar het stond wel vast dat er zo spoedig mogelijk doktershulp moest komen.

"Ik snap niet hoe ze die man zo aan zijn lot hebben kunnen over laten," verbrak Lex de stilte, nadat ze een poosje zwijgend door waren gelopen.

Rien haalde zijn schouders op.

"Er is kennelijk een fikse vechtpartij aan de gang geweest,en daarvan is hij het slachtoffer geworden," zei hij.

"Dat begrijp ik," zei Lex, "maar dan laat je iemand toch maar niet zo, zonder enige verzorging achter! Als wij niet toevallig langs waren gekomen, had die man er misschien nog een paar dagen gelegen."

"Hij schijnt niet getrouwd te zijn, of andere huisgenoten te hebben," meende Rien. "Toen je oom vroeg of hij alleen was, zag ik zijn gezicht vertrekken en hij ging er niet verder op in."

Nu was het de beurt van Lex om de schouders op te halen.

"Ach, wat doet het er eigenlijk ook allemaal toe," zei hij. "Hier moeten we dus rechtsaf."

"Daar heb je het hotel al," zei Rien. "Dat zal hij bedoeld hebben. Wil jij het woord doen? Jouw Duits is tenslotte altijd nog beter dan dat van mij. Op papier kan ik er aardig mee terecht, maar zodra ik met een rasechte Duitser in gesprek kom, sta ik met mijn mond vol tanden."

"We zullen wel zien, hoe het gaat," antwoordde Lex. "Ik ben er ook geen kei in, maar we zullen ze daar in ieder geval wel aan hun verstand kunnen brengen wat er aan de hand is."

Ze stonden nu voor een massief gebouw, iets heel anders dan waar ze rechtstreeks vandaan kwamen. Even aarzelden ze, toen stapte Lex resoluut naar de grote voordeur, die op dat moment gesloten scheen te zijn. Lex gaf er een paar fikse duwen tegen, maar de deur gaf geen centimeter mee. Een bel was ook nergens te bespeuren, en dus restte de knapen weinig anders, dan een paar flinke harde bonzen te geven op het zware hout. Toen het te lang ging duren naar hun zin, probeerden ze het nog een keer samen. Met hun stevige jongensknuisten beukten ze op de deur, alsof ze er dwars doorheen moesten.

"Het gaat hier allemaal wel vreemd toe in de hotels," merkte Rien op. "Zo meteen zul je beleven dat er hier ook al ruzie is geweest en dan..."

Op dat ogenblik hoorden ze voetstappen achter de deur. Even later ging die met een brede zwaai open en in de deuropening stond een nog vrij jonge man.

"Goedenavond," zei Lex in zijn beste school-Duits. "Wij komen van het hotel, hier ongeveer achthonderd meter vandaan. Daar ligt iemand gewond, zonder enige verzorging. Omdat wij hier helemaal vreemd zijn wilden we U vragen of U misschien een dokter op kunt bellen."

Even gleed er een wrevelige trek over het gezicht van de man tegenover hen en het scheen alsof hij hen met een snauw aan de deur af wilde schepen. Toen scheen hij zich echter te bedenken.

"Heeft mijnheer Mayer jullie hierheen gestuurd?" vroeg hij.

"Als U de hotelhouder bedoelt, nee," zei Lex. "Hij zei alleen dat U telefoon hebt en het is natuurlijk logisch dat we hier meteen naar toe gekomen zijn."

"Eerst eens binnen horen, wat ze daar van zeggen." zei de man.

En voordat de jongens er erg in hadden, werd de deur voor hun neus dicht geslagen en verwijderden de voetstappen zich weer.

Een beetje verbouwereerd stonden de jongens te kijken. Ze vonden het allemaal maar erg vreemd hier. Wat viel er nu te vragen? Het was toch heel eenvoudig! Er lag daar hoger in de bergen iemand gewond en daar moest geneeskundige hulp voor komen. Geen normaal denkend mens zou het in zijn hoofd halen om dan het gebruik van zijn telefoon te weigeren. Een paar minuten stonden ze zo te wachten, zich verdiepend in bespiegelingen over de vreemde houding van die jonge man. Toen trok Rien de stoute schoenen aan. Zonder aan Lex te vragen hoe die over zijn voornemen dacht, opende hij de deur, die niet afgesloten was nadat de bewoner hem geopend had, en stapte naar binnen. Lex volgde hem op de voet, nieuwsgierig en een beetje gespannen naar wat hen daarbinnen stond te wachten. Ze kwamen in een tamelijk brede gang, geheel onverlicht. Even moesten hun ogen wennen aan het halfduister dat er heerste en aarzelend stonden ze om zich heen te kijken. Ergens uit het donker drongen stemmen tot hun door, twistende stemmen, naar het hun leek. Ofschoon ze het niet woordelijk konden verstaan, drongen er toch flarden van het gesprek tot hun door.

"Dan had hij maar niet zo eigenwijs moeten zijn," hoorden ze de stem van de jongeman zeggen die hen aan de deur te woord had gestaan.

"We mogen iemand, die in nood zit, niet aan zijn lot overlaten," kwam een bezadigde stem van een blijkbaar ouder iemand.

Daarna werd er wat zachter gesproken en konden de vrienden niet verstaan waar ze het over hadden. Eén keer vingen ze echter ook de stem van een vrouw op, maar die sprak zo zacht dat de betekenis van de woorden geheel verloren ging voor de jongens in de gang.

"Wat doen we nu?" vroeg Lex fluisterend aan zijn vriend.

Ze konden hun omgeving nu wat beter opnemen.

"We lopen gewoon door," zei Rien vastbesloten. "Het is toch te dwaas dat ze ons maar laten wachten! Het lijkt warempel wel of we een stel bedelaars zijn, dat om een aalmoes komt vragen en daarom aan de deur afgescheept moet worden. Kom mee!"

"Maar we kunnen toch niet zo maar een wildvreemd huis binnendringen," wierp Lex een beetje aarzelend tegen.

"Ik zal mijn aanwezigheid gauw genoeg bekend maken," zei Rien grimmig.

Zonder nog een woord met zijn makker te wisselen, liep hij in de richting vanwaar het geluid kwam. De stemmen werden nu steeds duidelijker hoorbaar. Blijkbaar scheen men langzamerhand tot een vergelijk te zijn gekomen, want de gemoederen leken niet meer zo verhit te zijn. Zelfs de stem van de jonge kerel werd nu wat gemoedelijker. En op het ogenblik dat Rien de knop van de deur in zijn hand nam werd die van de andere kant geopend en stond hij oog in oog met de man, die hem verbaasd en een beetje ontstemd aankeek.

"Wat komen jullie hier doen?" vroeg hij.

"Het ging ons wat te lang duren meneer," zei Rien brutaal. "U schijnt te zijn vergeten waarvoor we hier zijn gekomen."

"Dat ben ik niet," beet de ander hem toe. "Maar jij schijnt niet te weten, dat ik mijn buurman al wat langer ken dan jullie en dat hij tegenover ons ook niet altijd even welwillend is geweest."

"Laat die jongens eens binnen Rudolf!" riep de stem van de oudere man in de kamer. "Het is toch niet erg gastvrij om ze steeds bij de deur aan de praat te houden."

Onwillig liet zijn zoon, dat was het kennelijk, de jongens de kamer binnen. Het was een gezellige kamer, waarin ze terecht kwamen. Langs de wand hingen allerlei jachttrofeeën, maar verder was de kamer een volmaakt beeld van huiselijke gezelligheid. De heer des huizes zat in een grote stoel in een hoek van de kamer. Blijkbaar was hij invalide, want naast hem, tegen zijn stoel, stonden een paar stokken. Tegenover hem, in de andere hoek, zat een bejaarde dame,waarschijnlijk zijn vrouw. Ook zij scheen moeilijk ter been te zijn. Want ofschoon ze eerst op wilde staan om de jongens te begroeten, liet ze zich direct daarop weer terug zakken in haar stoel.

"Zo jongens, en vertel nu nog even in het kort wat er aan de hand is," zei de oude baas, nadat hij de jongens een stoel had laten nemen.

Bondig vertelde Lex, in welke toestand ze meneer Mayer, zoals de zoon des huizes hun buurman had genoemd, hadden gevonden in zijn eenzame berghotel.

"Maar daar moet direct iets aan gedaan worden," zei de oude baas.

Hij nam de hoorn van de telefoon, die naast hem stond, in de hand en draaide een nummer.

Direct daarop had hij al verbinding en hoorden de jongens hem zeggen: "U spreekt hier met Bellwinkel van hotel "Rijnzicht" dokter. Zoudt U zo goed willen zijn om meteen naar mijn buurman, meneer Mayer te gaan?"

Van de andere kant van de lijn scheen een verbaasde reactie te komen.

Maar de heer Bellwinkel wimpelde alle vragen af door te zeggen: "Nee, een paar mensen die iets wilden gebruiken bij hem, vonden hem gewond. Het schijnt, dat er gevochten is en hij lag alleen, bewusteloos in de gelagkamer...Ja, dank U zeer dokter."

"Ziezo, dat is geregeld," zei hij daarop tevreden. "Ik vind het erg prettig dat ik meneer Mayer van dienst heb kunnen zijn. Over een half uur zal de dokter al bij hem zijn."

"Prachtig, ik dank U wel," zei Lex voor de vrienden.

"Geheel tot jullie dienst jongens," zei meneer Bellwinkel vriendelijk. "Als jullie meneer Mayer nog mochten zien, breng hem dan vooral mijn vriendelijke groeten over. Willen jullie dat voor me doen?"

"Ja natuurlijk meneer," haastte Lex zich te antwoorden. "U kunt er beslist op rekenen."

Na die woorden namen ze afscheid van de familie Bellwinkel, waarbij zelfs zoon Rudolf hen tamelijk vriendelijk toeknikte. Maar hij was de enige van het drietal, die niet zijn groeten over liet brengen aan de gewonde, dat viel de beide vrienden duidelijk op.

In snel tempo aanvaardden ze de terugweg naar de hoogte.

Daar stond oom Ton hen al op te wachten voor de deur.

"Wat zijn jullie lang weggebleven," zei hij een beetje verwijtend. "We hadden ons langzamerhand al een beetje ongerust gemaakt."

Rien en Lex lieten het voorlopig maar zo. Het leek hun nu niet het meest geschikte ogenblik om te vertellen van de eigenaardige houding, die Rudolf Bellwinkel had aangenomen tegenover hen, toen hij van het doel van hun tocht hoorde.

"Over een klein half uur zal de dokter hier zijn," was het enige wat Lex zei.

"Mooi zo," antwoordde oom Ton. "En als die er is, gaan wij meteen terug naar de camping. Het is langzamerhand pikdonker geworden door dat grapje."

"Hoe is het met de patiënt?" vroeg Rien.

Oom Ton haalde zijn schouders op, terwijl hij voor de beide jongens aan naar binnen liep.

"Het lijkt me, dat hij een hersenschudding opgelopen heeft. Alle verschijnselen wijzen daar op. Maar het gevaar is er, voor zo ver ik het kan bekijken, niet direct bij. Enfin, we zullen eerst maar eens afwachten wat de dokter te zeggen heeft. Dan knappen we die op met deze zaak, want ik vind het maar een vreemde geschiedenis."

"Ik ook," zei Rien met een knipoogje naar Lex, die de anderen ontging.

"Het lijkt me, dat al die ravage in de gelagkamer niet is veroorzaakt door één enkele man. Dat moeten er minstens drie of vier zijn geweest," vervolgde oom Ton zijn bespiegelingen. "En dat dan niet één van die kerels de moeite heeft genomen om terug te komen!"

Een beetje doelloos zaten ze in de kamer naast die van de zieke te wachten op de komst van de dokter.

"Een rare situatie," vond Gerard. "Daar zitten we op onze eerste vacantiedag in een wildvreemd hotelletje voor ziekenverzorger te spelen!"

"Het is in ieder geval weer eens wat anders dan gewoon," vond Paul.

Maar Gerard haalde zijn neus op en zei: "Nou geef mijn portie maar aan Fikkie. Ik had me er eerlijk gezegd wat anders van voorgesteld."

Op dat ogenblik klonk buiten het ronken van een motor. Oom Ton stond meteen op om naar buiten te gaan. Het bleek de dokter te zijn, een nog jonge man. Nadat hij zich had voorgesteld, liep hij meteen door naar de kamer, waar de zieke waard lag, terwijl het vijftal bescheiden wachtte in de gelagkamer.

Lang duurde het onderzoek niet. Tien minuten later voegde de dokter zich al weer bij hen.

Nog voordat iemand iets had gevraagd, zei hij: "Een flinke hersenschudding, maar voor het overige valt het geloof ik, nog al mee. Hij zal voorlopig plat moeten liggen, liefst in het donker. Kent U de heer Mayer?"

"Wij zijn toevallige voorbijgangers," gaf oom Ton te kennen. "We zijn Hollanders en hebben onze tent opgeslagen op de Campingplatz beneden."

De dokter floot bedenkelijk.

"Dan kunt U me dus ook niet verder helpen," zei hij. "Kijkt U eens, meneer Mayer kan natuurlijk niet zonder verzorging. Ik had gehoopt dat U daarvoor zou kunnen zorgen, maar dan mag ik dit natuurlijk niet van U verwachten. Er zal dus andere raad geschaft moeten worden."

Even keek hij bedenkelijk voor zich. Toen nam zijn gezicht een vastbesloten uitdrukking aan.

"Dan zal ze nu toch moeten bewijzen dat ze nog iets om haar vader geeft," zei hij.

En toen oom Ton en de jongens hem niet begrijpend aan keken vervolgde hij: "Ik kan me voorstellen dat mijn woorden een beetje raadselachtig klinken. Maar meneer Mayer heeft een dochter die in het dorp woont. De verhouding tussen die twee is een beetje gespannen, maar dat is een verhaal op zich zelf en te lang om hier te vertellen. In elk geval ga ik nu naar haar toe en ik neem aan, dat zij wel bereid zal zijn, haar vader te helpen en te verzorgen."

"Wel, dan gaan wij er nu maar vandoor," zei oom Ton. "Tenslotte kunnen we hier verder toch niets meer doen. Het zal wel niet prettig zijn voor meneer Mayer, dat hij hier zo in zijn eentje achterblijft, maar we wilden toch graag een beetje bijtijds naar bed."

"Meneer Mayer is de laatste jaren wel gewend aan een beetje eenzaamheid," glimlachte de dokter. "U kunt me alleen nog een genoegen doen. Ik begrijp, dat het wel veel gevraagd is maar U hebt getoond, iets over te hebben voor iemand die in nood zit, en daarom durf ik het U wel te vragen."

"Vraagt U gerust dokter," antwoordde oom Ton. "Als het in ons vermogen ligt, zullen we natuurlijk graag helpen."

"Kijkt U dan morgen in de loop van de ochtend nog even of zijn dochter inderdaad gearriveerd is," verzocht dokter Linz. "Ik moet morgen in alle vroegte weg voor een zeer belangrijke vergadering, anders zou ik het natuurlijk zelf wel doen. En veel vrienden heeft de heer Mayer niet in het dorp, dus er zijn er weinig, aan wie ik het verder nog kan vragen."

"O, dat is uitstekend, " zei oom Ton. "Dan hebben we tenminste meteen weer een stevige wandeling voor de boeg."

"Dat is dan afgesproken," zei dokter Linz. "Mocht juffrouw Mayer er niet zijn, dan zou ik U nog willen vragen, mijn huis op te bellen. Hier heeft U het telefoonnummer. U krijgt dan eventueel het dienstmeisje aan de telefoon aan wie U de boodschap af kunt geven. Ik zal haar instrueren over de dan te nemen maatregelen."

Ook dit beloofde oom Ton en daarna bood dokter Linz hen aan, ze een eindweegs naar beneden te brengen, in de richting van de Campingplatz, hetgeen dankbaar werd aanvaard. De voettocht in het donker op de voor hen volkomen onbekende wegen, achtte oom Ton toch wel wat riskant en hij stelde voldoende vertrouwen in de rijkunst van de dokter om allemaal met een gerust hart in diens auto'tje te stappen.

Een uurtje later waren ze weer gearriveerd op de Campingplatz van Mutter Veronica en nog een half uurtje later heerst er rust in de twee tenten, die ze mee hadden gebracht voor hun vacantie.

HOOFDSTUK V

Ondanks, of misschien wel dank zij de vrij emotionele dag sliepen ze allemaal als een roos, en zo vast dat ze pas 's morgens om half negen wakker werden. Tenminste oom Ton, de jongens lagen zelfs toen nog te slapen. Maar ofschoon oom Ton hen graag rust gunde, leek hem dit toch wel een tijd, waarop iedere gezonde jongen de slaap uit zijn ogen behoorde te hebben. Weinige minuten later was dan ook iedereen klaar wakker, gereed om zijn tweede vacantiedag vol verwachting en goede moed te beginnen.

Briesend en snuivend stonden ze wat later in de gebrekkige wasgelegenheid het koude water over hun hoofden te laten stromen dat het een lieve lust was.

"Het zal me benieuwen of die juffrouw Mayer bij haar vader zit," zei Paul nadat hij de kraan had afgezet en zijn gezicht stond af te drogen.

"Ik vind het maar een vreemde geschiedenis daar boven," vond Gerard.

"Het schijnt in ieder geval, dat die meneer Mayer een beetje zonderling mens is," merkte Lex op. "Hij schijnt tenminste ook niet bepaald goede vrienden te zijn met zijn buren en ik geloof bepaald niet, dat die daar de schuld van zijn."

"Nou, de ontvangst die we daar anders kregen, was volgens onze begrippen ook niet helemaal normaal te noemen," vond Rien.

"Nou ja, ze zoeken het zelf maar uit," vond Gerard. "Als ik het voor het zeggen heb, zijn we hier de langste tijd geweest en trekken we gauw ergens anders heen."

De anderen gaven geen antwoord. Oom Ton had, voor ze weg gingen, beslist dat er over elk voorstel uit hun midden, gestemd zou worden. Omdat ze met zijn vijven waren, moest er altijd een meerderheid zijn voor of tegen een bepaald voorstel en elkeen had moeten beloven, dat hij zich daar onvoorwaardelijk en zonder morren aan zou onderwerpen en er met geen woord meer over zou reppen. Voorlopig waren ze nog erg nieuwsgierig te weten, hoe het allemaal zou verlopen daar in dat hotelletje.

Oom Ton had inmiddels de grootste tent al opgeruimd en maakte zich ook op, om zich te gaan wassen. In die tijd zouden de jongens de rest opruimen en zorgen voor de ochtendboterham en de thee. Met veel lawaai maar eensgezind werd aan die opdracht voldaan.

Op de hele camping was trouwens volop bedrijvigheid. Vlak naast hen stond een grote oude bestelauto, die was ingericht als slaapplaats en een bescheiden plaatsje bood aan vier volwassen mensen, ook Nederlanders. Het waren twee echtparen, aan hun uitspraak te horen uit Amsterdam. Geen van de jongens voelde er echter behoefte aan, een gesprek aan te knopen. Verder stonden er nog op het terrein mensen van verschillende nationaliteit, Duitsers, Belgen, Fransen en een enkele Engelsman of Deen.

Weldra zat het vijftal achter een fikse stapel boterhammen, die in minder dan geen tijd naar binnen waren gewerkt.

"Ziezo, dan wacht ik nu op voorstellen over de dagindeling," zei oom Ton, toen dat was gebeurd. "We zijn natuurlijk wel verplicht om de belofte na te komen die ik gisteren zo spontaan heb gedaan aan de dokter. Als er van jullie zijn, die liever iets anders doen, dan zijn ze daar natuurlijk volkomen vrij in. Maar als ik de eerste mag zijn die een bepaalde suggestie aan de hand doet, dan zou ik voor willen stellen met zijn allen naar boven te gaan. Van daaruit kunnen we dan naar het dorp gaan, om boodschappen te doen, vervolgens terug naar de tent en dan gaan we vanmiddag eens een kijkje nemen bij de Drachenfels. Wie is er voor dit plan en wie tegen?"

"Voor," zeiden Rien en Lex tegelijkertijd, en daarmee was de zaak al beslist, want het stond al minstens drie tegen twee.

Aan het gezicht van Gerard was te zien, dat hij nog iets had willen zeggen, maar hij slikte zijn woorden direct weer in en zo was dit zonder enige moeilijkheid geregeld.

Twintig minuten later aanvaardden ze voor de tweede keer de wandeling tegen de berg op, die in hun idee veel korter duurde dan de vorige dag. Weldra stonden ze weer voor de splitsing. Zonder aarzelen liepen ze in de richting van het hotel van de heer Mayer. Nu pas realiseerden ze zich eigenlijk pas goed, hoe verlaten het hotel daar stond.

"Ik moet er niet aan denken hoe het hier zal zijn op een donkere winteravond," zei Paul en de anderen knikten zwijgend.

Inderdaad moest het hier dan allesbehalve plezierig zijn. Gasten zouden er dan waarschijnlijk helemaal niet zijn, want zelfs nu, in het drukst van het seizoen, hadden ze daar nog niet veel van gemerkt.

Zonder aarzelen opende oom Ton meteen de deur van de gelagkamer en stapte naar binnen, terwijl de jongens hem op de voet volgden. Het viel hen meteen op, dat de chaos, die er de vorige avond had geheerst, opgeruimd was. De kapotte stoelen waren verwijderd, de glasscherven waren weg en alles stond weer op zijn plaats.

Ze hadden nog maar net de deur achter zich gesloten, toen vanuit het woonhuis naast de gelagkamer een jong meisje aan kwam lopen en de vroege gasten verwelkomde met een vriendelijk "goede morgen." Er was geen twijfel mogelijk, dit moest de dochter van meneer Mayer zijn. Dan was de zaak dus in orde en konden ze hun gang weer gaan. Oom Ton besloot om de kwestie van gisteravond maar niet meer aan te roeren en vroeg heel gewoon om vijf glazen limonade.

"Ik kom direct bij U," zei het meisje beleefd. "Het moet even uit de kelder gehaald worden, ziet U."

Meteen verwijderde ze zich weer naar achteren.

"Ik geloof liever dat ze niet weet waar ze het vandaan moet halen," grinnikte oom Ton. "Maar het is een leugentje uit de nood geboren, zullen we maar denken."

Nu hoorden ze de stem van meneer Mayer, maar wat hij zei was vanaf de plaats waar ze zaten, niet te verstaan.

Weldra verscheen het meisje echter weer, echter zonder limonade. Met uitgestoken hand liep ze op oom Ton af.

"Neemt U me alstublieft niet kwalijk," zei ze. "Ik heb nu eigenlijk pas voor het eerst gehoord, wie mijn vader heeft gevonden. Tot nu toe was er geen tijd voor. Maar nu ik ben gewaarschuwd wil ik U graag van harte bedanken voor wat U heeft gedaan. Als U vader niet had gevonden en de dokter niet had gewaarschuwd, had hij hier misschien nog alleen gelegen."

Vervolgens kregen ook de jongens hun beurt. Die stonden er maar wat verlegen bij te grinniken en wisten zich geen houding te geven. Oom Ton wimpelde echter de bedankjes af.

"Het is toch de gewoonste zaak van de wereld," zei hij. "Heel toevallig kwamen we hier binnen en het zou toch te dwaas zijn geweest als we toen maar door waren gegaan, alsof er niets aan de hand was!"

"Maar vertelt U me liever eens hoe het met Uw vader gaat."

"O, dat gaat wel, dunkt me. Hij vraagt juist of U even bij hem komt, als U tenminste geen andere dingen heeft te doen. Hij zelf wil U ook nog graag even bedanken."

"Graag," zei oom Ton hartelijk. "Natuurlijk willen we zelf nog graag even zien hoe de patiënt het maakt."

Stilletjes liepen ze achter het meisje aan naar de halfduistere slaapkamer.

Meneer Mayer lag, ondanks het weinig benijdenswaardige van zijn toestand, met een gelukkige glimlach rond te kijken. De glimlach gold in de eerste plaats steeds weer zijn dochter. Overigens bleef die niet lang in de kamer. Ze had het blijkbaar erg druk met stellen van een beetje orde op de zaak, waar in langen tijd geen vrouwenhand aan te pas was gekomen.

Het gesprek vlotte niet erg. Meneer Mayer scheen er met zijn gedachten trouwens niet erg bij te zijn en daarom besloot oom Ton dan ook al na korte tijd om weer op te stappen. De ziek had trouwens zijn rust wel nodig, meende hij. Maar toen hij op stond om afscheid te nemen,wenkte de man in het bed om weer te gaan zitten.

"Misschien interesseert het U totaal niet," zei hij. "Maar ik wilde U toch iets vertellen."

En toen iedereen hem vragend aan keek, vervolgde hij: "Ik vind, dat ik U een verklaring schuldig ben, omdat ik U al zo veel last heb bezorgd."

Oom Ton en ook de vier knapen maakten al weer een handgebaar, om eventuele bedankjes af te wijzen.

Maar ze kregen geen kans om iets te zeggen, want meneer Mayer vervolgde: "Al heeft U er niet naar gevraagd en er niets van gezegd het moet U toch wel zijn opgevallen en U zult het bepaald vreemd hebben gevonden dat ik hier zo in mijn eentje zat, terwijl ik toch een dochter heb."

Oom Ton knikte een beetje bevreemd maar antwoordde niet. Dat werd trouwens ook niet van hem verwacht, want na een korte pauze ging meneer Mayer verder: "Ik wil U graag heel in het kort mijn geschiedenis vertellen."

"Voor ongeveer tien jaar terug heb ik dit hotel hier gehuurd. Mijn vrouw leefde nog en Ilse, mijn dochter, was toen een meisje van twaalf jaar. De zaken liepen in het begin uitstekend, mijn vrouw was handig en wist het de gasten uitstekend naar de zin te maken. Jaar op jaar kwamen er meer gasten en die hier een keer gelogeerd hadden, kwamen steevast het jaar daarop weer terug. Maar het zal de volgende maand vier jaar geleden zijn, toen de terugslag kwam. Mijn vrouw overleed, en een tijdlang had ik totaal geen lust meer in het bedrijf. Daar zou ik misschien nog weer over heen zijn gekomen, maar toen gebeurde er nog iets anders. De zaak, waar twee van de jongens gisteravond naar toe geweest zijn om een dokter te bellen, werd over genomen door andere mensen. Daarvoor had ik weinig las van hun concurrentie gehad, maar nu werd dat anders. Er is daar een jonge man in huis, die de zaken zeer vooruitstrevend aan pakte, met veel reclame, advertenties en zo meer."

"Kortom, bij mij bleven de gasten weg. Ik werd verbitterd en eenzelvig. Details zal ik U maar besparen, dan zou het verhaal beslist te lang worden en ze zullen U ook geen belang inboezemen. De enige klanten, althans bijna de enige, waren een stelletje drinkebroers uit het dorp, die zich van mijn slechte humeur weinig aan trokken, er integendeel om lachten. En toen kwam het ergste, althans in mijn ogen. Ilse werd ouder en begon in te zien dat de omgeving hier niet geschikt was voor haar. Kortom, ze kreeg omgang met de zoon van de familie Bellwinkel, de jongen, die volgens mij mijn bedrijf te gronde had gericht. En daar heb ik me met hand en tand tegen verzet, ik heb Ilse de omgang met Rudolf beslist verboden. Wel heeft ze mijn beslissing ter harte genomen en er zich bij neer gelegd, maar het slot is geweest dat ze me alleen heeft gelaten. Ik hoorde niets meer van haar, maar het schonk me toch een zekere voldoening dat ze nooit samen werd gezien met Rudolf Bellwinkel. Tot nu twee dagen geleden de ploeg uit het dorp me weer eens op kwam zoeken en me ging sarren. Men had Ilse en Rudolf samen gezien, beweerden ze en Ilse zou hebben gezegd dat ze maling had aan mij, haar vader. Dat maakte me woedend. Zowel mijn "gasten" als ik, we hadden allemaal veel gedronken en op zeker ogenblik ging ik één van hen te lijf. Het resultaat van die vechtpartij hebt U gezien."

"Toen U hier toevallig binnen kwam lopen,was ik juist weer een beetje bij kennis gekomen. Ik voelde me ziek en ellendig en toen heb ik iets gezegd, waar ik een paar minuten later hevige spijt van kreeg."

Hij zweeg even en sloot zijn ogen. Kennelijk vermoeide het verhaal hem even en deed vele emoties bij hem op komen.

Niemand wilde het stilzwijgen verbreken, dat even ontstond. Alle vijf begrepen ze, dat meneer Mayer veel, van wat hij de laatste jaren had opgekropt, nu eens uitte. Ergens in het huis hoorden ze, hoe Ilse bezig was met emmers water om alles grondig een beurt te geven. Ook tot de zieke scheen het duidelijk door te dringen want bij het geluid kwam er weer een vage glimlach op zijn gezicht. Toen opende hij weer de ogen en vervolgde zijn verhaal.

"Ik heb het huis van de Familie Bellwinkel opgegeven als het dichtstbijzijnde adres waar U een dokter kon bellen," zei hij. "Ik was gewoon te ziek om er bij na te denken, hoe de reacties daar zouden zijn. Maar gelukkig schijnen ze daar niet zo haatdragend te zijn als ik altijd ben geweest, althans gedurende de laatste jaren."

Rien en Lex keken elkaar eens veelbetekenend aan. Ongevraagd viel Lex de spreker in de rede.

"Ze waren buitengewoon bereidwillig," haastte hij zich te verzekeren en Rien knikte instemmend.

"Ze vroegen meteen hoe het met U ging en of ze misschien ergens mee konden helpen," ging Lex verder.

Waarom hij dat leugentje zo snel verzon, wist hij eigenlijk niet, maar het scheen hem dat dit de verstandhouding tussen meneer Mayer en zijn buren zeker ten goede zou komen.

Meneer Mayer knikte.

"Ik vind het erg aardig dat je dat zegt," zei hij. "Maar als ze werkelijk zo mee leefden met me, zouden ze hier toch wel even naar toe gekomen zijn. Niet dat ik dat verwacht, want ik heb het er eenvoudig niet naar gemaakt.

"U moet niet vergeten dat meneer en mevrouw Bellwinkel beiden slecht ter been zijn," zei Lex vergoelijkend.

Meneer Mayer keek hem even verbaasd aan.

"Ja, dat is natuurlijk wel zo," zei hij toen.

Weer viel er een pauze in het gesprek. En deze keer was het weer oom Ton, die het eerst iets zei.

"Ik hoop dat alles in orde komt," zei hij warm. "Het is voor U allemaal beter dat U in goede verstandhouding met elkaar leeft. En als wij daar toe bij kunnen dragen, zullen we dat natuurlijk graag doen."

"U hebt al veel gedaan," zei meneer Mayer. "U hebt er indirect voor gezorgd dat Ilse weer bij me is gekomen. Maar ik heb er met haar nog niet over gesproken wat er verder moet gebeuren. En daarin wilde ik graag Uw raad horen als U die kunt geven."

"Gaat U toch eens praten met de familie Bellwinkel!" riep Rien een beetje onbeheerst. "Het zijn heus aardige mensen en Rudolf is ook beslist geen slechte jongen!"

Onwillekeurig schoot iedereen in de lach, behalve de heer Mayer zelf.

"Misschien heb je gelijk," zei hij, de jongen nadenkend aanziend.

Maar het was hem aan te zien dat hij daar nog niet direct toe bereid was, tenminste, de mensen aan zijn bed hadden er zo hun gedachten over.

Maar nu stond oom Ton met een beslist gebaar op en maakte aanstalten om weg te gaan, welk voorstel door de jongens werd gevolgd. Meneer Mayer maakte geen tegenwerpingen meer.

"Ik leg maar beslag op Uw tijd," zei hij. "En al die tijd heeft U niets te drinken gehad ook!"

"Och," zei oom Ton lachend. "Daarvoor kwamen we hier ook eigenlijk helemaal niet naar toe. Maar toen Uw dochter vroeg wat we wensten, heb ik maar een glas limonade besteld. Eigenlijk kwamen we alleen maar kijken of er nu verzorging was voor U. Nu dat in orde is, gaan we maar weer."

Hij reikte meneer Mayer de hand, welke die stevig drukte ondanks zijn ongemakkelijke houding.

Hij wilde zich zelfs oprichten, maar oom Ton drukte hem vriendschappelijk weer neer en zei: "Houdt U zich nu voorlopig maar wat rustig, dan komt de rest ook wel in orde."

Even later stonden ze weer in de gelagkamer, waar Ilse Mayer zich haastte om de gasten uitgeleide te doen.

Rien kon niet nalaten om plagend te zeggen: "De limonade was heerlijk, nog hartelijk bedankt hoor!"

De hoogrode kleur, die het Duitse meisje bij die woorden kreeg, was vermakelijk om te zien. Maar zonder antwoord te geven holde ze weg om de frisse drank te halen, ondanks de protesten van oom Ton en van Rien zelf.

En ze ontkwamen er niet aan, ze moesten beslist de glazen leegdrinken en van betaling wilde het meisje niets weten. Ze nam nu ook even de tijd om bij hen te gaan zitten en eensklaps waren zij en oom Ton in een druk gesprek gewikkeld over de oude cultuur in het Duitse Rijnland, waar ze allebei veel van bleken te weten.

"Ik heb een idee," zei Rien eensklaps tegen Lex. "Kom mee!"

Hij had het heel zacht gezegd, zodat niemand iets hoorde. Paul en Gerard liepen belangstellend rond door het vertrek en stonden bij een kleine speeltafel te kijken om er de werking van te onderzoeken. Zo ongemerkt mogelijk gingen de twee vrienden naar buiten. Oom Ton zag ze wel gaan, maar dacht dat ze in de allernaaste omgeving van het hotel zouden blijven. Dat was echter niet de bedoeling van Rien, zoals Lex even later bleek.

"Durf jij nog eens naar het huis van die familie Bellwinkel te gaan?" vroeg hij snel.

Lex keek hem verbaasd aan.

"Wat wil je daar doen?" vroeg hij. "Natuurlijk durf ik dat wel, maar ik weet niet wat je er wilt zoeken!"

"Dat leg ik je onderweg wel uit," zei Rien. "Kom mee."

In snel tempo liepen de knapen de weg naar beneden.

"We zeggen gewoon tegen die Rudolf dat meneer Mayer en Ilse naar hem hebben gevraagd," legde Rien uit.

Lex schoot in de lach.

"Ik moet zeggen dat je wel voortvarend bent," zei hij toen. "Jij wilt met alle geweld dat die twee op goede voet met elkaar komen te staan, is het niet?"

"Ik vind die Ilse een veel te leuk meisje om tegen te werken," zei Rien een beetje onlogisch. "En die Rudolf lijkt me ook inderdaad een aardige knul."

"Sjonge, wat een romantische geest heb jij," zei Lex een beetje spottend. "Maar goed, ik wil er ook wel aan mee doen als ik je daar een plezier mee kan doen."

"Mij niet direct," zei Rien. "Maar die twee wel, daar ben ik van overtuigd."

De jonge Bellwinkel had het druk, eigenlijk te druk om de jongens te woord te staan. Een beetje ontstemd keek hij de twee knapen aan. Hij had veel gasten, die alle hun verzorging eisten. Daarom moest hij toezicht houden op het personeel, opdat alles liep zoals hij dat wilde. Bovendien zou er vanavond een tamelijk uitgebreid diner zijn en daarom had hij beslist wel wat anders aan zijn hoofd, dan zich te interesseren voor de toestand van die oude brompot daarboven. Die knapte vanzelf wel weer op!

Maar zodra hij de naam van Ilse Mayer hoorde, veranderde zijn gezicht als bij toverslag.

"Zij en haar vader hebben naar U gevraagd," jokte Lex.

"Wat is er dan aan de hand?" vroeg Rudolf, de jongen tegenover hem een beetje wantrouwend aanziend. "Je wilt met toch niet vertellen dat Ilse boven is? Dan had ze toch ook hier naar toe kunnen komen?"

"Ze heeft op het ogenblik een gast en daarom kan ze slecht gemist worden," zei Rien geheel naar waarheid. "Bovendien kan ze nu natuurlijk haar vader moeilijk alleen laten."

"Nee, dat is zo," moest Rudolf toegeven en zijn gezicht kreeg langzamerhand een andere uitdrukking.

Tenslotte hadden die twee Nederlandse jongens er toch ook geen enkel belang bij om hem iets op de mouw te spelden, zo redeneerde hij. En als Ilse inderdaad bij haar vader was, dan moest hij daar natuurlijk naar toe. Zou de oude man, die reeds enige jaren lang wrok tegen hem had gekoesterd, door de gebeurtenis van gisteravond zo plotseling van gedachten zijn veranderd?

"Ik kom direct," zei hij kort.

Meteen riep hij de oudste bediende bij zich en gaf hem de nodige instructies over hetgeen er moest gebeuren. Rien en Lex, die inmiddels al weer op pad waren gegaan, waren nauwelijks honderd meter verwijderd, toen ze al haastige stappen achter zich hoorden. Nu Rudolf eenmaal besloten had om aan het verzoek gehoor te geven, liet hij er ook geen gras over groeien naar het scheen. Korte tijd later had hij de jongens al ingehaald en gezamenlijk liepen ze in de richting van het hotel van de heer Mayer. Nog geen twintig minuten later, nadat de jongens daar vandaan waren gegaan, keerden ze er ook al terug, zoveel haast was er gemaakt, zowel op de heen- als op de terugweg.

Hun verwachtingen over het resultaat van hun bezoek aan het huis van familie Bellwinkel werden niet beschaamd. Ilse en oom Ton zaten nog steeds druk te debatteren over de kunstschatten van de Keulse Dom, toen Rudolf het vertrek binnen kwam. Vergeten was plotseling het gesprek. Voor de verbaasde oom Ton wist wat er gebeurde, zat hij plotseling tegenover een lege stoel, want snel stond Ilse op om de jongeman te begroeten.

En al was dat niet gevraagd, weldra zaten die twee toch bij meneer Mayer in de ziekenkamer, waar blijkbaar een heleboel te bespreken viel.

Eerst een beetje boos, later schuddend van het lachen, luisterde oom Ton naar het korte relaas van Lex en Rien.

"Jullie zijn een stelletje romantische geesten," verklaarde hij. "Maar ik krijg wel de overtuiging, dat je je doel hebt bereikt en dat is toch het voornaamste. Kom jongens, dan gaan we er nu als een haas vandoor!"

HOOFDSTUK VI

Na al de verhalen die ze er over hadden gelezen en gehoord, wiel het bezoek aan de Drachenfels eigenlijk een beetje tegen. Natuurlijk, het uitzicht dat men had vanaf het bovenste topje der berg, was fantastisch. De vervallen burcht daar bovenop, of eigenlijk was het niet meer dan een ruïne, deed je onmiddellijk terug denken aan de geharnaste, goed gewapende roofridders die hier vroeger hadden gewoond.

Maar misschien kwam het wel doordat alles doordrenkt was van propaganda voor het vreemdelingenverkeer dat de jongens een beetje teleurgesteld waren. Langs de hele weg die naar boven voerde stonden om de vijftig meter een souvenirstalletje, waarvan de eigenaars of pachters maar al te bereid waren de marken in ontvangst te nemen tegen veel waardeloze prullen. Zakmessen met een afbeelding van de Drachenfels, asbakjes, halskettinkjes, wandbordjes, de meest uiteenlopende dingen droegen de afbeelding van de veelbesproken en veelbezongen veste.

Illustratie op pagina 40De jongens hadden zich voorgesteld dat ze langs het een of andere onbegaanbare bergpaadje naar boven zouden moeten klimmen, misschien zich aan elkaar vastbindend om niet naar beneden te duikelen. In plaats daar van hadden ze te kiezen tussen een kabelbaan, via welke een trein hen in een paar minuten naar boven bracht; of wel een keurig geplaveide straatweg die alleen helemaal boven aan wat tamelijk scherpe bochten maakte.

Ze kozen natuurlijk het laatste en waren binnen een half uur boven. Ongeveer vijftig meter vanaf het hoogste punt was een uitspanning gevestigd waar de meeste touristen bleven plakken. Velen dachten zelfs dat ze niet hoger konden, omdat het gebouw en het bijbehorende terras het gehele plateau bestreken. Rien had echter al spoedig een bordje ontdekt dat tamelijk onopvallend naast het gebouw stond.

"Naar de ruïne," stond er op en ofschoon Lex voor stelde om vanaf het plateau het landschap te overzien en de ruïne te laten voor wat hij was, werd besloten om direct door te gaan tot het hoogst mogelijke punt. Dat laatste stukje was werkelijk bijna onbegaanbaar door de vele brokken steen die over het smalle weggetje verspreid lagen. Bovendien was het erg smal, zodat aan het verlangen van de jongens om te klimmen toch nog tot op zekere hoogte werd voldaan. Gevaar was er overigens absoluut niet, want alles was afgezet met hekken.

Alleen Rien zag in een onbewaakt ogenblik kans om op een half vergane muur te klimmen wat hem, toen oom Ton zijn waaghalzerij ontdekte, op een fiks standje kwam te staan.

Al spoedig ondernamen ze de terugreis, om op het terras nog iets te gaan gebruiken. Daar stond een soort verrekijker opgesteld, waar veelvuldig gebruik van werd gemaakt. Door een muntstukje in het apparaat te gooien kon men het in werking stellen. Geamuseerd keken de jongens toe hoe een van de andere touristen, aan zijn spraak te horen een Engelsman, een hele tijd met het ding stond te draaien. Zelf had hij een verrekijker om zijn schouders hangen, maar dat scheen nog niet voldoende te zijn en verschillende keren zagen de vrienden hoe hij steeds weer een tien-pfennigstuk in de gleuf gooide.

"How nice," mompelde hij voortdurend in zich zelf.

Hoe lang hij al zo bezig was, konden de jongens natuurlijk niet beoordelen, maar in ieder geval konden ze wel constateren, dat hij in hun aanwezigheid nog minstens een minuut of tien bezig was, met het apparaat in alle richtingen te draaien. Steeds als het muntstukje zijn werk weer had gedaan, deed hij een achteloze greep in de zijzak van zijn colbert en toverde hij weer een nieuw geldstuk uit zijn blijkbaar onuitputtelijke voorraad.

Maar eindelijk leek het er dan toch op, dat al zijn kleine geld op was. Tevergeefs graaide hij nog een paar keer in zijn zakken, zonder resultaat.

"Me dunkt, dat hij nu langzamerhand de omgeving wel kan dromen," zei Lex met Hollandse nuchterheid.

Maar de dikke tourist scheen er heel anders over te denken. Toen bleek dat zijn voorraad werkelijk verbruikt was, greep hij in zijn binnenzak. Hij bleef echter angstvallig bij de verrekijker staan. Blijkbaar was hij beangst dat een ander er nu gebruik van zou gaan maken, terwijl hij nog steeds niet was uitgekeken.

Een bediende schoot gedienstig toe op zijn gebiedende wenk. Nonchalant haalde hij een bankbiljet uit zijn portefeuille. Zelfs de ober, die toch waarschijnlijk wel wat gewend was van de gasten, knipperde even met zijn ogen, toen hij zag wat hem in de hand werd gedrukt. Direkt daarna had hij zijn gezicht echter weer geheel in de plooi.

"Ik zal zien dat ik het voor U gewisseld krijg," hoorden de jongens hem zeggen en met haastige spoed verdween hij naar binnen, terwijl de Engelsman ongeduldig stond te wachten, tot hij zijn spelletje weer voort kon zetten.

Nieuwsgierig wachtten de knapen af of de kellner er in zou slagen, het bankbiljet gewisseld te krijgen. Eenvoudig scheen het niet te zijn; het duurde tenminste vrij lang eer hij terug keerde.

De dikkerd scheen naar genoegen te zijn geholpen, hij knikte tenminste genadig met zijn hoofd en gaf de man in zijn witte jas een royale fooi, te oordelen althans naar de manier waarop die reageerde. En daarna begon het spelletje opnieuw.

Maar de jongens waren wel uitgekeken op het buitenissige gedrag van de arrogante Engelsman met zijn zonderlinge manieren en werd er besloten om de terugreis naar beneden te aanvaarden. Ze dwaalden nog wat rond in Königswinter, maar veel bezienswaardigheden waren daar verder niet te zien.

Terug dus naar de camping van Mutter Veronica! Maar wat moesten ze daar in 's hemelsnaam uitvoeren?

Oom Ton had de stemming bij de jongens al zo'n beetje gepeild. Nog voor dat een van hen er iets over had gezegd, begon hij zelf al.

"Ik geloof dat jullie niet bepaald enthousiast zijn," zei hij met een schuine blik in hun richting.

"Och," zei Gerard aarzelend, "het is natuurlijk allemaal wel mooi en interessant, maar je bent er wel vlug op uitgekeken, vind ik."

"Jullie stonden je daar boven anders allemaal te vergapen bij het zien van een andere tourist," zie oom Ton plagend.

"Nou, die maakte het er ook wel naar," vond Rien. "Hij maakte er echt geen geheim van, dat hij bulkte van het geld."

"Tut tut, niet zo oneerbiedig," suste oom Ton. "Laten we liever eens bespreken wat we nu gaan doen."

Niemand wist direct iets te verzinnen of durfde met een voorstel voor de dag te komen. Tenslotte was het weer oom Ton, die de knoop doorhakte.

"Dan stel ik voor om Königswinter te laten voor wat het is en eens verder te gaan kijken. Tenslotte hebben we gesproken over het Ahrdal, dus het beste lijkt me, dat we langzamerhand maar eens koers zetten in die richting."

Niemand opperde bezwaren en opgewekt ging het terug naar het kampeerterrein, waar hun trouwe auto'tje geduldig stond te wachten, klaar om zijn last verder te voeren.

Linz was het eerstvolgende doel. Daar zouden ze met een pont de Rijn over moeten steken naar Neuenahr aan de monding van de Rijn. Het riviertje zelf bleek niet veel om het lijf te hebben. Het was blijkbaar een echt bergriviertje dat zijn voorraad water met grote snelheid loosde in de machtige Rijn. Bewonderend stonden de knapen toe te kijken hoe de bestuurder van de Rijnpont met grote behendigheid het vaartuig naar de overkant loodste. Met een grote boog liet hij het zware gevaarte een eindweegs de stroom afzakken om het vervolgens met de kop pal in de stroom naar de aanlegsteiger te sturen. Na veel manoeuvreren, achteruit en weer vooruit varen bereikten ze de vaste wal.

In Neuenahr kocht oom Ton een Nederlandse krant. Hij was weliswaar van de vorige dag, maar het was ook nog wel erg vroeg om nu al de editie van dezelfde dag te kunnen verwachten in het buitenland. Voorlopig werd het blad echter in de auto gelegd, met de bedoeling het 's avonds op een camping te kunnen lezen.

Stroomopwaarts volgden ze de Ahr naar het Westen, hoewel ze daarvan voorlopig niets bemerkten. Wel zagen ze dat ze inderdaad in een dal reden, want links en rechts rezen de bergen steeds hoger op, het Eifelgebergte kondigde zich aan. Bergen van zes- à zevenhonderd meter vormden geen uitzondering meer, alle begroeid met naaldbomen, slechts op sommige plaatsen onderbroken door de lichtere vlekken van de wijnstokken of de grote druivenkwekerijen. Ahrweiler, het voorlopige doel van hun tocht, vormde daar een een der centra van. Al was ook hier wel te bemerken dat de bevolking ingesteld was op tourisme, het was gelukkig niet zo opvallend als in Königswinter en verder rondom de Drachenfels. De jongens voelden zich hier dan ook direct veel meer op hun gemak. De camping, waar ze zo naar toe reden, na slechts één keer te hebben gevraagd, zag er ook heel wat beter uit dan die, waar ze de eerste twee nachten hadden doorgebracht.

Er was een behoorlijke wasgelegenheid, zelfs een goed voorzien winkeltje, waar van alles te koop was tegen redelijke prijzen, zonder dat men een dag van te voren de dingen moest bespreken en er zwierf niet, zoals bij Mutter Veronica, allerlei afval en rommel over het terrein rond. Nadat oom Ton zijn paspoort had ingeleverd bij de kampleider, als zekerheidsstelling voor diens vordering voor hun verblijf op de camping, zochten ze meteen een goed plaatsje voor de tenten die binnen een kwartier overeind stonden.

Op nog geen vijf meter afstand stroomde de Ahr, hier een nietig klein stroompje, met veel geraas voorbij. Het was niet dieper dan hoogstens vijftig centimeter, althans in deze tijd van het jaar. In het voor- en najaar moest het wel dieper en ook breder zijn. Er was niet veel voorstellingsvermogen voor nodig om te kunnen begrijpen waar al dat water vandaan kwam, dat de rivier moest verzwelgen, wanneer men maar even om zich heen keek naar het omliggende Eifel-gebergte. Ahrweiler lag er geheel tussen opgesloten.

Al spoedig hadden ze ook het eerste contact met enkele van de medegebruikers der kampeerplaats, die hen verzekerden dat de omgeving hier werkelijk prachtig was. Het waren ook Nederlanders, een echtpaar met twee kinderen. De man was een gemoedelijke baas die, zoals hij vertelde, erg op zijn rust gesteld was.

"Ik doe het meer voor de kinderen," zei hij berustend. "Ik vind het prachtig hoor, daar niet van, maar het liefste bekijk ik alles vanuit een luie stoel."

"Maar hoe weet U dan zo goed dat de omgeving hier mooi is?" vroeg oom Ton.

"Meneer, dat zie je toch zo!" zei de ander. "Kijk nou eens even goed om U heen. Vindt U dat gebouw daar vlak tegen die bossen aan daar niet prachtig liggen? En moet U eens wat meer naar links kijken! Ze zeggen dat dat een klooster is."

"Nou dat zullen wij morgen eens onderzoeken," zei oom Ton. "Voorlopig zullen we eerst eens zien of er hier wat te eten is en dan ga ik Uw voorbeeld volgen en duik ik op een goed plaatsje neer. Ik heb voor vandaag weer meer dan genoeg gereisd. Nu moeten de jongens maar eens zorgen dat er wat op tafel komt."

"Wat U gelijk hebt," lachte de ander.

De vier jongens hadden de wenk begrepen en gingen meteen aan het werk, terwijl oom Ton het zich gemakkelijk maakte. Uit de auto diepte hij de krant op en weldra was hij daarin verdiept. Op de voorpagina stond met dikke koppen een artikel over een internationale bende, die geheel West-Europa onveilig maakte. De leden ervan blonken uit door brutaliteit. Op klaarlichte dag waren verschillende automobilisten in Duitsland bijvoorbeeld overvallen op de Autobahnen.

Het ging allemaal volgens hetzelfde systeem. De overvallers wisten blijkbaar precies, bij wie en waar ze hun slag moesten slaan. Ze zetten op zeker ogenblik een volkomen argeloze bestuurder klem aan de kant van de weg, onder bedreiging van vuurwapens werd die uit zijn wagen gezet. Een van de overvallers stapte in de buitgemaakte wagen en een halve minuut later was hij met een razende snelheid verdwenen, de verblufte overvallene verslagen achter latend. De gestolen auto werd later gespoten met een andere kleur, het nummerbord natuurlijk verwijderd en vervangen, om vervolgens weer te worden verkocht. Enige van die auto's werden later wel weer herkend aan het chassisnummer dat in iedere auto is geslagen, maar dan was het natuurlijk al veel te laat. De wegen die de overvallers volgden bij de verkoop van hun geroofde auto's waren zo geraffineerd, dat ze nu al enige maanden vrij spel hadden, zonder dat de politie er iets aan had kunnen doen. Wel bestonden er natuurlijk, zoals dat in krantentaal heette, bepaalde vermoedens, maar zekerheid had niemand.

Geïnteresseerd zat oom Ton het verhaal te lezen. Ook Lex, die nieuwsgierig even over zijn schouder mee keek, las belangstellend met hem mee.

"Daar mogen we wel op letten," zei hij een beetje bezorgd.

"Waar mogen we wel op letten?" vroeg Rien, die nu ook even bleef kijken, zeulend met een emmer water.

Maar toen hij zag, waar het om ging, lachte hij Lex in zijn gezicht uit.

"Die lui zoeken wel wat anders uit," zei hij zorgeloos. "Als ze ons met z'n vijven in de auto zien zitten, zullen ze wel uitkijken, denk ik. Bovendien pakken ze natuurlijk alleen nieuwe auto's. Als ze ons eerst alle vijf uit de auto moeten jagen, dan neemt dat veel te veel tijd en dat riskeren ze natuurlijk niet."

Oom Ton lachte maar eens, maar aan zijn gezicht was wel te zien dat hij het volkomen met Rien eens was. Ook Gerard en Paul, die er nu bij kwamen staan, lachten er om.

"Toch zou ik het best eens mee willen maken, zo'n overval," zei Paul. "Als het goed afloopt tenminste!"

"Doe me een genoegen," schrok oom Ton, "weet je niet wat prettigers te verzinnen?"

"Nou ja, het gebeurt immers toch niet," krabbelde Paul haastig terug.

"Nee, dat denk ik ook niet," bromde oom Ton, "en ik verlang er ook helemaal niet naar."

"Nou, met ons vijven kunnen we anders die kerels gemakkelijk de baas," vond Gerard nog nodig te zeggen.

"Weet je, die vent daar bij de Drachenfels, die steeds in die verrekijker stond te gluren, dat leek me nu echt zo'n type, om zo'n bende te leiden vanuit een geheim hoofdkwartier of zo," zei Rien.

"Nou, die deed anders helemaal niet geheimzinnig," vond Lex. "Hij deed juist alle moeite om de aandacht op zich te vestigen, als het mij vraagt. Dat leek me veel meer de een of andere worstfabrikant, die beslist niet meer weet hoe hij zijn geld op moet maken en het daarom maar in zo'n apparaat stopt."

Oom Ton liet de jongens maar gaan. Tenslotte had iedere jongen zijn fantasie die hij wel eens een beetje liet gaan.

"Wat zou jij doen als je er voor stond?" vroeg Paul aan Gerard.

Blijkbaar kon hij de idee, dat zoiets hen ook nog eens zou kunnen gebeuren, niet helemaal van zich afzetten.

"Als ik alleen zou zijn bij zo'n overval, bedoel je?" vroeg Gerard. "Dat weet ik niet, maar ik zou me stellig maar niet zon voetstoots overgeven aan de grillen van zo'n bandiet, dat weet ik wel zeker."

Nu vond oom Ton het toch wel tijd worden dat hij zich weer in het gesprek mengde.

"Als het zo ver is, zullen we wel eens kijken," zei hij. "Voorlopig heb ik een reuze trek en ben ik erg nieuwsgierig naar wat jullie zo met zijn vieren klaar hebt weten te maken."

Nu dat viel niet tegen. Ze hadden een paar blikken soep opengemaakt en, al was de combinatie dan niet bepaald geslaagd te noemen, Rien had een grote pan met pudding klaar gemaakt, die nu in een emmer water buiten de tent stond af te koelen. Weldra zaten ze buiten de tent te eten. Het was een prachtige avond. Was het in de ochtend nog tamelijk betrokken geweest, nu was er aan de hele lucht geen wolkje te zien en dat maakte het verblijf in Ahrweiler ook al veel aantrekkelijker dan bij Mutter Veronica.

En met het voornemen, hier een paar dagen door te brengen, maakten ze daarna alles klaar voor de nacht.

HOOFDSTUK VII

Met een kalm gangetje tufte de wagen tegen het tamelijk smalle en slecht geplaveide bergweggetje. De tweede dag van hun verblijf in Ahrweiler hadden ze een grote voettocht door de omgeving gemaakt en allemaal hadden ze nog te kampen met een beetje pijnlijke kuitspieren. Daarom was besloten, het deze dag wat kalmer aan te doen en toch de verkenningstocht wat verder uit te strekken. Nu, er viel genoeg te zien.

Hier was het een klein, genoeglijk berghotelletje, dat door zijn ligging de aandacht trok, even later hadden ze plotseling het uitzicht over een bergwei, waar een paar koeien zich niets schenen aan te trekken van de vreemde gasten en ongestoord door gingen met het afgrazen van het malse gras, dat welig groeide langs de plaatsen waar de Ahr zich een weg had gebaand tussen de bergen door. Bij de splitsing van het weggetje, vlak buiten het dorp, hadden ze even besluiteloos zitten kijken. Tenslotte moest een geldstuk de doorslag geven bij het kiezen van een richting. Het werd rechtsaf, waar de weg zich tussen twee massieve toppen door scheen te banen. Naarmate ze hoger kwamen, werd het plaveisel echter steeds slechter.

Duidelijk was ook te zien dat de sporen, die andere auto's achter hadden gelaten, dienst hadden gedaan bij de afvoer van het water in nattere jaargetijden. De sleuven, die daardoor ontstaan waren, werden steeds dieper. Slechts de grootste brokken steen hadden daarin stand kunnen houden, de aarde en de kleinere deeltjes steen waren blijkbaar alle naar beneden gespoeld.

De jongens hadden daar echter voorlopig geen enkel oog voor, ze genoten volop van het steeds wisselende landschap. Alleen het gezicht van oom Ton begon een beetje zorgelijk te staan. Het besturen van de auto leverde niet de grootste moeilijkheid op. Veel erger was het dat de wagen, die eigenlijk niet was gebouwd op dergelijke wegen, af en toe met de uitlaat over de grond sleepte over de hoge rug die zich had gevormd in het midden van de weg. En het ergste was, dat het onmogelijk leek hier de auto te draaien, zo smal was het. Links van hen, op een afstand van nog geen vijftig centimeter, begon een steile helling en aan hun rechterzijde verhief zich tientallen meters hoog het bos met zijn liniaalrechte stammen van enorme sparren en daaronder het lage struikgewas.

Rien, die naast oom Ton op de voorste bank zat,was de eerste van de jongens die er erg in kreeg.

"Zullen we maar niet terug gaan?" vroeg hij bezorgd.

Oom Ton lachte maar een beetje schamper.

"Als jij me maar vertelt hoe ik dat moet doen," zei hij. "Het is onmogelijk om hier te draaien! We zullen maar hopen, dat het dadelijk wat beter wordt en we wellicht op een andere wijze terug kunnen."

"Maar er schijnen hier toch wel meer auto's langs te zijn gekomen," merkte Lex op.

"Ja, maar bepaald geen auto's van dit merk," zei oom Ton nuchter. "Ik heb me wat aangehaald! Enfin, we zullen maar afwachten waar we terecht komen; als we tenminste ergens terecht komen en niet hier blijven steken!"

En met een bezorgd gezicht bleef hij op de weg turen, omzichtig manoeuvrerend om althans de grootste obstakels zo veel mogelijk te omzeilen. Af en toe zette hij de auto even geheel stil om een dikke tak of een andere hindernis van de weg te verwijderen om vervolgens de wagen met veel geronk weer op te trekken, verder het onbekende in.

Plotseling maakte de "weg" een scherpe draai naar links en verlicht haalde iedereen adem.

Op een paar honderd meter afstand lagen een aantal woonhuizen verspreid tegen de bergtop aan en iets verder op slingerde zich een geasfalteerde weg met vervaarlijke haarspeldbochten naar beneden. Waar die weg naar toe voerde wist natuurlijk niemand, maar in elk geval zag hij er behoorlijk berijdbaar uit en de rest zouden ze dan straks wel verder zien. Een spits kerktorentje wees vriendelijk omhoog tussen het handjevol huizen en nu eenmaal het leed was geleden kon oom Ton de verleiding niet weerstaan om er even een kijkje te nemen en tevens te vragen hoe ze via een andere weg weer terug konden komen naar hun plaats van uitgang.

"Naar Ahrweiler?" zei de man, die hij aansprak. "Dan moet U terug tussen de bergen door. De weg is er wel niet zo best, maar U kunt er wel door."

"Ja, dat weet ik," zei oom Ton, "daar zijn we net langs gekomen. Maar ik zou nu toch maar liever een andere weg nemen, als dat tenminste mogelijk is."

"Mogelijk is het natuurlijk wel," zei de ander peinzend. "Maar dan is het zeker een afstand van een kilometer of vijftien."

"Liever vijftig kilometer omrijden dan weer die ellendige weg te moeten rijden," verklaarde oom Ton beslist.

De ander haalde zijn schouders eens op over zo'n eigenwijze Hollander, maar begon toen toch maar omstandig aan zijn uitleg om hen de kortste weg te wijzen die er dan mogelijk was. Veel begreep oom Ton er niet van, maar het eerste gedeelte was hem wel volkomen duidelijk. Op wat de man verder nog zei, knikte hij maar vriendelijk en met een begrijpend gezicht om het gesprek zo kort mogelijk te houden.

Nadat ze op hun gemak het dorpje hadden bekeken, werd de tocht weer voortgezet. Met een kalm gangetje nam oom Ton de gevaarlijke bochten die hier voorkwamen in de goed geplaveide weg. De borden met het opschrift "bochtenrijk weggedeelte" werden hun steeds meer vertrouwd, terwijl ook de aanwijzingen, dat de weg zeer steil was, niets nieuws meer betekende en geen enkele opwinding in de auto meer veroorzaakte. Slechts af en toe,wanneer ze voor zich uit keken in de diepte en daar de weg honderd meter beneden zich verder zagen kronkelen, drong het werkelijk tot hen door met welke hoogteverschillen ze hier te maken hadden. En eensklaps zouden ze dat nog op andere, en weinig prettige wijze ontdekken.....

Ze waren juist weer zo'n scherpe haarspeldbocht gepasseerd bij welke oom Ton al zijn aandacht voor de weg nodig had. Daarachter liep de weg, volgens de aanwijzingen op een bord, met een hoogteverschil van tien graden naar beneden. Toen zagen de jongens oom Ton een schrikkerige beweging maken en recht overeind komen uit zijn enigszins gebukte houding. Lex, die naast hem zat, begreep het eerst wat er aan de hand was.

"U remt niet oom!" riep hij verschrikt. "We gaan steeds harder! Is hij....is hij,..."

"Mijn voetrem weigert...." was het enige wat oom Ton zei.

Zijn gezicht stond verbeten, terwijl hij manhaftige pogingen deed om de auto in een lagere versnelling te krijgen. Maar geleidelijk, heel geleidelijk maar ook heel zeker, kregen ze steeds meer snelheid. De snelheidsmeter joeg vervaarlijk omhoog. Met dertig kilometer had oom Ton de auto door de bocht gehaald, maar nu wees hij veertig, vijfenveertig, vijftig....

Angstig zaten de jongens achterin te kijken. Op een afstand van ongeveer een kilometer zagen ze de volgende bocht. Niemand wist hoe scherp die zou zijn, maar als hij zou zijn zoals de vorige, dan zou het onmogelijk zijn om hem daar ongeschonden doorheen te krijgen. Ze zouden door de hekken stormen, die daar stonden en naar beneden duikelen, wie weet hoe diep... In een minuut bestormden de jongens duizenden gedachten. Waarom hadden ze er beslist hun zinnen op gezet om hier naar toe te gaan? Waarom waren ze niet liever in Nederland gebleven, waar ze toch ook altijd heerlijke vacanties hadden gehad? Waarom....?

"Probeer de handrem te pakken te krijgen!" snauwde oom Ton tegen zijn neef. "Links naast me! Trek hem geleidelijk aan als het kan, maar als het niet anders kan, dan maar met een flinke ruk. Ik kan er zelf niet bij, we zouden van de weg af raken."

Die laatste woorden waren niet nodig geweest, iedereen begreep het zo wel. Misschien had oom Ton het kunnen doen, direct nadat hij het euvel aan de voetrem bemerkte en de auto nog niet die snelheid had, waarmee hij nu de helling af stormde. Maar nu zou het onherroepelijk betekenen dat hij de macht over het stuur moest verliezen en dan waren de gevolgen helemaal niet te overzien!

Nog zes- à zevenhonderd meter en ze zouden de fatale bocht bereikt hebben. Lex deed wanhopige pogingen om de handrem aan te trekken, maar zoals hij er voor zat, wilde hem dat niet gelukken, hij zou er recht voor moeten zitten. Rien die achter oom Ton zat, probeerde erbij te komen, maar de ruimte die hem overgelaten was tussen de bestuurder en het portier van de auto, was te klein om zich er tussen door te kunnen wringen. Radeloos wachtten de andere twee, Paul en Gerard af, wat er zou gebeuren. Er zou een wonder nodig zijn om het ongeluk te voorkomen. Een ongeluk met rampzalige gevolgen!

Maar dat wonder kwam!

Met grote snelheid naderde hen van achteren een andere personenauto. Hoe hij zo snel had kunnen naderen, zou iedereen wel een raadsel blijven, maar op zeker ogenblik, ze waren nu gekomen tot op een afstand van ongeveer vierhonderd meter, was hij er.

Pas toen hij al naast hen was merkte oom Ton hem op en in een reflex begon hij als een razende te claxonneren, lang en aanhoudend. Wat dat voor zin kon hebben, was hem niet direct duidelijk, maar hij voelde dat hij iets moest doen om de chauffeur van de passerende auto te wijzen op het gevaar waarin ze verkeerden. Alsof die al eerder had begrepen wat er aan de hand was, zo reageerde hij meteen. Hel gloeide even het achterlicht van de passerende auto, ten teken dat die gebruik maakte van zijn rem; een paar seconden later reed hij slechts enkele meters voor hen. Toen gebeurde het wonder. Met een wonderbaarlijke feeling voor wat er van hem verwacht werd reageerde oom Ton. Hij deed geen moeite om de andere auto te ontwijken, maar liet zijn auto'tje rechtstandig tegen de andere aanlopen. Nog juist op tijd kon iedereen zich schrap zetten voor de klap, die er volgde, anders zouden ze wellicht voorover gevlogen zijn. Met de neus van de auto tegen de achterbumper van hun redder liet oom Ton alles verder maar zijn beloop; alleen zette hij het contact af. Alles zou afhangen van de rijkunst van de man, die daar voor hen achter het stuur zat.

Door de voorruit konden ze zijn gespannen houding zien; ze voelden dat ze snelheid minderden. Maar het was de hoogste tijd, nog hoogstens honderd meter waren ze nu verwijderd van de haarspeldbocht. Sterker en sterker remde de man bij. Op vijftig meter afstand van het punt dat hen bijna fataal was geworden, stonden ze stil, knarsend en piepend klonk het geluid van de remmen, de lucht van schroeiend gummi drong onweerstaanbaar de auto binnen. Het kwam van de banden der remmende auto, die op het laatst gewoon over het asfalt waren geschoven....

Met bleke gezichten zaten ze een beetje verwezen voor zich uit te staren; zelfs oom Ton was onder de indruk van het gevaar waaraan ze ontsnapt waren.

Van de andere kant kwam een vrachtwagen moeizaam tegen de helling opgezeuld, maar niemand dacht er een moment aan dat ze midden op de weg stonden en de hele straatweg blokkeerden. Uit de auto voor hen, kwam nu de bestuurder te voorschijn die dit kranige stukje had volbracht. Het was een grote forse kerel in uniform. Blijkbaar een politieman, want van zijn houding ging iets autoritairs uit. Nu drong het ook tot oom Ton door dat hij niet steeds in de auto kon blijven zitten en op zijn minst eerst die man eens moest bedanken. Moeizaam stapte hij naar de breed lachende Duitser die er bij stond alsof er niets aan de hand was. Wel pakte hij de beide uitgestoken handen van oom Ton, maar van bedankjes scheen hij verder niet te willen weten. Ook de jongens wisten niet beter te doen dan het voorbeeld van hun oudere metgezel te volgen en dat werd me daar een geschud met handen van jewelste op die straatweg in de bergen rondom het Ahrdal.

Vanuit zijn hoge cabine kwam ook de chauffeur van de grote vrachtwagen er nu bij staan. Een korte opmerking van de politieman was voldoende om hem tot activiteit te brengen. Samen met deze transporteerde hij de auto van de onfortuinlijke vacantiegangers door de bocht om hem verderop in een veilige parkeerhaven neer te zetten. Met gemengde gevoelens keken die naar beneden toen ze achter het willoos vervoerde wagentje door de bocht liepen. Een bocht van bijna negentig graden met aan beide kanten een steile helling van zeker vijf en twintig meter diep....

"Zo," zei de politiebeambte, toen ze hem weer naderden, dat hebben we weer gehad. Maar laat ik me eerst even bekend maken, mijn naam is Werner, inspecteur van politie."

"Dat is dan een kwaad nummer," zei oom Ton lachend, maar nog steeds een beetje bleekjes. "Dan zal ik wel meteen een bekeuring krijgen voor het rijden met ondeugdelijke remmen, is het niet?"

"Dat zullen we maar op zijn beloop laten," zei de ander goedgeluimd. "Al is het natuurlijk wel een goede les voor een volgende keer, als U weer eens van plan bent om met vacantie hier te komen. En dan zal ik er natuurlijk officieël proces-verbaal van op moeten maken, al was het alleen al om die deuk in mijn achterspatborden te verklaren. Maar ik neem wel aan dat dit alles met een sisser zal aflopen."

"Vertelt U eens, hoe begreep U zo vlug wat er aan de hand was," vroeg oom Ton. "Als ik achter me hoor claxonneren doe ik gewoonlijk net of ik niets hoor en rijd gewoon door."

"Dat is eigenlijk een beetje intuïtie geweest," bekende inspecteur Werner. "Ik had U al door de vorige bocht zien rijden en direct toen U door de bocht was keek ik toevallig naar Uw wagentje. Ik zag de imperiaal op Uw auto en omdat ik zelf een verwoed liefhebber ben van kamperen lette ik ook op U als inzittenden. We waren toen hemelsbreed gemeten op een afstand van veertig meter van elkaar verwijderd en zodoende viel me bij puur toeval op dat U plotseling rechtop ging zitten. Toen U daarna met steeds grotere snelheid ging rijden, vermoedde ik al dat er iets niet in orde was. En hier op die hellende wegen denk je natuurlijk meteen aan de remmen. Toen U bovendien nog begon te claxonneren was de zaak me wel duidelijk en wist ik wat me te doen stond."

Bewonderend keken de vier jongens naar de inspecteur, die dat verhaal zo kort en bondig deed alsof het hier de gewoonste zaak van de wereld betrof.

De chauffeur van de vrachtauto was inmiddels weer naar zijn eigen voertuig gegaan en nu haalde de politieman een notitieboekje te voorschijn om een paar aantekeningen te maken voor zijn officiële rapport. Hij noteerde de naam van oom Ton en de plaats waar ze hun tenten hadden neergezet. Toen dat allemaal gebeurd was, stond hij even achter zijn oor te krabben met een schuine blik op de beide auto's. Oom Ton volgde zijn blik en keek een beetje somber naar zijn bezit. Hij was wel verzekerd tegen dergelijke schade, maar de eerste tijd zou hij toch met een zwaar gehavend karretje moeten rijden. De koplampen waren versplinterd, de bumper was verbogen, de spatborden hadden een fikse deuk opgelopen en dan moest hij nog maar afwachten of de motor geen schade had opgelopen.

"We zullen hem maar weg laten slepen naar een garage," zei inspecteur Werner. "Zo kunt U er toch niet mee rijden, trouwens, ik mag U er zo niet mee laten gaan als politieambtenaar."

"Dat ben ik ook echt niet van plan," zei oom Ton en Paul voegde er aan toe: "U krijgt mij er met geen stok in, zolang we niet op een vlakke weg rijden."

Hij zei het in het Nederlands maar de ambtenaar had hem toch blijkbaar verstaan.

Lachend merkte hij op: "Dan zul je moeten lopen naar Ahrweiler. Of je moet het aandurven met mij mee te gaan."

"O ja, dat natuurlijk wel," zei Paul kleurend en zijn best doende om zo goed mogelijk Duits te spreken.

"Sluit U dan Uw wagen maar af," zei inspecteur Werner tegen oom Ton. "Dan rijden we nu eerst naar een garage om opdracht te geven, dat ze hem weg komen halen. Onderweg kunnen we nog bespreken of ik U naar Ahrweiler breng of dat U met de kraanwagen mee rijdt om een oogje in het zeil te houden. In elk geval zal ik dan de jongens maar door brengen naar Uw camping."

"Maar rijdt dat niet een heel stuk voor U om?" protesteerde oom Ton zwakjes.

"De garage moet ik langs en in de richting Ahrweiler moet ik toevallig ook," zei inspecteur Werner. "Ik woon een kilometer of vijf voor Ahrweiler, dus dat speelt geen rol. Trouwens, U staat nu wel te protesteren, maar U kunt hier toch moeilijk blijven staan en om die afstand te lopen is het nog een behoorlijke afstand."

Oom Ton was al gewonnen en ook de vrienden waren blij met de hulpvaardigheid van de vriendelijke politieambtenaar. Ze zaten wel erg benauwd in het ook tamelijk kleine wagentje, maar met een beetje goede wil werd dat opgelost. Oom Ton ging naast de bestuurder zitten, terwijl de vier knapen achterin een plaatsje moesten vinden. En daarna ging het full speed in de richting van de eerstvolgende plaats.

HOOFDSTUK VIII

Zonder moeilijkheden bereikten ze de garage. De inspecteur ging met oom Ton naar binnen om de zaak wat vlugger te doen verlopen en daarna stapte hij meteen weer in om de jongens naar de tenten terug te brengen. Voor oom Ton hen liet gaan, moesten ze eerst ten stelligste beloven dat ze in hun eentje geen verkenningen in de omgeving gingen maken, wat ze grif deden. De eerste paar dagen zat de schrik er nog behoorlijk in, al was het ongeluk dat hen bijna was overkomen dan ook beslist hun schuld niet.

Meneer Werner gaf een knipoogje van verstandhouding naar oom Ton, wat de jongens niet opmerkten. Hij had wel gemerkt dat het oom Ton niet gemakkelijk viel om zijn "pupillen" te moeten laten gaan. Tenslotte voelde hij zich de verantwoordelijke man over hen en rekenden er in Nederland vier paar ouderparen op dat hij hun zoons weer zonder ongelukken naar huis zou brengen.

Lang behoefden ze niet te wachten bij de garage. Binnen vijf minuten stond er al een kraanwagen buiten, klaar om de auto weg te slepen. Oom Ton stapte naast de chauffeur in de cabine en keerde terug, terwijl de vrienden, een beetje bedrukt, weer bij inspecteur Werner in de auto stapten.

"Zo," zei die, "en nu gaan we eerst eens naar mijn vrouw om te zien of die wellicht iets klaar weet te maken om de laatste restjes van de consternatie bij jullie weg te nemen. Ik heb zo het idee dat jullie de laatste dagen toch wel het een of ander te kort zult zijn gekomen."

"O nee, dat valt heus wel mee," deed Lex het woord.

Hij beheerste de Duitse taal het beste en daarom lieten de anderen hem maar zo veel mogelijk praten. Nu, hij mocht zijn best doen, want de heer Werner bleek een gezellige prater te zijn, al zou men dat bij de eerste indruk niet van hem zeggen. Hij vroeg eigenlijk niet eens of de jongens er iets voor voelden om met hem mee te gaan, zodat het ook niet veel hielp of Lex al beweerde dat ze de tijd heus wel door kwamen, en dat de schrik er nu echt wel uit was. Dat laatste was trouwens toch niet helemaal waar en daarom was iedereen in zijn hart wel blij met die onverwachte uitnodiging.

"Ik stel voor dat we een knots van een taart of iets dergelijks voor meneer Werner bestellen," zei Rien in zo rap Nederlands dat de inspecteur het onmogelijk kon verstaan.

"Al moest het mijn laatste zakcent kosten; ik doe mee," antwoordde Gerard even vlug.

"Een fijne kerel is het," gaf Paul te kennen, en met die woorden bedoelde hij ook zijn instemming te betuigen met het plannetje.

"Dat bespreken we nog wel als we alleen zijn," zei Rien. "Ik heb in Ahrweiler een banketbakkerij gezien."

De man die het onderwerp vormde in hun gesprek, was in druk gesprek gewikkeld met Lex, die naast hem zat op de voorbank. Hij informeerde belangstellend naar het leven op een Hollandse school en Lex legde hem alles zo goed mogelijk uit. Lang tijd kreeg hij daar overigens niet voor, want na een kwartiertje draaide inspecteur Werner de auto een inrit in bij een klein villa'tje, zijn woning. Een grote wolfshond kwam al blaffend aanrennen om zijn baas te begroeten. Met een beetje ontzag keken de jongens naar het enorme dier dat zijn baas, die toch zelf waarlijk niet klein van stuk was, bijna ondersteboven gooide bij zijn aanhankelijkheidsbetuigingen. Een beetje aarzelend kwamen ze naar buiten op de wenk van wat nu hun gastheer was geworden. Gelukkig hield die de hond vast toen hij bemerkte dat zijn jonge gasten niet bepaald weg waren van zijn huisdier.

Gelukkig moest de hond buiten blijven, terwijl de jongens naar de ruime huiskamer gedirigeerd werden. Het echtpaar Werner bleek geen kinderen te hebben en misschien wel daarom vond mevrouw Werner het een welkome afwisseling, een stelletje gezonde, jonge knapen in haar huis te mogen begroeten. Ze was net het tegenbeeld van haar man, heel kleintjes en de jongens moesten haast lachen toen die haar een zoen gaf bij zijn binnenkomst, zo opvallend was de tegenstelling tussen de forse politieinspecteur en het fijne poppetje.

Als welopgevoede knapen stelden ze zich netjes voor aan mevrouw Werner, maar het was duidelijk te merken, dat die vijf minuten later al hun namen weer zou zijn vergeten, zo schuchter en bijna meisjesachtig beantwoordde ze de begroeting. Wel was ze meteen in de weer om hen een hartversterking te bezorgen, terwijl haar man zich even verontschuldigde om het politiebureau op te bellen teneinde een korte uitleg te geven voor het feit dat hij die dag niet meer op het bureau zou komen. Daarna gooide hij huiselijk zijn uniformjasje uit om het onderbroken gesprek met Lex voort te zetten. Het werd een gezellige bedoening daar in het huis van de heer Werner en diens vrouw. De jongens lieten niet na om flink de loftrompet op te steken op de tegenwoordigheid van geest die haar man ten toon had gespreid en dat deed haar zichtbaar goed.

"En wanneer is die auto nu weer klaar?" vroeg ze.

"Tja,dat weet ik niet," antwoordde haar man. "Eer hij weer helemaal in zijn oude staat is terug gebracht, zullen er wel een paar dagen verstrijken, vrees ik. Tenslotte heeft hij, buiten het feit dat de remmen natuurlijk grondig nagekeken moeten worden, toch nog een behoorlijke klap gehad, evenals trouwens mijn auto. Gelukkig is meneer van Driel tegen alle schade verzekerd, dat is al een belangrijk lichtpunt."

"Maar het blijft toch maar een feit dat de jongens hier de eerste dagen weinig weg kunnen gaan," vond mevrouw Werner.

"O, we hebben gelukkig gezonde benen mevrouw," lachte Rien. "Bovendien hebben we nu wel door dat je hier het beste maar kunt wandelen. Als we weer met de auto de bergen in zouden gaan zouden we toch niet rustig zitten."

"We hebben nog niet eens verteld van het tochtje dat we al hadden gemaakt voor we op de grote weg kwamen," viel Gerard in.

"Ja," zei meneer Werner, nadat hij dat verhaal in het kort had gehoord. "Die weggetjes zijn alleen maar aangelegd om de hotels en dergelijke te bevoorraden, maar dat gebeurt meestal met jeeps en andere voertuigen die daarop gebouwd zijn. En verder zijn ze natuurlijk wel geschikt om er wandelingen te maken, maar zeker niet om daar met een Luxe personenauto langs te rijden. In het natte seizoen hadden jullie waarschijnlijk dat hele ritje trouwens niet eens volbracht!"

"Nee, dat geloof ik graag," zei Lex. "Ik vond het nu al knap van oom Ton dat hij ons er zo goed langs wist te loodsen."

"Wat zouden jullie er van zeggen als je morgen met mij eens de buurt wat kon verkennen; tenminste de grote wegen?" zei meneer Werner geheel onverwacht.

Verbaasd keken de vier jongens om beurten naar elkaar en daarna naar de inspecteur van politie. Die schoot onwillekeurig in de lach toen hij de beteuterde gezichten van de vrienden zag.

"Ik geloof niet dat mijn voorstel in goede aarde valt," zei hij gekscherend.

"O ja, dat natuurlijk wel," zei Paul een beetje onzeker. "Maar dat kan toch niet. Ik bedoel...."

"Nee, eigenlijk natuurlijk ook niet," zei meneer Werner. "Maar er zijn een paar speciale redenen waarom het voor deze keer misschien wel kan. In de eerste plaats moet meneer van Driel morgen misschien nog verschillende dingen afwikkelen. Dus zouden jullie steeds als hondjes achter hem aan moeten lopen of je vertier alleen moeten zoeken. Ik vermoed ook dat hij de auto wel direct helemaal na zal laten kijken en wellicht zal hij er graag bij zijn om te zorgen dat dit wel met spoed gebeurt. En als ik nu met dezelfde auto weg moest als waar ik vandaag mee heb gereden zou ik jullie niet aan willen doen om een paar uur als haringen in een ton achter in te moeten zitten. Maar omdat deze auto ook schade heeft opgelopen, zal ik morgen een andere moeten nemen en die is een stuk ruimer en geriefelijker dan deze. Nu, wat denken jullie van mijn voorstel?"

"Graag!" klonk het in verschillende toonaarden spontaan.

Dat buitenkansje mochten ze zich niet laten ontgaan!

Alleen Rien voegde er een beetje aarzelend aan toe: "Maar als oom Ton nu morgen niet weg hoeft?"

"Dan blijven jullie natuurlijk bij hem," zei de heer Werner onmiddellijk. "Of moet ik hem soms ook uitnodigen voor de trip? Maar dan zitten jullie wel weer een beetje bekrompen. Op zes personen is de auto eigenlijk niet gebouwd. Maar hoewel ik het op prijs stel dat je aan hem denkt, vermoed ik toch dat hij morgen blij zal zijn als jullie verzekerd zijn van een tijdpassering waar hij niet noodzakelijk bij hoeft te zijn."

Met die woorden maakte hij voorlopig een eind aan het gesprek en stond op om de jongens naar de kampeerplaats te brengen. Na mevrouw Werner hartelijk bedankt te hebben voor haar gastvrije ontvangst, volgden de vrienden hem weer naar buiten en even later schoot de auto de weg weer op om zijn onverwachte passagiers weg te brengen naar hun tijdelijk "huis".

"Officieel mag ik jullie natuurlijk niet mee nemen morgen, maar de bureau's voor vreemdelingenverkeer zullen me dankbaar zijn dat ik een stel buitenlandse gasten zo veel service heb verleend," grinnikte inspecteur Werner.

De "buitenlandse gasten" grinnikten maar mee. Ze kregen sterk de indruk dat de inspecteur het meer deed voor hun en zijn genoegen dan om het toerisme naar zijn land te bevorderen maar wijselijk zwegen ze daar maar over. Dat konden ze beter bewaren om te vertellen op school, als ze terug waren in Nederland. Het was tamelijk vroeg in de middag toen ze bij de tenten aankwamen. Oom Ton was er natuurlijk nog niet, maar ze behoefden zich voorlopig nog niet te vervelen. Gerard maakte vast toebereidselen voor het avondeten, terwijl Lex en Paul op zoek gingen naar de banketbakker om hun voornemen betreffende de taart ten uitvoer te brengen. Het moest een kanjer worden, volgens goed Duits recept klaar gemaakt.

In de winkel schrokken ze wel even van de prijs, die er genoemd werd, maar na kort beraad werd toch besloten om door te zetten. Dan moest het maar gaan ten koste van de souvenirs die ze mee hadden willen nemen naar Nederland. En wellicht zou ook oom Ton graag het zijne er toe bijdragen om de onkosten te dekken. Toen ze de taart vooruit betaalden boog de winkelier, die hen eerst een beetje uit de hoogte had behandeld, als een knipmes en beloofde hij er voor te zullen zorgen dat er bij "Herr Inspector" een overheerlijke taart gebracht zou worden. Hij kende precies de smaak van "Herr Inspector" en wist waar hij hem beslist een plezier mee zou doen.

"Dat is je maar geraden ook," bromde Paul in onvervalst Nederlands.

Het onderdanige gedoe van de man beviel hem matig. Maar de bakker zag er in elk geval wel uit als een vakman en zijn dikke buik bewees dat hij zijn baksels zelf ook wel lustte.

En het kwam prima in orde!

Een goed uur later werd er bij de familie Werner een knots van een taart gebracht, bereid volgens oud, beproefd recept. Al was er geen afzender bij vermeld, het was de inspecteur en zijn vrouw duidelijk genoeg waar dat heerlijks vandaan kwam!

Vrij spoedig nadat Lex en Paul terug waren gekeerd op de Campingplatz kwam ook oom Ton aan. De berichten, die hij mee bracht over de toestand van het auto'tje, waren niet erg opwekkend. Het zou op zijn minst een hele dag duren eer de motor na was gekeken. Bij de schok van de opzettelijk veroorzaakte botsing scheen de wagen er toch niet zo goed af te zijn gekomen als het zich oorspronkelijk liet aan zien. En ook de als de schade aan de carrosserie opgeknapt moest worden, kwam daar zeker nog een dag bij.

Oom Ton gaf dan ook direct toestemming aan de vrienden, om de volgende dag met inspecteur Werner mee te rijden, al keek hij wel even bevreemd over een dergelijk spontaan aanbod. Maar lang verdiepte hij zich niet in de vraag wat de heer Werner bewogen mocht hebben tot zijn uitnodiging. Het kwam hem best uit dat hij morgen de hele dag de handen vrij had!


 

HOOFDSTUK IX

Klokslag half tien stopte de auto van inspecteur Werner de volgende dag voor het kampeerterrein in Ahrweiler. Een paar andere bewoners van de camping keken een beetje verwonderd naar de vier jonge knapen die daar zo vrijwillig en zelfs lachend in de auto stapten van de politieautoriteit, maar daar trokken die zich weinig van aan. Ze vonden het integendeel wel een beetje interessant om in een grote slee van een auto te worden afgehaald. De wagen was royaal berekend op vijf personen en hevig zwaaiend naar oom Ton, die voor de tent stond, installeerden de knapen zich. Sjonge, dat was nog eens wat anders dan dat kleine ding, waarmee ze zich tot nu toe hadden moeten behelpen. Als vorsten zaten ze naar buiten te kijken terwijl inspecteur Werner de wagen snel op gang liet komen en het stadje al spoedig achter hen liet liggen.

"Waar gaan we eigenlijk naar toe meneer Werner?" vroeg Rien nieuwsgierig.

"Voorlopig gaan we naar Hellenthal," antwoordde de inspecteur. "Ik moet daar met het hoofd van de politie een geval bespreken dat zowel hem als mij aan gaat. En dan heb ik een soortgelijk karweitje in Bonn, dus een heel andere richting uit. Maar dat kan desnoods ook nog wachten tot morgen. De hoofdinspecteur die ik daar moet spreken, is tevens een goede vriend van me, zodat ik daar de vormen niet zozeer in acht behoef te nemen. Bovendien hebben we verschillende dingen al telefonisch besproken en moeten we alleen nog een paar details bekijken."

Paul en Gerard hadden de kaart van de streek voor zich op de knieën uitgespreid en zaten uit te zoeken hoe ze dan moesten rijden. Volgens hun berekening hadden ze dan minstens honderdvijftig kilometer voor de boeg! Maar er was niemand die dat erg vond. Integendeel, ze verheugden zich er allemaal op in de ruime comfortabele wagen. Ahrweiler lag al ver achter hen. Af en toe hadden ze weer gedeelten van de weg waar die zich slingerend en met de sinds gisteren voor de jongens zo beruchte haarspeldbochten door het grillige landschap slingerde. Inspecteur Werner moest soms even glimlachen als hij de een beetje benauwd staande jongensgezichten zag in zijn achteruitkijkspiegeltje, maar hij zei er wijselijk niets over. Naarmate ze trouwens verder reden, veranderde dat ook wel en konden de knapen weer volop genieten van de machtige natuur die bij iedere scherpe bocht een ander panorama liet zien. Voor inspecteur Werner was dit alles vertrouwd en bijna saai en daarom was hij blij, de verrukte uitroepen van de knapen te kunnen horen.

Na een uurtje bereikten ze Gemünd, slechts een kwartiertje en het voorlopige einddoel zou zijn bereikt. Via Schleiden bereikten ze Hellenthal, een vrij onaanzienlijk dorp in een prachtige omgeving. Er was een grote camping, vertelde inspecteur Werner, maar die was nog verder door het dorp heen, zodat de jongens daar niets van te zien kregen. De inspecteur had hier afgesproken om elf uur, zodat er geen tijd meer overbleef voor hem om nog even rond te rijden. Voor het "Polizeiambt" zette meneer Werner de auto aan de kant van de weg. De jongens kregen natuurlijk wel toestemming om naar buiten te gaan, maar ze moesten uitdrukkelijk beloven dat ze dicht in de buurt zouden blijven, iets waaraan ze zich dan ook stipt hielden. Alleen Gerard kon niet nalaten om het dorp in te slenteren en daar hadden ze bijna de grootste ruzie over gekregen. Gelukkig was er niet veel te zien, zodat hij binnen tien minuten al weer terug was.

Terwijl ze daar zaten te wachten aan de kant van de weg, hoorden ze diverse keren Hollands sprekende jongelui terwijl er ook verschillende auto's passeerden met het bekende blauwe nummerbord en de witte letters met daarnaast de "initialen" van Nederland NL. Een paar wandelende jongelui probeerden een gesprek aan te knopen. Het bleken lifters te zijn, wiens vacantie langzamerhand al op zijn eind liep en die nu overal contacten probeerden te leggen met mensen die over een auto beschikten en wellicht ook binnenkort terug keerden naar Nederland. Toen ze echter hoorden dat ze aan de jongens niet veel hadden voor die plannen was het gesprek al gauw afgelopen. Trouwens inspecteur Werner kwam na een half uurtje al weer naar buiten en toen stapten de vrienden direct weer in. Ze lachten alle vier toen ze de verbaasde gezichten van hun liftende landgenoten zagen, die ze niets hadden verteld van hun relatie met de inspecteur.

In Schleiden werd weer halt gehouden, ditmaal voor een koffiehuis, waar inspecteur Werner zijn gasten onthaalde.

"Hebt U wel eens iets te maken gehad met die roofovervallen op auto's?" vroeg Lex onverwacht en een beetje plompverloren aan meneer Werner.

Die keek hem verbaasd en onderzoekend aan. Toen lachte hij eens.

"Ik persoonlijk gelukkig niet," zei hij. "Maar waarom vraag je dat zo?"

"O, dat weet ik eigenlijk niet," zei Lex een beetje kleurend.

Maar de inspecteur had hem wel door en vervolgde plagend: "Jij zou zoiets wel eens mee willen maken, is het niet?"

"Nou, ik ook wel!" zei Paul.

"Ik geloof dat het jullie erg tegen zou vallen," zei de inspecteur en zijn stem klonk nu volkomen ernstig. "De mensen die zich daar mee bezig houden, deinzen voor niets terug als het er om gaat uit handen van de politie te blijven en hun buit veilig weg te krijgen buiten diens bereik. Daar kunnen verschillende collega's van me over mee praten. Bovendien...."

Verder kwam hij niet. Op dat moment gierde een auto in een razende vaart door de bocht van de straat, vlak voor het koffiehuis langs. Het was een gloednieuwe auto. Geen twintig seconden daarna volgde een tweede, deze keer met gillende sirene.

Onmiddellijk stond inspecteur Werner op, zijn gezicht stond strak. Even keek hij weifelend naar de jongens, die hem op hun beurt vragend aan staarden. Ze waren, evenals hij, van hun stoelen opgesprongen, toen ze het doordringende lawaai van de sirene hoorden.

"Ik geloof warempel dat jullie je zin krijgen," zei de politieman. "Vooruit, in de auto, maar als de weerlicht. Met zijn vieren achterin!"

Inderhaast gooide inspecteur Werner nog een geldstuk op de tafel, toen rende hij achter de jongens aan naar buiten en zat haast gelijktijdig met hen in de auto.

Geen woord werd er meer gesproken, als uit een katapult geschoten reed de auto weg, binnen een paar honderd meter op topsnelheid liggend. Een paar niet al te scherpe bochten werden op twee wielen genomen, althans in het gevoel van de jongens, die niets anders wisten te doen dan strak voor zich uit te staren. Als ze met sneltreinvaart een bocht omstoven werden ze tegelijk in een hoek van de auto gedrongen, ook al waren ze er op bedacht. Achter het stuur zat de man die hen een gezellige rit had beloofd, een beetje in elkaar gedoken en volkomen geconcentreerd op het wegdek voor hem te kijken. Hij scheen de knapen achter hem volkomen vergeten en zette alles op alles om de voor hem rijdende auto's in te halen. Met de sterke auto, waarover hij kon beschikken, zou hem dat bepaald niet moeilijk vallen, tenzij er onverwachte dingen gebeurden. Bij een splitsing van de weg stopte hij met gierende remmen en holde naar een op de hoek staande woning. De bewoners hadden hem al aan zien komen en meteen begrepen wat er van hen werd verlangd. Een mannengezicht verscheen voor het raam en wees met een brede armzwaai in welke richting hij de twee auto's had zien gaan. Werner in hetzelfde tempo weer terug naar de wagen en dook direct weer op zijn plaatsje. En voort ging het weer, nu via een iets smallere, maar toch nog altijd behoorlijk berijdbare weg. Nauwelijks een halve minuut hadden ze verspeeld. Inspecteur Werner lachte even kort en grimmig.

"Ze kunnen er nu niet meer uit," zei hij, meer tegen zichzelf, dan tegen de jongens achter hem in de auto. "Deze weg heeft geen zijwegen op de eerste vijftien kilometer en voor die tijd heb ik ze ingehaald."

Ze kwamen nu weer op een weggedeelte, dat zich steil omhoog werkte met scherpe bochten tegen het bergmassief op. Hier werd het pas opwindend, althans in het idee van de knapen. Ze hadden bij de eerste kennismaking met inspecteur Werner al kunnen zien, dat die een buitengewoon goed chauffeur was, maar nu bewees hij dat nog eens. Als een scheermes zo scherp sneed hij door de bochten. Nam oom Ton die in zijn kleine wagentje met een vaartje van hoogstens twintig kilometer, de politieman ontzag zich niet om de snelheidsmeter op veertig te laten staan. Het duizelde Lex en zijn vrienden. Waar zou deze woeste rit eindigen? En vooral, hoe zou hij eindigen? Ze hadden allemaal het volste vertrouwen in de capaciteiten van inspecteur Werner waar het zijn rijkunst betrof. Maar met wie zou hij straks te doen krijgen? Ze reden nu ongeveer een minuut of tien en hadden zeker al een kilometer of twaalf à vijftien gereden en langzamerhand moesten ze nu toch wel de bandieten, in het vizier krijgen. Bij elke bocht die ze maakten, keken vijf paar ogen gespannen op het voor hen liggende weggedeelte, dat hier veelal niet meer zicht toe liet dan een kilometer. Het wijzertje op het dashboard slingerde heftig tegen het getal 120, met uitschieters naar 130, maar hoger durfde zelfs inspecteur Werner niet te gaan. Weer hield die een korte toespraak tot zichzelf, naar het scheen.

"Ze zullen toch de politie verder op ook wel gewaarschuwd hebben," hoorden de jongens hem zeggen.

Maar geen van hen dacht erover om antwoord te geven, trouwens, dat scheen ook in het geheel niet van hen te worden verwacht. Toen ze eindelijk voor de zoveelste keer in een haarspeldbocht weer eens tegen elkaar waren aangedrukt en daaruit te voorschijn kwamen, zagen ze het tegelijk. Een eind voor hen uit stond een kleine politieauto aan de kant van de weg, slechts een paar honderd meter verder. De bestuurder stond midden op de weg te zwaaien. Maar dat was niet eens nodig geweest, inspecteur Werner begreep zo ook wel wat hem te doen stond.

Vlak voor de politieman stopte hij. Snel opende die het portier, salueerde even toen hij zag dat hij met een meerdere te doen had. Maar de inspecteur vond het nu geen tijd voor formele dingen.

"Zijn ze ver voor ons uit?" vroeg hij, terwijl hij de man al wenkte om naast hem te komen zitten.

"Hoogstens een halve minuut," zei de ander. "Ik wilde juist beginnen met passeren toen ik snelheid voelde minderen. Gewoon domweg een lege benzinetank. Ik had niet gerekend op een lange rit, was juist bezig aan een gewone routinerit door de buurt."

"Ik ook," zei de inspecteur kort.

Hij had de motor niet afgezet en tijdens het korte gesprek was hij al weer weggereden.

"Was je alleen?" vroeg hij nog even.

"Met zijn tweeën. Mijn collega is direct een bergpaadje op gegaan. Er vlak achter ligt een hotelletje. Daar zou hij telefoneren om inlichtingen te geven aan de politie verder op de route. Ik zou op de weg blijven staan om de eerste de beste auto te vorderen. Toevallig was U dat."

Niemand lette op de ironie die in deze woorden zat. Uit de woorden van de politieman viel te beluisteren dat hij de wagen van zijn meerdere vorderde, al was dat waarschijnlijk niet zo bedoeld. Ook tot inspecteur Werner scheen dit niet door te dringen, althans hij ging er niet op in.

"Wat hebben die kerels eigenlijk gedaan?" wilde hij weten.

De man naast hem keek even verbaasd terzijde. De inspecteur zat achter iemand aan en wist niet eens wat die allemaal op zijn geweten had, zelfs niet waar hij mee te doen had waarschijnlijk! Zijn gezicht bleef echter in de plooi toen hij antwoord gaf.

"We kregen van het hoofdbureau een waarschuwing om uit te zien naar een blauwe sportwagen,een der nieuwste modellen, met daarbij het nummer. De eigenaar van de auto heeft een klap op zijn hoofd gekregen en zal wel op weg zijn naar het ziekenhuis. Het schijnen drie mannen te zijn, hoewel ik er maar twee heb zien zitten toen we vlak bij hen waren. Nog geen halve minuut nadat we de omschrijving door hadden gekregen passeerde de auto ons. We hebben toen meteen de achtervolging ingezet."

De inspecteur knikte.

"Dat verklaart tenminste waarom jullie geen benzine meer hadden, al is het feit daar nog niet mee verontschuldigd."

"We hadden officieël nog maar tien minuten dienst inspecteur en zouden juist terug rijden naar de garage."

"Al goed," zei de inspecteur kort.

Er werd geen woord meer gesproken. De korte uiteenzetting van de politieman was duidelijk genoeg. Ze hadden hier te doen met een stelletje gevaarlijke bandieten, dat was zonneklaar. Niets zouden die ontzien om uit handen van de politie te blijven, al moest het daarvoor tot een handgemeen komen.

Maar zover was het voorlopig nog niet. In onverminderd tempo werd de achtervolging voortgezet, maar nog steeds was er niets te zien. De scherpe bochten bleven nog aldoor een verrassing, liever gezegd, het bleef steeds weer een verrassing wat daar voorbij die bocht te zien zou zijn. Ze passeerden wel enkele personenauto's, doch de gezochte was er nog steeds niet bij. Zo lang de rit had geduurd was er nog bijna geen woord over de lippen gekomen van de jongens. Ze wisten niet beter te doen dan maar recht voor zich uit te staren al hadden ze natuurlijk allemaal hun gedachten over de dolle rit.

Dan kwamen ze aan een gedeelte waar het uitzicht naar links overweldigend mooi was. Rechts helden vrij steil de bergen omhoog. Uitzicht hadden ze daar niet op, want de helling scheen begroeid met hoge sparren, die iedere doorkijk belemmerden. Maar links hadden ze daarentegen het gezicht op een enorm dal, waar aan de overkant tegen de helling grote stukken weiland de bossen onderbraken. Het was tamelijk bewolkt, maar af en toe zag de zon toch kans even door te breken en dan ontstonden er grote lichtplekken op het panorama. Hier en daar stonden verspreid wat huizen in het dal en tegen de berghellingen. Rien, die het meest aan de buitenkant zat kon, ondanks de spanning waarin ook hij verkeerde, zijn ogen toch niet geheel afhouden van al dat moois.

Toen viel zijn oog een ondeelbaar ogenblik op iets anders. Langs de kant van de weg, aan de rand van de helling, waren hier en daar ruimten uitgespaard, die dienden als stortplaats voor huisvuil en andere ongerechtigheden. Wat hij van het korte gesprek tussen de inspecteur en zijn ondergeschikte had opgevangen was voldoende om plotseling met een schok rechtop te gaan zitten. Tussen de struiken door ving hij een glimp op van een lage auto met een sportief model. Een omschrijving zou hij verder niet kunnen geven van het voertuig, maar hij voelde, nee hij wist zeker dat dit de gezochte was. De politieman die ze onderweg hadden opgepikt had gesproken over een sportauto, dat had hij duidelijk gehoord. In een seconde flitsten hem de verschillende gedachten door het hoofd. Stel, dat hij zich vergiste? Dan zouden er kostbare minuten verloren gaan door hier te stoppen en dan tot de ontdekking te komen dat het toch niet de gezochte auto was. Maar als het hem wel was? Langer dan die seconde bedenktijd had hij niet nodig.

"Stop inspecteur!" riep hij. "Daar tussen de struiken, daar staat hij!"

In zijn opwinding sprak hij Nederlands, maar de betekenis van zijn woorden bleek duidelijk genoeg om de inspecteur te doen begrijpen wat hij bedoelde. Het volgend moment gierden weer de remmen, en binnen vijftig meter stond de zware personenauto stil.

"Weet je het zeker?" vroeg inspecteur Werner, maar reeds liet hij de wagen achteruitlopen.

"Ongeveer honderdvijftig meter terug," zei Rien met grote stelligheid. "Daar is een stortplaats voor vuil en zag ik een snelle sportwagen staan. Dat moet hem zijn!"

Sneller liet inspecteur Werner de auto achteruit rijden. De man naast hem zat al met de portierkruk in de hand, klaar om er uit te springen.

"Dat is hem, ik zou hem uit duizenden herkennen. Van deze auto's rijden er in het hele land niet meer dan een paar honderd," zei hij.

Ze stonden stil voor het inhammetje, dat hier was gevormd en waarin de sporen van af- en aanrijdende vrachtwagens duidelijk waren te zien. Toen inspecteur Werner de motor van de auto afzette, viel een onwezenlijke stilte op de inzittenden. Veel verkeer was hier niet en verlaten stond de luxe auto, door laag struikgewas gedeeltelijk aan het oog onttrokken, een paar meter van de weg af. Mochten de inzittenden in de buurt zijn, en daarover kon niet veel twijfel bestaan, dan hielden ze zich in elk geval wel erg rustig.

Vastberaden, maar op alles voorbereid, stapte de inspecteur Werner uit de auto, onmiddellijk gevolgd door de politieman, met getrokken revolvers liepen ze de weg over, klaar om van hun vuurwapens gebruik te maken, indien dit nodig mocht blijken. De jongens hadden zo al begrepen dat ze in de wagen moesten blijven, maar ten overvloede had inspecteur Werner hun nog een wenk gegeven in die richting dat ze op hun plaats moesten blijven. Dit was geen werk voor de jongens, dat voelden ze zelf ook wel. Omzichtig kijkend naar alle kanten, tot het uiterste gespannen vervolgden de twee mannen hun weg, vanuit de politieauto gadegeslagen door vier paar jongensogen. Voorlopig was er niets te zien dan de twee geüniformeerde politiebeambten en scheen er geen vreedzamer plekje denkbaar dan dit plekje in de bergen, ergens in een der uitlopers van het Eifel-gebergte.

Aan de overkant van de weg werd overleg gepleegd. Wat er gesproken werd, konden de vrienden niet horen. Paul kon niet nalaten, het portierraampje open te draaien. En hoewel de anderen het daarmee niet helemaal eens waren was er niemand die er tegen protesteerde. Iedereen was nieuwsgierig naar de afloop van het vreemde avontuur en wilde alles zo veel mogelijk volgen. Ze zagen de inspecteur een vluchtige blik in de auto werpen, die kennelijk leeg was. De ander stapte in het voertuig.

"Hetzelfde euvel, als waar wij mee te kampen hadden," hoorden de jongens hem zeggen.

"Geen benzine meer, in ieder geval niet genoeg meer om nog vijf kilometer verder te komen."

"Dan liggen ze hier in de buurt verscholen om een nieuwe kans af te wachten," veronderstelde de inspecteur. "Ze hebben natuurlijk gehoopt dat eventuele achtervolgers de auto niet zouden zien, althans niet dadelijk en ons zo op een dwaalspoor willen brengen."

"Wat doen we inspecteur?" vroeg de ander.

Werner dacht even na.

"We kunnen moeilijk op zoek gaan tussen al het struikgewas hier," zei hij toen. "Hoogstens kunnen we de allernaaste omgeving verkennen. Ver kunnen die kerels in elk geval nog niet zijn. Zoals je zelf vertelde, hebben ze hoogstens een halve minuut voorsprong gehad. We zullen hier even rondkijken in de buurt. Als dat niets oplevert, dan moeten we de eerste auto die langs komt charteren om een boodschap over te brengen naar de volgende politiepost. Ik heb zelf geen mobilifooninstallatie in de wagen, dus we zullen op een andere wijze versterking moeten laten halen."

Nog even stak hij de hand op naar de jongens in de auto, ten teken dat die rustig moesten blijven zitten; toen verdween hij, vergezeld door zijn ondergeschikte, in het lage struikgewas, de revolver schietklaar in de vuist geklemd.

"Die vinden ze nooit," zei Lex in de auto tegen zijn vrienden.

"Als die agent zich niet vergist, kunnen ze toch onmogelijk ver uit de buurt zijn," meende Rien.

"Ze kunnen wel op een afstand van twintig meter van die auto zitten, zonder dat ze ontdekt worden," was Paul van mening.

"Het zal me benieuwen...."

Het was Gerard, die iets wou zeggen, maar wat hem zou benieuwen bleef voor iedereen een geheim.

Rechts van de weg, vlak naast de auto, klonk plotseling geritsel, toen werd het portier van de wagen opengerukt door een gemaskerde kerel, en het volgende ogenblik keken vier verschrikte jongens in de loop van een dreigend op hen gerichte revolver!

HOOFDSTUK X

Inspecteur Werner had bij het verlaten van zijn auto een onvergefelijke fout gemaakt; hij had vergeten het contactsleuteltje er uit te halen en dat stak rustig op zijn plaats bij het dashboard. Die fout bezorgde hem veel narigheid. Of de autobandieten hier op hadden gelet, viel natuurlijk moeilijk uit te maken, maar in ieder geval was het een feit dat de man met de revolver direct gevolgd werd door een tweede, die snel op de plaats van de chauffeur schoof.

"Eén kik en jullie gaan er aan!" siste de eerste.

Zo overbluft en overdonderd waren de vier vrienden dat die gedachte niet bij hen op kwam. Wat de twee mannen daar lieten zien was dan ook van een koelbloedigheid en een gedurfdheid, die een betere zaak waardig zouden zijn geweest. Alles ging bijna geluidloos en bliksemsnel; terwijl de een de jongens in bedwang hield met zijn wapen, startte de ander de auto. Nog geen minuut nadat ze de brede gestalte van inspecteur Werner hadden zien verdwijnen tussen het struikgewas, reed de auto al in zijn tweede versnelling. En op dat ogenblik kwam pas de inspecteur de weg op hollen, gevolgd door de andere politieman.Ze waren pas geschrokken toen ze de motor hoorden startten. De inspecteur deed nog een vertwijfelde poging om op de treeplank te springen, maar het was al te laat, de auto was niet meer te achterhalen.

Nog even kreeg hij een kleine hoop, toen van de tegenovergestelde kant een bestelauto naderde. Met armgebaren trachtte de politieman de bestuurder duidelijk te maken dat hij de wagen tegen moest houden maar het mocht niet meer helpen. De chauffeur van de bestelauto begreep hem niet direct of had wellicht geen zin, zijn voertuig in de waagschaal te stellen voor een doel dat hij voorlopig nog niet kende.

Alsof de bandiet maandenlang in de voor hem toch volkomen vreemde auto had gereden zo joeg hij het voertuig op tot een waanzinnige snelheid. De kerel die de jongens had bedreigd verslapte langzamerhand een beetje in zijn oplettendheid. Hij had die niet direct meer nodig, want geen der knapen zou het in zijn hoofd halen om bij zo'n hoge snelheid dingen te doen die de bestuurder uit zijn evenwicht kon brengen. Het zou voor hen alle zes een vreselijk ongeluk hebben betekend, waarvan de gevolgen niet te overzien zouden zijn.

Overigens begonnen de vrienden zich toch wel af te vragen waar deze woeste rit zou eindigen. Die twee zouden toch stellig niet van plan zijn om deze wagen te stelen? Zoiets konden ze met een gewone burgerauto misschien doen, maar hier moest de kleur hen al direct verraden, zodra de politie in verschillende plaatsen op hen ging letten.

Rien was de eerste die de stoute schoenen aan trok.

"Wat bent U met ons van plan?" vroeg hij brutaalweg.

Hij sprak opzettelijk Nederlands, iets wat zijn vrienden niet direct begrepen, maar waarvan hen even later de bedoeling duidelijk werd.

"Zijn jullie Hollanders?" was de enige reactie van de vent die naast de bestuurder zat.

"Ja," was de korte reactie van Rien.

Het gesprek werd in het Nederlands gevoerd, de Duitser sprak met een sterk accent, maar het was heel goed verstaanbaar.

"Spreek je Duits?" vroeg de ander weer.

"Nee," loog Rien.

"Hoe lang zijn jullie hier?"

"Sinds gisteren," antwoordde Rien met een stalen gezicht. "En ik moet zeggen dat het hier maar een rare bedoening is. Ze beloven je een plezierritje en het slot is dat je hier opgepakt wordt en als een stelletje boeven in bedwang wordt gehouden met een revolver."

De ander gaf geen antwoord meer.

"Ze spreken geen Duits," zei hij tegen zijn makker. "Als we vlug spreken en dan in dialect, verstaan ze ons beslist niet."

De ander bromde wat.

"Waar gaan we naar toe?" hernam zijn vriend.

Op dat moment begrepen de andere drie jongens de slimme opzet van Rien. Hij had het voor doen komen alsof de twee vrijuit konden praten, om zodoende iets op te vangen, waarmee ze de politie later konden helpen. Zijn plannetje scheen inderdaad volkomen te slagen.

"We zoeken eerst een rustig plaatsje om die vier knullen uit de auto te zetten," antwoordde de chauffeur, die kennelijk ook de leiding had van de "onderneming".

"Hier is het nog te druk, maar straks komt er een zijweg die de bergen ingaat. Daar zetten we dat stel uit. En daarna zien we zo dicht mogelijk in de buurt te komen van een station. Met deze wagen durf ik helemaal niet lang te blijven rijden, die kent binnen het halve uur de hele Duitse politie. Dan gaan we met de trein terug naar veiliger terrein."

"Dan kunnen we het beste naar Monschau gaan," opperde de ander. "Als we eenmaal in de trein zitten, maakt niemand ons meer iets. Vingerafdrukken zullen ze tevergeefs zoeken."

"Je vergeet die vier knapen; die hebben ons beslist herkend."

"Dat zullen we moeten riskeren. Je kunt ze toch moeilijk alle vier laten verdwijnen! Het enige is, dat we ze een flink eind uit de buurt brengen. Als ze ons maar niet verstaan hebben!"

"Ik zou het niet denken als je die gezichten ziet, zegt dat al genoeg."

"Dan maak ik me verder niet veel zorgen. Wat die herkenning betreft, daar ben ik niet zo bang voor."

Zwijgend hadden de vier jongens het gesprek gevolgd, zich wel wachtend om te verraden dat ze bijna alles hadden verstaan, in ieder geval begrepen.

"Wat is U nu met ons van plan?" waagde Rien het zelfs te vragen, toen de twee op de voorste bank zwegen.

"Dat zul je wel zien, monden dicht nu," snauwde de man met de revolver.

Zijn trawant stuurde de auto juist de door hem bedoelde zijweg in; het voorlopige einddoel van de autorit was dus voor de vier knapen in zicht. Het was een soort weg dat ze al kenden uit de omgeving van Ahrweiler en in stilte hoopten de vrienden dat het hen net zo zou vergaan als bij de rit, die ze met oom Ton hadden gemaakt en op zeker ogenblik in moeilijkheden zouden geraken, al scheen de bestuurder hier op bekend terrein te zijn.

Nou ja, voorlopig konden ze weinig anders doen dan maar afwachten, zolang ze zich maar rustig hielden, zou hen in elk geval niets overkomen. Als ze maar niet te ver uit de bewoonde wereld kwamen, des te kleiner werd de kans dat ze iets zouden kunnen doen. Zo spoedig mogelijk moesten ze ergens iemand opzoeken waar ze konden telefoneren, opdat het station in Monschau afgezet kon worden. Dan zouden ze een zo duidelijk mogelijke omschrijving geven van het tweetal. Daarna moest de het een klein kunstje zijn voor de politie om ze te pakken.

Maar al waren de twee mannen dan overtuigd dat de jongens hen niet hadden verstaan, in dat opzicht deden ze toch geen half werk. Nadat ze een paar kilometer omhoog waren geklommen, stopte de auto bij een splitsing. In heel de wijde omtrek was geen huis te zien. De smalle bergweggetjes schenen doelloos verder te lopen om ooit door iemand gebruikt te worden, om de eenvoudige reden dat daar verder niemand leek te wonen.

"Uitstappen, alle vier!" grauwde de man die met hun "bewaking" was belast. "Hier mag je schreeuwen, zo hard als je wilt, er is toch niemand die je hoort."

"Maar hoe komen we hier vandaan?" vroeg Gerard met een benauwd gezicht.

"Dat is jullie zaak. Je hebt ons lang genoeg last bezorgd, verder spelen we niet voor kindermeisje."

De ander was in de auto blijven zitten en maande van daar uit tot spoed.

"Neem die knullen een eind mee het bos in," beval hij. "Hier heb ik wel een stuk touw, bind ze daar mee vast, zodat ze minstens een kwartier nodig hebben om weg te kunnen komen. Het gaat ze tenslotte niets aan in welke richting we rijden. Maar hou die blaffer bij de hand, anders mochten ze eens te veel praatjes krijgen met zijn vieren."

"Het komt secuur voor elkaar," beloofde de ander.

En tegen de jongens: "Ziezo, netjes naast elkaar gaan staan, twee aan twee, en een beetje opschieten."

Gewillig deden de vrienden wat hen gezegd werd. Tegenstand zou op dit ogenblik toch niet baten, dat begrepen ze best. Onder het wakend oog van de man achter het stuur werden ze behoorlijk stevig vastgebonden, zodat ze de handen niet vrij konden krijgen. Eén ding moesten de jongens die kerels na geven, alles wat ze deden, ging grondig en snel. In minder dan geen tijd waren de knapen voor minstens tien minuten uitgeschakeld, zo vakkundig waren ze gebonden en toen werden ze een eindweegs het bos ingeleid. Ondanks het weinig prettige van de situatie liepen drie van hen inwendig te grinniken. Ze begrepen best dat hen geen haar gekrenkt zou worden, zolang ze zich maar stipt hielden aan wat die lui van hen verlangden. Ze zouden heus wel weer ongeschonden de bewoonde wereld bereiken en dan was het leed waarschijnlijk spoedig geleden. Alleen zou het de vraag zijn of ze iets konden doen voor een spoedige arrestatie van de overvallers, want daar leek het op het ogenblik niet op. Alleen Gerard had het nog al te kwaad; het huilen stond hem nader dan het lachen. Hij keek met een benauwd gezicht naar Lex, die naast hem liep, maar die knikte hem eens bemoedigend toe. Zo liepen ze een heel eind het dichte struikgewas in, steeds aangemaand tot meer spoed.

De bodem helde hier echter nog steeds flink en bovendien was er beslist niet op hen gerekend voor een wandeling, zodat ze af en toe een fikse haal van een tak langs hun armen en benen voelden gaan. Na een honderd meter te hebben gelopen scheen hun begeleider er ook genoeg van te hebben en gaf hij te kennen dat het zo wel genoeg was. Met nog een stuk touw werden de jongens samen aan een boom gebonden. Daarna werden ze snel gefouilleerd op zakmessen, die onverbiddelijk in beslag werden genomen en vervolgens liet de man hen alleen om zich met bekwame spoed weer naar de auto te begeven.

Weinig tijd later hoorden de jongens het portier van de auto weer dicht slaan; nog even het brommen van de motor en toen was het weldra doodstil om hen heen.

"Ziezo, daar staan we dan," verbrak Lex die beklemmende stilte, terwijl hij al bezig was, zich los te maken.

"Au, trek niet zo hard, op die manier werk je dat touw om mijn polsen nog strakker dan het al zit," mopperde Paul. "Die vent heeft het er met een dubbele slag omheen gedraaid."

We moeten zo dicht mogelijk tegen elkaar gaan staan, dan krijgen we de meeste speling in dat verwenste touw," meende Rien. "Als we maar wild gaan rukken, werken we tegen elkaar."

"Tjonge, jonge, wat een leuke vacantie," gaf Lex te kennen. "Eerst dat geval daar bij Königswinter met die twee geliefden, toen die panne met de auto en nu dit weer! Enfin, ik moet zeggen: het is wel afwisselend."

"Ik geloof toch dat ik volgend jaar weer een spelletje badminton ga spelen met mijn vader in Valkenburg." zei Paul somber.

"Kletsen jullie nou niet. Laten we eerst liever kijken hoe we dat touw los krijgen, dan is er nog tijd genoeg om te praten," vond Rien. "Ik heb mijn linkerhand al aardig vrij gekregen. Als jullie nu niet bewegen, kan ik hem dadelijk vrij maken en dan is de rest een koud kunstje."

Een paar minuten stonden ze zwijgend naar Rien te kijken. Ze konden niet zien hoe hij opschoot maar aan zijn gezicht was te zien dat hij steeds meer terrein won.

En eindelijk stak hij zegevierend zijn linkerhand omhoog, na wat de anderen een eeuwigheid toe scheen. Onmiddellijk verminderde dat het trekken aan de polsen van de anderen. Daarna was het leed gauw geleden. Tegelijk maakten Lex en Gerard als laatste twee het knellende koord los en vervolgens lichtten ze dat gewoon over hun hoofden heen.

Daar stonden ze nu, zoals Lex al had opgemerkt. Wat nu te doen? Ze konden natuurlijk terug lopen naar de weg, maar wat dan? Ze wisten niet eens, in welke richting die twee waren gegaan! Het was nu al een tijd lang droog geweest, zodat ze niet hoefden te rekenen op zichtbare sporen van de zware politieauto. De grond was keihard geworden, voor zover er hier tenminste van grond gesproken kon worden. Evenals bij Ahrweiler bestond het wegdek ook hier voornamelijk uit grote en scherpe stukken steen, die geen enkele indruk opnamen. En trouwens, al wisten ze dat wel, dan nog schoten ze er maar bitter weinig mee op. Ze begrepen wel dat het weinig zin had, achter de auto aan te hollen. Terwijl ze zich een weg baanden door de vrij dicht op elkaar staande bomen, bracht Lex zijn gedachten en die van de anderen onder woorden.

"We kunnen dadelijk drie dingen doen," zei hij. "We kunnen die lui achterna gaan, maar dat heeft natuurlijk geen enkele zin. Verder kunnen we in het wilde weg gaan zoeken naar een gelegenheid waar we kunnen telefoneren en de laatste mogelijkheid is, dat we gewoon de weg terug nemen. Dat betekent, naar mijn schatting, een wandeling van een goed half uur. Dan staan we dus aan de grote weg. Daar zijn we natuurlijk gauw genoeg vandaan."

"Dat lijkt mij het beste," meende Paul. "Dan heb je de meeste kans, dat je nog iets kunt doen, voordat die lui in Monschau in de trein zijn gestapt en zich hebben vermomd als onschuldige reizigers."

"Mij een zorg," verzuchtte Gerard. "Ik wou dat we maar rustig in de camping in Ahrweiler zaten en bij oom Ton waren gebleven, in plaats van die uitnodiging van inspecteur Werner aan te nemen voor een leuke rit door de omgeving. Ik hou best van een aardig verzetje, maar hier is voor mij langzamerhand de aardigheid wel af."

"Ik had me ook wel wat anders voorgesteld," gaf Rien toe. "Maar we zitten nu eenmaal in het schuitje en of we daar nu lopen over te kniezen geeft ook niet veel. En nu we hier toch eenmaal in verzeild zijn geraakt, wil ik toch wel het mijne er toe bijdragen om te zorgen dat die twee knapen gepakt worden."

"Ik ben je man," gaf Lex te kennen. "Vooruit jongens, laten we maar opschieten, dan hebben we de meeste kans dat we er inderdaad iets aan kunnen doen!"

"Zou jij die lui nog herkennen?" vroeg Paul.

"Die vent achter het stuur heb ik niet in zijn gezicht kunnen kijken, maar die andere wel, al had hij dan ook dat zwarte lapje voor zijn ogen. En zijn kleren heb ik zeker goed bekeken."

"Dat zegt natuurlijk niets, die kleren van hem," meende Rien terecht. "Ik zie die lui er best voor aan dat ze hier of daar een ander costuum hebben liggen. Ze zullen heus zo hier en daar hun relaties wel hebben."

"We zullen maar afwachten. Of we ons hier nu al in veronderstellingen lopen te verdiepen, geeft al heel weinig. Ik wou maar, dat we meneer Werner te pakken hadden; dan konden we die tenminste vertellen, wat we weten."

In marstempo liepen ze terug in de richting, vanwaar ze waren gekomen. Niemand had oog voor de omgeving. Daar hadden ze trouwens toch niet veel van genoten in deze vacantie! Er was steeds wel weer iets anders, wat hun aandacht vroeg.

"Dat die kerel mijn nieuwe zakmes heeft ingepikt, zit me nog het meeste dwars," verbrak Paul de stilte, toen ze een tijd lang hadden gelopen.

"Als de zaak goed afloopt, declareren we gewoon voor ieder een zakmes bij de politie," zei Rien laconiek en daar moest zelfs Gerard om lachen.

Intussen vorderden ze behoorlijk. Bij een doorkijk kregen ze al weer het gezicht op de grote verkeersweg, waar af en toe een auto voorbij schoot. Bij het zien daarvan gooiden ze er nog een schepje bovenop en op de tijd, die Lex had voorspeld, waren ze inderdaad terug in de bewoonde wereld, drie kwartier nadat ze zich los hadden gemaakt uit het touw. Die "bewoonde wereld" bestond overigens slechts uit een paar hotels, op grote afstand uit elkaar gebouwd. Het eerstvolgende stond op zeker een paar honderd meter tegen de bergen aangedrukt. Welgemoed liepen de jongens in die richting. Maar toen hen van achteren een kleine personenauto snel naderde, gingen ze midden op de weg staan om zo de bestuurder te dwingen.

"Moesten jullie beslist je leven wagen om een lift te krijgen," lachte de chauffeur, toen hij zijn wagen naast hen tot stilstand bracht.

In het kort vertelde Lex wat er aan de hand was, toen veranderde het gezicht. Eerst keek de man een beetje ongelovig, maar toen Lex klaar was met het verhaal stapte hij meteen uit om een plaatsje in te ruimen voor de vrienden.

"Vooruit dan, vlug maar," zei hij. "Als het inderdaad is, zoals jullie me daar vertellen is er geen minuut te verliezen."

Op hetzelfde ogenblik klonk een hevig getoeter achter hen. Een beetje geschrokken keken de jongens op. Wat ging er nu weer gebeuren? Dan herkenden ze tegelijk de man, die naast de bestuurder van de claxonnerende auto zat: inspecteur Werner! Meteen lieten de knapen de verbaasde eigenaar van de auto staan en liepen de naderende auto tegemoet. Een paar seconden later kwam de rijzige gestalte van de politieman op hen toe. Met een blij gezicht drukte hij de jongens een voor een de hand.

"Gelukkig dat jullie tenminste weer terug zijn!" zei hij. "Ik maakte me werkelijk ongerust. Maar vertel nu vlug wat jullie weten en wat je is overkomen."

Iets uitgebreider dan daarnet vertelde Lex nu voor de tweede keer het verhaal en inspecteur Werner luisterde aandachtig. Hij liet Lex uitspreken, maar toen die klaar was, verloor hij geen minuut meer.

Hij duwde de knapen bijna de auto in, waarvan de chauffeur de motor draaiende had gehouden. De bestuurder van de auto die de jongens mee had willen nemen, kreeg niet eens uitleg van wat er nu ging gebeuren, zo weinig tijd gunde de inspecteur zich.

Rien en Paul werden naast de bestuurder van de auto neergezet, terwijl inspecteur Werner zich achterin zette naast Lex en Gerard, om nog zoveel mogelijk bijzonderheden te horen. Veel konden de jongens hem echter verder niet vertellen. Ze wisten dat de mannen naar Monschau zouden gaan om daar de trein te pakken, maar welke weg ze zouden nemen, die vraag konden ze natuurlijk ook niet beantwoorden.

"Kunnen jullie een beschrijving geven van die twee?" vroeg inspecteur Werner.

"Van die man achter het stuur maar heel vaag," antwoordde Lex. "Die hebben we eigenlijk geen enkele keer in het gezicht gekeken en bovendien waren ze nog gemaskerd ook, tenminste, ze hadden zo'n zwarte lap voor de ogen. Die andere was in ieder geval een jonge knul, hoogstens een jaar of vijfentwintig, zou ik zeggen. En hij was donker, nogal mager vond ik."

"Ja ja, het is goed," onderbrak de inspecteur hem een beetje ongeduldig. "Maar laten we nu de zaak eens anders stellen. Zou je ze pertinent herkennen?"

Die vraag was eigenlijk tot hen alle vier gericht. De meningen liepen nogal uiteen, Lex en Paul waren er van overtuigd dat ze de man met de revolver beslist zouden herkennen, ook al had die man zich verkleed. Van de andere voelden ze zich niet zo zeker. Alleen Rien wist zich pertinent te herinneren dat die een kleine wrat rechts op zijn kin had, maar verder durfde ook hij niet te gaan.

"Dat is tenminste iets," zei inspecteur Werner tevreden. En zich tot de chauffeur wendend: "Bij dat pompstation stoppen. Ik moet even bellen."

De man achter het stuur, die nog geen woord had gezegd, reageerde meteen. Hij had de auto snel over de weg gejaagd, iets, waaraan de jongens langzamerhand wel gewend waren geraakt. Met een korte draai reed hij de wagen tot vlak naast het kantoortje van de beheerder der "tankstelle", waar men mocht verwachten, een telefoon te zullen vinden. Het ging allemaal snel. Zonder een moment te verliezen stapte inspecteur Werner naar binnen en slechts een paar minuten later kwam hij al weer naar buiten.

"Ziezo, en nu als de weerga naar Monschau," zei hij. "We zullen eens zien, hoe lang het duurt eer we dat nobele tweetal te pakken hebben!"

HOOFDSTUK XI

"Hoe kwam U eigenlijk hier weer zo verzeild, meneer Werner?" waagde Rien het te vragen.

De inspecteur lachte even.

"Noem het een soort feeling als je wilt," zei hij. "Ik heb natuurlijk direct een auto aangehouden; dat was die bestelauto, die direct daarna passeerde. Die heeft ons onmiddellijk naar een hotel gebracht, waar ik met het dichtstbijzijnde bureau heb gebeld. Van daar uit hebben ze toen deze auto gestuurd. We hebben die andere politieman, die bij me was, naar een bushalte gebracht. Maar omdat ik toch verder ook niets kon doen op dat moment heb ik onze vriend hier een paar keer heen en weer laten rijden van het volgende dorp naar de plaats waar ze er met mijn wagen van door zijn gegaan en terug. Verder verwachtte ik toch niet, dat ze waren gegaan. En ik heb geluk gehad, naar nu achteraf blijkt. Jullie hebben me meteen gelegenheid gegeven om mijn figuur te redden, en daar ben ik je erg dankbaar voor."

De knapen werden haast een beetje verlegen door de houding van inspecteur Werner, zo verheugd was die blijkbaar dat ze weer heelhuids terug waren, en dat nog wel met waardevolle inlichtingen.

"Ik heb honger," verbrak Lex de stilte na de ontboezeming van de inspecteur.

Het was even stil geweest in de auto en de woorden van Lex vormden daarop zo'n anti-climax, dat iedereen het uitschaterde van het lachen. Maar nu Lex erover begon, voelden ook de anderen dat ze best iets zouden lusten. Inspecteur Werner beloofde de jongens een enorm eetfestijn, zodra daar even gelegenheid voor was, en dat vooruitzicht deed de knapen het water om de tanden lopen. Het was trouwens geen wonder dat ze langzamerhand hun magen voelden rammelen, want het was inmiddels half drie geworden.

Het zou ongeveer drie kwartier rijden zijn naar Monschau, wanneer ze tenminste dit tempo aan hielden. Al ging het dan niet meer zo hard als een goed uur geleden, toch joegen ze nog altijd met grote snelheid langs de weg en wezen verschillende andere weggebruikers naar hun voorhoofd als ze gepasseerd werden door de politieauto.

Eén ding hadden de jongens nu in ieder geval voor; ze konden op hun gemak wat rondkijken. Aan de snelheid waren ze langzamerhand wel gewend geraakt, dus dat boezemde geen enkele angst meer in, en ze voelden zich heel wat meer op hun gemak als tijdens de tocht met de dieven.

Voorbij een scherpe bocht in de weg kregen ze plotseling het gezicht op Monschau, een liefelijk stadje dat tussen twee bergruggen stond ingeklemd. En bijna tegelijkertijd zagen ze ook het stationnetje liggen. Maar ze zagen meer! Met een schel gefluit vertrok juist een trein vanaf het perron en iedereen begreep meteen wat dat kon betekenen. Tenzij de politie in Monschau erg voortvarend was opgetreden, bestond er een kans dat ze net achter het net visten, al zou dat waarschijnlijk alleen maar uitstel betekenen. Van de andere kant was het onwaarschijnlijk, dat het tweetal zo vlug naar Monschau had kunnen komen.

Inspecteur Werner liet een paar krachtige woorden uit zijn mond vallen. Hij had gehoopt, dat hij van meet af de controle op alle uitgaande treinen zou kunnen uitoefenen en dit was weer een tegenvaller.

Vlak voor de ingang van het station stopten ze en direct stapte inspecteur Werner naar binnen om poolshoogte te gaan nemen.

De jongens wisten niet beter te doen, dan maar achter hem aan te lopen, en ook de chauffeur kwam achter de inspecteur naar binnen. Daar stond die al in gesprek met de stationschef, die maar matig scheen ingenomen met al die drukte in het anders zo rustige stadje. Maar hij was natuurlijk meteen bereid om zoveel mogelijk medewerking te verlenen, nadat Werner hem in het kort vertelde waaraan hij die invasie te danken had.

"Nu weet ik tenminste waar het om gaat," zei hij. "Die twee mannen hier uit Monschau doen niets anders dan maar heen en weer te lopen op het perron en nu ik Uw verhaal hoor, lijkt me dat niet de beste manier om de twee mannen te pakken te krijgen. Vanaf de weg kun je precies op het perron kijken en als die lui uniformen zien, zullen ze zich wel twee keer bedenken, alvorens ze hier naar binnen gaan."

Op het kleine perronnetje liepen inderdaad in alle gemoede de twee mannen op en neer. De oudste stelde zich direct voor.

"Brigadier Müller," zei hij en meteen officieël daar achter aan: "Niets verdachts geconstateerd inspecteur."

"Hebben jullie steeds hier op het perron heen en weer gelopen?" vroeg inspecteur Werner.

En toen de ander bevestigend knikte: "Nee, dan kan ik me voorstellen dat jullie niets verdachts hebben geconstateerd! Als die twee kerels hier inderdaad zijn geweest hebben ze jullie natuurlijk direct gezien en meteen nattigheid gevoeld. Nu weten we nog niets!"

Hij stond even na te denken, terwijl de brigadier een schuldbewust gezicht zette.

"Er zal niets anders opzitten dan de volgende trein af te wachten," nam de inspecteur weer het woord. "Hoe laat gaat die?"

"Over een goed half uur, maar dan de andere kant uit, in de richting Aken," antwoordde de brigadier, blij dat hij direct antwoord op de vraag kon geven.

"Dan ga ik met de jongens bij de lokettist zitten," besliste Werner. "Als we die knapen signaleren, krijgen jullie meteen een seintje; een van ons loopt dan wel even naar achteren door het kantoor heen. Jullie drieën stellen je hier ergens verdekt op, zodat ze je van de weg af niet kunnen zien."

Vlak bij de toegang tot de perrons stond een klein, houten gebouwtje dat diende om allerlei materiaal in op te slaan. Dit kregen de drie politiemannen, de twee uit Monschau en de man die in inspecteur Werner en de jongens naar het station had gereden, toegewezen om zich klaar te houden, zodra hun assistentie nodig zou blijken.

"En jullie gaan met mij mee naar binnen," wendde de inspecteur zich tot de jongens.

Voor hen uit liep hij naar binnen en zocht een plaatsje, vanwaar ze een goed uitzicht hadden op de mensen die voor het loket zouden verschijnen, zonder van buiten te worden gezien.

"Ziezo, nu mondje dicht," zei de inspecteur kort, maar niet onvriendelijk tegen zijn jeugdige assistenten. "Het eerste woord hoor ik pas als jullie dat edele tweetal signaleren, en dan nog vooral niet te hard. Dan zouden ze alsnog rechtsomkeert maken bij het horen van bekende stemmen."

De jongens knikten instemmend, ten teken dat ze het hadden begrepen.

"En denk er om, jullie blijven binnen als ze eventueel het perron oplopen," voegde de inspecteur er nog aan toe. "Ik hoop niet dat het zover komt, maar mochten er wellicht nog opwindende dingen gebeuren dan kunnen jullie beter een beetje uit de buurt blijven!"

Hij zei het half lachend alsof hij zich wilde verontschuldigen dat hij zijn "gasten" dat avontuur moest doen mislopen, maar zijn stem had onmiskenbaar een dreigende ondertoon, al gold die niet zijn jonge vrienden. En die waren in stilte dankbaar voor de zorg van de politieman, al hadden ze dan ook liever alles van dichtbij gevolgd.

Het werd een spannend half uur dat nu volgde. Zouden de twee autodieven onraad geroken hebben en zich niet in Monschau laten zien? Of zouden ze zich misschien later hebben bedacht en een andere uitwijkplaats hebben gekozen? Misschien hadden ze alleen maar over Monschau gesproken om de jongens op een dwaalspoor te brengen, die dat dwaalspoor dan weer met de beste bedoelingen door gaven aan de politie.

Er waren nog meer mogelijkheden. Wellicht waren ze hier toch op de trein gestapt, zonder dat ze door de twee politiemannen waren gezien. Het was vooral inspecteur Werner, die deze mogelijkheid steeds onder ogen zag. Hij had blijkbaar een niet al te hoge dunk gekregen van zijn collega's hier uit het stadje, iets wat ook wel te verklaren was. Iedereen kon begrijpen dat de twee bandieten zich direct om zouden keren bij het zien van uniformen. De jongens hadden niet opgelet toen ze met grote snelheid het station naderden, maar iemand die lopende aan kwam, moest welhaast op het perron kijken en dan vielen die twee agenten natuurlijk direct op, op het tamelijk stille perron, zeker voor iemand die van de politie geen goeds had te verwachten.

Ieder in eigen gedachten verdiept zaten ze in spanning uit te kijken naar het loket, waar vrij regelmatig mensen een kaartje kwamen vragen. Iedere keer keek de inspecteur vragend naar de jongens, maar even zo vaak schudden die ontkennend met het hoofd. De gezochten meldden zich nog steeds niet! En langzaam maar zeker draaiden de wijzers van de electrische klok in het kantoor naar de aankomsttijd van de trein. Inspecteur Werner zat een beetje geïrriteerd met zijn vingers op het tafeltje dat voor hem stond marsen te trommelen. De gedwongen werkloosheid en het wachten maakten hem wrevelig, al zou hij dat voor al het geld van de wereld niet hebben willen bekennen. En de flater die hij had begaan met het contactsleuteltje en de gevolgen daarvan, zaten hem nog lelijk dwars. Het liefst was hij opgesprongen om die kerels te gaan zoeken, maar dit zou natuurlijk geen enkele zin hebben. Er waren hier in de omgeving duizend en één mogelijkheden om je een tijd te verschuilen, als het moest dagen lang. Als hij nu maar zeker had geweten dat die twee voor het loket zouden verschijnen, had hij desnoods een volle dag willen wachten, maar de onzekerheid was het ergste. De hele malle situatie maakte hem flink nerveus.

Tien minuten voor half vier wees de klok. Over precies dertien minuten moest de trein binnen komen en nog twee minuten later zou hij al weer vertrekken. En dan zouden ze weer kunnen wachten, zonder te weten of dat tweetal ooit hier op het liefelijke en landelijke station zouden komen vragen om een kaartje voor, ja voor welke plaats?

Er bestond natuurlijk nog de mogelijkheid dat ze eerst wachtten totdat de duisternis ingevallen was en ze zich tot zo lang hier in de omgeving schuil hielden.

Inspecteur Werner mompelde voor de zoveelste keer heel zachtjes, zonder dat iemand het hoorde, een paar verwensingen aan het adres van zichzelf en de twee autobandieten. Hij was een volijverig ambtenaar, al was alle dienstklopperij hem volkomen vreemd. En wanneer twee gevaarlijke autodieven ongestraft rond zouden blijven lopen, zou hij er geen nacht minder rustig om slapen, maar onder de omstandigheden zoals die nu waren, was hem er alles aan gelegen dat het stel achter slot en grendel werd gezet, al moest hij er dagen voor uit zijn bed blijven.

Weer verscheen een mannengezicht voor het loket en vanuit hun plaatsje keken vijf paar ogen naar dat hoofd voor het geopende luikje. De ogen van de oudste keken even vragend naar de vier jongensgezichten, maar eerst aarzelend, daarna beslist, schudden die alle vier ontkennend.

Af en toe keek ook de loketbeambte even over zijn schouder en als een man een enigszins verdacht uiterlijk had naar zijn mening, stond hij soms zelfs even op, om de adspirantreiziger zo lang en zo goed mogelijk te kijk te zetten voor de onderzoekende ogen die, zonder dat de argeloze reiziger er iets van wist, op hem gericht waren.

Een luid rinkelende bel verstoorde de betrekkelijke stilte van het vertrek. De stationschef nam de hoorn van de haak en sprak een paar woorden. Vervolgens legde hij hem bedaard weer neer.

"Over drie minuten komt de trein hier binnen," zei hij tegen de inspecteur.

Toen liep hij naar buiten om te controleren of alles op de perrons in orde was.

De zo vurig verwachte reizigers hadden zich nog niet gemeld!

HOOFDSTUK XII

Langzaam zette de trein vaart. De stationschef stapte het vertrek weer binnen en ging, zonder notitie te nemen van de vreemde indringers in zijn domein, weer aan zijn bureau zitten.

De inspecteur stond op.

"Ziezo, met dat al zijn we nog geen steek opgeschoten," zie hij. "Maar nu zal ik toch eerst eens zien dat ik wat eetbaars bemachtig. Dat hebben jullie wel verdiend zo langzamerhand."

"En wat gaan we daarna doen meneer Werner?" waagde Lex het om te vragen.

De inspecteur haalde zijn schouders op.

"Ik zal dadelijk eerst maar eens contact opnemen met het hoofd van de politie hier," zei hij. "Die brigadier op het perron vertelde dat hij vanmiddag de hoogste in rang was hier en dat zijn chef omstreeks deze tijd waarschijnlijk weer op het bureau zou zijn. Ik hoop dat die meer verstand heeft dan die man hier."

"Ja, ziet U," merkte Rien een beetje schuchter op, "ik denk dat oom Ton langzamerhand wel naar ons uit zal zitten kijken."

"Drommels, dat is waar ook," schrok inspecteur Werner op. "Door die vervelende geschiedenis zouden we helemaal vergeten dat jullie hier met vacantie zijn! Maar ik zal voor alles eerst de beheerder van de camping opbellen. Die brengt de boodschap dan wel over aan jullie oom Ton."

Zo gebeurde het. Geen van de jongens dacht er over om te vragen of ze nu niet vast terug konden gaan naar Ahrweiler. Ze beschouwden het als de natuurlijkste zaak ter wereld dat ze bij inspecteur Werner bleven zolang die zelf er niet over begon om terug te gaan naar de camping.

Weldra zaten de vrienden achter een enorme stapel boterhammen, overdadig voorzien van beleg en met de geruststellende gedachte, dat oom Ton niet over hen in ongerustheid behoefde te zitten.

De inspecteur had hen gevraagd, zij het dan ook met een lichte aarzeling, of ze zo nodig nog een paar uurtjes in het stationnetje wilden blijven. De volgende trein zou over een klein uur vertrekken en dan vertrok er drie kwartier later weer een. Die twee wilde hij in ieder geval nog graag afwachten, alvorens hij dit spoor voorlopig liet rusten. Als de jongens weg zouden gaan zou er in ieder geval politiebewaking hier blijven, die desnoods iedere man die voor het loket verscheen, danig aan de tand zou voelen.

Terwijl de knapen als wolven op de enorme berg verse broodjes aanvielen, voerde inspecteur Werner drukke telefoongesprekken met verschillende politieinstanties. Toen hij daar mee klaar was, kwam hij weer bij de jongens zitten om ook een boterham te nemen. Hij had echter pas een hap genomen toen de telefoon fel rinkelde en hij aan het toestel geroepen werd.

De jongens zagen hoe zijn gezicht een gespannen uitdrukking kreeg tijdens het korte gesprek dat hij voerde.

"Een paar kilometer hier vandaan?" hoorden ze hem zeggen. "Prachtig dan schijnt de zaak toch te kloppen en zitten we dus goed hier. Ja, ik houd de boel hier in het oog, desnoods totdat de laatste trein is vertrokken!" Daarna kwam hij weer bij de jongens zitten.

"Ziezo, dat is tenminste een positief geluid," zei hij met gedempte stem. "Ze hebben de auto gevonden op een of ander bergweggetje, hier een paar kilometer vandaan. De jongens zitten in de val, want in een straal van vijftig kilometer rijden op het ogenblik zes politieauto's rond om de heren het vluchten over de weg te belemmeren. Hun enige kans is dus eigenlijk inderdaad nog de trein, of ze moeten zich hier in de buurt voorlopig verscholen houden."

"Maar als ze nu toch in de trein hebben gezeten die we vanmiddag weg hebben zien rijden toen we hier aankwamen?" merkte Paul heel verstandig op.

"Dat is uitgesloten, want die auto staat er nog niet langer dan een uur. Toen is er namelijk ook een politiewagen langs gereden en die heeft niets gezien. Hoogstens een uur geleden dus hebben ze de auto daar neer gezet en waarschijnlijk lopen ze nu hier ergens in de buurt te wandelen," zei inspecteur Werner. "Eet dus vlug je boterhammen op jongens, het is nu echt zaak om goed op te letten."

Snel werkte het viertal ieder nog een paar sneden brood met een fikse plak ham naar binnen, om vervolgens hun plaatsje weer in te nemen. De inspecteur voegde zich direct weer bij hen en opnieuw begon het wachten. Maar weer herhaalde zich hetzelfde; al wie er verschenen voor het loket, niet de twee mannen die gezocht werden.

Toen de volgende trein op het perron stond, stond de inspecteur op om eens een kijkje buiten te gaan nemen. Er zou voorlopig toch wel niemand meer aan het loket verschijnen, veronderstelde hij. Ook de jongens voelden er veel voor om even een kijkje buiten te nemen en achter de inspecteur aan liepen ze het perronnetje op. De drie politiemannen hielden nog altijd de wacht bij de toegang voor de reizigers, zonder dat de meesten daarvan iets van hen te zien kregen.

Een kort schril fluitje, een zwaai met het spiegelei; de trein naar Aken zou zich in beweging zetten. En op dat ogenblik gebeurde het totaal onverwachte. Terwijl de locomotief een beetje amechtig begon te puffen, grote wolken stoom uitblazend, holden twee mannen met een onguur uiterlijk door de hekken. Niemand had hen aan zien komen, maar ieder die direct te maken had met de achtervolging op de autobandieten wist het onmiddellijk toen ze de twee kerels zagen hollen.

En vier jongensstemmen schreeuwden het bijna eenstemmig uit: "Dat zijn ze!"

En diezelfde vier knapen hadden het eerst hun positieven bij elkaar. Als was er een startsein gegeven, zo holden ze achter het tweetal aan.

Diens bedoelingen waren vrij duidelijk. Ze hadden gewacht tot het allerlaatste ogenblik om, terwijl de trein al reed, nog in een van de coupé's te springen. Misschien hadden ze geen geld bij zich om kaartjes te kunnen kopen, misschien ook hadden ze onraad vermoed, al was het stellig niet in de vorm van de vier vrienden die ze een onvrijwillige lift hadden gegeven. Inspecteur Werner reageerde iets minder snel dan de jongens. Hadden de vrienden niet meteen de achtervolging ingezet, dan zou hij waarschijnlijk getracht hebben de mannen met de revolver tot stilstand te dwingen, maar nu durfde hij dat natuurlijk niet te doen.

"Zet het eerstvolgende sein langs de spoorlijn direct op onveilig," beet hij de stationschef toe, die zich toevallig vlak in zijn omgeving bevond.

Vervolgens zette hij ook een spurt in, om zo nodig nog te kunnen assisteren als hij daarvoor in de gelegenheid kwam.

Het was alles werk van seconden. De vluchtenden gaven zich geen tijd achterom te kijken. Een van hen scheen nog naar zijn broekzak te willen grijpen, maar zag er direct weer van af. Het was de vent die de jongens in bedwang had gehouden met zijn vuurwapen, toen ze met zijn tweeën de politieauto buit maakten. Lex, die voorop lag bij de achtervolgers, realiseerde zich heel, heel even maar wat dat wilde zeggen. De vent had weer zijn revolver willen trekken en als hij de kans had gekregen en er heil in had gezien, zou hij zeker niet geschroomd hebben er inderdaad gebruik van te maken.

Maar deze kans kreeg hij deze keer niet! De eerste man sprong al op de treeplank van de wegrijdende trein, terwijl de ander vloekend trachtte daar ook een plaatsje te bemachtigen. Daar zwaaide de eerste de deur al open om snel naar binnen te kunnen springen, maar het geluk was niet met hem. In de coupé had iemand door het raampje het toneel gevolgd en met veel tegenwoordigheid van geest meteen aan de noodrem getrokken. De trein, die nog lang niet op snelheid was gekomen, stootte even en verminderde toen meteen zijn tamelijk geringe vaart.

Illustratie op pagina 1Toen rolden vier jongenslichamen over elkaar heen boven op de twee mannen. Zelfs Gerard, die eerder te kennen had gegeven dat hij het in het geheel niet op dat tweetal had begrepen, deed enthousiast mee. Even was er een hevige worsteling, maar weldra begrepen de twee dat ze het spelletje hadden verloren. In de snelst mogelijke tijd kregen de jongens assistentie van de gewapende politieambtenaren en zonder veel omhaal werden ze even later, begeleid door twee man voor ieder, weggeleid na zorgvuldig te zijn gefouilleerd.

Het avontuur was afgelopen!

In een minimum van tijd waren de vier Nederlandse jongens omringd door een groot aantal mensen, die allemaal het naadje van de kous wilden weten. En hen wilden complimenteren voor de wijze waarop ze eendrachtig dat varkentje hadden gewassen.

Maar dat viertal lachte maar eens bescheiden en gaf op al die vragen en opmerkingen weinig of niets ten antwoord. Gelukkig kwam de stationschef, geholpen door een paar van zijn ondergeschikten, hen al spoedig ontzetten en nam hen mee naar binnen. De vrienden waren plotseling aanmerkelijk gestegen in zijn achting en achteraf scheen hij het wel leuk te vinden dat ze een tijdje zijn gasten waren, in afwachting van de terugkeer van inspecteur Werner.

Die belde na een minuut of tien al op met de boodschap dat hij over een half uurtje bij hen kwam om hen te halen. En dat deed hij ook inderdaad.

Maar als de jongens nu hadden gedacht dat ze nu rechtstreeks naar Ahrweiler terug zouden keren, hadden ze het toch mis. Eerst moesten ze mee naar het politiebureau in Monschau, waar het hoofd van de politie in die plaats hen nog even persoonlijk geluk wenste met hun doortastend optreden en hun alvast een kleine beloning in uitzicht stelde als blijk van officiële waardering der overheid.

En ook inspecteur Werner zat tevreden achter het stuur van zijn auto, toen ze nog een half uurtje later dan toch eindelijk de terugtocht aanvaardden.

"Dat was knap werk," prees hij nog eens. "Al moest ik jullie eigenlijk een fikse uitbrander geven voor jullie onbesuisd optreden tegen twee gewapende bandieten die in nood tot gekke dingen in staat zijn!"

Maar voor het eerst durfden ze alle vier erg oneerbiedig de inspecteur midden in zijn gezicht uit te lachen. En die inspecteur trok zich dat niet eens aan, maar lachte hartelijk mee....

HOOFDSTUK XIII

Hoofdschuddend en met verbazing had oom Ton naar het verhaal van de jongens geluisterd.

"Jullie zijn me een stelletje wel," zei hij, toen ze alles tot in de finesses hadden verteld. "Als jullie ouders van te voren hadden geweten wat je hier allemaal zou overkomen hadden jullie geloof ik, nooit toestemming gekregen om zonder hen met vacantie te gaan."

"Dat zou best kunnen," lachte Rien. "Daarom is het maar gelukkig dat ze dat inderdaad niet wisten."

"Maar ik weet nu in ieder geval, wat me te wachten staat als ik weer zo'n onderneming begin," kaatste oom Ton terug. "En ik geef je de verzekering dat je heel wat overredingskracht aan zult moeten wenden om me ooit weer zo ver te krijgen.

"Nu zullen we achteraf nog op onze huid krijgen!" zei zijn neef Lex. "Alsof het onze schuld is, dat we steeds in die verwikkelingen verzeild raken! En bovendien, als je daar eenmaal in zit, en je krijgt met zo'n stelletje te doen, dan laat je je toch zeker niet kisten?"

"Die zet is voor jou," gaf oom Ton te kennen. "Maar voorlopig hebben jullie nu niets meer te vertellen over de plannen voor de komende dagen. We blijven hier op de camping of in elk geval dicht in de buurt daarvan."

"Hoe is het eigenlijk met Uw auto?" gooide Paul het gesprek over een andere boeg.

"Die kan ik morgen na de middag halen," antwoordde oom Ton. "Ze hebben hem helemaal nagekeken en ik heb meteen het lakwerk maar een beetje op laten knappen. Ik was bang dat de heren anders niet mee terug wilden naar Holland, nu ze zulke luxe wagens gewend zijn."

De heren lachten maar eens. Hoewel ze er in hun hart ook wel van overtuigd waren dat het verschil duidelijk merkbaar zou zijn! Maar het zou wel een beetje ondankbaar lijken tegenover oom Ton als ze die gedachten uitten. Tenslotte had hij helemaal voor niets zijn wagentje ter beschikking gesteld en nu verviel hij nog in hoge kosten door die vervelende geschiedenis van, hoelang was dat ook alweer geleden? Ze wisten het warempel niet eens meer direct te zeggen, zo veel gebeurtenissen hadden zich na die tijd al weer afgespeeld. Gebeurtenissen die de tijd deden vliegen, niettegenstaande het feit dat ze echt niet allemaal prettig waren geweest.

Maar toch, nu alles zo goed was afgelopen, hadden ze dit avontuur niet graag willen missen. De jongens op school zouden grote ogen opzetten als ze straks al die verhalen konden vertellen. Er waren er wel meer, die hun vacantie eens in het buitenland hadden doorgebracht, maar welke jongen van veertien kon er op bogen dat hij mee had geholpen om een stel gevaarlijke autobandieten te arresteren? Zeg zelf!

"Dan zullen we morgen maar als brave jongens met U mee gaan, als U de auto gaat halen," zei Gerard.

"Zo erg is het nu ook weer niet," suste oom Ton. "Ik zal jullie heus niet de hele dag op je vingers lopen te kijken, dat beloof ik je."

Illustratie op pagina 90En toen was iedereen er al weer mee verzoend, dat er de eerste dagen niets van reizen en trekken zou komen. Tenslotte konden ze zich hier in de buurt ook best vermaken en hadden ze nog op geen stukken na alles gezien, wat er te zien viel.

En zo kon het gebeuren dat de knapen de volgende dag eens rustig de tijd namen om het oude vestingstadje Ahrweiler te bekijken, terwijl oom Ton de auto ging halen. Veel bezienswaardigheden waren er niet en dus waren ze na een uur eigenlijk al uitgekeken. Ze vermaakten zich een poosje met op de stadsmuur te lopen, die de kern van het stadje nog geheel omringde en toen aanvaardden ze de terugweg naar de kampeerplaats, om eens te kijken of oom Ton al terug was.

Tot hun verrassing was het echter iemand anders die op hen stond te wachten. In plaats van oom Ton bij de tenten te vinden, zagen ze daar inspecteur Werner, die het zich gemakkelijk had gemaakt in een lui stoeltje. Toen hij de jongens zag naderen, stond hij echter direct op.

"Zo jongelui," zei hij hartelijk. "Jullie hadden zeker niet verwacht me al zo spoedig terug te zien hè? Maar ik heb een verzoek aan jullie."

Verbaasd keken de jongens hem aan. Inspecteur Werner zou toch niet het een of ander karweitje voor hen op te knappen hebben? En tegelijkertijd dachten ze aan de woorden van oom Ton. Die had nog wel gezegd dat er van uitstapjes of iets dergelijks de eerste dagen niets zou komen!

Inspecteur Werner keek glimlachend naar de jongens.

"Jullie staat je natuurlijk al af te vragen wat dat voor een verzoek kan zijn," zei hij. "Wel, ik zal het je maar meteen zeggen. Het hoofd van de politie hier in het kanton heeft gemeend dat jullie wel een kleine attentie hebben verdiend voor jullie doortastendheid van gisteren. Mij heeft het geval overigens een schrobbering bezorgd, omdat ik jullie had meegenomen, maar dat is een andere kwestie en daar heb ik ook helemaal geen spijt van. Maar als jullie er dus iets voor voelen om die attentie in ontvangst te nemen, wordt je verzocht om morgen om een uur of tien op zijn bureau te komen."

Nu, of ze er iets voor voelden! Ze behoefden niet eens antwoord te geven, inspecteur Werner zag zo al aan hun gezichten, dat er niemand bezwaar maakte.

"Alleen is het vervelend dat we van oom Ton de eerste dagen niet meer uit de buurt van de camping mogen," zei Lex.

"Dat is erg verstandig van je oom," lachte de heer Werner. "Maar voor deze keer zal hij stellig wel een uitzondering willen maken. Trouwens, er is geen enkel bezwaar tegen dat hij ook mee komt, dat zal integendeel wel op prijs worden gesteld."

Op dat ogenblik kwam het onderwerp van hun gesprek juist aanwandelen. De twee mannen begroetten elkaar allerhartelijkst. Toen oom Ton het geval hoorde schudde hij wel even verbaasd met het hoofd, maar natuurlijk gaf hij direct toestemming.

"Dat blijft dan afgesproken," zei inspecteur Werner tevreden. "Het spreekt natuurlijk vanzelf dat ik jullie morgen kom halen, dat lijkt me voor U en voor de jongens wel gemakkelijker. U behoeft dan niets te vragen en te zoeken."

"Op één voorwaarde," zei oom Ton nog.

En toen de inspecteur hem vragend aankeek, vervolgde hij lachend: "Al worden er vlak onder Uw ogen morgen tien auto's gestolen, U brengt ons eerst terug! Tenslotte moet ik verantwoording afleggen tegenover de ouders van onze vrienden hier en heb beloofd dat ik ze weer heelhuids terug zou brengen!"

"Ik zal er, zo nodig, met een boogje om heen rijden," beloofde inspecteur Werner. "De last die U dan eventueel weer met deze knapen krijgt, is voor Uw eigen rekening. Want nu dit avontuur zo goed afgelopen is popelen ze, geloof ik, al weer naar een volgend!"

En zo kon het gebeuren dat de vijf Hollanders de volgende dag op het bureau van de opperste politiemagistraat in het district stonden.

Ze moesten een hele woordenstroom aanhoren, die hen maar heel matig interesseerde. Veel meer belangstelling hadden ze voor het prachtige horloge, dat ieder van hen na afloop van de speech kreeg. En toen even later Lex heel droog vroeg of ze daar geen last mee kregen met de douane, kregen ze ook nog de toezegging dat ze daar dan later maar even over behoefden te schrijven. Persoonlijk zou Herr Schneider dan zorgen dat het door hen betaalde direct overgeboekt zou worden naar Holland.

Daarna had niemand meer iets te zeggen of te vragen en weldra stonden ze weer buiten. Inspecteur Werner bracht ze tot voor de ingang van de camping en nam daarna heel hartelijk afscheid van hen. De komende dagen zou hij beslist niet meer in de gelegenheid zijn om de vijf Nederlanders nog te ontmoeten. Allemaal drukten ze heel stevig de hand van de inspecteur, die ze in korte tijd waren gaan beschouwen als een goede vriend. Nog vaak zouden ze diens naam noemen bij het ophalen van herinneringen aan deze gedenkwaardige vacantie, dat stond nu al vast.......

HOOFDSTUK XIV

"Ik voel er veel voor om Ahrweiler nu de rug maar toe te keren," zei oom Ton de volgende morgen, terwijl hij zich geeuwend uitrekte om de laatste slaap uit zijn lichaam te verdrijven.

"Waarom?" vroeg Lex verbaasd. "We hebben hier nog geen tiende deel van de omgeving gezien!"

Ook de drie anderen keken een beetje verbaasd naar hun "reisleider". Ze hadden het hier nog best naar hun zin en bovendien was het inderdaad zoals Lex opmerkte. Ze hadden nu wel die opwindende rit gemaakt door de omgeving, maar veel tijd om alles eens rustig te bekijken, hadden ze eigenlijk niet gekregen. En oom Ton, die anders nogal honkvast was, zou nu de zaak gaan bederven? Enfin, gelukkig waren er nog meer mooie plaatsen te vinden langs de Westelijke grens van Duitsland.

Alleen Rien waagde nog een poging.

"Misschien kunnen we hier nog blijven tot Maandag?" zei hij vragend. "Ik hoorde van de beheerder dat er hier Zondag een gecostumeerde voetbalwedstrijd gehouden wordt. Dat lijkt me leuk om te gaan zien."

"Gecostumeerde voetbalwedstrijden worden er in Nederland ook wel gehouden," weerde oom Ton af, "daarvoor behoef je niet speciaal naar Duitsland te gaan. Nee jongens, we gaan eens weer in de richting van de Nederlandse grens. We kunnen dan desnoods nog een paar dagen blijven bivakkeren in Zuid-Limburg. Tenslotte doet het landschap daar ook nog een beetje buitenlands aan."

Vier jongensgezichten betrokken bij die woorden.

"Daar ben ik vorig jaar nog geweest met mijn ouders," probeerde Rien nog eens. "De omgeving van Valkenburg bijvoorbeeld kan ik wel dromen!"

Lex keek zijn oom eens opmerkzaam aan. Wat bezielde die zo ineens? Toen viel het hem plotseling op dat oom Ton er een beetje witjes uit zag.

"Voelt U zich niet prettig oom?" vroeg hij op de man af.

"Waarom zou ik me niet prettig voelen?" weerde zijn oom af, met een mislukte poging om te lachen.

"Het zou toch kunnen," zei zijn neef, en hij merkte zelf niet eens dat er een beetje ironie in zijn stem klonk.

"Nou als jullie het dan werkelijk graag wilt weten," zei oom Ton, terwijl hij het kringetje eens rondkeek. "Ik voel me inderdaad niet helemaal fit. Ik heb vannacht ronduit slecht geslapen. Een beetje griep denk ik. Je moet niet vergeten dat ik een dagje ouder wordt!"

Hadden de jongens bij zijn eerste woorden een beetje bezorgd gekeken, de laatste deed een storm van protest ontketenen.

"Poeh," zei Lex oneerbiedig, "U is nog een piepjong broekje. Als U honderd bent is U oud!"

"Nou, laten we het daar dan maar op houden," zei oom Ton zonder er verder op in te gaan. "Maar hoe vervelend ik het ook vind voor jullie, het lijkt me beter dat we de landsgrenzen maar weer oversteken."

Er was niets meer aan te doen, dat was nu wel duidelijk. Trouwens, nu ze de oorzaak wisten stonden de jongens er ook heel anders tegenover dan voor die tijd. Maar toch was de stemming niet geweldig, toen ze met zijn vieren aan het werk begonnen voor het ontbijt en vervolgens aan het opruimen van de boel en het inpakken. Helemaal tegen zijn gewoonte zat oom Ton de bedrijvigheid maar zo'n beetje gade te slaan, zonder er zelf daadwerkelijk aan deel te nemen.

Tegen een uur of tien was alles gebeurd en stond iedereen reisvaardig. Er moest alleen nog afgerekend worden met de beheerder van het kampeerterrein en dat was de enige activiteit die oom Ton ten toon spreidde. Klokslag half elf draaide het personenauto'tje de weg op in de richting Monschau, het plaatsje waar voor het gezelschap zulke levendige herinneringen aan verbonden waren. Aanvankelijk scheen alles heel tam te zullen verlopen. Het auto'tje deed zijn best. Het zag er weer piekfijn uit, na de grondige beurt die het had gehad en de motor spinde als een poesje, zoals Gerard het uitdrukte.

Lex, die voorin zat, keek af en toe oplettend naar zijn oom, die zwijgend achter het stuur zat met een bleekjes weggetrokken gezicht. Anders had hij nog wel eens een kwinkslag of wees hij de jongens soms nog wel eens op een gedeelte van het landschap dat bijzonder mooi was. Lex begreep heel goed waarom zijn oom nu zo graag naar Holland terug wilde. Dat hij zich niet prettig voelde, had hij nu zelf al toegegeven en oom Ton was natuurlijk, wanneer hij werkelijk zo ziek mocht worden dat hij niet meer kon chaufferen, liever op vaderlandse bodem, omdat dat alles veel gemakkelijker maakte met geneeskundige behandeling en al die dingen meer. Bovendien had hij tenslotte de verantwoordelijkheid voor de veilige thuiskomst van de vier knapen en dat kon hij des te gemakkelijker regelen, naarmate ze dichter bij hun woonplaats kwamen.

Plotseling, ze bevonden zich ergens tussen Monschau en Aken, stuurde oom Ton het wagentje zonder een woord naar de kant van de weg. Nog voor de verbouwereerde knapen eigenlijk gelegenheid kregen om te vragen naar de oorzaak van dat vreemde gedrag, was hij al uitgestapt en ging met een van pijn vertrokken gezicht aan de kant van de weg zitten.

Opeens wist Lex het weer, oom Ton had wel eerder een aanval gehad van blinde-darmontsteking. Dat was nu natuurlijk ook weer het geval! Lex was wel niet zo goed op de hoogte van de symptomen, maar hij had er thuis wel eens over horen spreken. Er was al een paar keer sprake van geweest dat hij geopereerd zou worden, maar om één of andere voor Lex duistere reden was dat tot nu steeds weer uitgesteld.

In het kort vertelde hij zijn vrienden van zijn vermoeden, een vermoeden dat even later veranderde in zekerheid.

Want toen ze zich rondom oom Ton schaarden, glimlachte die met een pijnlijk gezicht en zei: "Ik geloof nu toch echt dat het de hoogste tijd wordt om me eens te laten helpen."

"Uw blinde-darm oom?" vroeg Lex.

Zijn oom knikte.

"Ja," zei hij, "daar krijgt een mens last van op de meest ongelegen momenten."

Vervolgens liet hij zich achterover zakken in het gras, terwijl zijn gezicht nu asgrauw werd.

Verslagen stonden de jongens te kijken. Wat moesten ze nu in 's hemelsnaam doen? Oom Ton was zelf te ziek om instructies te geven, dat was zo klaar als een klontje, dus moesten de knapen zelf het initiatief nemen.

Vlak langs hen raasde het verkeer onverminderd voort en bij de aanblik daarvan was het Paul, die het stilzwijgen verbrak.

"We moeten een dokter zien te krijgen," zei hij.

De anderen knikten instemmend. De kwestie was alleen; waar haalden ze die zo gauw vandaan? Het was Rien, die de leiding in handen nam.

"Ik zie hier in de buurt geen enkele gelegenheid waar we op zouden kunnen bellen," zei hij. "Het enige is dus, dat we proberen een lift te krijgen, of de boodschap aan een automobilist mee geven."

"Ik kan wel met de auto om gaan," zei Lex nog aarzelend.

"Dat kunnen we in het uiterste geval nog proberen," zei Rien resoluut. "Gerard en ik proberen hulp te krijgen, jij en Paul blijven hier. Je gaat hier onder geen beding vandaan, anders lopen we misschien nog mis en dan is er nog meer narigheid."

De andere drie wisten niets anders te doen, dan instemmend te knikken en zo gebeurde het dus.

Even later stonden Rien en Gerard hevig zwaaiend aan de kant van de weg en de derde auto was al raak. Het was een grote Amerikaanse wagen met achter het stuur een scherp, doch vriendelijk kijkende man van middelbare leeftijd.

"Waarheen?" vroeg hij, de jongens onderzoekend aankijkend en met een zijdelingse blik naar de auto, die nonchalant aan de kant van de weg was neergezet. En nog voor de jongens antwoord hadden kunnen geven, vervolgde hij: "Is die auto van jullie?"

"Die verdenkt ons natuurlijk van joy-riding," schoot het Rien door het hoofd. En ondanks het weinig prettige van de situatie moest hij toch even lachen in zichzelf.

"Kunt U ons misschien naar een dokter brengen," vroeg hij aan de automobilist.

Het feit dat ze nu een paar dagen door Duitsland hadden getoerd, kwam hem uitstekend van pas, want hij kon zich nu vlot verstaanbaar maken.

"Jullie zien er anders bepaald niet ziek uit," vond de heer. "Ik ben zelf arts, maar zo te zien zou ik zeggen dat jullie kerngezond zijn!"

"Het gaat ook niet om ons," zei Rien, en hij betrapte zich zelf er op dat zijn stem een beetje ongeduldig klonk.

"Maar als U zelf dokter bent, komt U dan alstublieft vlug mee. Iemand van ons gezelschap heeft waarschijnlijk een aanval van blinde-darmontsteking. Hij ligt daar achter die struiken in het gras."

In zijn opwinding had hij het woord blinde-darmontsteking gezegd in zuiver Hollands, want hij zou met geen mogelijkheid hebben kunnen zeggen wat de Duitse vertaling daarvoor was. Meteen rukte hij het portier open en had de Duitse arts bijna aan zijn jasje getrokken, zo opgewonden was hij; een opwinding die gepaard ging met een groot gevoel van opluchting. Hoe hadden ze het zo kunnen treffen; de eerste auto die voor hen stopte werd bestuurd door iemand die ze nodig hadden!

Nu maakte de man achter het stuur toch ook enige haast. Hij volgde de jongens met bekwame spoed en zag weldra dat die geen grappen maakten. Zodra hij oom Ton met een van pijn vertrokken gezicht op de grond zag liggen bukte hij zich naast hem.

"Hier zit de pijn," wees Rien, op zijn buik wijzend.

Hij wist eigenlijk niet eens goed waar de blindedarm zich in het menselijk lichaam bevindt, maar wel wist hij dat het ergens in het onderlichaam moest zijn.

De arts knikte, zonder antwoord te geven. Met zekere hand betastte hij het lichaam van de zieke en weldra had hij blijkbaar zijn diagnose gesteld en wist hij wat hem te doen stond.

"Helpen ondersteunen," zei hij tegen Rien. "Naar mijn auto, achterin en jij gaat mee naar het ziekenhuis."

"Waar?" waagde Lex nog om te vragen.

"In Aken," zei de dokter kort. "Welk ziekenhuis weet ik nog niet precies. Dat hangt er van af waar hij onmiddellijk geopereerd kan worden."

Het ging alles zo snel in zijn werk dat de jongens eigenlijk niet eens de tijd kregen om zich te realiseren wat er allemaal ging gebeuren. Nog geen tien minuten geleden had oom Ton de wagen eigenhandig naar de kant van de weg gereden en nu stond daar opeens een Duitse arts naast hen die vertelde dat diezelfde oom Ton met de meeste spoed in een ziekenhuis opgenomen moest worden voor een operatie! Een beetje schaapachtig stonden ze gedrieën te kijken hoe de dokter en Rien de zieke omhoog hesen en vervolgens met hem naar de auto liepen. Oom Ton zelf liet maar met zich sollen. De pijn scheen zo hevig te zijn dat het hem weinig kon schelen wat er verder met hem ging gebeuren.

Nog een kleine vijf minuten later zat Rien achterin, terwijl oom Ton bijna languit op de achterbank lag, ondersteund door zijn jonge reisgenoot. Langzaam trok de grote auto weg om zoveel mogelijk schokken te vermijden, maar weldra was hij toch uit het gezicht verdwenen.

Aan de kant van de weg, ergens tussen Monschau en Aken, stonden drie Nederlandse jongens bij een kleine personenauto te kijken met gezichten waarop zeer gemengde gevoelens te lezen waren......

Wat moesten ze nu doen? Ofschoon ze de woorden van de dokter niet allemaal precies hadden verstaan, had iedereen wel zoveel begrepen dat het waarschijnlijk op een operatie uit zou draaien. Nu draaiden de moderne medici daar hun hand niet meer voor om, maar eer de hele affaire achter de rug was en oom Ton zelf weer in staat zou zijn om achter het stuur van zijn auto te gaan zitten, ging op zijn minst toch wel enige weken voorbij. Dat was dan in het allergunstigste geval, het behoefde maar een beetje tegen te lopen en dan werd het misschien wel een maand!

Mistroostig zetten de drie vrienden zich in het gras neer. Afgezien van het feit dat oom Ton nu opgenomen werd in een ziekenhuis, wat voor hem natuurlijk het naarste was, realiseerden ze zich allemaal dat dit ook voor hen de nodige konsekwenties met zich meebracht. En ofschoon bijvoorbeeld Lex heus niet bang was om een initiatief in een bepaalde richting te nemen, wist hij beslist niet à la minute te zeggen wat ze moesten beginnen.

"Tja, daar zitten we dan," zei Gerard, een vreselijk harde schop gevend tegen een steentje, dat het toch ook echt niet kon helpen.

Paul en Lex zwegen, een dergelijk "scherpzinnige" opmerking wisten ze zo niet te beantwoorden.

"Wat doen wij nu?" vroeg Gerard weer na een paar minuten van stilzwijgen.

"Tja," zei Lex nu op zijn beurt, "wat doen wij nu?"

"Naar huis gaan," vond Paul. "De aardigheid van de vacantie is er voor mij wel af!"

Dat was tenminste een positieve opmerking, al moesten zowel Lex als Gerard hem even verwerken. Naar huis gaan. Het klonk inderdaad wel aantrekkelijk op dit moment en het zou er waarschijnlijk ook wel van komen..... De vraag was alleen maar; hoe moesten ze naar huis? En bovendien zouden ze daar dan toch op zijn minst eerst oom Ton en Rien in moeten kennen!

En buiten dat alles.....

Lex greep naar zijn broekzak en haalde zijn portemonnaie voor de dag. Bij het zien van dat gebaar volgden de andere twee meteen zijn voorbeeld.

"Twee Duitse marken en wat kleingeld; de rest heb ik aan oom Ton in bewaring gegeven," stelde Lex vast.

"Drie mark en zesentachtig pfennig," telde Paul.

"Ruim anderhalve mark," kwam Gerard benepen achteraan. "De rest heeft oom Ton in zijn zak."

"Dat van mij ook," zei Paul.

"Daar komen we niet mee naar Holland." zei Lex.

"En toch kunnen we moeilijk hier blijven zitten," vond Gerard.

"Reuze snugger opgemerkt," zei Lex scherp. "Daar waren we het alle drie waarschijnlijk al over eens vanaf het moment dat oom Ton in die auto stapte!"

"Nou ja, ik zeg maar zo," zei Gerard verontschuldigend. "Weet jij dan zo wat we moeten doen?"

"Dat zàl ik je zeggen," zei Lex resoluut overeind komend. "Ik heb nou al zo vaak gezien hoe je met die auto om moet gaan en ik heb het ook wel eens een keer gedaan, dat ik het wel aan durf om er mee naar Aken te rijden. daar zullen we wel verder zien. Gaan jullie mee?"

"Als jij dat ding op gang weet te krijgen, vind ik het best. Ik ga wel met je mee," zei Paul zonder aarzelen.

"De weg is hier gelukkig niet zo bochtig meer als bij Ahrweiler," stemde ook Gerard in, kennelijk opgelucht dat Lex de leiding in handen nam.

Ondernemend stapte die naar de kant van de weg, waar het personenauto'tje geduldig stond te wachten op iemand die achter het stuur plaats wilde nemen.

"Gaan jullie maar achterin zitten," decideerde Lex, "dan word ik tenminste niet zenuwachtig. Aan mensen die "mee rijden" heb ik een afschuwelijke hekel."

Ofschoon hij onder normale omstandigheden waarschijnlijk wel een weerwoord zou hebben dat niet mals was, kropen beide vrienden nu timide op de achterbank, in afwachting van de dingen die gingen komen.

Zenuwachtiger toch dan hij zich zelf wilde toegeven, nam Lex plaats op de bestuurderszetel. Gelukkig, oom Ton had het contactsleuteltje op zijn plaats laten zitten. Het had er nog net aan ontbroken, dat hij dat in zijn zak had gestoken! Kennelijk had hij in de verwachting verkeerd dat het oponthoud van slechts zeer korte duur zou zijn en het gezelschap voltallig de reis voort zou kunnen zetten.

Zo, nu eens even kijken. Links zat de frictie, in het midden de voetrem en daarnaast het gaspedaal. Nu eerst de versnelling in de vrijloop zetten. Prachtig, dat leverde geen enkele moeilijkheid op..... Vervolgens kon hij dus rustig het contactsleuteltje omdraaien. De motor was kennelijk nog warm, zo kort geleden waren ze uitgestapt, want hij behoefde het ding maar even naar rechts om te duwen en onmiddellijk begon het vriendelijk te ronken in het inwendige van de motor. Zo, handrem los, eens even kijken, hoe werkte dat ook weer? O ja, het knopje op de staaf indrukken en vervolgens de hele zaak naar beneden duwen.

Nu moest het dus gaan gebeuren. Frictie intrappen, de versnellingshandle links naar boven, ja, hij voelde hoe die zich zonder haperen in de eerste versnelling liet drukken! Nu een beetje gas geven. Olala, dat was een beetje meer, dat was.... Lex schrok ervan, zo'n herrie maakte het kleine wagentje. Bijna had hij te vroegtijdig de frictie op laten komen, maar hij wist zijn linkervoet nog net op tijd in bedwang te houden. Zo, nu nog maar eens proberen. Heel voorzichtig drukte hij zijn rechtervoet iets naar beneden toe. Dat ging beter! Nu even trachten om de beheersing over zijn onderdanen volkomen te doen zijn en dan moest het maar gebeuren, het grote waagstuk!

Langs hen heen snorden met grote snelheid de auto's van allerlei verschillende modellen en grootte. Verwonderlijk, hoe al die chauffeurs met groot gemak hun voertuigen langs de weg deden snellen.... Niemand nam blijkbaar enige notitie van het kleine personenauto'tje waarin drie Hollandse jongens zaten die zich bepaald niet op hun gemak voelden en die maar het liefst zouden liften.

Maar vooral Lex voelde zich in hoge mate verantwoordelijk voor het auto'tje en zou het niet graag hier onbeheerd aan de kant van de Autobahn laten staan. Dat er ook in Duitsland slechte mensen waren die het hadden voorzien op de eigendommen van een ander, daarvan hadden ze de afgelopen dagen zelf de bewijzen gezien.

Dat hij door de nu gevolgde handelwijze het wagentje ook bloot stelde aan aanrijdingen, om van hun veiligheid nog maar niet te spreken, drong eigenlijk nog niet genoeg tot hem door. Hij had eigenlijk geen ogenblik geaarzeld toen de gedachte in hem was opgekomen en meteen die gedachten in daden omgezet, vooral toen zijn vrienden geen bezwaar hadden geopperd. En nu hij eenmaal a had gezegd zou hij b ook zeggen, dat stond vast.

Een beetje springerig, doordat de manoeuvre met frictie en gaspedaal niet helemaal vloeiend verliep, zette het voertuigje zich in beweging. Even waagde Lex een blik in het spiegeltje om zich te overtuigen dat de weg op dat moment vrij was, toen stuurde hij naar links de weg op. Een zegevierend gevoel maakte zich van hem meester; ze reden! Ziezo, nu direct weer ontkoppelen, een beetje gas geven en vervolgens overschakelen op de tweede versnelling. Ha, dat verliep perfect! Een beetje te veel gas misschien, maar het was een kniesoor, die daar wat op aan te merken had. Eens even kijken op de snelheidsmeter, dertig kilometer per uur reden ze nu; dan zou hij nu wel over kunnen schakelen naar de derde versnelling en daar zou hij het voorlopig maar bij laten. Hij had wel opgemerkt dat oom Ton de wagen pas bij een snelheid van vijftig of zestig kilometer per uur overschakelde naar de vierde versnelling en sneller behoefde het voorlopig niet te gaan, vond Lex voorzichtig.

Hij voelde best dat hij de auto nog niet voor de volle honderd procent onder bedwang had, want af en toe week hij wel eens een beetje te veel uit naar links en een paar keer klonk er dan achter hem een hevig getoeter van auto's die sneller waren dan zij en die tijdens het passeren plotseling gevaar voor zich op zagen doemen in de vorm van een slingerende auto. Maar na een paar kilometer ging dat al een stuk beter. Met een vaartje van rond vijftig kilometer tuften ze vooruit en het gezicht van Lex raakte steeds meer zijn gespannen uitdrukking kwijt.

"Het gaat prima hè?" zei hij zelfs een beetje overmoedig tegen zijn vrienden.

"Best," gaf Paul volmondig toe, "ik zou het niet gedurfd hebben, daar kom ik rond voor uit."

"Aken, 32 km.," las Paul op een bord langs de weg.

"Over drie kwartier zijn we er," stelde Lex in het vooruitzicht. "En in Aken zetten we de auto desnoods ergens in een garage neer en gaan met de tram verder."

Paul en Gerard knikten instemmend. Zij vonden het allemaal voorlopig best.

Maar het liep alleen een beetje anders dan ze zich dat allemaal hadden voorgesteld. Nadat ze een minuut of twintig hadden gereden, wierp Lex nog eens een blik op het dashboard en daarbij gleden zijn ogen ook langs het metertje dat de stand in de bezinetank aangaf. En dat metertje stond helemaal naar links, en daar links bevond zich een rode streep! En die streep gaf zonder twijfel aan dat, wanneer het pijltje zich daar bij die rode streep ophield, het de hoogste tijd werd om benzine te tanken. Trouwens, achteraf herinnerde Lex zich ook wel dat oom Ton zoiets gezegd had.

Het was een van weinige keren dát hij iets had opgemerkt tijdens de rit vanaf Ahrweiler.

"Bij de eerste benzinetank stoppen we even."

Een gewone opmerking, zonder speciale beklemtoning en niemand had er dan ook eigenlijk op gelet. Dat was een zaak van de bestuurder, nietwaar? Zeker, wanneer die bestuurder ook nog de "reisleider" was, die de beschikking had over practisch al het geld en die verder ook zorgde dat alles gesmeerd liep. Maar nu lag dat even anders.

"Hebben jullie kortgeleden nog een benzinetank gezien?" vroeg Lex zo gewoon mogelijk.

"Een kilometer of vijf terug, dacht ik," antwoordde Gerard.

"Dat is dan een lelijk nummer," stelde Lex nuchter vast. "Zo op de benzinemeter te zien zou ik zeggen dat we nog een kilometer of wat kunnen rijden en dan is de tank leeg."

"En dan?" vroeg Paul.

"Wel dan zullen we moeten tanken! De vraag is alleen maar; waar kunnen we tanken?"

"Rij dat stukje terug," stelde Gerard voor, "voor vijf kilometer kun je volstaan met een halve liter benzine. En zo ver zal oom Ton het toch niet hebben laten komen, dat er geen twintig kilometer meer mee was te rijden?"

"Die heeft waarschijnlijk geweten dat er hier in de buurt een tankstation is en heeft gedacht dat gemakkelijk te halen," gaf Paul te kennen.

"Tja, maar draaien doe ik hier niet op die drukke weg," zei Lex. "Dat is me te riskant. En als dat niet al te vlot verloopt heb je nog kans dat we in de gaten lopen. Als ik iemand vreemd zie schutteren kijk ik ook altijd onwillekeurig. En als dan de bestuurder een rijbewijs heeft, kan hij zich dat misschien nog wel permitteren, maar dat is nu juist wat ik mis!"

"Als je naar een tankstation gaat, zullen ze je evengoed wel vreemd aankijken," meende Gerard. "Het zal zo'n pompbediende ook niet dagelijks gebeuren dat er een jongen van onze leeftijd komt om benzine."

Daar zat natuurlijk veel waars in. Maar wat moesten ze anders? Trouwens, een andere kwestie was, waar vonden ze een benzinetank? Dat risico zouden ze toch moeten nemen, aangenomen dat ze daar de kans toe kregen.

Lex bracht de auto tot stilstand op een gunstige plaats en daar hielden ze eerst een krijgsraad.

"Ik geloof dat we beter een lift kunnen nemen en dan meteen naar de politie gaan," zei Paul mismoedig. "Tenslotte kunnen wij het toch ook niet helpen dat het allemaal zo loopt! Laat die de zaak dan maar verder uitzoeken."

Als ik de auto maar in een garage kon zetten, zou ik er direct mee instemmen," antwoordde Lex. "Maar je kunt hem toch maar niet onbeheerd aan de kant van de weg laten staan?"

"Lex heeft gelijk," vond Gerard. "We moeten maar doorrijden, totdat de benzine op is en dan zullen we wel verder zien. Wie weet, haal je Aken er nog wel mee of in elk geval de eerstvolgende plaats. Dan kun je hem daar neer zetten of benzine kopen, al naar de omstandigheden zich voordoen."

Aldus werd besloten en voor de tweede keer zette Lex het vehikel in beweging en toerden ze verder in de richting Aken.....

HOOFDSTUK XV

Het geluk scheen met hen te zijn. Nog geen kilometer voorbij die plaats leidde een zijweg naar een dorpje dat vlak bij de grote weg moest liggen. Tussen de struiken door konden ze een kerktoren zien. Het scheen dus een behoorlijk plaatsje te zijn waar naar alle waarschijnlijkheid ook wel benzine te krijgen zou zijn.

Vol goede moed draaide Lex de auto rechtsaf. Het was een vrij slechte weg die hen naar het dorpje voerde. En daar konden ze ook best merken dat het de hoogste tijd langzamerhand was dat de motor nieuwe brandstof kreeg. Af en toe lagen ze een beetje scheef op de weg door de slechte bestrating en dan hoorden ze de motor puffen en soms haperen ten teken dat de aanvoer dan haperde. Vijfhonderd meter voor dat ze de eerste huizen van het dorp passeerden reed Lex nog een keer naar de kant van de weg om het geld van zijn vrienden en dat van zichzelf bij elkaar te leggen. Dan wisten ze tenminste precies tot hoe ver ze konden gaan met hun aankopen en bovendien stond het een beetje mal als ze dat straks eerst bij elkaar moesten scharrelen.

"Ruim achteneenhalve mark," telde Lex. "Daar kunnen we in elk geval een liter of twaalf benzine voor kopen. Dat is genoeg voor minstens honderdvijftig kilometer."

"Eerst zien of het hier te krijgen is," maande Gerard tot een beetje voorbehoud.

Zijn pessimisme bleek misplaatst; er was een "tankstelle". Het was wel geen modern geoutilleerd bedrijf, maar dat interesseerde de knapen op dat ogenblik niet in het minst. Het leek een gewone smederij te zijn die ze, ongeveer midden in het dorp en schuin tegenover de kerk te zien kregen. Maar vlak aan de kant van de weg stond een pomp met de begeerde vloeistof. Lex gaf een signaal met de claxon, alsof hij iedere dag benzine tankte. Op dat sein kwam een man in een blauwe overall naar buiten van middelbare leeftijd.

Met een zekere spanning zagen de jongens hem komen. Het zou bepaald niet dagelijks gebeuren dat er een auto met drie zulke jeugdige inzittenden aan de tank kwamen vragen om benzine en ofschoon hun geweten natuurlijk zuiver was, vreesden ze toch moeilijkheden. Als de eigenaar van de pomp de zaak niet vertrouwde en hun ten onrechte verdacht van joy-riding kon hun dat een heleboel narigheid opleveren. Uiteindelijk zou de zaak dan toch wel op zijn pootjes terechtkomen, maar daar zou dan toch zeker een hele tijd mee heen gaan. En ze wilde naar Aken, liefst zo spoedig mogelijk! Ja hoor, daar had je het al. Met een argwanend gezicht bekeek de man de jongens. Even scheen hij te aarzelen, maar Lex, die de ogen speciaal op hem gericht vond, gaf geen krimp en zei zo rustig mogelijk door het half geopende portierraampje: "Acht mark benzine alstublieft."

"Acht mark?" vroeg de ander, wiens wantrouwen nu pas goed was gewekt.

Wie bestelde er nu in 's hemelsnaam acht mark benzine? Nee, deze zaak was niet pluis, dat voelde hij met zijn klompen aan. En daarom stak hij meteen maar van wal, zonder omwegen.

"Van wie is deze auto en waar gaan jullie naar toe?" vroeg hij botweg.

"Pas op," dacht Lex, "rustig blijven en een zelfverzekerd antwoord geven. Als ik die knaap de juiste toedracht vertel, gelooft hij me toch niet en gaat het allemaal uitpluizen."

"Deze auto is van mijn oom, als U dat zo graag wilt weten," antwoordde hij. "Hoewel ik niet begrijp wat U dat aan gaat."

"Het is in Duitsland geen gewoonte dat jongens van jullie leeftijd zonder geleide van een volwassene aan een benzinepomp komt tanken," zei de ander bruut. "Ik zou wel eens graag willen weten waar die oom van jou dan wel is."

"Die zit in het hotelletje hier vlak bij het dorp een kopje koffie te drinken en te wachten tot we bij hem terug zijn. Daarna gaan we weer naar Nederland. En geeft U me nu alstublieft benzine, want we hebben nog een hele rit voor de boeg en ik voel er niets voor om me hier op te laten houden," zei Lex.

Hij werd langzamerhand een beetje kwaad. Wat ging het die vent eigenlijk allemaal aan? Het was al vervelend genoeg dat het zo gelopen was. In gewone omstandigheden zou Lex het waarschijnlijk machtig hebben gevonden om een eind met de auto te kunnen rijden. Maar hij had verantwoordelijkheidsgevoel genoeg om er nu heel anders tegenover te staan. Daar stonden ze nu voor een benzinetank, ook alweer gedwongen door de domme toevalligheden van het lot en nu kregen ze dit weer! Even overwoog hij om alsnog het hele verhaal te vertellen zoals het zich werkelijk had toegedragen, maar meteen kwam hij weer op die gedachtengang terug. Hij had nu eenmaal a gezegd met zijn gefantaseerde verhaal, dus hij zou wel moeten volharden en maar afwachten hoe die man met zijn weinig intelligente en wantrouwende gezicht reageerde op zijn woorden.

Maar Karl Schulz mocht dan niet bepaald een snugger gezicht hebben, in werkelijkheid viel het nog al mee met zijn intelligentie.

"Je oom zit in een hotelletje koffie te drinken en geeft jou precies acht mark mee om benzine in te slaan. En willen jullie vandaag op acht mark benzine terugrijden naar Nederland?"

Waar Lex het zo snel vandaan haalde wist hij zelf niet te verklaren, maar bijna had hij de man overtuigd met zijn antwoord.

Ad rem antwoordde hij: "Ja, vindt U dat zo vreemd? We hebben al het Duitse kleine geld wat we nog hadden, bij elkaar gelegd en dat zetten we nu om in benzine. Zodra we weer over de grens zijn, kopen we met Nederlands geld weer nieuw. Daar is de benzine aanmerkelijk goedkoper, wist U dat niet? Maar het is erg lastig in Nederland om buitenlandse pasmunt omgewisseld te krijgen in Nederlands geld en daarom lossen we het zo op."

Nadenkend keek Schulz, de garagehouder, voor zich uit. Dat laatste verhaal klonk buitengewoon aannemelijk, moest hij toegeven, maar toch......

"Hebben jullie hier vannacht gekampeerd in de buurt?" vroeg hij nog eens.

Tenslotte was het toch eigenlijk te dwaas, vond hij. Je las tegenwoordig zoveel over kwajongens die onbeheerd staande auto's meenamen, hetzij met de bedoeling om alleen maar een pleziertochtje te maken, soms ook met andere doeleinden, die op een nog bedenkelijker vlak lagen. Hoewel, hij moest toegeven dat er aan deze jongens niets misdadigs te zien was. Het leken hem keurige knapen te zijn uit een behoorlijk milieu. Maar ook dat zei tegenwoordig zo weinig meer, dat had hij al zo dikwijls uit de krantenberichten op kunnen maken.

Besluiteloos stond Schulz nog een poosje te draaien. Zijn gezonde verstand zei hem dat hij eigenlijk niet moest tanken, maar er was iets in het optreden van die vermaledijde knaap, die daar zo zelfverzekerd achter het stuur van dat zo goed als nieuwe auto'tje zat, dat hem overrompelde. Dat was een jongen, die je om een boodschap kon sturen, dat merkte je zo! En net had hij besloten om de slang van de benzinepomp ter hand te nemen en aan het verzoek te voldoen, toen de zaak een voor de jongens noodlottige wending nam.

"Guten morgen Schulz," klonk een vrolijke stem vanaf de straatweg.

Onwillekeurig keken ook de drie knapen in de auto op. En met schrik in de ogen ontwaarden ze daar een jonge politieagent, gestoken in een onberispelijk zittend uniform.

"Nu is het bekeken," bromde Gerard, "bij hem praat je je er niet meer uit!"

Met bange voorgevoelens zagen ze de politieagent naderen, terloops een blik werpend op de auto.

"Ah, guten morgen Müller," zei de man van de pomp en meteen verdween de slang weer naar de plaats waar hij hem nog maar juist vandaan had gehaald.

"Je komt als geroepen, ik had graag je mening even."

En in het kort vertelde hij het geval aan de belangstellend luisterende politieman, wiens wenkbrauwen al na de eerste woorden begonnen te fronsen.

Een ogenblik overwoog Lex nog om het contactsleuteltje om te draaien en vol gas te geven, maar de wetenschap dat hij toch niet ver zou komen met een bijna lege benzinetank deed hem direct op dat idee terug komen. Er zat nu weinig anders op dan het hele geval maar naar waarheid te vertellen. Zo rustig als de omstandigheden dat toelieten, wachtte het drietal op de dingen die gingen komen. Nu, lang behoefden ze niet te wachten. Schulz had de zaak blijkbaar snel duidelijk gemaakt, wat overigens ook weinig moeilijkheden op kon leveren.

"Komen jullie eens even naar buiten, dan kunnen we wat gemakkelijker praten," zei de politieman niet onvriendelijk, maar op een toon die geen tegenspraak duldde.

"Schwierigkeiten?" informeerde de politieman, met een onmiskenbaar wantrouwende intonatie in zijn stem.

"Genau," bromde Lex. "Wir wollen nach hause!"

"Dat begrijp ik," zei de man der wet. "Maar daar zullen we toch nog even mee wachten. Hier gaan we eerst naar toe."

Ze stonden voor een gewoon huis, dat in niets verschilde van de overige woningen. Alleen stond er bij het hek een bordje met het woordje "Polizei".

En zo kon het gebeuren dat de jongens voor de tweede keer tijdens hun vacantietrip door West-Duitsland bij de politie op bezoek waren; deze keer als waren ze goede kennissen.

HOOFDSTUK XVI

Eerst langzaam optrekkend, daarna steeds sneller suisde de Amerikaanse wagen langs de grote weg in de richting Aken. Als de omstandigheden wat prettiger waren geweest, zou Rien volop hebben genoten van de snelle rit. Hij had ongeveer dezelfde gedachten als zijn vrienden, die ze hadden achtergelaten bij de auto van oom Ton. Ze hadden niet te klagen over gebrek aan afwisseling, dat was in elk geval zeker! Even dacht hij aan de rit die ze kort geleden hadden gemaakt met zijn drieën in de auto van de politieinspecteur uit Ahrweiler. Toen bepaalde hij al zijn aandacht tot de zieke. Die lag zacht te kreunen van de pijn met gesloten ogen. Het scheen hem totaal niet te interesseren wat er om hem heen gebeurde en hij merkte waarschijnlijk niet eens dat hij met Rien achter in de auto lag.

Zo naderden ze in snelle vaart de enorme massa huizen, die Aken vormde. Ofschoon daar een snelheidsbepaling gold, trok de bestuurder van de auto zich er niets van aan en verschillende keren reed hij zelfs door een rood stoplicht. Maar het esculaapteken, dat op de voorruit van zijn wagen zat zorgde blijkbaar dat hij geen last kreeg met de politie of wellicht was er ook geen politieman in de buurt om de overtreding te constateren. Ze kruisten een groot gedeelte van de stad op levensgevaarlijke wijze. Maar door de geweldige vering van de wagen hadden de twee inzittenden er niet de minste last van. Wel had Rien zich schrap gezet om schokken bij eventueel remmen op te vangen, maar de dokter leek niet alleen een kundig man te zijn als het er om ging om snel een diagnose te stellen, hij bleek ook een buitengewoon kundig chauffeur te zijn die hen met feilloze zekerheid door de verkeerschaos van Aken wist te leiden.

Voor een groot gebouw hielden ze stil, kennelijk het ziekenhuis. Rien zag tenminste een paar zusters. Het betrof blijkbaar een Katholiek ziekenhuis, want bijna alle droegen ze de kledij die wees op hun geestelijke waardigheid. Nadat de dokter, die nog geen woord had gewisseld sinds hij het tweetal Nederlanders had opgenomen in zijn auto, de wagen naar een plaatsje vlak voor de hoofdingang had gedirigeerd draaide hij zich eindelijk om naar Rien.

"Even wachten," zei hij, "patiënt wordt dadelijk gehaald."

Daarna verdween hij snel naar binnen en dat was meteen de laatste keer dat Rien hem zag. Gelegenheid om hem te bedanken voor zijn voortvarende wijze van optreden kreeg hij dus niet eens, maar dat leek op het ogenblik ook minder van belang. Nog geen drie minuten nadat de dokter naar binnen was gegaan kwamen er al twee mannelijke verplegers met een draagbaar naar buiten. Alles gebeurde snel en efficiënt. Het enige vervelende vond Rien, dat er van hem totaal geen notitie werd genomen. Het belang van de patiënt stond boven alles en ofschoon dat Rien niet onbillijk voor kwam, voelde hij zich toch een beetje eenzaam tussen al die vreemden die daar zo bedrijvig heen en weer liepen. Toen oom Ton op de draagbaar werd gelegd, wist hij niet beter te doen dan er maar achter aan te lopen en niemand zei er iets van.

Pas in de grote hall van het ziekenhuis werd het hem duidelijk gemaakt dat hij voorlopig niet welkom was en verder op zijn aanwezigheid niet de minste prijs werd gesteld. Gelaten bleef Rien dus maar wachten op de dingen die gingen gebeuren. Gelukkig, lang duurde het niet. Weldra kwam een zuster naar hem toe, die hem vroeg met haar mee te gaan naar het kantoor van het ziekenhuis. Daar moest Rien antwoord trachten te geven op verschillende vragen over de personalia van oom Ton.

"Had meneer geen paspoort of andere papieren bij zich?" vroeg de beambte, toen Rien op verschillende vragen het antwoord schuldig moest blijven.

"Ja, dat zal wel," zei Rien aarzelend. "Of wacht U eens, die zitten natuurlijk nog in de auto! Oom Ton borg altijd al de papieren in het kastje in het dashboard, omdat hij anders bang was ze te zullen verliezen."

"Zou je die even kunnen halen?" vroeg de man achter het bureau.

"Dat zal wel moeilijk gaan, de auto staat nog ergens aan de kant van de straatweg naar Monschau," antwoordde Rien en hij vertelde de beambte, die blijkbaar nog van niets wist, hoe de zaak zich had toegedragen.

"En hoe gaat het nu verder met jullie?" vroeg die nadat Rien kort en bondig het geval had uiteengezet.

"Tja, dat weet ik ook niet," zei Rien, "de anderen zullen daar waarschijnlijk nog wel staan te wachten."

Weinig kon hij vermoeden dat Lex het initiatief had genomen omdat die beslist niet van zins geweest was om de dingen maar op zijn beloop te laten en te wachten op datgene wat er verder ging gebeuren.

"Dan zullen we daar de politie maar eens mee in kennis stellen. Dan moeten die maar verder uitmaken wat er gaat gebeuren," besliste de man.

Onze Rien vond het best. Hij had vertrouwen genoeg in de bekwaamheid en de speurzin van de Duitse politie om te verwachten dat ze weldra weer bij elkaar zouden zijn.

Even later was er telefonisch contact gemaakt tussen het ziekenhuis en het hoofdbureau van politie van Aken. Voor de tweede keer moest Rien persoonlijk vertellen hoe de zaak zich had toegedragen, terwijl op een afstand van een kleine veertig kilometer Lex politieagent Müller te woord stond bij de benzinepomp!

In Aken werd besloten dat een politieauto Rien zou komen halen. Er zou een reserve chauffeur mee gaan om het auto'tje van oom Ton te besturen. Een kwartier later stond er een kleine, maar snelle auto van de politie voor de ingang van het ziekenhuis en werd Rien gehaald. Weer maakte Rien de rit die hij korte tijd geleden ook al had gemaakt, zij het nu in omgekeerde richting. Natuurlijk vonden ze niets meer op de plaats, waar Rien de drie vrienden achter had gelaten. Ze reden nog een kilometer voorbij het punt, totdat Rien zich verschillende punten pertinent wist te herinneren.

"We zijn er voorbij," zei hij tegen de politieman, die naast hem had plaats genomen achter het stuur. "Ik weet zeker dat ik dat huis daar heb gezien toen we nog met zijn vijven waren. Wat nu?"

"Ja, wat nu!" zei de agent. "Die meneer bezorgt ons wat last door op zo'n ongelegen moment ziek te worden! We zullen maar eens bellen met het bureau om te horen wat ze daar van de zaak zeggen."

Rien vond alles best. Hij wist ook niet meer wat hij er van moest denken. Een ogenblik speelde hem het geval van de autodieven nog door het hoofd. Zouden er soms onverlaten zijn geweest die het op het eigendom van oom Ton gemunt hadden? Maar het volgende ogenblik verwierp hij die gedachte ook al weer. Hij kende zijn vrienden goed genoeg om te weten dat die de auto heus niet onbeheerd langs de kant van de weg zouden laten staan; in het bijzonder Lex zou daar niet over denken. En als ze er bij waren gebleven, zou niemand veel kans krijgen om er met de auto vandoor te gaan. De enige mogelijkheid was dus dat ze het ding zelf op gang hadden gekregen en er mee waren gaan toeren.....

Maar Rien vertelde niets van zijn gedachtengang aan de politiemannen die bij hem waren. Tenslotte waren het allemaal maar veronderstellingen en daar waren de mannen toch ook niet mee gebaat!

Het telefoontje met Aken bracht de oplossing. Ook de adjudant aan wie Lex de geschiedenis had verteld, had contact opgenomen met zijn collega's in Aken en toen waren de vier jongens al spoedig weer herenigd.

De adjudant had Lex, Paul en Gerard binnen laten komen en die zaten juist achter een groot glas limonade, toen de politieauto voor de deur stopte. Het tweetal uit Aken kreeg nog een kopje koffie aangeboden, en het werd een allergenoeglijkst kwartiertje.

"Ziezo, dan stappen we maar weer eens op," zei de oudste van de twee politiemannen uit Aken. "Neem jij de auto van die meneer, Brandt?"

"In orde," zei Brandt.

"Maar er moet eerst benzine getankt worden," lachte Lex, "en ik weet niet of die man van de benzinepomp dat wel wil geven!"

Iedereen lachte mee.

"Het zal wel in orde komen," zei de adjudant, "laat de tank maar vol gooien en laat Schulz de rekening maar hier naar toe sturen. Dat behandel ik dan verder wel."

Aldus gebeurde het. Gerard en Paul stapten bij de chauffeur van de politieauto in, terwijl Rien en Lex met zijn tweeën op de achterbank van oom Ton's auto plaats namen.

"Hoe gaat het met oom Ton?" vroeg Lex.

Hij had er eigenlijk niet eens eerder aan gedacht nadat het viertal elkaar weer gevonden had, nu realiseerde hij zich eigenlijk pas weer wat de oorzaak was van al deze verwikkelingen.

Rien haalde de schouders op.

"Ik weet het eigenlijk niet eens," zei hij. "Ze hebben hem meteen op een brancard gelegd en hem naar binnen gebracht. Maar ik mocht niet mee."

"Dat zal dan in elk geval wel het einde van onze vacantie betekenen," meende Lex.

"Ik denk het ook wel." zei Rien. "Hoewel het me nog niet helemaal duidelijk is, wat er nu verder gaat gebeuren."

"We zullen voorlopig maar afwachten. Ik zou alleen langzamerhand wel trek hebben in een grote stapel boterhammen," bracht Lex het gesprek over op een ander onderwerp. "Ik rammel langzamerhand van de honger!"

Ofschoon ze het gesprek in het Nederlands hadden gevoerd, had de Duitse bestuurder van de auto kennelijk het woordje "honger" opgevangen.

"Jullie hebben de laatste uren natuurlijk nog niet gegeten," zei hij.

"Nee," antwoordde Rien, "en ik zou best iets lusten."

"We zullen straks wel eens kijken of daar iets aan te doen is," beloofde de ander.

En hij hield woord. Op het politiebureau werden de jongens naar de voor de manschappen bestemde cantine gebracht en daar werd hen alle vier een maaltijd voorgezet, waar zelfs een bootwerker met ontzag tegen aan zou hebben gekeken.

Nu, ze deden het alle eer aan; de moeite die er voor hen was gedaan, werd alle eer aan gedaan.

Ja, en toen kwam het volgende chapiter aan de orde; wat moest er nu gebeuren? Het was inmiddels half vier in de middag geworden en de vier jongens wisten eigenlijk nog niet eens waar ze de komende nacht door moesten brengen. Niet, dat ze zich daar nu direct zorgen over maakten, want in het uiterste geval hadden ze hun tent nog. Maar wel moesten er toch maatregelen genomen worden voor de komende dagen. Ze verwachtten alle vier dat ze op korte termijn wel naar huis gedirigeerd zouden worden.

"Maar het zal zich zelf wel allemaal oplossen," meende Paul wijsgerig, toen het gesprek in die richting ging.

En hij had gelijk, het kwam allemaal best in orde zonder dat de jongens zich daar het hoofd over behoefden te breken.

Toen ze zich alle vier te goed hadden gedaan werden ze ontboden op het bureau van de grote baas zelf, de commissaris van politie.

"Tjonge jonge, ze worden steeds hoger," zei Rien. "We hebben nu, geloof ik, de hele rij wel zo'n beetje gehad van de laagst geplaatste agent tot de commissaris zelf."

"Ik kom voorlopig niet meer onder de indruk van politieuniformen," antwoordde Gerard. "Ik voel me langzamerhand bij al die lui best op mijn gemak!"

"Zo lang je ze maar op je hand hebt, gaat alles in elk geval prima," vond Paul. "Die agent Müller was eigenlijk nog het meest indrukwekkend."

Niemand antwoordde hem meer, want de agent, die hen naar het bureau van de commissaris had gebracht, opende de deur en schoof de jongens naar binnen. En daar kwamen ze toch echt wel een beetje onder de indruk. De man was gezeten achter een geweldig schrijfbureau en zelf had hij ook wel een gestalte en een gezicht dat respect afdwong. Men zou zich voor kunnen stellen dat hij er bij zijn ondergeschikten danig de wind onder had, maar toen hij eenmaal begon te spreken viel het allemaal nog mee. Toen het één maal zo ver was, bleek dat de commissaris waarschijnlijk ook in zijn vrije tijd een eerzaam huisvader was en misschien wel jongens had in dezelfde leeftijd als die van het viertal dat nu voor hem stond.

"Zo jongelui," begroette hij hen, nadat hij nog een laatste blik had geworpen in een stel rapporten dat voor hem lag op het ogenblik dat de knapen voor hem kwamen te staan.

"De geschiedenis, zoals die zich afgespeeld heeft, ken ik al, maar vertellen jullie me nu maar eens, wat jullie verder van plan zijn."

Tja wat waren ze nu verder van plan? Vanzelfsprekend hadden deze er natuurlijk wel over gedacht, er zelfs daarnet wel vluchtig even over gesproken, maar tot iets concreets waren ze eigenlijk nog niet gekomen. Weifelend keken ze elkaar eens aan, niet precies wetend wat te zeggen en een beetje bang om hun mening te zeggen, omdat de anderen het daar wellicht helemaal niet mee eens zouden zijn. De commissaris keek eens vragend van de een naar de ander. Hij begreep best wat er in de jongens omging. Tenslotte was hij zelf ook nog eens net zou oud als dat viertal knapen dat daar een beetje draaiend en een houding zoekend voor hem stond.

Tenslotte was het tot verrassing van de andere drie Paul, die deze keer het woord nam namens hen vieren.

"Oom Ton was van plan geweest om naar Holland terug te gaan," zei hij. "Maar nu is er natuurlijk wel wat veranderd."

De commissaris knikte aanmoedigend.

"Hoelang hebben jullie nog vacantie?" vroeg hij belangstellend.

"O, nog bijna drie weken," zei Paul. "Wat dat betreft hebben we dus alle tijd nog. En ik weet natuurlijk niet, wat mijn vrienden er van denken, maar ik zou hier best nog een paar dagen in de omgeving willen blijven."

Drie jongenshoofden knikten instemmend, zij het na enige aarzeling.

"Het hangt er natuurlijk alleen van af welke berichten er uit het ziekenhuis komen," vond Gerard.

"Daar zullen we dan direct eens even naar vragen," zei de commissaris en meteen pakte hij de hoorn van het telefoontoestel dat naast hem op het bureau stond.

Met gespannen gezichten volgden de jongens het gesprek dat ze natuurlijk slechts van één kant konden volgen. Maar aan het knikkende hoofd van de commissaris alleen al hadden ze eigenlijk al voldoende.

Nadat die de hoorn weer op zijn plaats had gelegd, bleef hij een paar minuten nadenkend voor zich uit zitten kijken.

De jongens waagden het eerst niet om iets te vragen, maar toen ze zo een minuut of drie zwijgend hadden staan wachten, trok Paul de stoute schoenen toch weer aan.

"Weet U al iets?" vroeg hij een beetje overbodig.

Alsof hij niets had gehoord, streek de commissaris een paar keer even over zijn al kalende kruin alsof hij het nog niet helemaal met zich zelf eens was.

"Ja, laten we het zo maar doen," zei hij toen, alsof hij tegen zich zelf sprak.

Vervolgens wendde hij zich rechtstreeks tot de jongens. "Mijnheer, of oom Ton, zoals jullie hem geloof ik noemen, is het niet, is een kwartier geleden geopereerd."

"En?" viel Lex hem weinig vormelijk in de rede.

"Alles lijkt prima," zei de commissaris. "Ik had de chirurg zelf nog even aan het toestel, hoewel hij niet veel tijd had. Het was een vrij eenvoudige operatie, waar echt geen gevaar aan is verbonden tegenwoordig. Natuurlijk kunnen er zich alsnog onverwachte complicaties voor doen, maar naar menselijke berekening kan hij over een dag of tien al weer uit het ziekenhuis worden ontslagen en genezen verklaard."

"Gelukkig," klonk het uit vier monden tegelijk in zuiver onvervalst Nederlands.

Maar de commissaris had de verzuchting best begrepen.

"Inderdaad, gelukkig," zei hij glimlachend. "Maar daarmee zijn we nog niet gekomen aan het punt waar we eigenlijk naar toe wilden. Wat doen jullie in die tien dagen?"

"Dat weet ik echt niet," zei Paul als woordvoerder van het viertal. "Tien dagen is wel lang en bovendien weten onze ouders natuurlijk nergens van."

Allemensen ja, hun ouders! Daar had eigenlijk nog niemand ook maar een ogenblik aan gedacht! Natuurlijk moesten die ook op de hoogte gebracht worden van wat er allemaal was gebeurd; in elk geval van de ziekte van oom Ton.

"Daar gaat het ook om," zei de commissaris. "Kijk eens, het eenvoudigste is natuurlijk dat jullie gewoon met de trein naar huis gaan. Hebben jullie geld bij je?"

"Met zijn vieren komen we waarschijnlijk ongeveer aan tien mark," antwoordde Paul. "We zij met zijn drieën (hij wees op Lex en Gerard) samen acht mark vijftig rijk, en ik taxeer Rien ook op ongeveer twee mark."

Maar dat bleek enorm mee te vallen. Rien had van zijn ouders nogal royaal geld mee gekregen en bij inspectie van zijn portemonnaie kwam daar nog ongeveer tien mark uit te voorschijn.

"Niet slecht," vond de commissaris lachend. "Maar het lijkt me toch niet voldoende om er mee naar Nederland te reizen en ook niet om er nog een week mee rond te komen in Duitsland. Goed, dan zullen we het zo doen. Voor de komende nacht verzorg ik onderdak voor jullie. Morgen is oom Ton wel weer zo ver opgeknapt, dat hij ook zijn mening kan zeggen; dat lijkt me voor hem trouwens ook prettiger."

"Oom Ton heeft nog geld van ons in bewaring ook," zei Lex. "Ik weet niet hoeveel dat is, maar in ieder geval zouden we daar zeker nog wel een paar dagen van kunnen kamperen. Zoveel geld hebben we niet nodig."

"Voorlopig laten we het zo," besliste de commissaris. "Morgen gaan we de zaak overzien en gaan jullie met oom Ton praten. Hij zal het prettig vinden, te weten dat jullie alle vier nog in blakende welstand verkeren."

En zo gebeurde het inderdaad. De jongens kregen toestemming om nog een paar uurtjes de stad te bekijken, waar ze gretig gebruik van maakten. En de nacht brachten ze heel deftig door in een klein hotelletje, waar ze door een politieman heen werden gebracht. Niet als arrestanten deze keer, maar veeleer als gasten van de Duitse politie. Het was wel niet bepaald een chique gelegenheid, waar ze gebracht werden, maar ze vonden het toch maar machtig interessant om zonder geleide de nacht in een hotel door te brengen.

De volgende morgen mochten ze al vroeg een bezoek afsteken bij oom Ton, geheel buiten de normale bezoekuren in het ziekenhuis om.

Oom Ton zag er opgewekt uit. Misschien hield hij zich maar zo, maar hij verzekerde de jongens wel drie of vier keer dat hij zich prima voelde. Zijn enige zorg was nog geweest of hun gemeenschappelijke bezittingen wel veilig waren gesteld, maar in dat opzicht konden de jongens hem volkomen gerust stellen. Alles zat in of op de auto en die stond veilig in een garage bij het politiebureau.

De jongens lieten volgens afspraak het onderwerp van de voortzetting hunner vacantie zo lang mogelijk rusten. Ze hadden 's avonds besloten, oom Ton daar zelf over te laten beginnen, en als die het niet deed, bleven ze gewoon rond Aken bivakkeren en zouden ze hem alleen bij het afscheid nemen om wat geld vragen, opdat ze niet platzak kwamen te zitten. Maar zover liet oom Ton het niet komen.

"Ik vind het erg vervelend dat ik onze plannen zo in de war heb gegooid," zei hij, nadat ze zo een kwartiertje hadden gepraat. "Maar nu moeten we het er toch eens over hebben, wat ons nu verder te doen staat. Hebben jullie je al afgevraagd, hoe het nu verder moet?"

"Nee, nog niet," zei Lex aarzelend en niet geheel naar waarheid. "We wilden juist Uw mening daarover afwachten."

"Ja, kijk eens, ik zei al dat het prima gaat met me, maar dat houdt natuurlijk nog niet in, dat ik binnen een paar dagen het bed uit mag. Daarom is het eigenlijk de beste oplossing dat jullie nu op de trein stappen. Dan kom ik jullie wel achterna over een dag of tien of misschien veertien; dat hangt van de dokter af."

Vier gezichten knikten bedrukt. Ze hadden het al vermoed, dat oom Ton er zo over zou denken, maar toch waagde Lex het nog.

"We hebben nog bijna drie weken vacantie oom, dus wat dat betreft hebben we voorlopig echt nog wel even de tijd. Als wij met zijn vieren nu de tent eens nemen en die hier buiten Aken neerzetten. Dan kunnen we altijd over een paar dagen desnoods een week, nog wel eens weer kijken. Bovendien kunnen we U dan elke dag nog eens een keertje opzoeken. Anders heeft U misschien helemaal geen aanspraak tussen al die vreemde mensen."

"Handige jongen," zei oom Ton waarderend, "nu ga je op mijn gemoed werken, is het niet? Nu, vooruit dan maar, mijn zegen hebben jullie. Tenslotte zul je ook niet in zeven sloten tegelijk lopen, zoals dat oude spreekwoord dat zegt. Jullie moet me alleen beloven: ten eerste, dat je vandaag een telegram naar de familie in Holland stuurt en ten tweede, en dat is misschien nog veel belangrijker, dat je beslist bij elkaar blijft, ongeacht de omstandigheden. Als jullie dat belooft en tevens dat je elke dag even verslag uit komt brengen van de gang van zaken, dan heb ik verder geen bezwaar."

En zo gebeurde het, dat die middag een vrolijk viertal Hollandse jongens, zwaar beladen met allerlei spullen die ze de eerst komende week nodig dachten te hebben, in de directe omgeving van Aken, maar toch zo ver mogelijk afgekeerd van de drukte die die stad met zich mee bracht, een plekje zochten en vonden om hun tent op te slaan.

EINDE

 
R. Jager, circa 1958 - tekstverwerking door Evanes© www.peterjager.net 1999-2003